Ook in Suriname een vergelijkbare situatie.
(founder/owner website)
Opinie: Venezuela legt journalistiek manco bloot, we hebben Caribisch-Nederlandse journalistiek nodig
De huidige crisissituatie onderstreept een tekort in onze journalistiek: er is te weinig samenwerking tussen Europees-Nederlandse media en hun Caribische collega’s. Dit heeft grote gevolgen voor de kwaliteit van nieuwsvoorziening en controle van de macht in ons Koninkrijk.
Dit artikel is geschreven doorWensly Francisco en Joëlle TerburgGepubliceerd op 6 januari 2026
De afgelopen weken zagen we een toename in de berichtgeving over het Caribisch gebied. Het begon met bombardementen van de Verenigde Staten op boten in de Caribische Zee en met bijna-botsingen in het Curaçaose luchtruim. Vervolgens de aanvallen op Venezuela en de ontvoering van president Maduro en zijn vrouw. De gevolgen van het veranderde beleid van de VS in de regio worden steeds zichtbaarder. Gewoonlijk lezen we in Europees-Nederlandse media niet zo veel over het Caribisch deel van ons Koninkrijk: de eilanden Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten en Aruba, Bonaire en Curaçao. Maar door de ontwikkelingen in de geopolitiek en sport – Curaçao plaatste zich voor het WK voetbal van komende zomer – staan de eilanden sinds kort ineens in de journalistieke belangstelling.
Naast NOS-correspondent Dick Drayer zijn er echter geen vaste correspondenten en dus sturen verschillende media nu verslaggevers naar de eilanden. En dat is belangrijk, want de gebeurtenissen zijn zorgwekkend en hebben concrete effecten voor de inwoners van ons Koninkrijk. De instroom van Europees-Nederlandse journalisten legt echter wel een journalistiek manco bloot. In veel van de berichtgeving ontbreken lokale bronnen en expertise. De lokale stemmen die we horen zijn vaak vooral vox pops, ‘bezorgde burgers’ die toevallig op een strand lopen of in hun tuin zitten. Maar waar blijven de experts van Caribische komaf? De Europees-Nederlandse journalisten spreken bovendien meestal geen Papiaments, wat wel de voornaamste taal op Aruba, Bonaire en Curaçao is, en werken vaak zonder tolk, ‘want iedereen spreekt Nederlands’. Dit leidt tot een verschraling van de inbreng van lokale stemmen, die noodgedwongen op grote gebeurtenissen reflecteren in hun tweede (of derde) taal. Tot slot wordt er zelden samengewerkt door Europees-Nederlandse en Caribische journalisten.
Dit zijn tekortkomingen die bij een breed scala van media en titels merkbaar zijn. Het gaat ons dan ook om het patroon dat zichtbaar is en niet om individuele titels en redacteuren.
Journalistieke controle
Op 11 december 2025 schreef Wouter Veenendaal, bijzonder hoogleraar Koninkrijksrelaties aan de Universiteit Leiden, in de Volkskrant dat de Venezolaanse crisis een democratisch tekort in het Koninkrijk blootlegt. De ministers van Defensie en van Buitenlandse Zaken zijn nu namelijk primair verantwoordelijk om ook namens de autonome landen binnen het Koninkrijk – Curaçao, Aruba en Sint Maarten – op deze crisis te reageren. Maar de inwoners van deze eilanden stemmen niet voor de Nederlandse Tweede Kamer, die het werk van deze ministers controleert.
De huidige crisissituatie legt echter nog een ander deel van dat democratisch tekort bloot. De journalistiek heeft binnen een democratie een grote verantwoordelijkheid in het controleren van de macht. En hoewel Caribische journalisten solide verslag doen van de huidige gebeurtenissen, en lokale bestuurders bevragen op hun beleid, krijgt die lokale journalistieke expertise weinig ruimte in Europees-Nederlandse media.
Bovendien is de druk op Caribische redacties hoog: met bescheiden budgetten en kleine formaties, ontbreekt het vaak aan voldoende ruimte voor verdieping of onderzoeksjournalistiek. In deze situatie wordt het voor Caribische journalisten vrijwel onmogelijk om daarnaast ook nog Haagse politiek en beleid te onderzoeken. Terwijl in Den Haag óók wetten, regels en beleid worden gemaakt die consequenties hebben voor de Caribische eilanden in het Koninkrijk.
