Erwin de Vries overleden (88) | Public Nieuws
 
 
 
Fernald: Vervolg Onderwijsministers 1984-1996 (slot)
 

20 Nov, 2020, 04:44

foto

                                                                                                                   Ivan Fernald 

 

Allan Li Fo Sjoe trad in 1984, op voordracht van de vakbeweging, aan als minister van Onderwijs in het kabinet Udenhout (1984-1988). Hij heeft ten tijde van het militaire bewind, ook gediend in de kabinetten Radhakisun en Wijdenbosch. In de periode van zijn ministerschap werd hij met een ernstig incident geconfronteerd, toen militairen het schoolterrein Havo-1/ Mr. dr. J.C. de Miranda Lyceum bestormden en insloegen op studenten. De minister betreurde het brute optreden van manschappen van het Nationaal Leger tegen betogende studenten en hij verzekerde dat zulks zich niet zou herhalen.

 
Li Fo Sjoe was een kundige minister die een goede communicatie onderhield met het onderwijsveld. Daardoor kon hij voldoende draagvlak creëren voor zijn beleid en werd hij alom gerespecteerd. Vermeldenswaard is dat hij van 1987- 1989, lid was van de Executive Board van de UNESCO en ook van het Internationaal instituut voor het hoger onderwijs in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (2000 – 2005). In 2005 werd Allan Li Fo Sjoe (wnd.) voorzitter van het bestuur van de AdeKUS en in 2009 ontving hij een eredoctoraat.

Pierre van Mulier (1991)

De telefooncoup die zich tijdens de kerstnacht 1990 voltrok, maakte een eind aan het ministerschap van Ronald Venetiaan. De keuze van Mulier voor het ambt van minister was verrassend, omdat hij niet bekend stond als ideologische aanhanger van Bouterse. Wij moeten namelijk in beschouwing nemen dat na een ongrondwettelijke machtsovername meestal getrouwen in stelling worden gebracht. Zijn vriendschap met Jules Wijdenbosch zou mogelijk een rol hebben gespeeld. Pierre van Mulier was bedachtzaam in zijn optreden en had een open relatie met het onderwijsveld. Hij heeft enkele maanden de scepter gezwaaid bij het ministerie van onderwijs en legde zich vooral toe om het bestuursapparaat draaiende te houden.
 
Cornelis A.F. (Cor) Pigot
Energiek, analytisch en ook begiftigd met de nodige humor. Dat zijn eigenschappen die Cor Pigot typeren. Vanwege zijn haarscherpe analyses weet hij vrij snel tot de kern van de zaak door te dringen. Naast de reguliere zorg van het onderwijs wist hij tijdens zijn ministerschap simultaan ontwikkelingen op gang te brengen. Zo ontwierp hij het rehabilitatieplan fysieke infrastructuur in het binnenland. De Binnenlandse Oorlog had een ravage aangericht aan de infrastructuur. Scholen en onderwijzerswoningen waren vernietigd, waterpompen en lichtaggregaten waren ontvreemd, wegen en bruggen waren beschadigd. Leerkrachten waren de oorlogsgebieden ontvlucht.
 
Cor Pigot was van 1982-1988 onderdirecteur op het IOL. In die hoedanigheid werd hij voorzitter van de Evaluatiecommissie IOL. Vervolgens werd hij benoemd tot voorzitter van het bestuur van het IOL. Hij is ook nauw betrokken geweest bij de ontwikkelingen van de Universiteit getuige het feit dat hij van 1988-1990 zitting had in het bestuur van AdeKUS en in het laatste jaar zelfs in de functie van ondervoorzitter van het bestuur. Pigot heeft zich niet alleen verdienstelijk gemaakt op leidinggevend gebied en als organisator, maar hij heeft zich ook geprofileerd als visionair en vernieuwer. Zo heeft hij belangrijke impulsen gegeven voor innovaties op het IOL. Cor Pigot heeft ook vakinhoudelijke vernieuwingen doorgevoerd. In het bijzonder komt dit tot uiting in de vakonderdelen Milieu en Stadsgeografie op de MO-B opleiding Aardrijkskunde IOL.
 

