KENKI A SYSTEEM: NA KARAKTERMOORD EN DE GEORKESTREERDE AANVALLEN OP DE KORPSCHEF DE BEVELHEBBER DE DIRECTEUR STAATSOLIE WEDEROM DE PIJLEN GERICHT OP DE PROCUREUR GENERAAL EN DE HOFPRESIDENT OMWILLE VAN NDP MACHTSSTRIJD EN POLITISERING VAN DE RECHTERLIJKE MACHT (DL 3)
Opvallend is vooral de timing. Begin deze maand bracht het Nederlandse koninklijk paar, koning Willem-Alexander en koningin Máxima, nog een historisch bezoek aan het HvJ in Paramaribo, waar fungerend hofpresident mr. Iwan Rasoelbaks uitvoerig stilstond bij de onafhankelijkheid en integriteit van de Surinaamse rechtspraak en de druk waaronder het systeem werkt. Inhoudelijk was het signaal helder: de koning sprak expliciet zijn waardering uit voor onafhankelijke rechtspraak en verwees daarbij onder meer naar het Decembermoordenproces als voorbeeld dat “de onafhankelijke rechter en rechtspraak” overeind zijn gebleven. Precies daarom is de politieke gevoeligheid nu groter dan ooit. Een hervorming die door buitenstaanders kan worden gelezen als het afknijpen van rechterlijke autonomie, botst frontaal met het beeld dat Suriname in officiële ontvangsten juist uitdraagt: een democratische rechtsstaat met een onafhankelijke rechterlijke macht.
Het enige dat kan voorkomen dat willekeur, uitbuiting, onrecht en straffeloosheid in de 21e eeuw opnieuw aan het langste eind trekken is onze vrije democratische rechtsorde. Deze overtuiging delen wij. Eind september zei u het zelf heel krachtig mevrouw de president, in uw jaarrede in de nationale Assemblee. En ik citeer: “een sterk en onpartijdig justitieel systeem vormen de ruggengraat van een rechtsstaat en is een onmisbare peiler voor het waarborgen van de vrede, rechtvaardigheid, veiligheid en sociale stabiliteit.
(Citaat uit de toespraak van koning Willem Alexander op 2 december 2025 tijdens het staatsbanket)
In haar omgeving is niemand verbaast dat ‘boekenworm’ Jennifer Geerlings-Simons het tot president schopte. Ze omschrijven haar als bedachtzaam, standvastig, idealistisch, beheerst, gedreven, principieel, doelgericht, behulpzaam en praktisch. Adjectieven die moeilijk te rijmen zijn met de partij die ze vertegenwoordigt. “Heilige mensen werken niet in de politiek”, zei Simons kort na haar aantreden als president. Schuilt er dan toch een wolf onder al die schaapskleren?
President Iwan Rasoelbaks van het Hof van Justitie is op de hoogte van het voornemen van de regering om een derde hogere rechtspraakinstantie (cassatie) voor Suriname in te voeren. Het hof is echter niet betrokken geweest bij de initiatiefvoorstellen tot wetswijziging die donderdag door zes parlementariërs zijn ingediend, waaronder die over de invoering van een Hoge Raad.
De hofpresident spreekt liever niet van het feit dat er sprake zou zijn geweest van “in overleg”, maar zegt wel dat president Jennifer Simons hem heeft geïnformeerd dat er een voorstel in de maak is om de derde instantie alvast in de Grondwet vast te leggen. “En dat in een later stadium overleg zal plaatsvinden met het hof over de inhoudelijke invulling in nadere regelingen,” reageert Rasoelbaks tegenover Starnieuws.
Hiervoor willen de initiatiefnemers enkele artikelen in de Grondwet laten aanpassen die betrekking hebben op de samenstelling van de rechterlijke macht en de rechtspraak. “De betreffende initiatief-ontwerpwetten zullen, zodra deze door het parlement zijn opgestuurd naar het hof voor advies, worden bestudeerd,” geeft de hofpresident aan. “Daarna zal in overleg worden getreden met de volksvertegenwoordigers om hen van advies te dienen.”
