Civil Law versus Common Law

In het privaatrecht bestaan er in de wereld grofweg twee grote rechtssystemen: het Civil Law systeem en het Common Law systeem. Wat is de oorsprong van deze rechtssystemen? Hoe werken ze? Wat zijn de belangrijkste verschillen en overeenkomsten? En hebben de verschillen gevolgen bij het gebruik van bepaalde termen in het juridisch Engels? Ik leg het je in dit artikel graag uit.

Civil Law

Civil Law, de Engelse benaming voor continentaal recht, is een rechtsstelsel dat zijn oorsprong heeft in het Romeinse recht.

Het Civil Law systeem is voornamelijk gebaseerd op het wetboek: schriftelijk vastgelegde (gecodificeerde) wetten en regels die door de overheid worden opgelegd. De rechter in een zaak is in principe gebonden aan die wetten en regels. Alleen als het wetboek geen oplossing biedt voor de voorliggende zaak, maakt de rechter gebruik van de uitspraken in andere zaken (dat noemen we jurisprudentie). De rechter kan dan de bestaande wet op verschillende manieren interpreteren en daarbij gebruikmaken van de jurisprudentie.

Het continentaal recht wordt voornamelijk toegepast op het Europese vasteland, maar ook in Latijns-Amerika en delen van Afrika en Azië.

Common Law

Common Law is een rechtsstelsel dat in Engeland is ontstaan en zijn oorsprong heeft in het gewoonterecht.

Het gewoonterecht is het recht dat – de naam zegt het al – is gebaseerd op gewoonten die van generatie op generatie worden doorgegeven. Binnen het Common Law systeem spreken rechters recht op basis van dit gewoonterecht, aangevuld met algemene rechtsbeginselen. Wetten bestaan wel, maar de invloed ervan is binnen het Common Law systeem beperkt.

De belangrijkste rechtsbron in het Common Law systeem is dus niet het wetboek, maar de rechtspraak (case law). Als je het Common Law systeem wilt leren kennen, kun je dus niet volstaan met kennis van de literatuur, maar zul je je in de cases moeten verdiepen. Daarin kun je, voortschrijdend van precedent tot precedent, de rechtsontwikkeling traceren.

Het Common Law systeem wordt toegepast in Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Australië, India en delen van Afrika.

Civil Law versus Common Law

Het belangrijkste verschil tussen Civil Law en Common Law is dus de plaats die de wet en de rechter in het systeem innemen. In het Civil Law systeem is de wet de voornaamste rechtsbron en is de rechter in principe aan die wet gebonden. In het Common Law systeem heeft de rechter veel meer vrijheid, en neemt hij een belangrijkere plaats in dan in het Civil Law systeem. Daarom wordt ook wel gesproken van ‘rechtersrecht’: de rechter heeft binnen het Common Law systeem niet alleen de functie om het conflict op te lossen, maar ook de functie om het recht te vormen.

Er zijn ook overeenkomsten tussen de twee rechtssystemen: de functie van het vermogensrecht is in beide tradities namelijk hetzelfde. Daarnaast zijn ook de sociaal-economische verhoudingen, waarop het privaatrecht een juridische reactie vormt, niet of nauwelijks verschillend.

We kunnen daarom concluderen dat beide systemen hetzelfde beogen, maar dat de leidraad waarlangs een zaak moet worden opgelost in beide rechtssystemen anders is.

https://christinekhan.nl/de-rechtspraktijk/civil-law-versus-common-law/

Leden Staatsraad beëdigd

14/09/2020 16:08 – Van onze redactie

Leden Staatsraad beëdigd

 

PARAMARIBO – In de Congreshal zijn de vijftien leden van de Staatsraad maandagmiddag beëdigd door president Chandrikapersad Santokhi, die ambtshalve voorzitter is van dit orgaan. Alle politieke partijen die zijn vertegenwoordigd in De Nationale Assemblee zitten in de Staatsraad, aangevuld met vertegenwoordigers van de vakbeweging en het bedrijfsleven.

De nieuwe Staatsraad bestaat uit Urmila Ramlagansing, Satyawatie Thakoer, Maaltie Sardjoe en Natalie Amatmohamed (VHP), Rossellie Cotino, Amzad Abdoel en Caroline Heilbron (NDP), Marinus Cambiel en Rienette Sapei-Soentik (Abop/PL), Hesdy Pigot (NPS), Justine Eduard (BEP), Paul Torilal (VSB), Wilgo Bilkerdijk (Asfa), Roy Haverkamp (PWO) en Sonny Chotkan (Osav). Santokhi zei dat de Staatsraad, het hoogste grondwettelijke adviesorgaan van de president, wetten vooraf moet toetsen aan de Grondwet. “Zo draagt zij bij aan de rechtseenheid”, aldus het staatshoofd.

Hij gaf mee dat er met betrekking tot adviezen evenwel een “spanningsveld” kan ontstaan. “Het advies van de Staatsraad zou als overbodig kunnen overkomen vanwege afspraken met politieke partijen over de richting. Maar het is uw taak als Staatsraad om ons als regering de juiste inzichten en adviezen te geven … ook al zouden er politieke afspraken zijn.” De taken van de Staatsraad zijn in de Grondwet vastgelegd en behelsen onder meer adviseren van de president bij de uitoefening van zijn ambt, adviseren van de regering bij algemene beleidsaangelegeden, de inhoud van wetsontwerpen en ontwerpwetten en Staatsbesluiten.

Santokhi gaf mee als voorzitter van de Staatsraad regelmatig het orgaan te zullen voorzitten. “In de visie van deze regering vervult de Staatsraad een belangrijke functie. Uw rol is om ongehinderd door parlementaire invloeden en uw ervaring en expertise een adviserende functie te vervullen naar de president en de regering. De Staatsraad is geen zomaar orgaan. Ken dus uw verantwoordelijkheden.” De president bedankte de uitgetreden leden van de Staatsraad met wie hij eerder op de middag een ontmoeting had gehad.

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/09/14/leden-staatsraad-be%C3%ABdigd/

President installeert Sociaal-economische Raad

14/09/2020 17:56 – Van onze redactie

President installeert Sociaal-economische RaadPARAMARIBO – “Economische stabiliteit, sociale rust, maatschappelijke werkzaamheid, duurzame ontwikkeling, economische groei en sociale rechtvaardigheid” noemde president Chandrikapersad Santokhi maandagmiddag bij de installatie van de Sociaal-economische Raad (SER) “kernwoorden die ons allen verbinden en samenbrengen”. Het adviserende orgaan is volgens hem een belangrijk platform in het streven van zijn regering om continu in dialoog te gaan met de sociale partners.

De SER bestaat uit vertegenwoordigers van de regering, Raad van Vakcentrales in Suriname (Ravaksur), Vereniging Surinaams Bedrijfsleven (VSB) en Associatie van Surinaamse Fabrikanten (Asfa). Santokhi gaf aan dat besloten is de SER uit te breiden met de Associatie van Kleine en Middelgrote Ondernemingen in Suriname (Akmos) en de Kamer van Koopkhandel en Fabrieken (KKF). Om de Akmos te accommoderen heeft de regering één van zijn plekken afgestaan “zodat we nu met aanvullende inspraak een maatschappelijk breder gedragen regeerbeleid kunnen uitvoeren”.

De SER wordt volgens de president gezien als een “nuttige en waardevolle gesprekspartner”. Hij noemde daarbij ook de Staatsraad die eerder maandagmiddag door hem werd geïnstalleerd. “Institutioneel en constitutioneel bekeken heeft de regering vandaag twee belangrijke instrumenten in place als adviesorganen, beide met hun eigen taakstelling en verantwoodelijkheid. En dit is belangrijk omdat we aan de vooravond staan van presentatie van het crisisbeheersingsplan aan De Nationale Assemblee.”

De nieuwe SER bestaat uit Ritesh Ganpat, Stephen Smit, Vandana Pherai, Sila Kisoensingh en Raymond Landbrug (regering), Armand Zunder, Jan Haakmat en Robby Berenstein (Ravaksur; de vierde plek moet nog worden ingevuld), Marlon Telting, Djaienti Hindori en Shirley Relyveld (VSB) en Rudy Soekhlal (Asfa). De plaatsvervangend leden zijn Laetitia Fernand, Robert Soentik, Harry Soekhlal, Henry Ori en Ruben Ravenberg (regering), Imro Wip, Imrick Edam, Robby Naarendorp (Ravaksur), Marjorie Renardus, Jean-luc van Charante en Marny Daal (VSB) en Diana Ensberg (Asfa).

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/09/14/president-installeert-sociaal-economische-raad/

Advocaat Trump: ’Impeachment is constitutionele cancel culture’

TRUMP WIL SNEL NIEUWE OPPERRECHTER BENOEMEN

Sep 21, 2020

Foto ‘RBG’, Ruth Bader Ginsburg, tijdens haar benoeming tot opperrechter in 1993 in Washington. © REUTERS

Het overlijden van opperrechter Ruth Bader Ginsburg maakt de Amerikaanse verkiezingsstrijd nog heftiger dan hij al was. Als het president Trump lukt nog snel een nieuwe rechter te benoemen, gaan de Amerikanen dat nog jaren merken.

Het belangrijkste gerechtshof van de Verenigde Staten is een gewilde prooi voor zowel de Republikeinen als de Democraten. De rechters hebben het laatste woord in tal van zaken die het hart van de samenleving raken, zoals rassenscheiding, abortus, doodstraf, gelijke rechten en het dragen van wapens. Het hof telt negen rechters, die allen in principe worden benoemd voor het leven (tenzij ze er zelf voor kiezen om weg te gaan).

Rouwende mensen bij het hooggerechtshof. Ook Nancy Pelosi, voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, betoont eer.

Rouwende mensen bij het hooggerechtshof. Ook Nancy Pelosi, voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, betoont eer. © Getty Images

De president die een kans krijgt om een rechter te vervangen, krijgt een uitgelezen kans om voor langere tijd zijn stempel op het hof te drukken. Van de rechters die er nu zitten, zijn er drie benoemd door de Republikein Bush jr., een door de Democraat Clinton, twee door de Democraat Obama en twee door de Republikein Trump.

Met Bader Ginsburg er nog bij, die in 1993 werd benoemd door Clinton, waren er dus vier liberale rechters en vijf conservatieve. De aan alvleesklierkanker lijdende Bader Ginsburg zag dus de bui al hangen: als zij zou overlijden, was het aan Trump om een vervanger voor te dragen. Dan zou de balans de komende jaren wel heel erg doorslaan naar rechts.

Beide presidentskandidaten weten precies wat er hier op het spel staat. Waar Trump al heeft aangekondigd dat hij al deze week met een kandidaat komt (‘En het wordt een vrouw’, zei hij), roept Joe Biden op de keus te laten aan degene die de verkiezingen wint. Bovendien, zo redeneren de Democraten, toen president Obama in 2016 een nieuwe rechter wilden benoemen, hielden de Republikeinen dat tegen. ,,Het Amerikaanse volk moet een stem hebben in de keuze van een volgende opperrechter”, zei hun leider Mitch McConnel toen. ,,Daarom moet de volgende president hierover beslissen.” McConnel is inmiddels van mening veranderd.