Gerhard Otmar Hiwat zette met voortvarendheid het beleid van Cor Pigot voort in de periode 1991-1996. Hiwat was ten tijde van het ministerschap van Pigot, senior beleidsadviseur op het ministerie en hij had menig project met wiskundige precisie voorbereid. Ingrijpende besluiten nam hij pas, nadat alle facetten in beschouwing waren genomen. Gerhard Hiwat had een goede verstandhouding met het VOS-directeurenberaad. Hoe kan het ook anders; hij kwam uit hun gelederen voort. Hij had zijn sporen immers eerder verdiend als directeur van de Algemene Middelbare School, afgekort AMS, in de periode 1980-1991. In 2001 werd Hiwat ambassadeur in Brussel. Hij heeft zich o.a. sterk gemaakt voor een samenwerkingsverband op onderwijsgebied met Vlaanderen (België). Dat heeft onder meer geresulteerd in een stedenband Kortenberg en Blauwgrond waaruit een computerproject voor IMEAO Geyersvlijt is voortgekomen.

Veel werk te verzetten

45 jaar staatkundige onafhankelijkheid noopt tot bezinning. Wat is er van onze schone idealen overgebleven? In welke mate wordt onderwijs ingezet ter realisatie van de nationale ontwikkeling? Indien de data en onderwijsindicatoren op hun merites worden beschouwd geeft zulks reden tot ernstige bezorgdheid. De kwaliteit en de doorstroming laten te wensen over. De aanstelling van minister Marie Levens geeft hoop, omdat zij kennis van zaken heeft. Een belangrijke voorwaarde voor succes is dat het ministerie institutioneel aanzienlijk versterkt wordt.
 
De overige vier delen:
Deel 1: Srefidensi en Onderwijs
Deel 2: Markante persoonlijkheden in Onderwijs
Deel 3: Coryfeeën van weleer, tijdvak 1963- 1993
Deel 4: Coryfeeën van weleer: Ministers
 
 
Fernald: Coryfeeën van weleer: Ministers (4)
 

19 Nov, 2020, 02:47

foto

 Ivan Fernald 

(Tijdvak 1969-1984)  

 
Suriname mag zich beroemen op gezaghebbende, visionaire onderwijsministers, die op hun beurt ondersteund werden door bekwame ambtenaren. Deze leidinggevende functionarissen op het ministerie van Onderwijs waren stuk voor stuk bekwame en gedreven mensen.
 

Radjnarain Mohanpersad Nannan Panday, onderwijsminister 1969-1971

Hij was onderwijsminister in de periode 1969-1971. Voorafgaande aan zijn ministerschap was hij hoofd van het bureau Volksontwikkeling en Volksvorming van het departement van Onderwijs en Volksontwikkeling en tevens adviseur bij het Planbureau. Hij is ook van 1964-1967 en 1973-1977 parlementariër geweest. Vermeldenswaard is dat Nannan Panday vanaf 1968 tot heden (2020) leiding geeft aan de religieuze organisatie Sanatan Dharm.
 
Jnan Hansdev Adhin, Onderwijsminister 1971-1972
Jnan Hansdev Adhin is een intellectueel van formaat geweest. Hij behaalde een bachelor of arts in filosofie en vergelijkende taalwetenschap, en drie doctoraaldiploma’s (niet-westerse sociale wetenschappen, wijsbegeerte (met hoofdvak pedagogiek), politieke en sociale wetenschappen) en de meestertitel in Nederlands Recht. Jnan Adhin was ronduit briljant en promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen cum laude in de economische wetenschappen met het proefschrift ‘Development Planning in Suriname in Historical Perspective’ (1961). Hij was minister van Justitie en Politie van 1964-1967 en 1969-1973, maar hij vervulde in deze laatstgenoemde zittingsperiode ook het ambt van minister van Onderwijs. Hij was voor enige tijd directeur van het Bureau Volkslectuur en het Taalbureau en onderwijsinspecteur. Jnan Adhin wordt ook alom gewaardeerd voor de wijze waarop hij gefunctioneerd heeft in het parlement. Met enkele korte tussenpozen was hij van 1963 tot 1980 parlementariër.
 