Hofvoorstel naar parlement en president De hofpresident wil zich vooralsnog niet uitlaten over andere wijzigingen en toevoegingen over de rechterlijke macht, totdat deze zijn bestudeerd. Hij benadrukt wel dat het hof voorstander is van cassatierechtspraak, “voor onze jurisdictie, ter bevordering van rechtsontwikkeling en verruiming van rechtsbescherming voor de samenleving”.
Het hof is zelf al enkele jaren bezig de mogelijkheden voor Suriname te onderzoeken. Zo stelde het een team samen van lokale en internationale deskundigen (denktank) om hierover een studie te verrichten. De denktank kwam met twee opties en de bevindingen zijn begin deze maand door het hof aan De Nationale Assemblée en de president aangeboden. Tegelijkertijd heeft het hof de twee rapporten ook op zijn website geplaatst, zodat het brede publiek de resultaten (adviezen) zelf kan lezen.
Twee voorstellen cassatierechtspraak De twee voorstellen van het hof zijn: onder voorwaarden toetreden tot de appellate jurisdiction van de Caribbean Court of Justice (CCJ), waarbij de CCJ een kamer samenstelt op basis van civiel recht (civil law). De tweede optie is de instelling van een Surinaamse Hoge Raad, een cassatie-instantie gestoeld op de civil law-traditie.
Hoge Raad beoordeelt geen feiten In de rapporten is het kader van een Surinaamse Hoge Raad beschreven. Verder zijn de rand- en kernvoorwaarden, alsook de verankering binnen de rechtsfamilie, opgenomen. Rasoelbaks benadrukt dat het hof de hoogste tweede feitelijke instantie in Suriname is en zal blijven. “Een eventueel in te stellen Hoge Raad zal geen feitelijke instantie zijn.” Hij legt uit dat het bij cassatierechtspraak niet gaat om het opnieuw beoordelen van feiten, maar om de vraag “of het recht al dan niet juist is toegepast”.
Bij een eventuele invoering van een Hoge Raad zal het Hof van Justitie dus de hoogste feitelijke instantie in Suriname blijven. “Beide instanties zullen gescheiden bevoegdheden hebben, gericht op vertrouwenwekkende en gedegen rechtspraak en rechtsontwikkeling,” onderstreept de hofpresident.
Drie van de ingediende initiatiefvoorstellen gaan over grondwetswijzigingen met betrekking tot de rechterlijke organisatie en een vierde over de rechtspositie van de rechterlijke macht.
NDP-topper, gewezen parlementariër en minister van Volksgezondheid André Misiekaba stelt dat de indieners van initiatiefwetten niet wettelijk verplicht zijn om het Openbaar Ministerie (OM) vooraf te consulteren.
Daarmee reageert hij op de recente uitlatingen van procureur-generaal Garcia Paragsingh, die publiekelijk haar verontwaardiging uitsprak over twee initiatiefwetten die het functioneren van het vervolgingsapparaat raken.
Volgens Misiekaba is de gevolgde procedure volledig in lijn met de Surinaamse rechtsorde.
“De initiatiefnemers waren niet verplicht het OM te consulteren bij de totstandkoming van deze wetten,” benadrukt hij. “Het parlementaire proces biedt voldoende ruimte voor inbreng van alle relevante actoren.”
Commissie van rapporteurs kan OM horen
Misiekaba wijst erop dat binnen De Nationale Assemblée (DNA) een commissie van rapporteurs wordt ingesteld die de wetsvoorstellen zal behandelen. Deze commissie kan besluiten om het OM te horen, maar ook dat is geen verplichting.
“Het is wenselijk dat het OM wordt gehoord, maar het is geen juridische vereiste,” aldus Misiekaba. “Dat is precies waarom het parlementaire debat bestaat: om argumenten, bezwaren en alternatieven zorgvuldig te wegen.”