Verkiezingsthema

Biden probeert nu uit alle macht de opvolging van Bader Ginsburg tot centraal verkiezingsthema te verheffen. Zijn boodschap aan de kiezer: als u wilt dat de gezondheidszorg goed geregeld wordt en het recht op abortus van kracht blijft, stem dan op mij, want ik zet een rechter neer die daarvoor gaat vechten. Chuck Schumer, de Democratische leider in de Senaat, stelt het nog scherper: ,,De rechten van vrouwen, homo’s, het klimaat, de gezondheidszorg, alles loopt gevaar bij de benoeming van weer een conservatieve rechter.”

Trump noemde Bader Ginsburg ‘an amazing woman’, een geweldige vrouw met een verbazingwekkend leven.

Trump noemde Bader Ginsburg ‘an amazing woman’, een geweldige vrouw met een verbazingwekkend leven. © AP

De Democratische hoop is nu gevestigd op dissidente Republikeinen. Sommigen van hen hebben al gezegd dat ze er zo pal voor de verkiezingen geen opperrechter doorheen willen duwen. ,,Het is eerlijker tegenover het volk om de beslissing over een benoeming voor het leven door te schuiven naar de president die op 3 november wordt gekozen”, zei senator Lisa Murkowski uit Alaska. De Republikeinse meerderheid in de Senaat is maar klein, dus McConnel moet zien dat hij alle hens aan dek houdt. De Democratische Partij kan de oorlogskas bovendien flink spekken: sinds het overlijden van de opperrechter ontving de partij 103 miljoen dollar (87 miljoen euro) aan campagnedonaties.

Vrouwenrechten

Intussen treuren de Amerikanen over het verlies van de zeer gerespecteerde Ruth Bader Ginsburg. Zelfs president Trump noemde haar an amazing woman, een geweldige vrouw met een verbazingwekkend leven. 

Ruth Bader werd in 1933 geboren in Brooklyn als dochter van lokale middenstanders. Haar ouders hadden onder meer een hoedenwinkel. Haar juridische loopbaan kenmerkte zich door een verbeten strijd voor vrouwenrechten, het recht op abortus en positieve discriminatie. Ze was een kleine vrouw, net anderhalve meter groot en 50 kilo licht. De paar jaar dat ze als enige vrouw in het hooggerechtshof zat, typeerde ze zelf als de zwaarste: ,,Als we rechtszaal binnenkwamen, acht mannen van een zeker postuur en dan dit kleine vrouwtje dat aan de zijkant ging zitten; dat was geen goed beeld voor het Amerikaanse publiek.”

VS VERKIEZINGEN/UPDATE

https://unitednews.sr/trump-wil-snel-nieuwe-opperrechter-benoemen/

Hoe word ik president van Amerika?

VERKIEZINGEN VERENIGDE STATEN

Hoe word ik
president van Amerika?

 

Bij de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten op 3 november wordt duidelijk of Donald Trump president van Amerika blijft. Of dat het een andere kandidaat namens de Democraten lukt om hem van de troon te stoten. Hoe word je eigenlijk president van de Verenigde Staten? Dit is de weg die een nieuwe kandidaat moet afleggen. 

STAP 1 CAUCUS

Ontmoet de kiezer

Hoe maak ik het beste contact met kiezers? Door alle districten van een staat te bezoeken, zeker in Iowa dat op 3 februari de voorverkiezingen aftrapt. Dit is vooral belangrijk in de staten die een ‘caucus’-systeem hanteren, waarbij kiezers zich in scholen, buurtcentra en gymzalen letterlijk aansluiten bij de groep die een partijgenoot steunt voor het presidentskandidaatsschap. Haalt een kandidaat daarbij de kiesdrempel (over het algemeen 15 procent) niet, dan kunnen kiezers overlopen en zich voegen bij een andere groep. Vooral de caucus van Iowa is van groot belang, een overwinning daar levert veel media-aandacht op.

 

 

Dit jaar gaf Iowa de winnaar echter niet de forse steun in de rug. ‘Momentum’, zoals ze het in de VS noemen. Door de chaos bij het tellen van de stemmen was het onduidelijk wie Iowa gewonnen had. Uiteindelijk boekte oud-burgemeester Pete Buttigieg een nipte overwinning, gevolgd door senator Bernie Sanders. Favoriet Joe Biden eindigde teleurstellend op de vierde plaats.

STAP 2 PRIMARIES

Sta er meteen

Het overgrote deel van de staten organiseert echter een ‘primary’, waarbij kiezers gewoon hun stem uitbrengen bij een stembus. De primary in New Hampshire is op 11 februari traditioneel de eerste, en is na de caucus in Iowa weer een belangrijk mediamoment. Kandidaten die slecht scoren in Iowa en New Hampshire geven vaak direct hun kandidatuur op.

Jimmy Carter (1976) en Barack Obama (2008) zijn voorbeelden van onbekende politici die de Iowa-caucus wonnen en hiermee de basis legden voor hun presidentschap. Carter en Donald Trump (2016) wonnen de primary van New Hampshire en belandden uiteindelijk in het Witte Huis.

 

Of de forse overwinning van Bernie Sanders in New Hampshire de weg vrijmaakte voor zijn presidentschap, moet de komende maanden uitwijzen. Zijn zege liet wel zien dat hij een van de grootste kanshebbers is voor de Democratische nominatie. Pete Buttigieg schaarde zich bij die andere kandidaten die in het verleden weliswaar Iowa wonnen, maar kort daarna de strijd moesten opgeven vanwege teleurstellende resultaten in de andere staten.

STAP 3 SUPER TUESDAY

Neem een voorsprong

Op 3 maart plaats je de concurrentie op achterstand. In veertien staten gaat de democratische kiezer naar de stembus. Op het spel staat meer dan een derde van het totaal aantal gedelegeerden dat op de nationale conventie in Milwaukee de partijkandidaat kiest. Om de nominatie te winnen, moet je 1.991 gedelegeerden achter je krijgen. Hoe meer inwoners een staat heeft, hoe meer gedelegeerden.

Sinds 1984 werden 17 van de 18 Super Tuesday-winnaars uiteindelijk ook de presidentskandidaat. Super Tuesday is dit jaar nog belangrijker geworden omdat nu ook Californië op deze dag stemt. Dit is de staat met de meeste gedelegeerden.

STAP 4 NATIONALE CONVENTIE

Win de definitieve meerderheid

Normaal gesproken is de nationale conventie het moment om eensgezind achter de presidentskandidaat te gaan staan. Maar dan moet die wel al een meerderheid van de gedelegeerden achter zich hebben. Als dat niet is gelukt, en dat zou deze keer bij de Democraten best eens het geval kunnen zijn, zijn de bijna 800 supergedelegeerden beslissend. Het gaat hier om partijbonzen en parlementsleden, die dan ter plekke hun beslissende stem uitbrengen (in eerste instantie is het aan de kiezer).

Beter is het om tijdens de conventie traditioneel een feestje te vieren, de vicepresidentkandidaat bekend te maken en het partijprogramma te bepalen. De Democraten komen vanaf 13 juli bijeen in Milwaukee, in de staat Wisconsin. Deze staat is dit jaar zeer belangrijk omdat de Democraten Wisconsin terug moeten zien te winnen. In 2016 won Trump er onverwacht, waarna hij president werd. De Republikeinen houden hun conventie vanaf 24 augustus in Charlotte in de staat North-Carolina.

STAP 5 CAMPAGNE

Strijd om de swing states

Na de zomer begint de campagne pas echt. Belangrijk zijn de debatten tussen beide presidentskandidaten. Op 29 september is de eerste ontmoeting: in oktober volgen er nog twee. Het pleit zal in de meeste staten al beslecht zijn. De strijd zal worden uitgevochten in een handvol ‘swing states’, waar het nog alle kanten op kan gaan, zoals Florida en Ohio. De drie Democratische bastions Pennsylvannia, Wisconsin en Michigan, in 2016 veroverd door Trump, verdienen extra aandacht.

STAP 6 VERKIEZINGSDAG

Het werk is gedaan

Het is een van de belangrijkste vragen van 2020: blijft Trump of niet? Kortom, is hij verslaanbaar of niet? Het wordt een moeilijke opdracht, sinds 1992 is de zittende president altijd herkozen. Destijds verloor George H.W. Bush een tweede termijn.

De kandidaten strijden om de meerderheid in het Kiescollege, dat formeel de president kiest. Daarin zitten 538 kiesmannen, voor het presidentschap zijn er 270 nodig. Win je een staat, dan win je alle kiesmannen. Hoeveel een staat er heeft, wordt bepaald door het totaal aantal parlementsleden in de Senaat en het Huis van Afgevaardigden. In 2016 won Trump 306 kiesmannen en Clinton 232, hoewel Clinton zo’n drie miljoen stemmen meer kreeg.

 

Meer over de Amerikaanse verkiezingen

Oliestaat Texas toneel van grootste clash tussen oude en nieuwe Democraten

ls de oude Democraten van Amerika ergens bang zijn voor de nieuwe Democraten, dan is het wel in zuidelijk Texas, waar de clash tussen de revolutie van Bernie Sanders en de status quo van Joe Biden plaatsvindt.

Zijn naam is een roep om verandering geworden, maar Bernie Sanders is zelf nooit veranderd

‘We nemen het op tegen het hele politieke establishment!’, roept Bernie Sanders. De 78-jarige presidentskandidaat heeft al een halve eeuw dezelfde idealen.

Regeringsbesluit, een fictie

27 Feb, 2020, 15:24

foto

 
Een discussie over de werking van het openbaar bestuur in Suriname is weggelegd voor degenen die ermee werken. Ingevolge het Staatsbesluit S.B. 1996 no. 54 betreffende vormgeving wettelijke Regelingen Staats en Bestuursbesluiten bestaat voor de overheidsadministratie (het bestuursrecht) geen regeringsbesluit. Deze benadering is een uitvinding geweest van de toenmalige governor van de Centrale Bank, de heer André Telting en vond ten onrechte steun bij rechter John von Niesewand. Het is een Staatsrechtelijk juridische dwaling geweest.
 
Binnen de overheidsadministratie worden overheidsbeslissingen die door het bevoegde gezag worden genomen, vastgelegd in wetten in formele en materiële zin, staatsbesluiten, resoluties en beschikkingen.
 
Wanneer de regering krachtens de Grondwet een zogenaamd regeringsbesluit moet nemen dan wordt die vergadering door de president voorgezeten en de daaruit voortvloeiende missive wordt als grondslag gehanteerd voor de benoemingsresolutie, waarbij de president,  vicepresident en de totale Raad van Ministers deze resolutie tekenen. De president tekent geen resolutie namens de regering. Hij is de regering. Alles dat niet valt onder de Wetgevende en Rechterlijke macht behoort tot de Uitvoerende macht.
 
Krachtens artikel 99 van onze Grondwet is de president daarmee belast. Resoluties die betrekking hebben op de personeelswet kunnen worden ondersteund door een missive van de Raad van Ministers. We zeggen kunnen en geen moeten omdat de president ook zelfstandig resoluties van personele aard tot stand kan brengen. Alle andere resoluties uit kracht van een wet worden door het Kabinet van de President uitgevaardigd en worden namens de president door de directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden voor afschrift ondertekend.
 