Cohesie
De Europees-Nederlandse journalisten die nu verslag doen op en over de eilanden, doen dat veelal op eigen houtje. Terwijl ze ook kunnen samenwerken met hun Caribische collega’s, die de situatie als geen ander kennen: ze hebben kennis van zaken, lokale sensitiviteit, het netwerk én de bronnen.
Emma Pullen, onderzoeker Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht en Glenn Thodé, voormalig gezaghebber van Bonaire en voormalig rector van de Universiteit van Aruba, betoogden dat we ons niet alleen moeten afvragen hoe we het Koninkrijk verdedigen met tanks en troepen. Hoe de gebieden aan weerszijden van de oceaan te verbinden, is de wezenlijke vraag. Hun antwoord daarop is: inzet op cohesie en communicatie.
Die cohesie en communicatie moeten vervolgens wat ons betreft niet alleen vanuit bestuurlijke en politieke gremia komen, maar juist ook vanuit de journalistiek. Daarvoor is het nodig dat Caribische journalisten middelen hebben om hun journalistieke taak te vervullen. Om daarin te voorzien, moeten redacties, politici, bestuurders en fondsen – zowel in Europees-Nederland als op de eilanden – kritisch kijken naar hun prioriteiten en de verdeling van middelen.
Ondertussen kunnen Caribische en Europees-Nederlandse redacties en journalisten al een belangrijke stap zetten: door samen te werken en de beschikbare middelen en het podium met elkaar te delen. Juist journalisten kunnen bijdragen aan een eerlijke en genuanceerde informatievoorziening. Want voor de versterking van de democratie in het gehele Koninkrijk, hebben we een gezamenlijke, Koninkrijksbrede, journalistieke cultuur nodig.
SURINAME
Is de vrije pers naïef?
Door Wahiri Jasi
maandag, 26 aug 2024 – 9:50 am
Toen ik gisteren met de afstandsbediening op televisie zocht naar interessante content, moest ik op gegeven moment hard op mijn remmen trappen en in ‘achteruit’ gaan. Ik zapte zo snel dat het een seconde of twee duurde voor dat mijn brein had verwerkt dat ik een bekende talking head had gezien. Ik had gelijk, want nadat ik drie kanalen terugschakelde, zag ik de minister van Openbare Werken Riad Noermohamed praten.
Misschien gaf hij nadere uitleg over zijn spraakmakende juridisch gevecht tegen een journalist, hoopte ik. Maar al snel kreeg ik door dat het de zoveelste herhaling was van de zwaar overtrokken, veel te dure, feestelijke ingebruikname van het houten bruggetje in de buurt van de I.P.J. Berkenveld MULO-school, in Paramaribo Noord. Misschien was de herhaling van dit item bedoeld als een PR-move na alle kritiek op de minister.
Er leek geen ontkomen aan de afgelopen dagen. De start van het kortgeding van Riad tegen Starnieuws/Nita Ramcharan en het spierballenwerk van de vrije pers, als reactie op de rechtszaak. Dat was misschien wel het hoogtepunt van het nieuws van de afgelopen week.

Het is algemeen omschreven als een niet-slimme aanval op de vrije pers, deze stap van de OW-minister. Een heel ding is het aan het worden, te midden van ontwikkelingen in de plannen voor de offshore oliewinning, de dood van pasgeboren kinderen in het AZP en de verschrikkelijke hitte. Maar het is totaal niet onterecht alle aandacht en de ondubbelzinnige reactie van de pers.
Ten eerste deze zaak lijkt verdacht veel op zaken, die democratisch gekozen regeringsmensen in andere landen aanspanden tegen media en journalisten en die later bleken te zijn het begin van twee processen: a: het muilkorven van de vrije pers en b: de uitholling van de democratie. Uiterst gevaarlijk spul dus. Begrijpelijk dat journalisten/verslaggevers hun tanden toonden.
Maar nu de vrije pers zich intimiderend heeft opgesteld gaan er, als dat beseft wordt of niet, ‘onzichtbare’ krachten loskomen. En tegen die krachten behoren alle leden van de media zich in te dekken. Het probleem is dat vermoedelijk een gevaarlijk groot deel van de vrije pers – ik zeg dit uit eigen ervaring – naïef is, te weinig weet, of onderschat de stille gevaren die serieuze aandacht verdienen. Ik neem daarom bij deze de vrijheid met wat praktische punten een handje te helpen.