Wetgeving is samenwerking tussen DNA en regering
Andere critici onderstrepen dat wetgeving in Suriname tot stand komt via een constitutionele samenwerking tussen De Nationale Assemblée en de regering. Publieke druk of framing van het wetgevingsproces als ‘dictatoriaal’ achten ze onterecht.
“Laten we niet vergeten dat volksvertegenwoordigers een eigen initiatiefrecht hebben. Dat recht is een essentieel onderdeel van onze democratische rechtsstaat,” wordt aangevoerd.
Procureur-generaal Paragsingh gaf aan dat het OM met verontwaardiging via de media kennis heeft genomen van de initiatiefwetten.
Volgens haar is het ongehoord dat wetten die het OM direct raken zijn ingediend zonder voorafgaand overleg, en kwalificeerde zij de werkwijze als opleggend en zelfs dictatoriaal.
De indiening van vier initiatiefwetten door zes leden van De Nationale Assemblée (DNA), gericht op ingrijpende wijzigingen in de Grondwet en de rechterlijke organisatie, roept ernstige zorgen op over de bescherming van de rechterlijke macht. “Wat wordt gepresenteerd als modernisering, dreigt uit te monden in een verzwakking van de scheiding der machten en van de onafhankelijkheid van de rechtspraak”, zegt VHP-fractieleider in de DNA, Asiskumar Gajadien aan SUN.
Cassatierechtspraak
Een kernpunt is het voorstel tot invoering van cassatierechtspraak via de instelling van een nationale Hoge Raad. Daarbij wordt een essentiële vraag volledig genegeerd: moet Suriname überhaupt een eigen derde rechterlijke instantie creëren, of ligt aansluiting bij het Caribbean Court of Justice (CCJ) meer voor de hand? “Die discussie is onmisbaar,” zegt Gajadien. Een nationale Hoge Raad vereist zware institutionele investeringen, langdurige opbouw van expertise en zeer sterke waarborgen tegen politieke beïnvloeding. Zonder die randvoorwaarden ontstaat juist het risico van politisering van de hoogste rechtspraak. De CCJ biedt daarentegen reeds een beproefd, onafhankelijk en regionaal erkend cassatiekader op afstand van nationale machtsverhoudingen.
College van Procureur-Generaal
Daarnaast is ook het voorstel tot instelling van een College van Procureur-Generaal moeilijk te rechtvaardigen. De huidige structuur van het Openbaar Ministerie (OM) kent al een duidelijke hiërarchische leiding onder verantwoordelijkheid van de Procureur-Generaal. Gajadien: Het creëren van een collegiaal orgaan aan de top is niet alleen onnodig, maar kan leiden tot bestuurlijke versnippering, onduidelijke verantwoordelijkheden en verzwakking van het vervolgingsbeleid. Bovendien opent een dergelijk college extra ruimte voor politieke beïnvloeding binnen het vervolgingsapparaat, terwijl juist daar eenduidigheid en onafhankelijkheid cruciaal zijn.
Rechtspositie rechterlijke macht
Ook de voorgestelde aanpassingen in de rechtspositie van de rechterlijke macht passen in dit zorgwekkende patroon. Gajadien: Door in korte tijd meerdere constitutionele en wettelijke ingrepen te combineren, zonder breed maatschappelijk debat en zonder diepgaande institutionele analyse, wordt het fundament van de rechtsstaat onnodig op het spel gezet.
Initiatiefwetten prematuur
Hervorming van de rechterlijke macht vereist terughoudendheid, visie en consensus. Zolang fundamentele keuzes — zoals de vraag naar een nationale Hoge Raad versus de CCJ en de noodzaak van een College van Procureur-Generaal — niet openlijk en grondig zijn besproken, zijn deze initiatiefwetten prematuur en potentieel schadelijk voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, aldus Gajadien.