Op voorgeschreven wettelijke termijnen kun je het gehanteerde adagium uit het bestuursrecht “Wie het meerdere mag, mag ook het mindere” niet toepassen op gekozen functionarissen. Hoewel deze wijze van discussiëren voor ons in de uitvoering bijzonder nuttig kan zijn, moeten wij niet uit het oog verliezen dat wij nu binnen de Grondwet van 1987 dienen te handelen. Daarom is het wenselijk om het Constitutioneel Hof zo snel als mogelijk in te stellen.
 
Tenslotte: Met de toestemming van de Governor kan wel worden afgeweken van de vastgestelde termijn van 5 jaar.
 
De directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden
van het Kabinet van de President,
Eugène van der San

Rechtsadagium 'wie het meerdere mag, mag ook het mindere'

26 Feb, 2020, 20:29

foto

 
Ik wil hierbij nog graag reageren op het artikel van Carlo Jadnanansing over de benoeming van de president van de Centrale Bank van Suriname (CBvS). Allereerst ben ik het met hem eens dat het hier om een regeringsbesluit moet gaan en niet om een besluit van alleen de president.
 
Verder gaat Carlo Jadnanansing ervan uit dat voor de benoeming van de president van de CBvS  imperatief een periode van vijf jaren geldt. De vraag is als dat ook niet voor een kortere periode zou kunnen. Benoemings-en verkiezingstermijnen gelden vaak voor een maximale termijn uit democratisch oogpunt.
 
In het bestuursrecht geldt ook het rechtsadagium “wie het meerdere mag, mag ook het mindere”.
Op grond hiervan zou ook – in bijzondere gevallen – een kortere termijn bepaald kunnen worden. Zie bijvoorbeeld in Nederland de erkenning van dit rechtsadagium in de uitspraken van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 18-2-2019, ECLI NL RVS 2009,BH 3237 en 6-2-2019, ECLI RVS 2019,350.
 
Tenslotte nog een opmerking over datgene waarvan door Carlo Jadnanansing wordt uitgegaan: de regeringsbesluiten inhoudende de benoeming van de president van de CBvS worden getekend door de president, maar wel namens de regering. De vraag is of dit een juiste en geldige werkwijze zou zijn.
 
In mijn artikel in het Surinaams Juristen Blad van september 2019 ben ik al op deze kwestie ingegaan naar aanleiding van het regeringsbesluit ex art. 148 Grondwet, zie passage: “In de Resolutie, alleen ondertekend door President D.D. Bouterse, en een zg. contra-seign van de minister van justitie voor afschrift, wordt wel verwezen naar een missive van de ministerraadvergadering, die eenzelfde besluit zou hebben genomen als in de resolutie is verwoord, maar van een regeringsbesluit, ondertekend door alle personen als bedoeld in artikel 148 jo art. 116 van de  Grondwet,  is geen sprake; zie o.a. ook art. 421 sub 2 Wetboek van Strafrecht en de artt. 2 – 3 van de WET van 5 januari 1952, tot regeling van de verantwoordelijkheid van de ministers (G.B. 1952 no. 3)”.
 
Het Besluit vormgeving wettelijke regelingen geeft geen nadere regeling voor de ondertekening van regeringsbesluiten (Staatsbesluit van 6 november 1996, houdende vormgeving van wettelijke regelingen, Staats-en Bestuursbesluiten).
 
Ed van den Boogaard          
 

Benoeming governor geen prerogatief van de president

22 Feb, 2020, 04:48

foto

 Carlo Jadnanansing 

 

In de media zijn naar aanleiding van de benoeming van een nieuwe governor talrijke artikelen verschenen. In de meeste van deze publicaties wordt ervan uitgegaan dat de benoeming van de governor (president van de CBvS) een prerogatief  is van de president van de Republiek Suriname. Deze opvatting is echter zoals hieronder zal worden aangetoond, onjuist. 
 
Wat betekent prerogatief? 
De definitie die Wikipedia geeft luidt als volgt: 
“Een prerogatief, afgeleid van het Latijnse praerogativa en het Franse prérogative, is in het staatsrecht en het bestuursrecht een recht dat aan een bestuurder of autoriteit met uitsluiting van alle anderen, is opgedragen.” 
Deze definitie stemt overeen met die welke in de rechtswetenschap gangbaar is. 
In de tekst van art. 22 van de Bankwet staat in lid 2 dat de president (governor) door de Regering wordt benoemd voor de tijd van vijf jaar
 
In art. 90 Grondwet (G.W.) staat dat de President hoofd van de Regering is. 
In art. 116 G.W. staat echter dat de Regering wordt gevormd door de President, de Vice-President en de Raad van Ministers. 
Dit betekent dat de benoeming van de governor een aangelegenheid is die niet uitsluitend in handen is van de president van de Republiek Suriname, en derhalve niet zijn prerogatief is, maar een aangelegenheid van de totale Regering. De beslissing tot het benoemen van de governor moet dus volgens de Bankwet genomen worden in een vergadering van de Regering, zijnde de President, de VP en de Raad van Ministers. 
 
Een voorbeeld uit onze wetgeving waar gesproken kan worden van een prerogatief van de president, kunnen wij vinden in art. 1 lid 1 van het Domeindecreet (S.B. 1981 no. 125). In dit decreet is aan de President de exclusieve bevoegdheid gegeven om bij resolutie te verklaren, dat er een vermoeden bestaat, dat op enig stuk grond, anderen, noch het recht van eigendom, noch enig ander zakelijk recht bezitten en dat de grond mitsdien deel uitmaakt van het vrij domein van de staat. 
 
Terugkomende op de Bankwet moet ik zeggen dat ik de benoemingsdocumenten van de voorgaande presidenten van de Centrale Bank van Suriname niet heb gelezen, maar ik ga ervan uit dat deze wel getekend zijn door de president, maar wel namens de Regering. 
 
Het gaat er in casu bij mij enkel om een correcte juridische voorlichting naar het publiek toe, evenals zulks bij mijn voorgaande artikelen over de Bankwet het geval was. 
Ik maak ook van de gelegenheid gebruik om te vermelden dat ik in de Bankwet geen benoeming voor korter dan vijf jaar ben tegengekomen. Ik ga er daarom van uit dat de periode van vijf jaar imperatief geldt. 
 
Carlo Jadnanansing 
Paramaribo, 21 februari 2020.  

President Bouterse installeert nieuwe Staatsraad

President Desi Bouterse feliciteert oud-minister Michael Miskin die nu Staatsraadslid is. Foto Suriname Herald

Vandaag vond in de Congreshal de beëdiging plaats van de nieuwe Staatsraad voor de periode van 2015-2020. De samenstelling van de Staatsraad is een afspiegeling van de politieke partijen vertegenwoordigd in De Nationale Assemblée. Ook vertegenwoordigers van de vakbeweging en werkgeversorganisaties nemen zitting in het hoogste grondwettelijk adviesorgaan van de president.

De Staatsraad heeft onder andere als bevoegdheden: het adviseren van de president bij de uitoefening van zijn ambt als staatshoofd en als hoofd van de regering, het adviseren van de regering over algemene beleidsaangelegenheden en over de inhoud van Wetsontwerpen alsmede volkenrechtelijke overeenkomsten, waarvan de goedkeuring van De Nationale Assemblée vereist is en het adviseren van de regering over ontwerp-staatsbesluiten.

De situatie in de nationale en de internationale samenleving staat niet stil en Suriname moet haar bestuurlijke inrichting en de relaties met het buitenland voortdurend aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden, zei de voorzitter van de Staatsraad, president Desi Bouterse.

De 15 Staatsraadsleden zijn: Flip de Vries (VSB), Wilgo Bilkerdijk (ASFA), Michel Kerpens (NDP), Dean Mitchell Linger (NDP), Ann Sadi (NDP), Marinus Cambiel (ABOP), Rudi Schillevoort (PALU), Marlyn Aaron-Denz (DOE), Mahinder Rathipal (VHP), Ganeshkoemar Kanhai (VHP), Hesdy Pigot (NPS), Rinette Soentik-Sapei (PL), Michael Miskin (CLO), Robby Berenstein (C-47) en Ronny Asabina (BEP).

https://www.srherald.com/suriname/2015/09/11/president-bouterse-installeert-nieuwe-staatsraad/Ivan Summerville

 

 

VANDAAG

‘Afscheid met een glimlach’

De keus om gebruik te maken van de FPU-plusregeling was niet zomaar gemaakt. Ed van den Boogaard heeft daar goed over nage- dacht. ‘Ik was eigenlijk van plan om pas op mijn 61e te stoppen. Maar nu die regeling op losse schroeven komt te staan heb ik toch gekozen voor dit aanbod.’

Het leven in Suriname is heel anders, veel relaxter dan hier. Zoals Goethe zei: ‘Es wandelt niemand ungestraft unter Palmen.’ Ben je eenmaal in de tropen geweest, dan heb je er altijd heimwee naar. Ons appartement in Nederland houden we wel aan voor bezoeken aan onze zoon, kleinkind, familie en vrienden. Ik wil cultuurgeschie- denis studeren aan de Open Universiteit. Daarnaast moet er natuurlijk tijd overblijven om te zwemmen, te golfen en een boek lezen in de hangmat. Ook wil ik me op cultureel of charitatief gebied verdienste- lijk maken.’

PARAMARIBO – Er dreigen “onmiddellijke problemen” voor Suriname voor het terugbetalen van leningen. Daarvoor waarschuwt de gezaghebbende Amerikaanse krant Financial Times. Suriname is één van de zes landen in de wereld op wie deze voorspelling van toepassing is.

Het is voor het eerst dat deze krant Suriname zo nadrukkelijk noemt. Verantwoordelijke minister Gillmore Hoefdraad kon zondag niet bereikt worden voor een reactie.

De waarschuwing komt van van Matt Murphy, institutional portfoliomanager van Eaton Vance, één van de oudste beleggingsbeheerders in de Verenigde Staten, en is eind december opgetekend in een stuk van de vooraanstaande columnist Jonathan Wheatley. Die beschrijft de wereldwijde economische vooruitzichten.

Suriname wordt met Argentinië, Ecuador, Libanon, Kameroen en Papoea-Nieuw-Guinea genoemd als landen die problemen hebben om hun schulden af te lossen. Voor de situatie die wordt geschetst, waarschuwen verschillende deskundigen in binnen- en buitenland al jaren en die ontwikkeling begint nu dus ook de aandacht te trekken van belangrijke internationale media.

Dat daaraan zelfs in de als zeer betrouwbaar geachte Financial Times aandacht aan wordt besteed, is veelzeggend. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben en het moeilijker maken voor Suriname om op de internationale markt opnieuw geld te lenen.

In de afgelopen jaren zijn er voor vele honderden miljoenen US dollars aan leningen afgesloten, terwijl de overheidsuitgaven zijn toegenomen. Maatregelen om de inkomsten te vergroten zijn vrijwel allemaal faliekant mislukt.