Frits Mitrasing, onderwijsminister van 1972-1973
Mitrasing was onderwijzer voordat hij besloot om voor verdere studie af te reizen naar Nederland. In 1952 slaagde hij voor het doctoraalexamen Nederlands Recht en op 1 juli 1959 promoveerde hij tot Doctor in de Rechtsgeleerdheid op een dissertatie: ‘10 jaar Suriname, van afhankelijkheid tot gelijkgerechtigdheid’. Vanwege zijn kennis en bekwaamheden werd hij in 1971 hoogleraar aan de Juridische faculteit van de Universiteit van Suriname. In 1973 werd hij gekozen tot parlementariër. Vermeldenswaard is dat Frits Mitrasing medeoprichter is van de Hindoestaans-Javaanse Politieke Partij (HJPP). Uit deze partij is de huidige VHP (Vooruitstrevende Hervormingspartij) voortgesproten.
 
Harold Hubert Rusland (1980-1982)
Hij is niet alleen een verdienstelijke minister van onderwijs geweest, maar heeft ook zijn sporen verdiend in de vakbeweging. Zo is hij voorzitter geweest van de Christelijke Onderwijzersbond (COB-Broederschap), president van de FOLS (Federatie van Organisaties van Leerkrachten in Suriname) en de eerste voorzitter van de Centrale voor Landsdienaren Organisaties (CLO). In 1973 werd Harold Rusland gekozen tot lid van de Staten van Suriname. Van 1980-1982 was Rusland minister van Onderwijs in de kabinetten Chin a Sen en Neijhorst.
 
Harold Rusland is pragmatisch in zijn benadering. Vanaf 1986 tot heden (2020) heeft hij zich verdienstelijk gemaakt als ondervoorzitter van de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname. Na zijn pensionering is hij menigmaal gevraagd om als bemiddelaar op te treden bij hoogoplopende conflicten, waarbij de standpunten tussen partijen ver uit elkaar lagen en de kloof onoverbrugbaar leek. Hij is doorgaans in staat geweest om duurzame compromissen te sluiten.
 

Glenn Baldjiet Sankatsing, onderwijsminister 1983-1984

Hij had de moeilijke taak om richting te geven aan het onderwijs in de periode na de 8-decembermoorden, toen de dictatuur hoogtij vierde. Glenn Sankatsing heeft veel imagoschade opgelopen door in een omstreden brief van 11 januari 1983 aan de OAS, de standrechtelijke executies, voorafgaande aan folteringen, te ontkennen. Overigens ondertekende hij de brief in de hoedanigheid van plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken van het militaire bewind in Suriname.
 
Sankatsing vond dat het onderwijs nog te veel op Nederland gericht was. Daarom creëerde hij een speciaal orgaan dat democratiseringsactiviteiten binnen het Surinaams onderwijs moest coördineren. De afdeling Historische en Maatschappelijke Studies had de taak om het geschiedenisonderwijs verder te vernieuwen en de geschiedenis van Suriname te onderzoeken en te herschrijven.
 

In oktober 1983 werd de universiteit van Suriname omgedoopt tot de Anton de Kom Universiteit en de belangrijke taak meegegeven “om de universiteit blijvend in te zetten voor de bevrijding van ons land en de opbouw van een rechtvaardige samenleving, vrij van uitbuiting en onderdrukking, zoals Anton de Kom zich heeft ingezet”, aldus onderwijsminister Sankatsing (Anton de Kom Universiteit van Suriname 1986: 11).

 
 
Fernald: Coryfeeën van weleer, tijdvak 1963- 1993 (3)
 

18 Nov, 2020, 05:41

foto

 Ivan Fernald 

Suriname mag zich beroemen op gezaghebbende, visionaire onderwijsministers, die op hun beurt ondersteund werden door bekwame ambtenaren. Deze leidinggevende functionarissen op het Ministerie van Onderwijs waren stuk voor stuk bekwame en gedreven mensen.