Het Openbaar Ministerie (OM) is niet vooraf geïnformeerd of geconsulteerd over de twee initiatiefwetten die onlangs zijn ingediend en die rechtstreeks het functioneren van het vervolgingsapparaat raken. Dat heeft procureur-generaal (pg) Garcia Paragsingh verklaard in reactie op vragen over de ontwerpwetten, waaronder het voorstel tot instelling van een College van procureurs-generaal.
Volgens Paragsingh heeft het OM met verontwaardiging via de pers kennisgenomen van het bestaan en de indiening van de wetten. “Het Openbaar Ministerie is hierin niet gekend,” stelt zij. Dat wetsvoorstellen die het OM direct betreffen zijn ingediend zonder voorafgaande kennisgeving of overleg, wordt als ongehoord ervaren en niet passend binnen een democratische rechtsstaat. De gevolgde werkwijze wordt door het OM omschreven als opleggend en zelfs dictatoriaal.
De pg geeft verder aan dat het OM zich niet kan vinden in de zienswijze en motivering van de president over de noodzaak van een College van PG’s. Volgens Paragsingh is het onduidelijk of voorafgaand onderzoek is gedaan naar de oorzaken van het langdurig aanhouden van strafzaken. Het OM benadrukt dat de lange duur van strafzaken op zitting niet aan het Openbaar Ministerie kan worden toegeschreven.
“De rol van het Openbaar Ministerie als dominus litis eindigt op het moment dat de zaak op zitting wordt uitgeroepen door de deurwaarder,” benadrukt Paragsingh. Vanaf dat moment heeft het OM geen invloed meer op de duur of verdere afhandeling van de zaak ter terechtzitting. Om die reden kan het OM zich niet vinden in het voornemen tot instelling van een College van PG’s, mede gezien de bevolkingsomvang van Suriname. Volgens het OM is onvoldoende gemotiveerd waarom een dergelijke structuur noodzakelijk zou zijn.
Ook over het voornemen om de pensioengerechtigde leeftijd terug te brengen naar 65 jaar heeft het OM vragen. Paragsingh wijst erop dat voor de president en de leden van het Hof van Justitie een pensioenleeftijd van 70 jaar geldt. Het OM stelt daarom de vraag waarom de leeftijd van de procureur-generaal, die eveneens aan het Hof van Justitie is verbonden, niet gelijkgesteld zou kunnen worden aan die van de leden van het Hof.
Het OM benadrukt dat zorgvuldig bestuur vereist dat relevante instituten en stakeholders vooraf worden gehoord en betrokken bij wetgevingsprocessen die hen rechtstreeks raken. Dat het OM via een persconferentie kennis heeft moeten nemen van ontwerpwetten die het instituut betreffen, heeft geleid tot grote ontstemming binnen de organisatie. Volgens Paragsingh is deze gang van zaken onverenigbaar met de beginselen van een democratische rechtsstaat.
De coalitie in De Nationale Assemblee heeft met een initiatiefwet voorgesteld om ingrijpende wijzigingen door te voeren in de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht. In het voorstel wordt de benoemingsprocedure van de procureur-generaal (pg) opnieuw in overeenstemming gebracht met de Grondwet, en de pensioenleeftijd van zowel de pg als de overige leden van het Openbaar Ministerie (OM) wordt teruggebracht naar 65 jaar. Ook is opgenomen in de initiatiefwet om in plaats van één pg een college van pg’s te introduceren.
Met de wijziging van artikel 2, lid 2, wordt volgens de indieners een fout hersteld die bij de wetswijziging van 2024 was ontstaan. In die versie was namelijk niet vastgelegd dat de benoeming van de pg alleen kan plaatsvinden na advies van het Hof van Justitie, zoals dwingend voorgeschreven in artikel 141, lid 2, van de Grondwet. Dat advies vormt een essentieel onderdeel van de checks-and-balances tussen regering, rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie.