Ook adviezen van het Internationaal Monetair Fonds om subsidies op onder meer elektriciteit en brandstof af te bouwen en het omvangrijke ambtenarenapparaat te saneren, zijn in de wind geslagen.

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/06/suriname-kan-leningen-niet-aflossen/

The challenges emerging markets investors must confront in 2020
The US and global economies seem supportive, but the sector is replete with risks

Jonathan Wheatley Jonathan Wheatley December 27 2019 Conditions appear benign for emerging markets going into 2020. Analysts expect the US economy to grow at a steady pace: neither so quickly as to suck risk appetite out of emerging-market assets, nor so slowly as to erode confidence in the global environment. The Federal Reserve is expected to leave interest rates unchanged, while many EM central banks continue their easing cycles. China can be relied on to provide enough stimulus to keep its own outlook buoyant, providing support for the rest of the emerging world. Prospects for investors should be bright, then. But they face two difficulties. One is how to make the most of these conditions while dodging trouble in individual countries. The other is that the benign outlook itself may be an illusion. Among those focused on the former problem is Matt Murphy, institutional fixed income portfolio manager at Eaton Vance in Boston. “The macro environment is really not bad for EM risk,” he said. “But there are serious concerns in the large emerging markets because of a deterioration in fundamentals. In the big names, nothing good has happened.” He points to political and economic difficulties in markets with big index weights such as Mexico, Brazil, South Africa, Poland and Russia, and to immediate problems of keeping up debt repayments in Argentina, Ecuador and Lebanon, as well as the smaller frontier markets of Suriname, Cameroon and Papua New Guinea. His approach: ignore the benchmark indices and look for returns in the likes of Serbia, Egypt and Ukraine. Dodging trouble in big and small markets has become harder in recent months. Previously, crises in places such as Argentina and Turkey were well contained. But investors were blindsided in October when protests erupted on the streets of Chile — formerly an oasis of stability — and spread to other countries in Latin America including Colombia, another economy previously seen as a rare bright spot. Some investors began to worry that reform momentum in Brazil, which had been gathering pace with the passage of a landmark pension reform, would stall. So far, contagion has not spread beyond Latin America. But growth has disappointed in sub-Saharan Africa, in emerging Europe and even in Asia. India, previously tipped by some to take up the slack as Chinese growth inevitably slows, has fallen short of expectations. So the health of the US economy will be especially significant for EMs next year. Many investors are banking on strong employment and consumer demand to keep the pace of growth not far below this year’s. But several analysts disagree. Stephanie Pomboy of MacroMavens — who has long questioned the resilience of the US economy — notes that despite low unemployment and low debt service costs among consumers, US inventory levels have been persistently high and US companies have been unable to pass on the costs of raised import tariffs to retail prices. Demand has failed to pick up, she argues, because the US consumer, rather than consuming, has been saving ever more aggressively since the housing crisis of 2008-09. She does not expect that to change next year. Erik Norland, senior economist at the CME Group, argues that the US economy has been held back by an overly-aggressive Federal Reserve that raised interest rates by more than it should have, leaving US monetary policy tight even after recent rate cuts. That has negative consequences for global growth and for EMs in particular, he said. “It was Fed tightening in the 1990s that led to the Mexican, Asian and Russian crises. A tight Fed is not good for emerging markets.” He expects slowing growth in China to be a drag on emerging markets next year, as the global economy slows from its pace in 2019. Piotr Matys, an analyst at Rabobank, is gloomier still, expecting the US to go into a mild recession. “Once the Fed realises that the risk of recession is much higher and starts cutting interest rates aggressively, starting in April, it will be too late,” he said. “This is one reason why it is hard to have a constructive view on emerging markets, apart from a short-term relief rally on the back of the phase-one trade deal [between the US and China].” Rather than a recovery, he expects EM assets to continue their recent pattern of sharp moves in both directions — a continuation of the inflows and outflows that have mirrored the baffling US-China trade talks. With the short-term issue of a phase one deal out of the way, he argues, investors’ horizons will be dominated by longer-term concerns such as intellectual property rights, access to China’s market and Chinese state support. None of that is likely to be resolved quickly. Even if the dollar does remain supportive for emerging markets next year, the sector will face plenty of headwinds.

https://suriname-mirror.blogspot.com/…/financial-times-onmi…

Afbeelding kan het volgende bevatten: tekst
 
 
 

Naar aanleiding van onderstaande prive mail van de heer Ed van den Boogaard heb ik gemeend de belangrijke juridische vraagstukken omtrent het staatsrechtelijk vraagstuk rondom de positie en status van het staatshoofd te publiceren

Gratie of amnestie?

Inbox
x

monaffaire_48@yahoo.com monaffaire_48@yahoo.com

29 dec. 2019 16:11
 
aan mij
Mevrouw Fernald,

Lees mijn artikel in het Surinaams Juristen Blad nr 2 van 2019 (sepember) en op Starnieuws van 22 oktober 2019 de bijdrage van mr. Gaetano Best over mijn artikel in dit SJB.

Met vriendelijke groet,

Ed van den Boogaard

Verzonden vanaf mijn Huawei mobiele telefoon
Waarom gratie voor de decembermoorden?
 


22 Oct, 09:12


Jurist Gaetano Best, redactielid Surinaams Juristenblad.
In het onlangs verschenen nummer van het Surinaams Juristenblad (SJB 2019 no. 2) heeft mr. Ed van den Boogaard een buitengewoon boeiend artikel geschreven met als titel: ‘Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. decemberproces überhaupt wel mogelijk?’
 
Mr. Ed van den Boogaard, hierna te noemen ‘de auteur’, is werkzaam geweest bij het Nederlands openbaar ministerie. De auteur heeft een band met Suriname, doordat hij van 2005 tot 2016 zeer frequent in ons land vertoefde.
 
Het artikel van de auteur lijkt te zijn geschreven als reactie op c.q. aanvulling van het artikel van de hand van dr. ir. Viren Ajodhia LL.B., getiteld ‘Gratiemogelijkheid binnen het decemberproces – een rechtsfilosofische beschouwing‘, dat is gepubliceerd in de vorige editie van het Surinaams Juristenblad (SJB 2019 no. 1). Volgens de auteur is de vraag naar het waarom van gratie echter van te groot belang om bij het bespreken van het onderwerp onbeantwoord te laten. In die zin vormt zijn artikel in ieder geval een goede aanvulling op de uiteenzetting van dr. Ajodhia.
 
Hoewel de auteur dat niet met zoveel woorden stelt, is zijn vraag waarom aan een specifieke veroordeelde gratie moet worden verleend eigenlijk een vraag naar de omstandigheden waaronder de bevoegdheid tot het verlenen van gratie mag worden aangewend. Zoals de auteur terecht constateert, heeft de wetgever niet voorzien in een wet ter uitwerking van de grondwettelijke bevoegdheid tot het gratiëren van veroordeelden en bevat ook de memorie van toelichting bij de grondwet van 1975 geen nadere uitwerking van de grondwettelijke gratiebepaling. Hoe dient deze vraag dan wel te worden beantwoord? 
 
Bij gebrek aan een gratiewet die naar objectieve maatstaven uiteenzet wie onder welke voorwaarden voor gratie in aanmerking komt, stelt de auteur zich de vraag of de specifieke omstandigheden van de decembermoorden en de nasleep daarvan al dan niet in de weg staan aan het verlenen van gratie. Daarbij stelt de auteur zich de vragen (i) wat de aard en de ernst van de misdrijven is; en (ii) wat de proceshouding van de hoofdverdachte is geweest in de afgelopen jaren. Aan de hand van de beantwoording van deze twee vragen komt hij tot de conclusie dat gratie in dit specifieke geval niet voor de hand ligt.
 
De auteur laat het echter niet daarbij. Hij onderzoekt ook wat de rol van het Openbaar Ministerie is bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke veroordelingen. Zo stelt hij met verwijzing naar, onder andere, de dissertatie van dr. Sonja Meijer, getiteld ‘Het openbaar ministerie en de tenuitvoerlegging’, dat het begrip strafvordering ruim moet worden opgevat en mede omvat de executiefase. Ook citeert hij een reeks van strafrechtwetenschappers die zich allemaal op het standpunt stellen dat op het Openbaar Ministerie de wettelijke plicht rust om de executie van een vonnis ter hand te nemen.
 
Wederom aanbeland bij het onderwerp van gratie, stelt Van den Boogaard zich de vraag of de grond-wettelijke bevoegdheid tot het verlenen van gratie aan beperkingen onderhevig is. Deze vraag tracht hij te beantwoorden via de route van het publiekrecht, met name het strafrecht en het bestuursrecht. Gratiëren is immers een besluit in de zin van het bestuursrecht en besluiten kunnen nou eenmaal slechts worden genomen in het algemeen belang. Bovendien moeten besluiten, zo stelt de auteur, voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. En tot slot kan gratie niet in strijd komen met de doelen van het strafrecht en het strafproces. In dat verband stelt hij, onder meer, dat gratie niet bedoeld is als rechtsmiddel ter correctie van een rechterlijke uitspraak door de uitvoerende macht. 
 
De auteur staat eveneens stil bij de voorwaarden die de Nederlandse Gratiewet stelt aan het verlenen van gratie en, niet minder belangrijk, de vraag wie in Nederland het laatste woord heeft bij gratieverlening: de rechter of de minister. Daarbij verwijst hij naar een vonnis van het Hof Den Haag, waaruit blijkt dat niet de minister, maar de rechter die advies uitbrengt het eigenlijke oordeel velt over “de vraag of de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis na verloop van tijd nog in overeenstemming is met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid”. Van den Boogaard bespreekt eveneens onder welke bijzondere omstandigheden door de minister mag worden afgeweken van het advies van de rechter. Op grond van het door hem gepleegde onderzoek komt de auteur tot de slotsom dat de bevoegdheid tot het verlenen van gratie wel degelijk aan belangrijke beperkingen onderhevig is.
 
Tot slot staat de auteur stil bij de vraag of een oplossing voor het gratievraagstuk gezocht kan worden in de richting van een volksraadpleging. Hij bestempelt een volksraadpleging, met verwijzing naar, onder andere, prof. Heringa als een heilloos pad, omdat, zo stelt de auteur, ook de volkswil gebonden is aan het positieve recht.
 
Al met al is het artikel van mr. Van den Boogaard, ook voor de ingevoerde lezer, zeer lezenswaardig. 
 
G.N. Best 
(SJB-redactielid)
Stem van het volk kan gratie legitimeren
 
09 Jun, 02:44
foto
   


 
In het dezer dagen (enigszins verlaat) uit te komen eerste nummer van het Surinaams Juristen Blad (SJB 2019 no. 1) heeft Dr.Ir. Viren S. Ajodhia LL.B., een belangwekkende verhandeling geschreven getiteld: Gratiemogelijkheid binnen het decemberproces – een rechtsfilosofische beschouwing.
 
Viren Ajodhia, hierna ook te noemen de auteur, is in het dagelijks leven gevestigd als energiedeskundige. Hij beschikt tevens over de bachelorsgraad in de rechtswetenschappen en is thans bezig zijn masterstudie in deze studierichting aan de Adekus af te ronden.
 