 
Ronald Venetiaan was de meest gezaghebbende politicus van zijn tijd. Tot driemaal toe, respectievelijk in 1973, 1977 en 1987, werd hij beëdigd als minister van Onderwijs. In 1980 en 1990 kwam er een voortijdig einde aan zijn ambtstermijn vanwege ongrondwettelijk gewapende militaire agressie in de vorm van een staatsgreep. Ronald Venetiaan heeft bovendien ook driemaal het ambt van president van de Republiek Suriname bekleed.
 
De verdiensten van Venetiaan zijn indrukwekkend. Hij is in staat geweest om het machtsvraagstuk op te lossen door de invloed van de militairen terug te dringen. Vervolgens heeft hij samen met financieel-monetaire deskundigen, waaronder André Telting en Humphrey Hildenberg, Suriname vrij snel uit de financieel-economische crises geleid. In de periode van zijn ministerschap heeft Ronald Venetiaan vernieuwingen doorgevoerd c.q. voorbereid op vrijwel alle niveaus van het onderwijs. In 1979 is er door Unesco een rapport ‘Prospect and Analysis’ uitgebracht. Dit heeft geresulteerd in het Surinaams onderwijsplan: ‘Preparing for Change’.
 
Albert Cameron heeft bijzondere erkenning gehad voor zijn daadkracht als minister van onderwijs in de periode 1963-1967. ‘Het Albert Cameron instituut’ (ACI), de opleiding voor leerkrachten in het kleuteronderwijs, is naar hem vernoemd. Het is teleurstellend dat het MinOWC in 2018 heeft besloten dit instituut te sluiten, tot groot ongenoegen van docenten en studenten. Zij hebben samen met de Bond van Leraren op 8 augustus 2018 een protestactie gehouden en gepleit voor behoud van dit onderwijstype. Deze actie heeft het MinOWC echter niet kunnen overtuigen om van zijn voornemen af te zien. Het ACI ging op in het Surinaams Pedagogisch Instituut.
 
Het is natuurlijk prijzenswaardig dat vernieuwingen in het onderwijs worden doorgevoerd, maar men moet zich er wel rekenschap van geven dat de naam: ‘Albert Cameron’ historische en emotionele waarde herbergt. Door de sluiting van de school gaat de naamgeving verloren en wordt afbreuk gedaan aan een historisch erfgoed. Ik pleit ervoor dat de naam behouden blijft en de gefuseerde instelling te noemen: ‘Albert Cameron Pedagogisch Instituut’.
 
Ewald Purcy Meyer begon zijn politieke carrière in 1963, toen hij gekozen werd in de Staten van Suriname (het toenmalige parlement). Op 1 mei 1965 volgde zijn benoeming tot directeur van de Kweekschool voor Onderwijzeressen A (ACI). In 1967 werd het ministersambt hem aangeboden in het tweede kabinet onder leiding van premier Johan Adolf Pengel. Hij heeft de scepter op het ministerie gezwaaid tot 1969. Minister Meyer was een man met leiderschapskwaliteiten. Op 1 september 1975 werd hij aangesteld als directeur van het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling. Hij werd op 1 juli 1980, op last van het militair gezag, ontheven uit zijn functie.
 
Ewald Meyer liet zich niet vermurwen, maar bleef zich in andere functies inzetten voor het onderwijs. Zo was hij o.a. coördinator van de propedeuse op de Anton de Kom Universiteit. Ewald Meyer werd in 1986 gedelegeerd lid van de Raad van Toezicht van het Instituut voor Opleiding van Leraren (I.O.L), waarvan hij in de loop van 1987 tot zijn dood was belast met de dagelijkse leiding. Vanwege zijn speciale verdienste voor het onderwijs is een vwo-school naar hem vernoemd, te weten: het Ewald P. Meyer Lyceum.
 
Hein Eersel (Christiaan Hendrik Eersel) Neerlandicus, linguïst, meester in de taal en de Surinaamse cultuur. Hein Eersel was minister van Onderwijs en Volksontwikkeling in het zakenkabinet onder leiding van Arthur May van maart t/m november 1969. In deze korte periode waarin Hein Eersel de scepter zwaaide op het ministerie hebben enkele markante gebeurtenissen plaatsgevonden. Zo is in het kader van Internationale samenwerking een overeenkomst met het Summer Institute for Linguistics voor taalwetenschappelijk onderzoek in Suriname gesloten.
 