1: onderschat niet de krachten die al zijn losgekomen met het vooruitzicht dat er straks (voor Surinaamse begrippen) onvoorstelbaar grote bedragen zullen binnenstromen, als eenmaal de offshore olie gaat vloeien. ‘Iedereen’ wil de baas zijn van het land wanneer die gigantische geldstromen op gang komen. Aangedreven door die krachten zijn sommigen – misschien meer personen en groepen dan we nu durven vermoeden – in 2024 al bereid over (baby) lijken te gaan.
2: Voor het wegen van het effect van de juridische stappen van Riad zit een deel van de belangrijkste informatie in de details. Waarom is hij voor zijn fel bekritiseerde voornemens niet teruggefloten of tegengehouden door leden van zijn partij of de regering? Antwoord: lees verder en vul dit zelf in.
3: Ook dit punt begin ik met een vraag: hoeveel journalisten/verslaggevers/mediahuizen hebben hun digitale communicatie en apparaten professioneel beveiligd met anti-spyware software? Antwoord: (waarschijnlijk) schrikbarend weinig. Het directe gevolg is dat elke onbeschermde mediawerker een gevaar is voor
a: zichzelf,
b: eenieder met wie hij/zij vertrouwelijke gesprekken voert
c: eenieder van wie hij/zij gevoelige informatie ontvangt.
d: het medium waar hij/zij voor werkt. e: collega’s. f: familie/gezinsleden en vrienden.
Tip: met een jaarabonnement, dat minder dan USD 100 kost, kunnen soms tot wel 70 apparaten beveiligd worden.
4: Zijn er nog mediawerkers die denken dat de leiding van dit land niet dagelijks en zoveel als mogelijk de vrije pers bespioneert en zijn leden in de gaten houdt? Elk lid van de media dat in 2024 nog zo naïef is om te denken dat het niet gebeurt, behoort met alle beschikbare middelen uit het vak gezet te worden.
Ter onderbouwing het volgende: vóór het digitale tijdperk waren er gemiddeld twaalf personen nodig om één individu 1×24 uur in de gaten te houden. Omdat we in 2024 voor een belangrijk deel leven via en met onze digitale apparaten is er nu slechts één krachtige computer nodig om 100.000 personen of een veelvoud daarvan automatisch 1×24 uur te volgen.
Het is absoluut GEEN TOEVAL dat de wereldwijde uitholling van de democratie, de opmars van autoritaire leiders en het bijbehorende muilkorven en onderdrukken van de vrije pers, samenvallen met de digitale revolutie. Sterker nog, ze gaan LETTERLIJK hand in hand. De Surinaamse geheime diensten beschikken al meer dan 10 jaar over de technische middelen en kennis om uitgebreid digitaal te spioneren.
5: Welk lid van de huidige regering had jarenlang als dagelijkse taak het volgen van gevaarlijk geachte personen en heeft zich tot nu toe stilgehouden in de zaak Riad vs de vrije pers? Het antwoord: doe zelf een beetje moeite en trek dan je conclusies. Hint: het effect van het bespioneren van mensen en achterhalen van hun diepste geheimen, werkt bijna net zo verziekend en verslavend als crack-cocaine. Je vertrouwt op termijn je eigen schaduw niet meer, maar ermee stoppen is bijna onmogelijk.
Tot slot: nu ik deze tips heb gegeven hoop dat als ik weer een keer aangeef dat ik aangevallen wordt door machtige personen, ik ook mag rekenen op ondersteunende spierballen en tanden van collega’s.
De Surinaamse pers: een grote maatschappelijke ramp
De afgelopen 10 jaar hebben wij als pers/media op de eerste rij gezeten tijdens de D-kwaliteit reality soapserie die heette ‘regering-Bouterse’, deel 1 en 2. Ik ga geen tijd besteden aan een soort van samenvatting over wat zich in die 10 jaar heeft afgespeeld. Het was niveauloos, weinig verheffend, destructief en ongekend beschamend.
Maar de balans die wij aan het einde moesten opmaken was dat het Desi Bouterse voor de vierde keer (sinds 1980) was gelukt om onze economie te ruïneren en om ons moreel ethisch uit te hollen, in naam van zijn ‘ideologie’. Het verschil met de voorgaande keren is dat het financieel gat dat is geslagen, ditmaal astronomische afmetingen heeft.