Met het artikel heeft hij zijn licht doen schijnen op een controversieel onderwerp dat de gemoederen in onze samenleving al decennia bezighoudt. De mogelijkheid van gratieverlening, indien het tot veroordeling komt van de hoofdverdachte, wordt door Ajodhia voornamelijk vanuit een rechtsfilosofisch gezichtspunt belicht. In mindere mate wordt het artikel ook bekeken vanuit het strafrecht en het strafprocesrecht. Tevens vormt ook de ethiek één van de hoekstenen van het artikel.
 
De auteur bouwt zijn betoog op met een weergave van de historische ontwikkeling van het gratiebegrip, bespreekt vervolgens de rol van gratie binnen de trias politica, en beantwoordt tenslotte de gratievraag vanuit de perspectieven van legaliteit en legitimiteit. Hierbij merkt hij op dat zelfgratie in wezen legaal is, maar de legitimiteit daarvan zeer discutabel is.
 
Historisch gezien had gratie oorspronkelijk het karakter van een door de vorst verleende persoonlijke gunst. Later ontwikkelde gratie zich als machtsinstrument van de koning die door gratieverlening onderwerping aan hem kon afdwingen. Of in de woorden van de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748 – 1832):: “Power of pardon supposes tyranny in the same hand”.
 
De meningen onder de rechtsfilosofen over het recht van gratie lopen sterk uiteen. Velen vinden dat als er sprake is van rechtvaardig recht, gratie niet nodig is. Montesquieu en Rousseau zagen echter een bescheiden rol voor gratie weggelegd, omdat de rechter niet onfeilbaar is. In de visie van Bentham heeft gratie nog steeds een belangrijke rol om waar nodig corrigerend tegen de rechtspraak op te treden.
 
Gratie kan een doorkruising van de leer van de trias politica inhouden, aangezien de uitvoerende macht met dit instrument het uitvoeren van een bij rechterlijke uitspraak bepaalde straf kan voorkomen. Het strafrecht heeft mede als functie de burgers te beschermen tegen ongebreidelde justitiële en politiële macht en vervult een regulerende functie.
 
De rechterlijke macht is belast met het bewaken van de belangrijkste principes waarop ons strafrecht berust, namelijk primair het legaliteitsbeginsel dat bepaalt dat een handeling slechts strafbaar is als die vooraf in de wet als zodanig is opgenomen. Hiermee wordt overheidswillekeur voorkomen. Een ander pilaar van het strafrecht is het schuldbeginsel dat inhoudt dat niemand kan worden gestraft voor iets dat hem niet kan worden verweten. Het bewaken van de rechtszekerheidsbeginselen is in een rechtstaat in handen gesteld van de rechterlijke macht (art. 134 G.W.).
 
Onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden heeft de uitvoerende macht de mogelijkheid om een vonnis niet te doen uitvoeren door de veroordeelde gratie te verlenen. Dit principe is overigens in de wetgeving van alle rechtsstaten opgenomen. Opgemerkt wordt dat het vonnis zelf in stand blijft en dat dit op het strafblad van de veroordeelde blijft opgeschreven. Gratie kan pas verleend worden als er al een vonnis is uitgesproken.
 
De gratieregelgeving is opgenomen in art. 109 G.W.:
“De President heeft het recht van gratie van straffen door rechterlijk vonnis opgelegd. Hij oefent dit recht uit na het advies te hebben ingewonnen van de rechter, die het vonnis heeft gewezen.”
 
Legaliteit vs legitimiteit
De enige verplichting voor de president bij gratieverlening is dat hij advies inwint bij de rechter die het vonnis heeft gewezen. Hierbij wordt opgemerkt dat het advies niet bindend is. De president mag dit dus naast zich neerleggen. De G.W. geeft verder geen gronden aan waarop gratie mag worden verleend. Dit betekent dat de president op dit stuk zeer ruime bevoegdheden heeft. Met andere woorden: Gratie is een prerogatief van de president.
 
Als het dus tot een veroordeling mocht komen in het Decemberstrafproces bestaan er dus geen wettelijke belemmeringen voor gratieverlening. Desondanks verwacht Ajodhia dat een eventuele gratieverlening veel stof zal doen opwaaien. Volgens hem zit het probleem van gratie niet in de legaliteit, maar in de legitimiteit ervan. Het ontbreken van wettelijke richtlijnen maakt de gratieverlening vatbaar voor discussie. Legitimiteit heeft te maken met de rechtvaardigheid van een bepaalde regel of besluit. Het feit dat de president legaal gratie kan verlenen, betekent nog niet dat zo een gratiebesluit als rechtvaardig door de gemeenschap wordt ervaren.
 
De auteur acht het ook niet uitgesloten dat er legitieme redenen zijn voor gratieverlening binnen het Decemberstrafproces. Hiervoor doet hij een beroep, in de eerste plaats op de visie die bekend staat als het retributivisme. De grondlegger van deze stroming is de Duitse filosoof, Immanuel Kant (1724 – 1804). Het uitgangspunt is zijn categorisch imperatief, welke ervan uitgaat dat men alleen die handelingen dient te verrichten waarvan men kan willen dat ze zouden kunnen worden bevolen door een algemene wet. Als een handeling in strijd is met het categorisch imperatief, dan is bestraffing gerechtvaardigd. Binnen het retributivisme is gratie in principe ondenkbaar. Gratie is slechts bij uitzondering toegestaan. Één van deze uitzonderingen is een misdrijf begaan tegen de soeverein zelf. Ajodhia vindt dat het begrip soeverein ruimer moet worden opgevat, aangezien deze niet alleen de koning (president) behoeft te betreffen, maar ook het soevereine volk in zijn algemeenheid. Hieruit trekt hij de conclusie dat gratie in het Decemberproces in beginsel mogelijk is, maar dat die dan door het soevereine volk en niet door de president moet worden verleend. Een inventieve invalshoek van de auteur waarbij echter wordt opgemerkt dat deze benadering in strijd is met de letter van de G.W., daar deze alleen maar spreekt over de president en niet het soevereine volk (CJ).
 
Een tweede (rechts)filosoof op wie de auteur een beroep doet is de Engelsman Jeremy Bentham, die bekendstaat als de stichter van de utilistische school. Deze stroming gaat ervan uit dat straf alleen gerechtvaardigd is als de gevolgen daarvan nuttig zijn. Van nut is sprake als een bepaalde handeling leidt tot “the greatest happiness for the greatest number of people”. De functie van de algemene wet volgens Bentham is om ervoor te zorgen dat slechts die gevallen worden gestraft waar het leed van straffen het nut overtreft. Volgens Bentham ervaart het volk pain of sympathy als er sprake is van een situatie waarbij een groot deel van het volk het niet eens is met het bestraffen van iemand.
 
Gratie binnen het Decemberstrafproces
Ajodhia komt tot de conclusie dat zowel bij Kant als Bentham gronden kunnen worden gevonden die gratie bij het Decemberstrafproces zouden kunnen rechtvaardigen.  In beide gevallen is een cruciale rol toebedeeld aan het volk, hetzij als de vergevende soeverein (Kant) of als het uiting geven van displeasure (Bentham). Deze twee rollen komen in wezen op hetzelfde neer:de stem van het volk kan gratie legitimeren! 
 
In beide gevallen zal het nodig zijn op de één of andere manier de stem van het volk te doen spreken. Ons staatsbestel biedt hiervoor enkele opties. De eerste is een initiatief binnen het parlement in de vorm van een motie of een wet. Gelet op de zwaarte van het onderwerp adviseert de auteur twee andere mogelijkheden: het houden van een Verenigde Volksvergadering of een referendum, waarbij hij erop wijst dat in alle gevallen een besluit van DNA met tenminste twee/derde meerderheid moet worden genomen. Een op deze wijze verleende gratie acht Ajodhia per definitie legitiem.
 
Tot slot brengt Ajodhia naar voren dat in het Decemberstrafproces Suriname zich kan beroepen op een wereldprimeur. Er zijn geen gevallen bekend waarbij eerder een regerend staatshoofd berecht wordt. Bij het afsluiten van zijn verhandeling geeft de auteur te kennen dat met de door hem aangedragen oplossing, bij een eventueel veroordelend vonnis, voor Suriname een zwarte bladzijde in de geschiedenis kan worden afgesloten op een aanvaardbare wijze en de blikken eindelijk gericht kunnen worden op de toekomst en ontwikkeling van de republiek. Uitdrukkelijk moet worden vermeld dat het proces nog niet beëindigd is en behalve veroordeling ook vrijspraak en ontslag van rechtsvervolging tot de mogelijke uitspraken behoren (CJ).
 
Carlo Jadnanansing
 
 
 
Reactie op: ‘Stem van het volk kan gratie legitimeren’
 
28 Jun, 18:31
foto
   


 
Hoewel enigszins verlaat door andere belangrijkere zaken vind ik het toch gewenst, om alsnog een reactie te geven op de zogenaamde belangwekkende verhandeling getiteld ‘Gratiemogelijkheid binnen het decemberproces – een rechtsfilosofische beschouwing‘ van Dr. Ir. Viren S. Ajodhia LLB.
 
In het onderhavige zijn in Suriname voor onze staatkundige ontwikkeling van belang de begrippen die voorkomen in onze Grondwet. Tot de bevoegdheden van De Nationale Assemblee behoren onder meer, ingevolge artikel 72 onder G van de Grondwet, het verlenen van amnestie of abolitie. Hierover bepaalt de Grondwetgever dat deze onderwerpen bij wet dienen te worden vastgesteld.
 
Nu wordt in het kader van het decemberproces, een rechtsfilosofische beschouwing gehouden waarbij het middel, gratie, tot opheffing of vermindering van de strafrechtelijke gevolgen van een vonnis, wordt gepropageerd terwijl een amnestiewet van 1989 nader gewijzigd in 2012 bij ( S.B.no. 49) vigerend is. Welke bijdrage met de gratiebepaling wordt beoogd ontgaat mij ten enenmale. Wetgeving is noodzakelijk omdat de mens onderhevig is aan hartstocht. Als alle mensen redelijk waren zou de wet overbodig zijn.
 
Wanneer dezelfde pleitbezorger stelt, dat gratie een doorkruising van de leer van de trias politica kan inhouden, aangezien de uitvoerende macht met dit instrument het uitvoeren van een bij rechterlijke uitspraak bepaalde straf kan voorkomen, dan gaat men duidelijk voorbij aan de afgeleide legitimiteit van de rechterlijke macht.
 
Het is de wetgever die op grond van de legitieme bevoegdheden de rechterlijke macht legaliteit kan verschaffen om op grond van een wetsbepaling te kunnen handelen. Wanneer wij in het kader van dit strafproces van 8 december rechtsstatelijk denken en handelen, dan is de vigerende amnestiewet bepalend.
 
Aangezien  wij in Suriname in een democratische rechtsstaat leven berust  het primaat bij de wetgevende macht om met de bevoegdheden toegekend, te voorkomen dat de staatsordening in gevaar wordt gebracht. Dat is de kracht van de vertegenwoordigers van het volk.
 