Hein Eersel werd in 1968 de eerste kanselier van de Universiteit van Suriname. In 2003 ontving hij een eredoctoraat van de faculteit der Maatschappijwetenschappen van de Anton de Kom Universiteit van Suriname. Zijn verdienste voor Onderwijs en cultuur strekt zich ook uit in de periode na zijn ministerschap. Oom Hein, zoals hij liefkozend en respectvol wordt genoemd, heeft met zijn gedichten, boeken en lezingen sterke impulsen gegeven voor de culturele bewustwording van Surinamers. Hein Eersel heeft een bijzondere bijdrage geleverd aan ‘Sranan Akademya’, een organisatie die het Sranan en de Afro-Surinaamse cultuur uitdraagt. In 2009 werd hem de ‘Gaanman Gazon Matodja Award’ uitgereikt.
 
Fernald: Markante persoonlijkheden in onderwijs (2)
 

17 Nov, 2020, 04:41

foto

                                                                                                                      Ivan Fernald 
(Een greep uit het tijdvak: 1963-1996)

Onderwijs moet in de maatschappelijke context beschouwd worden. Diverse onderwijsministers van voor en na de onafhankelijkheid, maar ook in en na de periode van de militaire dictatuur, hebben waardevolle ontwikkelingen op gang gebracht.

Elke minister van onderwijs heeft getracht om zijn of haar taak naar behoren te verrichten. De beschikbare middelen waren beperkt en veel ministers moesten onder minder gunstige omstandigheden functioneren. Daarom moesten er verstandige beslissingen genomen worden en de besteding van de gelden diende op een verantwoorde manier te geschieden. Elke minister heeft ‘gestaan op de schouders van zijn of haar voorganger’. Dit impliceert dat sommige ministers uitgevoerd hebben wat anderen eerder hadden voorbereid. In enkele gevallen zijn echter prachtige initiatieven en waardevolle instituties door het daaropvolgend regiem de grond ingeboord. Wij zien soms opmerkelijke prestaties die alleszins de moeite waard zijn om te memoreren. Er is door mij een selectie gemaakt uit de groep van ministers die gediend hebben in de periode 1963-1996. Deze ministers liggen wat verder weg in ons geheugen, maar zij hebben onmiskenbaar een positief effect gehad op het onderwijs in Suriname. De periode is afgebakend en daardoor blijven de verdiensten van ministers die met de scepter gezwaaid hebben vóór 1963 en na 1996, onbesproken.

Waarom is er speciaal voor de periode 1963-1996 gekozen?

Het kabinet Pengel, dat aantrad in 1963 wordt alom gekarakteriseerd door een hoge mate van dynamiek, die o.a. tot uiting kwam in vernieuwingen en investeringen in het ontwikkelingspotentieel. In deze periode is de Universiteit opgericht, de stuwdam opgeleverd, sociale woningbouw op grote schaal van start gegaan, de eerste Surinaamse indoor sporthal gebouwd (Ismay van Wilgen) en werd SOSIS aan de samenleving geschonken.

Het jaar 1996 markeert de introductie van het internet, dat voor een stormachtige technologische ontwikkeling heeft gezorgd. Een nieuw tijdperk was aangebroken. Nieuwe maatschappelijke behoeften hebben geresulteerd in nieuwe banen. Dit heeft druk gelegd op diverse onderwijscurricula. Landen die hun onderwijs niet hebben afgestemd op de arbeidsmarkt, hebben niet tijdig kunnen inspelen op deze veranderingen.

Verworvenheden
In enkele artikelen worden kernachtig opvallende ministers belicht, die in de periode 1963-1996 hebben gediend. Als toetsingscriteria voor de selectie van ministers zijn gehanteerd leiderschap en realisaties, geconcretiseerd naar: onderwijsinhoudelijke veranderingen, structuurwijzigingen, transformatie, institutionele versterking en infrastructurele investeringen.