Hoewel het besef van wat Bouta weer eens heeft kunnen doen nog moet aankomen, is er een andere ramp die zich verder voltrekt: de Surinaamse pers. Sommige collega’s en niet collega’s weten dat ik de Surinaamse pers in belangrijke mate verantwoordelijk hou voor wat in de afgelopen 10 jaar en daarvoor, is gebeurd. Matig ontwikkeld, individueel zwakke persoonlijkheden, met een autoriteitgevoeligheid (iets dat geen enkele journalist mag hebben) waren de basis voor de rol die de pers heeft gespeeld.
En ondanks ik dit weet, is wat de pers nu doet, a whole new level van incompetentie en bizar. 2 voorbeelden: 1. Ex-minister Gilmore Hoefdraad, de spil in de vernietiging van onze economie, slaat als een ordinaire crimineel op de vlucht. En, terwijl hij op de vlucht is, stuurt Hoefdraad een ‘verklaring’ om tegen te spreken wat president Chandrikapersad Santokhi aan feiten onthulde.
En tot overmaat van ramp, de Surinaamse pers brengt die ‘verklaring’ ook nog, zonder Hoefdraad ook maar één vraag te stellen, zonder hem te dwingen een interview af te staan, zonder hem te confronteren met de zeer ernstige beschuldigingen. Hoefdraad heeft de pers (zijn dom hoertje) ordinair gebruikt om iets de ether in te slingeren en om Santokhi en zijn minister van Financiën tot leugenaars te degraderen.
Voorbeeld 2. Wat mij een aan een nachtmerrie grenzende verbazing heeft bezorgd, was de online massameeting die de NDP woensdag heeft gehouden, uitgerekend via een medium dat vaker als ‘vijand’ en vijandig is bestempeld in de afgelopen 10 jaar. Maar het ergste van alles is dat Bouterse, zonder nog maar één pittig interview te hebben afgelegd, zonder aan de tand te zijn gevoeld door één of meer journalisten met lef en ballen, zonder zich te hoeven verantwoorden voor de verschrikkelijke ravage die is aangericht, de kans krijgt zaken te roepen en te schreeuwen.
De vrije pers gaf Bouterse drie weken (mi Gado, mi Jezus DRIE WEKEN!) nadat de nieuwe regering, temidden van zijn ravage en het bankroet van de staat is aangetreden, de ruimte om laf te schoppen tegen de schenen van Santokhi en zijn team, en de inventarisatie van de historische vernietiging van ons land, is nog maar net begonnen. Wat een ramp met onze pers/media. T’is om van te huilen en je voor te schamen!
Bouterse mag en moet de kans krijgen te praten. Dat recht is, als ex-dictator en uitgesproken machtspoliticus, totaal niet zijn verdienste. Het staat in de grondwet dat elke burger zich mag uiten, dezelfde grondwet die Bouterse openlijk respectloos behandelde. Maar Bouterse heeft meer dan elke andere burger de verplichting eerst te komen uitleggen wat er is gebeurd.
De pers heeft nu een belangrijke keuze te maken: 1 gaan wij ons gedragen naar de eisen van ons vak, of 2. kiezen wij ervoor niets meer te zijn dan domme doorgeefluiken van goedkoop, niveauloos en destructief volkstheater? Tot nu toe hebben wij (bij meerderheid) gekozen voor optie 2: doorgeefluiken zijn van goedkoop, niveauloos en destructief volkstheater.
Bouterse mag praten, maar alleen nadat hij in interviews, met uiterst kritische journalisten, komt uitleggen in welke hel hij ons weer heeft gesleurd. Als hij dat weigert te doen, moet Bouterse zijn mond eindelijk eens houden. De vrije pers mag Bouterse geen podium meer geven, voordat hij verantwoording aflegt. Een belangrijke hint: Bouterse’s grootste angst nu is dat hij niet meer gehoord zal worden. Pers, daarmee heeft u een hele sterke onderhandelingspositie als Bouterse de media weer nodig heeft.
Collega’s, jij bent de baas, en jij bepaalt, niet Bouterse. Niet meer! Wij moeten de verhaallijn bepalen. Dit mogen en moeten wij doen, namens het volk. Wij journalisten mogen niet meer het hoertje zijn van politici. Pas dan zal het volk iets aan ons hebben als de vierde macht. Anders zijn de vrije pers en de media niets meer dan een maatschappelijke ramp, en de ingrediënten voor een heerlijke, domme brafu voor Bouta.