Het is onvermijdelijk dat de staatsordening in gevaar wordt gebracht als iemand die het ambt van Staatshoofd bekleedt, wordt gevonnist. Bovendien betreft deze rechtszaak een kwestie die zich meer dan 35 jaren terug heeft afgespeeld en nog wel in een periode van een militair bewind.
 
Een andere onvoorstelbare dwaling van de filosofische gedachte is de bewering, dat het nodig zal zijn op één of andere manier de stem van het volk te doen spreken voor gratieverlening, voor een bepaling vastgelegd in de Grondwet die meerdere malen is toegepast in de Republiek Suriname.
 
Een beroep doen op Immanuel Kant (1724—1804); deze filosoof deed niet als Jehova; hij sprak achter wolken, maar zonder het licht van de bliksem, want in de filosofie zoals in de politiek, is de langste afstand tussen twee punten de rechte lijn.
 
Met betrekking tot de slot opmerking van Ajodhia dat in het decemberstrafproces Suriname zich kan beroepen op een wereldprimeur, omdat  er geen gevallen bekend zijn waarbij eerder een regerend Staatshoofd berecht is geworden komt, omdat de Legitimiteit van de president als gekozen Staatshoofd dat niet toelaat.
 
Dit geeft aan hoe wij ons onsterfelijk belachelijk maken in Suriname, om te denken dat wij zo het recht laten zegevieren. Als wij het zo ver laten komen zal men ons internationaal niet voor vol aanzien. 
 
Eugène van der San
Bestuurskundige

 

Reactie Ajodhia op ingezonden stuk Van der San

30 Jun, 08:32

   

Met verbazing las ik het warrige ingezonden stuk van dhr. Eugène van der San. Nog afgezien van het feit dat hij mijn artikel in het Surinaams Juristenblad (SJB) over gratie duidelijk niet heeft begrepen (of goed heeft gelezen), poneert Van der San stellingen waarvan elke jurist weet dat die inhoudelijk, kant noch wal raken. Ik laat zijn commentaar daarom voor wat het is. Mogelijk dat de volgende korte toelichting wel kan helpen de materie beter te begrijpen.

Gratie betekent dat een persoon veroordeeld is maar dat de bestraffing (gedeeltelijk) achterwege blijft. Gratie kan dus worden gezien als een daad van vergeving. In Suriname kan alleen de president gratie verlenen. Verleent de president nu gratie aan zichzelf, dan is dat zelf-gratie. Dat is ook zo als de gratie komt van een vicepresident die ‘toevallig’ waarneemt.

Zelf-gratie betekent dat iemand zichzelf vergeeft voor door hem aan anderen aangedane leed. Dit is in strijd met de rechtvaardigheid. Zelf-gratie heeft hierdoor dan ook geen duurzaam karakter. Zo zal een nieuwe president het gratiebesluit met gemak kunnen terugdraaien. Immers, er is geen draagvlak voor de gratie want deze druist in tegen het rechtsgevoel.

Hetzelfde probleem bestaat er bij zelf-amnestie. Dat er een amnestiewet is wil nog niet zeggen dat deze ook rechtvaardig is. Sterker nog, het internationaal recht sluit amnestie voor zaken zoals de decembermoorden nadrukkelijk uit. De amnestiewet is hierdoor een labiele wet en zal geen duurzaam bestaan kennen. Het verschuilen achter een illegitieme wet duurt niet langer dan de zittingsduur van de toevallige coalitie.

Dit geldt des te meer gegeven dat personen die indertijd voor de amnestiewet hadden gestemd, zich publiekelijk tegen deze wet hebben gekeerd. Daarnaast is de door de wet beloofde waarheidscommissie de afgelopen zeven jaar uitgebleven. Het is hiermee duidelijk dat de amnestiewet niet waarheidsvinding als doel had, maar louter straffeloosheid.

De crux van het hele verhaal zit in het verschil tussen legaliteit en legitimiteit, tussen wet en recht. Dat wat legaal is, hoeft nog niet legitiem te zijn. De Zuid-Afrikaanse apartheidswetten zijn hier een goed voorbeeld van. Deze wetten waren volkomen legaal, maar desalniettemin in strijd met het recht. Het doordrukken van een wet wil niet zeggen dat deze wet ook gedragen wordt. Zeker niet als deze wet in strijd is met rechtsbeginselen.

Ten slotte, de vraag kan ook worden gesteld in welke gevallen zelf-amnestie of zelf-gratie toch legitiem kunnen zijn. De enige mogelijkheid die in de rechtsfilosofie kan worden gevonden, is dat het volk zich daarover uitspreekt. Dit kan bijvoorbeeld via een referendum waartoe onze grondwet alle ruimte biedt. Waar het op neerkomt is dat het volk dan de daders vergeeft. Maar vergeven kan alleen als er schulderkenning en berouw is. En precies dat is wat in de puzzel van de decembermoorden vooralsnog ontbreekt.

Ik hoop dat dhr. Van der San nu wat beter is geïnformeerd en ik beschouw de discussie hiermee als  afgesloten.

Viren Ajodhia

http://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/53389

Reactie op “verbazing Ajodhia”

 
Tuesday 2 July , 2019305
 


De discussie moet niet zo snel, al bij het begin als afgesloten worden beschouwd, omdat een warrig stuk van, van der San, blijkbaar toch wel om nader uitleg vraagt. Het artikel over eventuele gebruikmaking van een bepaling in de Grondwet over gratie met name artikel 109 onder Hoofdstuk XII de Tweede Afdeling “Bevoegdheden van de President” is mij meer dan bekend.
Het relaas en het doel van de keuze voor gebruikmaking van deze bepaling in het kader van het, 8 decemberproces is door mij uitgerafeld. Vandaar kennelijk die agressieve reactie om de discussie bij het begin te willen afsluiten.
Wat is er aan de orde? Er is een proces gaande dat zowel nationaal als internationaal bekendheid geniet, waarbij Desie Bouterse als gewezen legerleiding langer dan 35 jaren terug betrokken is geweest. Hierbij wordt hij beschuldigd van medeplegen van een misdrijf.
Na deze 35 jaren staat deze zaak in een afrondende fase in de Republiek Suriname. Inmiddels is deze militair, die in een bijzondere turbulente periode tussen 1980 tot zeker 1992 aktief betrokken is geweest in het openbaar bestuur van het land, anno 2019 president van de Republiek Suriname.
Nu wordt een beschouwing weergegeven over een eventuele toepassing van de gratiebepaling waarvan Ajodhia beweerd dat van der San dat duidelijk niet heeft begrepen. Over de betekenis en toepassing van gratie denk ik dat weinigen mij iets bij zouden kunnen leren, vandaar dat in mijn benadering gratie geen optie is nog kan zijn in deze politiek gevoelige kwestie als het 8 decemberproces.

Omdat iedereen weet wat in de afgelopen bijkans 40 jaren in Suriname is gebeurd, en ik weet er bijna alles van, vraag ik mij af wie Ajodhia denkt dat hij is om mij het recht te willen ontnemen mijn zienswijze kenbaar te maken t.o.v. een andere visie.
Naar de inzichten van deze juridische student zijn zowel gratie als de vigerende amnestiewet niet toereikend omdat zij in strijd zouden zijn met de rechtvaardigheid. Wat een onzin. Weet deze jongeman wat rechtvaardigheid is. U houdt van filosoferen lees dan Socrates.
Er bestaat een amnestiewet en ik heb betoogd dat wanneer wij in het kader van dit strafproces van 8 december rechtsstatelijk denken en handelen, de vigerende amnestiewet bepalend is. Dit heb ik op grond van artikel 3 lid 1 onder A van de (Amnestiewet 1989) zoals gewijzigd in (2012 S.B. no. 49 ) gesteld.
Daarin staat: “indien personen veroordeeld zijn tot straf, de bevoegdheid tot uitvoering van die straf vervalt en, voor zover zij zich tot uitvoering van die straf in detentie bevinden, het openbaar ministerie, of de rechter die de straf heeft opgelegd, de onmiddellijke invrijheidstelling zal bevelen.
Dit gebeurd dus, nadat de rechter uitspraak heeft gedaan en de belanghebbende geen gebruik maakt van zijn recht tot verzet, of beroep. Dat is de rechtsstatelijke toestand waarin wij in Suriname verkeren m.b.t. het proces van 8 december. Al dat gefilosofeer is mooi maar niet relevant.
Deze wet is niet door de huidige regering tot stand gebracht, dus het verhaal over zelfamnestie raakt kant nog wal. Jouw vader is mede uitvoerder geweest (minister Justitie en Politie) en het is reeds in Suriname toegepast. Deze wet is zodanig samengesteld door de toenmalige regering dat amnestie werd verleend vóór, tijdens en na het proces. Deze volgens jouw labiele wet is tot stand gekomen zoals alle andere wetten.
Voor het overige nog een opmerking: een zittende regering kan en heeft de bevoegdheid om inderdaad een wetsvoorstel tot intrekking van een bestaande wet in te dienen. Echter is de vraag of de rechtsgevolgen daardoor ook ongedaan gemaakt zijn. De kwestie van verzoening is van een andere orde en de rechterlijke macht kan geen bemoeienis daarin hebben.

Ik hoop dat dhr. Viren Ajodhia zijn studie serieuzer zal oppakken.

Eugène van der San

https://www.deboodschap.today/reactie-op-verbazing-ajodhia/

Pagina · 29 d. vinden dit leuk · Community
23 okt. 2019 ·  · …het Surinaams Juristenblad heeft mr. Ed van den Boogaard een artikel geschreven met als titel: ‘Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. Decemberproces überhaupt wel mogelijk?’ Redactielid van het juristenblad, Geatano Best,…
24 okt. 2019 ·  · …(SJB 2019 no. 2) heeft mr. Ed van den Boogaard een buitengewoon boeiend artikel geschreven met als titel: ‘Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. decemberproces überhaupt wel mogelijk?’ Mr. Ed van den Boogaard, hierna te…
'Waarom gratie voor de decembermoorden?
22 Oct, 2019  -  Bron: Starnieuws  -  @[1270489283:2048:Gaetano Best]

In het onlangs verschenen nummer van het Surinaams Juristenblad (SJB 2019 no. 2) heeft mr. Ed van den Boogaard een buitengewoon boeiend artikel geschreven met als titel: 'Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. decemberproces überhaupt wel mogelijk?'

Mr. Ed van den Boogaard, hierna te noemen 'de auteur', is werkzaam geweest bij het Nederlands openbaar ministerie. De auteur heeft een band met Suriname, doordat hij van 2005 tot 2016 zeer frequent in ons land vertoefde.

Het artikel van de auteur lijkt te zijn geschreven als reactie op c.q. aanvulling van het artikel van de hand van dr. ir. Viren Ajodhia LL.B., getiteld 'Gratiemogelijkheid binnen het decemberproces - een rechtsfilosofische beschouwing', dat is gepubliceerd in de vorige editie van het Surinaams Juristenblad (SJB 2019 no. 1). Volgens de auteur is de vraag naar het waarom van gratie echter van te groot belang om bij het bespreken van het onderwerp onbeantwoord te laten. In die zin vormt zijn artikel in ieder geval een goede aanvulling op de uiteenzetting van dr. Ajodhia.