Er is er niet voor gekozen om de verworvenheden per minister aan te geven, omdat die in bepaalde gevallen niet op het conto van slechts één minister geschreven kunnen worden. Daarbij zou ik ongewild één of meerdere ministers te kort doen.
Het vereist research om de volle omvang van de wapenfeiten te overzien en daaruit een selectie te maken. Toch is het interessant om een selectie, zij het summier, van noemenswaardige verworvenheden van alle ministers in het tijdvak 1963-1996, de revue te laten passeren. Deze zijn:
1. Vernieuwingen van het kweekschool onderwijs en versterking van het inspectie apparaat.
2. Invoering van het Lager Technisch Onderwijs.
3. Vernieuwingen op alle onderwijsniveaus en Introductie van de classificatie van het onderwijs na het glo in voj, vos en hoger onderwijs.
4. Oprichting van de Middelbare Technische School (MTS), dat later is vervangen door het Natin (Natuurtechnisch Instituut)  
5. Oprichting van het Didactisch Instituut dat naderhand vernoemd is tot het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL);.
6. Oprichting van de Universiteit van Suriname en geleidelijke uitbreiding van de faculteiten; Introductie van de Agogische opleidingen aan de UVS;
7. Opname van het buitengewoon onderwijs, later speciaal onderwijs genoemd, in de onderwijsstructuur en de oprichting en versterking van het Pedologisch Instituut;
8. Vaststelling van schoolgeld en collegegeld (niet te verwarren met inschrijfgeld) op nul gulden, voor alle niveau’s van het onderwijs;
9. Hervorming en beter faciliteren van het onderwijs in het binnenland, met als specifieke maatregelen de afschaffing van de opleidingen voor hulponderwijzersakte en boslandakte en van de rang van districtskwekeling;
10. Ontwerp van een herstelplan onderwijs;
11. Inlopen achterstallig onderhoud fysieke infrastructuur en apparatuur.
•    Herstel van de schade aan het onderwijs in het binnenland.
•    Inhalen achterstand leermiddelen
12. Inhalen achterstand bibliotheken;
13. Afstemming beroepsonderwijs en bedrijfsleven en aanpassing curricula;
14. Studiefinanciering studenten in het buitenland (De focus werd verlegd van Nederland naar Brazilië, Cuba en andere landen in de regio)
15. De eerste stappen voor partiële verzelfstandiging van vos-scholen, in de vorm van volledig beheer van klein onderhoud.

 
Ivan Fernald: Srefidensi en Onderwijs (1)
 

16 Nov, 04:41

foto

                                                                                                                    Ivan Fernald 

 

 

In het kader van de herdenking van 45 jaar Staatkundige onafhankelijkheid is het goed om stil te staan bij het onderwijs. In een 5-tal artikelen werpt Ivan Fernald een blik terug op de periode rond de onafhankelijkheid. Hij geeft aan dat onderwijs in maatschappelijk perspectief beschouwd moet worden. Ivan Fernald belicht ook enkele markante persoonlijkheden die hun sporen verdiend hebben in de periode voor en na de onafhankelijkheid.

Het menselijke potentieel is van onschatbare waarde voor de ontwikkeling van ons land. Educatie is het belangrijkste instrument om kennis te vergaren en vaardigheden te ontwikkelen. Dit is nodig om beter toegerust te zijn om de hedendaagse en toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. De mens beschikt over kennis, creativiteit, sociale en persoonlijke vaardigheden die van onschatbare waarde zijn voor de economische en sociale ontwikkeling.
De essentie is om kennis optimaal te benutten ter realisatie van welvaart en welzijn. Daarom moeten er keuzes gemaakt worden met betrekking tot de inzet van het menselijke kapitaal en de benutting van onze natuurlijke hulpbronnen voor de ontwikkeling van ons land.

Wij moeten slim zijn en investeren in geïdentificeerde deviezen genererende sectoren. Daartoe behoren mijnbouw maar ook duurzame industrieën zoals de dienstensector, toerisme, ICT en bosbouw. De exploitatie van de rijke olievoorkomens voor onze kust vraagt specifiek deskundig kader. Wij moeten ons realiseren dat er ook kansen liggen voor toeleveringsbedrijven. Het is dus van belang dat er weloverwogen geïnvesteerd wordt in het opleiden van eigen kader om ontwikkelingspotenties ten volle te benutten.