Door dit grondwettelijk vereiste opnieuw expliciet op te nemen, wordt de rechtspositie van de pg stevig verankerd in de institutionele structuur van de rechtspraak. Volgens de toelichting was het noodzakelijk om “de wet in overeenstemming te brengen met de Grondwet” en zo de onafhankelijkheid van het ambt van de pg te waarborgen.
Het tweede belangrijke onderdeel van de wetswijziging is de correctie van de pensioenregeling. In 2024 werd de pensioenleeftijd van alle leden van het OM, inclusief de pg, verhoogd naar 70 jaar. Daarbij werd het oude artikel 14a van de Wet RIS, dat de pensioenleeftijd van de pg op 65 jaar stelde, geschrapt.
Die wijziging had echter onbedoelde gevolgen volgens de indieners. Door de verhoging naar 70 jaar werd de pensioenleeftijd van de pg gelijkgetrokken met die van de zittende magistratuur (rechters), terwijl in de oude structuur bewust een onderscheid bestond. De huidige wetgever stelt dat daardoor de verhouding tussen de zittende en staande magistratuur uit balans is geraakt.
In het wetsvoorstel wordt die verhouding hersteld. Zowel de procureur-generaal als de overige leden van het OM gaan weer met pensioen op 65 jaar. Voor de overige leden van het OM wordt niet teruggekeerd naar 60 jaar, omdat zij tot een bijzondere categorie ambtenaren behoren en uniformiteit wenselijk wordt geacht.
President Jennifer Simons zei op een regeringspersconferentie vandaag zich terug te kunnen vinden in de initiatiefwetten die door alle fracties van de coalitie zijn ingediend.
President Jennifer Simons tijdens de regeringspersconferentie. (Foto: René Gompers)
President Jennifer Simons antwoordde op een vraag tijdens een vandaag gehouden regeringspersconferentie dat de behoefte aan cassatierechtspraak in Suriname al geruime tijd bestaat. Om dit mogelijk te maken is een wijziging van de Grondwet noodzakelijk. Volgens Simons is die wijziging bedoeld om de juridische basis te leggen voor cassatie, terwijl de concrete uitwerking – zoals de vorm en organisatie – later bij wet zal worden geregeld. Daarbij zal overleg plaatsvinden met het Hof van Justitie en andere juridische deskundigen.
Over de keuze om niet direct aan te sluiten bij een extern hof, zoals het Caribisch Hof, gaf de president aan dat verschillende modellen bespreekbaar zijn. Het kan gaan om een eigen cassatiekamer, samenwerking met een buitenlands hof of een combinatie daarvan. “De Grondwet creëert de mogelijkheid; de uiteindelijke invulling zal onderwerp zijn van verdere discussie,” stelde Simons.
Over het voorgestelde College van Procureurs-Generaal zei de president voorstander te zijn van meerdere pg’s en ook meerdere advocaten-generaal. Volgens haar is de huidige capaciteit ontoereikend, wat mede bijdraagt aan de trage afhandeling van strafzaken. Zij wees erop dat sommige zaken jarenlang blijven liggen, met ingrijpende gevolgen voor betrokkenen. “Het gaat om mensenlevens. Recht moet niet alleen correct, maar ook tijdig worden gesproken,” stelde de president.
Simons erkende dat er een tekort is aan rechters, maar gaf aan dat inmiddels opleidingen zijn gestart om de rechterlijke capaciteit te vergroten. Deze versterking is volgens haar noodzakelijk om de hervormingen in de rechtspraak daadwerkelijk effect te laten hebben.
De president sprak haar waardering uit voor de leden van De Nationale Assemblée die de initiatiefwetten hebben ingediend. Voor zover zij de voorstellen heeft kunnen beoordelen, kan zij zich daarin vinden. Volgens Simons sluiten de initiatieven aan bij het regeringsbeleid om de rechtsstaat te versterken en de rechtspraak efficiënter en rechtvaardiger te maken.