Hoewel de auteur dat niet met zoveel woorden stelt, is zijn vraag waarom aan een specifieke veroordeelde gratie moet worden verleend eigenlijk een vraag naar de omstandigheden waaronder de bevoegdheid tot het verlenen van gratie mag worden aangewend. Zoals de auteur terecht constateert, heeft de wetgever niet voorzien in een wet ter uitwerking van de grondwettelijke bevoegdheid tot het gratiëren van veroordeelden en bevat ook de memorie van toelichting bij de grondwet van 1975 geen nadere uitwerking van de grondwettelijke gratiebepaling. Hoe dient deze vraag dan wel te worden beantwoord? 

Bij gebrek aan een gratiewet die naar objectieve maatstaven uiteenzet wie onder welke voorwaarden voor gratie in aanmerking komt, stelt de auteur zich de vraag of de specifieke omstandigheden van de decembermoorden en de nasleep daarvan al dan niet in de weg staan aan het verlenen van gratie. Daarbij stelt de auteur zich de vragen (i) wat de aard en de ernst van de misdrijven is; en (ii) wat de proceshouding van de hoofdverdachte is geweest in de afgelopen jaren. Aan de hand van de beantwoording van deze twee vragen komt hij tot de conclusie dat gratie in dit specifieke geval niet voor de hand ligt.

De auteur laat het echter niet daarbij. Hij onderzoekt ook wat de rol van het Openbaar Ministerie is bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke veroordelingen. Zo stelt hij met verwijzing naar, onder andere, de dissertatie van dr. Sonja Meijer, getiteld 'Het openbaar ministerie en de tenuitvoerlegging', dat het begrip strafvordering ruim moet worden opgevat en mede omvat de executiefase. Ook citeert hij een reeks van strafrechtwetenschappers die zich allemaal op het standpunt stellen dat op het Openbaar Ministerie de wettelijke plicht rust om de executie van een vonnis ter hand te nemen.

Wederom aanbeland bij het onderwerp van gratie, stelt Van den Boogaard zich de vraag of de grond-wettelijke bevoegdheid tot het verlenen van gratie aan beperkingen onderhevig is. Deze vraag tracht hij te beantwoorden via de route van het publiekrecht, met name het strafrecht en het bestuursrecht. Gratiëren is immers een besluit in de zin van het bestuursrecht en besluiten kunnen nou eenmaal slechts worden genomen in het algemeen belang. Bovendien moeten besluiten, zo stelt de auteur, voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. En tot slot kan gratie niet in strijd komen met de doelen van het strafrecht en het strafproces. In dat verband stelt hij, onder meer, dat gratie niet bedoeld is als rechtsmiddel ter correctie van een rechterlijke uitspraak door de uitvoerende macht. 

De auteur staat eveneens stil bij de voorwaarden die de Nederlandse Gratiewet stelt aan het verlenen van gratie en, niet minder belangrijk, de vraag wie in Nederland het laatste woord heeft bij gratieverlening: de rechter of de minister. Daarbij verwijst hij naar een vonnis van het Hof Den Haag, waaruit blijkt dat niet de minister, maar de rechter die advies uitbrengt het eigenlijke oordeel velt over “de vraag of de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis na verloop van tijd nog in overeenstemming is met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid”. Van den Boogaard bespreekt eveneens onder welke bijzondere omstandigheden door de minister mag worden afgeweken van het advies van de rechter. Op grond van het door hem gepleegde onderzoek komt de auteur tot de slotsom dat de bevoegdheid tot het verlenen van gratie wel degelijk aan belangrijke beperkingen onderhevig is.

Tot slot staat de auteur stil bij de vraag of een oplossing voor het gratievraagstuk gezocht kan worden in de richting van een volksraadpleging. Hij bestempelt een volksraadpleging, met verwijzing naar, onder andere, prof. Heringa als een heilloos pad, omdat, zo stelt de auteur, ook de volkswil gebonden is aan het positieve recht.

Al met al is het artikel van mr. Van den Boogaard, ook voor de ingevoerde lezer, zeer lezenswaardig. 

G.N. Best 
(SJB-redactielid)'
23 okt. 2019 ·  · …het Surinaams Juristenblad heeft mr. Ed van den Boogaard een artikel geschreven met als titel: ‘Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. Decemberproces überhaupt wel mogelijk?’ Redactielid van het juristenblad, Geatano Best,…
Pagina · 945 vinden dit leuk · Onderwijs en opleiding
22 okt. 2019 ·  · …(SJB 2019 no. 2) heeft mr. Ed van den Boogaard een buitengewoon boeiend artikel geschreven met als titel: ‘Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. decemberproces überhaupt wel mogelijk?’ Mr. Ed van den Boogaard, hierna te…
7 dec. 2019 ·  · …Zie ook mijn uitgebreider artikel in het SJB, nr.2.2019. Ed van den Boogaard
'Geen werkende Amnestiewet 2012 voor Misiekaba!
06 Dec 2019  -  Bron: Starnieuws - 

De heer Misiekaba weet reeds jaren dat de gewijzigde Amnestiewet van 1989/2012 door de onafhankelijke rechter buiten toepassing is verklaard en op basis van art. 137 Grondwet (GW) kan de rechter dit ook doen. De heer Misiekaba doet wel heel naïef wanneer hij zegt dat de rechter de wet niet kan toetsen en wanneer hij vraagt welke grondrechten genoemd in hoofdstuk V van de GW in de Amnestiewet geschonden worden. Als lid van de regering zal hij dit toch weten. 

Er geldt in de GW onder meer een verbod tot folteren, een recht op leven beschermd door de wet, recht op een eerlijke en openbare behandeling door een onafhankelijke rechter, binnen een redelijke termijn. De rechter kan een wet aan deze grondrechten en aan verbindende bepalingen in internationale verdragen toetsen (art.106 GW). De regering en Nationale Assemblee behoren wetten ook aan deze bepalingen te toetsen. Of is hier sprake van constitutionele anarchie?
In de MvT bij de gewijzigde Amnestiewet 2012 staat nog nadrukkelijk dat het Moiwanavonnis van het IAHRM niet valt onder de werkingssfeer van de Amnestiewet en dus onverkort behoort te worden uitgevoerd.

Wat zegt het Hof in dit vonnis in overweging 206: o.a. “Met name amnestiewetten, verjaringstermijnen en gerelateerde bepalingen die het onderzoek en de bestraffing van ernstige mensenrechtenschendingen verhinderen – zoals parate buitengerechtelijke executies als in deze zaak – zijn ontoelaatbaar, aangezien deze schendingen in strijd zijn met niet-derogeerbare rechten erkend in het internationale mensenrechten-recht”. 

Waarom heeft de regeringscoalitie dan toch die Amnestiewet van 1989 in 2012 gewijzigd? Is hier dan niet bewust sprake van constitutionele anarchie, terwijl ministers trouw aan de GW en aan andere wettelijke regelingen beloven? Er staat bovendien in art. 2 van die gewijzigde Amnestiewet niet dat amnestie niet geldt voor schendingen van mensenrechten? En zijn dan parate buitengerechtelijke executies na foltering als in december 1982 hebben plaatsgevonden geen schendingen van mensenrechten? Idem Theo Para in Parbode van oktober. 

En ook al om andere redenen heeft die gewijzigde Amnestiewet van 2012 geen werking. De gewijzigde Amnestiewet van 2012 luidt in artikel 1 lid 1 als volgt: 
Amnestie wordt verleend aan degenen die in het tijdvak aanvangende op  1 april 1980 en eindigend op 20 augustus 1992
a. Strafbare feiten hebben begaan en/of daarvan worden verdacht en/of zijn gedagvaard in het kader van de verdediging van de Staat en/of omverwerping van het wettig gezag;
g. Als verdachten zijn aangemerkt en als zodanig zijn gedagvaard in verband met feiten gepleegd op 7,8, en/of 9 december 1982 zoals omschreven in de dagvaarding in verband met de artikelen 347,348,349 cq artikel 72 lid 2 en artikel 360 e.v. van het Wetboek van Strafrecht. 
Het sub g gestelde inzake de decembermoorden levert sowieso geen amnestie op voor verdachten terzake de decembermoorden, omdat betrokkenen eerst op 31-10-2000 als verdachten zijn aangemerkt in de beschikking van het Hof van Justitie en pas in 2007 door het OM zijn gedagvaard en dus niet in de periode als bedoeld in het gewijzigde artikel 1 lid 1 van de Amnestiewet.

Om verschillende hiervoor genoemde redenen levert de Amnestiewet 2012 dus zelf al – naast de andere genoemde gronden- geen amnestie op voor de verdachten van de decembermoorden.
Het OM is verplicht om een (onherroepelijke) door de onafhankelijke rechter opgelegde straf zodra mogelijk ten uitvoer te leggen; het OM heeft geen discretionaire bevoegdheid om een eigen beslissing te nemen.
Artikel 2 lid 3 van het BUPO Verdrag legt een verplichting op aan staten om een opgelegde sanctie ook ten uitvoer te leggen.

Het zou goed zijn wanneer de regering de antwoorden op vragen van de IACRM over de klacht van de nabestaanden van de 15 geëxecuteerde personen op 8 december 1982 bekend maken.  Immers op 20-7-2019 werd bekend dat de IACRM van de OAS de klacht van de nabestaanden op 26 juni 2019 in behandeling genomen heeft. De Commissie heeft aan Suriname gevraagd, te antwoorden op het klaagschrift van de nabestaanden met verzoek om de Amnestiewet 2012 in te trekken en de verdachten te berechten en te bestraffen en de nabestaanden te compenseren. De regering heeft  tot 26 september 2019 de tijd gehad om te reageren.

Of is de heer Misiekaba niet zo voor openbaarheid van bestuur ten behoeve van de bevolking? Het jaarlijks verantwoording afleggen over de uitgaven van de regering in een Slotwet, verplicht op basis van art. 156 leden 5a en b van de GW heeft ook al jaren niet plaatsgevonden. Zie hierover reeds op 3-09-2015 Gregory Rijssen in Starnieuws. Is dat geen constitutionele anarchie?

Zie ook mijn uitgebreider artikel in het SJB, nr.2.2019.

Ed van den Boogaard'
 
 
16 d. vinden dit leuk · Media-/nieuwsbedrijf
23 okt. 2019 ·  · …het Surinaams Juristenblad heeft mr. Ed van den Boogaard een artikel geschreven met als titel: ‘Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. Decemberproces überhaupt wel mogelijk?’ Redactielid van het juristenblad, Geatano Best,…
229 d. vinden dit leuk · Media-/nieuwsbedrijf
22 okt. 2019 ·  · …(SJB 2019 no. 2) heeft mr. Ed van den Boogaard een buitengewoon boeiend artikel geschreven met als titel: ‘Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. decemberproces überhaupt wel mogelijk?’ … http://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/55169
Pagina · 196 d. vinden dit leuk · Nieuws- en mediawebsite
22 okt. 2019 ·  · …(SJB 2019 no. 2) heeft mr. Ed van den Boogaard een buitengewoon boeiend artikel geschreven met als titel: ‘Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. decemberproces überhaupt wel mogelijk?’ Mr. Ed van den Boogaard, hierna te…
'Waarom gratie voor de decembermoorden?
22 Oct, 09:12
foto
Jurist Gaetano Best, redactielid Surinaams Juristenblad. 