Verantwoordelijk voor eigen ontwikkeling

De Staatkundige onafhankelijkheid (Srefidensi) is een historische gebeurtenis omdat in 1975 de soevereiniteit volledig in Surinaamse handen werd overgedragen. Het Surinaamse volk droeg vanaf dat gedenkwaardig moment, de volle verantwoordelijkheid voor haar eigen ontwikkeling. Wat wij moeten realiseren is, dat wij een gemeenschappelijke toekomst hebben. Het is dus van belang dat iedere Surinamer zich hiervan rekenschap geeft en dat wij verder samenbouwen aan een welvarend Suriname waar het goed vertoeven is.

Een terugblik
Het onderwijssysteem  heeft rond de onafhankelijkheid voldaan aan de verwachtingen en zelfs internationale bekendheid verworven. Aansluiting op gerenommeerde onderwijsinstellingen in het buitenland was, voor hier opgeleide studenten, hoegenaamd geen probleem. Afgestudeerden van de AMS, maar ook van onze Surinaamse Kweekschool en het Algemeen Pedagogisch Instituut hebben succesvol, zonder noemenswaardige problemen, hun weg gevonden naar vervolgopleidingen in Nederland, België maar ook in landen in de regio zoals Trinidad, Cuba en de Verenigde Staten van Amerika.

De kennisinhoud en het curriculum waren afgestemd op de toenmalige behoeften die de maatschappij stelde. De didactische werkvormen voldeden aan de eisen om de belangstelling gaande te houden. Volgens oud inspecteurs van onderwijs was het gezag voor de leerkracht (meester) zeer groot. Suriname heeft uitstekende onderwijsgevenden gehad. De leraar stond in hoog aanzien. Het bezit van de hoofdakte, was destijds niet voor iedereen weggelegd. De kennis en vaardigheden van de volledig bevoegde onderwijzers, waren werkelijk bewonderenswaardig.

De tijdgeest

Om de bewegingen in het onderwijs te begrijpen moet de periode waarin het een en ander plaatsvindt, worden beschouwd. Het einde van de 2e Wereldoorlog markeert een drang naar meer autonomie en een groeiend nationalisme. Suriname nam kennis van het feit dat wereldwijd in rap tempo het een na het ander geknecht land zich ontdeed van zijn kolonisator. Deze ontwikkelingen hebben als inspiratiebron gegolden om in zelfstandigheid te bouwen aan een welvarende natie. Dat heeft het onderwijs niet onberoerd gelaten.

De onderwijshervormingen die toen plaatsvonden moeten in dat licht bezien worden. Ons onderwijs mag wellicht gestoeld zijn geweest op het Nederlandse systeem, maar het kan niet betiteld worden als een ‘dependance’ van het Nederlandse onderwijsstelsel. Er werd getracht om de programma’s in lijn te brengen met de specifieke behoeften van ons land. Wij hadden onze eigen examens in tegenstelling tot veel landen in de Caricom, die nog de examenregeling hanteerden van het Verenigd Koninkrijk (Engeland).

De torenhoge verwachtingen die wij ten tijde van de onafhankelijkheid koesterden zijn, gezien de huidige staat van ons onderwijs, niet bewaarheid geworden. De jonge Republiek Suriname heeft zware beproevingen doorstaan en traumatische gebeurtenissen, waarvan de ‘littekens’ nog zichtbaar zijn, zijn ons niet bespaard gebleven. Het Surinaamse volk is in haar korte geschiedenis helaas niet bespaard gebleven van rampspoed en destructie. De militaire dictatuur, het gewapende binnenlands conflict, hebben diepe wonden geslagen in de samenleving. Daarbij moet eveneens in beschouwing genomen worden de financieel economische ravage, die door het wanbeleid in 2010-2020 is aangericht. Het zal pijnlijke offers vergen van de Surinaamse samenleving om de economie weer op het goede spoor te zetten.