Nieuwe wetsvoorstellen herstellen traditionele regeling benoeming en pensionering magistraten
De regering heeft nieuwe wetsvoorstellen ingediend bij de Nationale Assemblée om de regels rond de benoeming en pensionering van rechters en de procureur-generaal (PG) ingrijpend te herzien.
De voorstellen omvatten onder meer de verlaging van de pensioenleeftijd van 70 naar 65 jaar voor de procureur-generaal, rechters en leden van het Openbaar Ministerie (OM), evenals een aangescherpte procedure voor benoemingen waarbij het Hof van Justitie binnen een vaste termijn advies moet uitbrengen.
Achtergrond: eerdere verschillen in pensioenleeftijden
Tot 2024 golden voor verschillende onderdelen van de rechterlijke macht uiteenlopende pensioenleeftijden.
De procureur-generaal ging met pensioen op 65 jaar op basis van de oude Wet RIS.
Leden van het Openbaar Ministerie vielen onder de Personeelswet en gingen op 60 jaar met pensioen.
De zittende magistratuur (rechters) kende een aparte regeling, los van het OM.
Deze verschillen vloeiden voort uit de scheiding tussen de zittende en staande magistratuur, die organisatorisch en functioneel gescheiden zijn.
Wijziging in 2024: uniforme pensioenleeftijd van 70 jaar
In 2024 werden deze uiteenlopende regels gelijkgetrokken. De pensioenleeftijd van alle leden van de rechterlijke macht — de procureur-generaal, rechters en OM-functionarissen — werd verhoogd naar 70 jaar.
Deze wijziging moest de continuïteit van opsporing, vervolging en rechtspraak verstevigen. Artikel 14a van de Wet RIS, dat de pensioenleeftijd van de PG op 65 jaar stelde, werd daarbij geschrapt.
Nieuwe voorstellen 2025: herstel van het oorspronkelijke systeem
De regering stelt nu voor om de pensioenleeftijd opnieuw op 65 jaar te bepalen. Het kabinet geeft aan dat bij de wetswijziging van 2024 onvoldoende rekening werd gehouden met de traditionele structuur en verhouding tussen de zittende en staande magistratuur.
Volgens het nieuwe wetsvoorstel gaat de procureur-generaal weer op 65 jaar met pensioen, gelden voor alle leden van het OM eveneens 65 jaar als pensioenleeftijd en krijgt ook de zittende magistratuur een uniforme pensioenleeftijd van 65 jaar, waarmee de vroegere systematiek uit de Wet RIS wordt hersteld.
Benoemingsprocedure procureur-generaal wordt verduidelijkt
Daarnaast wordt de benoemingsprocedure van de PG opnieuw in overeenstemming gebracht met de Grondwet. Het aangepaste artikel 2 lid 2 bepaalt dat de PG voor het leven wordt benoemd, maar uitsluitend na advies van het Hof van Justitie, zoals voorgeschreven door artikel 141 lid 2 van de Grondwet.
De wetswijziging van 2024 had deze constitutionele eis niet volledig verwerkt, wat nu juridisch wordt gecorrigeerd.
Strikte termijnen voor advies Hof van Justitie
Het wetsvoorstel introduceert tevens een maximumtermijn voor het advies van het Hof van Justitie bij benoemingen.
Het Hof moet binnen 30 dagen reageren nadat de regering om advies heeft gevraagd.
Blijft een reactie uit, dan mag de regering desondanks tot benoeming overgaan.
Negatieve adviezen van het Hof moeten voortaan duidelijk gemotiveerd worden, zodat het proces transparanter en voorspelbaarder wordt.
Volgens de regering moet deze aanpassing het benoemingsproces efficiënter maken en stagnatie voorkomen, terwijl tegelijkertijd de rol van het Hof als adviesorgaan wordt gerespecteerd.