In het onlangs verschenen nummer van het Surinaams Juristenblad (SJB 2019 no. 2) heeft mr. Ed van den Boogaard een buitengewoon boeiend artikel geschreven met als titel: 'Waarom gratie voor de decembermoorden en is gratie of amnestie in het zg. decemberproces überhaupt wel mogelijk?'

Mr. Ed van den Boogaard, hierna te noemen 'de auteur', is werkzaam geweest bij het Nederlands openbaar ministerie. De auteur heeft een band met Suriname, doordat hij van 2005 tot 2016 zeer frequent in ons land vertoefde.

Het artikel van de auteur lijkt te zijn geschreven als reactie op c.q. aanvulling van het artikel van de hand van dr. ir. Viren Ajodhia LL.B., getiteld 'Gratiemogelijkheid binnen het decemberproces - een rechtsfilosofische beschouwing', dat is gepubliceerd in de vorige editie van het Surinaams Juristenblad (SJB 2019 no. 1). Volgens de auteur is de vraag naar het waarom van gratie echter van te groot belang om bij het bespreken van het onderwerp onbeantwoord te laten. In die zin vormt zijn artikel in ieder geval een goede aanvulling op de uiteenzetting van dr. Ajodhia.

Hoewel de auteur dat niet met zoveel woorden stelt, is zijn vraag waarom aan een specifieke veroordeelde gratie moet worden verleend eigenlijk een vraag naar de omstandigheden waaronder de bevoegdheid tot het verlenen van gratie mag worden aangewend. Zoals de auteur terecht constateert, heeft de wetgever niet voorzien in een wet ter uitwerking van de grondwettelijke bevoegdheid tot het gratiëren van veroordeelden en bevat ook de memorie van toelichting bij de grondwet van 1975 geen nadere uitwerking van de grondwettelijke gratiebepaling. Hoe dient deze vraag dan wel te worden beantwoord? 

Bij gebrek aan een gratiewet die naar objectieve maatstaven uiteenzet wie onder welke voorwaarden voor gratie in aanmerking komt, stelt de auteur zich de vraag of de specifieke omstandigheden van de decembermoorden en de nasleep daarvan al dan niet in de weg staan aan het verlenen van gratie. Daarbij stelt de auteur zich de vragen (i) wat de aard en de ernst van de misdrijven is; en (ii) wat de proceshouding van de hoofdverdachte is geweest in de afgelopen jaren. Aan de hand van de beantwoording van deze twee vragen komt hij tot de conclusie dat gratie in dit specifieke geval niet voor de hand ligt.

De auteur laat het echter niet daarbij. Hij onderzoekt ook wat de rol van het Openbaar Ministerie is bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke veroordelingen. Zo stelt hij met verwijzing naar, onder andere, de dissertatie van dr. Sonja Meijer, getiteld 'Het openbaar ministerie en de tenuitvoerlegging', dat het begrip strafvordering ruim moet worden opgevat en mede omvat de executiefase. Ook citeert hij een reeks van strafrechtwetenschappers die zich allemaal op het standpunt stellen dat op het Openbaar Ministerie de wettelijke plicht rust om de executie van een vonnis ter hand te nemen.

Wederom aanbeland bij het onderwerp van gratie, stelt Van den Boogaard zich de vraag of de grond-wettelijke bevoegdheid tot het verlenen van gratie aan beperkingen onderhevig is. Deze vraag tracht hij te beantwoorden via de route van het publiekrecht, met name het strafrecht en het bestuursrecht. Gratiëren is immers een besluit in de zin van het bestuursrecht en besluiten kunnen nou eenmaal slechts worden genomen in het algemeen belang. Bovendien moeten besluiten, zo stelt de auteur, voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. En tot slot kan gratie niet in strijd komen met de doelen van het strafrecht en het strafproces. In dat verband stelt hij, onder meer, dat gratie niet bedoeld is als rechtsmiddel ter correctie van een rechterlijke uitspraak door de uitvoerende macht. 

De auteur staat eveneens stil bij de voorwaarden die de Nederlandse Gratiewet stelt aan het verlenen van gratie en, niet minder belangrijk, de vraag wie in Nederland het laatste woord heeft bij gratieverlening: de rechter of de minister. Daarbij verwijst hij naar een vonnis van het Hof Den Haag, waaruit blijkt dat niet de minister, maar de rechter die advies uitbrengt het eigenlijke oordeel velt over “de vraag of de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis na verloop van tijd nog in overeenstemming is met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid”. Van den Boogaard bespreekt eveneens onder welke bijzondere omstandigheden door de minister mag worden afgeweken van het advies van de rechter. Op grond van het door hem gepleegde onderzoek komt de auteur tot de slotsom dat de bevoegdheid tot het verlenen van gratie wel degelijk aan belangrijke beperkingen onderhevig is.

Tot slot staat de auteur stil bij de vraag of een oplossing voor het gratievraagstuk gezocht kan worden in de richting van een volksraadpleging. Hij bestempelt een volksraadpleging, met verwijzing naar, onder andere, prof. Heringa als een heilloos pad, omdat, zo stelt de auteur, ook de volkswil gebonden is aan het positieve recht.

Al met al is het artikel van mr. Van den Boogaard, ook voor de ingevoerde lezer, zeer lezenswaardig. 

G.N. Best 
(SJB-redactielid)'
 
 
 
Pagina · 196 d. vinden dit leuk · Nieuws- en mediawebsite
16 jan. ·  · …verplichte rapportages. Slechts de jurist Ed van den Boogaard heeft hierover een opmerking gemaakt in zijn artikel van 6 december 2019 op Starnieuws en in zijn artikel in het Surinaams Juristenblad van september 2019. Inmiddels is wel bekend dat de Surinaamse regering het…
'STREI! en respect voor (inter)nationale rechtsorde

 
Nadat de discussies over de veroordeling van de heer Bouterse wat naar de achtergrond zijn geëbd na het nieuws van de olievondst voor onze kust, is het weer gesprek van de dag door de gang naar de rechter voor het verzet tegen het vonnis van de krijgsraad, 22 januari aanstaande. Wie zou dat verzet moeten ondersteunen? Het Surinaamse volk?Het lijkt STREI! goed om de burger aan enkele zaken te herinneren. Elk land heeft een nationale wetgeving, die door de burgers van dat land middels de volksvertegenwoordiging (DNA) is ingevoerd. De onafhankelijke Republiek Suriname heeft in 1975 een grondwet aangenomen, die in 1987 (na een referendum) en in 1992 werd geëvalueerd en aangepast. Echter is dit niet de enige wetgeving die geldt in ons land. Boven de nationale wetten staan internationale verdragen, ontwikkeld door de Verenigde Naties, om in de nasleep van de gruwelen van met name de Tweede Wereldoorlog, allerlei grondrechten en mensenrechten voor burgers te garanderen. Geen land kan het maken om deze grondrechten van de burgers te negeren, anders zou het zich buiten de internationale rechtsorde plaatsen. Dat lukt overigens (nog steeds) niet altijd, dat zien we aan huidige brandhaarden in de wereld. Daarnaast is het zo dat de soevereiniteit van een land gewaarborgd moet zijn, horen we de minister van Buitenlandse Zaken Beighly-Pollack regelmatig roepen op internationale fora. Echter, de Rechten van de Mens zijn wereldwijd door vele landen, ook Suriname, ondertekend en geratificeerd en bedoeld om de burgers bescherming te bieden tegen machthebbers die met geweld hun wil op proberen te leggen. Ook in de Surinaamse Grondwet zijn die rechten opgenomen. Suriname is onder meer aangesloten bij het Inter-Amerikaanse Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO).  Geweldplegingen hebben ook in de Republiek Suriname plaatsgevonden, zoals in 1980 en 1982. Al vrij snel na de decembermoorden heeft de OAS na een veldbezoek in 1983 een rapport opgesteld, waarin ooggetuigenverslagen staan, en is in te zien op internet. Geen enkele persoon in Suriname kan zeggen dat ze niet van die decembermoorden hebben geweten. Of op Facebook de onzinnige uitroep doen dat je er niet bij was als getuige, dus dat het daarom niet waar zou zijn. Om onder een veroordeling voor schending van mensenrechten uit te komen, is er in 2012 een wijziging van een eerdere Amnestiewet aangenomen, ondanks vele protesten internationaal en in Suriname zelf. Maar is het niet zo dat er eerst schuld moet zijn vastgesteld, voordat amnestie verleend kan worden?  Naast alle inhoudelijke en grammaticale discussies rondom die Amnestiewet, is er tevens het aspect van de invloed van internationale verdragen. Wat in relatieve stilte is gebleven, is de reactie van het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens op 21 november 2018 in het vervolgrapport van de Moiwanazaak (er worden twijfels geuit bij de geldigheid van de Amnestiewet en er wordt tevens nogmaals benadrukt dat er geen amnestie kan worden verleend voor mensenrechtenschendingen). En de reactie van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens (IAHRM) op de klacht van de nabestaanden van de decembermoorden. De commissie (IACRM) van de (OAS) heeft de klacht van de nabestaanden van de op 8 december 1982 vermoorde 15 mannen op 26 juni 2019 in behandeling genomen en onze regering gevraagd, om te antwoorden op het klaagschrift van de nabestaanden met verzoek om de Amnestiewet 2012 in te trekken en de verdachten te berechten en te bestraffen en de nabestaanden te compenseren. Tot 26 september 2019 had de regering de tijd om te reageren. De regering Bouterse kon verder nog tot 4 maart 2019 reageren op het vervolgrapport over Moiwana bij het IAHRM en voorbereidingen treffen voor een onderzoek van de organisatie in Suriname naar die case. Er is noch door assembleeleden, noch door journalisten aandacht besteed aan het uitblijven van deze verplichte rapportages. Slechts de jurist Ed van den Boogaard heeft hierover een opmerking gemaakt in zijn artikel van 6 december 2019 op Starnieuws en in zijn artikel in het Surinaams Juristenblad van september 2019.  Inmiddels is wel bekend dat de Surinaamse regering het bezoek/onderzoek van de president van het Inter-Amerikaanse Hof telkens heeft tegengehouden (dWT van 31 oktober 2019). In de Grondwet van Suriname staat dat de republiek de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert en ook de participatie in internationale organisaties (art. 7 GW). Oók de president zou volgens art. 101 GW de ontwikkeling van de internationale rechtsorde moeten bevorderen. Zo heeft hij gezworen op de Grondwet. Het steeds negeren van beslissingen van het IAHRM roept de vraag op of de president niet in strijd handelt met de Grondwet. Het volk van Suriname heeft recht op verantwoording over dit (nalatige) overheidshandelen (art. 52 GW).Naast de ‘Rule of law’, die respect voor de rechtsstaat in een samenleving omvat, zou ook de ‘Rule of decency’ een belangrijke …'

CIVIL LAW

Suriname kent het rechtssysteem van civil law, in tegenstelling tot de Verenigde Steten die Commmon law kent.