IN BESLAGNAME 19,5 MILJOEN EURO DOOR NEDERLAND

Inbeslagname € 19,5 miljoen: het eindspel?

 

02 Jul, 2023

foto

 
(Samenvatting)
 
Al is het al 7 jaren geleden de kwestie van de inbeslagname van €19,5 miljoen door Nederland, het blijft de gemoederen bezighouden. Tot tweemaal toe hebben rechterlijke colleges in Nederland gelast tot opheffing van de inbeslagname, maar na cassatie bij de Hoge Raad werd die beslissing teruggedraaid. Bij elke opheffing constateer ik een euforie bij bepaalde groepen, die lijken een verlate antikoloniale strijd tegen het voormalige moederland te voeren.
 
Toegegeven, er is van Nederlandse kant wat aversie te bespeuren geweest tegen de regering die toen aan de macht was en die ten gevolge daarvan op weinig welwillendheid van Nederlandse kant kon rekenen. Omdat ook de huidige regering er niet in slaagt het in 2014 gelegde beslag opgeheven te krijgen, doet vermoeden dat Suriname niet de juiste juridische strategie heeft gevolgd en nog steeds niet volgt. Het beslag is gelegd op gelden, die niet op de Nederlandse bank gestort moesten worden, wat tot 2018 wel het geval was.
 
Aan de medewerking van de Nederlandse bank kwam toen een eind vanwege de policy van de-risking die Nederlandse banken ten aanzien van gelden uit Suriname gingen voeren. Eenvoudig en simpel gezegd: de Nederlandse banken hadden geen vertrouwen dat het zuivere koffie was met de gelden die de Surinaamse banken ter omwisseling aanboden.
 
Suriname moet al vermoeden hiervan hebben gehad want al in 2014 werd met de Bank of China een overeenkomst voor de omwisseling van Surinaams geld gesloten. Naar die Bank was het geld op weg, waarbij de CBvS als ‘shiper’ optrad. Het (KLM)vliegtuig dat de zending vervoerde moest een tussenlanding maken op Schiphol en werd onmiddellijk aan Douanetoezicht onderworpen. De Douane schakelde na het vinden van het geld de FIOD in, die weer het Openbaar Ministerie (OM) inschakelde. Die uitte toen het vermoeden dat het witwasoperatie betrof en legde toen op grond van de Wet witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) ‘strafvorderlijk beslag’ op de gelden. Tot drie keer toe is onder aanvoering van de toenmalige minister van Justitie een delegatie in onderhandeling getreden met het OM te Haarlem maar slaagde er niet in het vermoeden van witwassen bij het OM weg te nemen.
 
Rechtshulpverzoeken, die Nederland toen richtte aan Suriname leiden niet tot opheffing van het beslag waarna Suriname na ingewonnen advies van een Nederlandse hoogleraar Internationaal recht een zogenaamde Voorlopige Voorziening strekkende tot opheffing van het beslag bij de rechtbank Haarlem indiende.  Uit het ingediende verzoekschrift bleek dat Suriname van juridische positie was veranderd. Niet langer bestreed Suriname dat het om een witwasoperatie zou gaan (de bewering van het Haarlemse OM), maar werd nu de stelling betrokken dat het gelegde beslag in strijd was met het volkenrechtelijk beginsel van de staatssoevereiniteit. Suriname boekte met deze stelling bij de Haarlemse rechtbank succes. Maar na door het OM ingestelde cassatie bij de Hoge Raad werd die beslissing vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Amsterdam.
 
Op een 5-tal gronden, waaronder niet de kwestie staatssoevereiniteit, concludeerde ook dit college tot opheffing van het beslag. Het OM stelde weer cassatie in. Ook nu weer lukte het het OM het arrest van het Amsterdamse Hof vernietigd te krijgen. De zaak is nu ter verdere afdoening verwezen naar het Gerechtshof Den Haag. Het is na twee mislukkingen duidelijk dat Suriname een andere weg zal moeten inslaan wil het de beslagen gelden vrij van beslag te krijgen.
 
André Haakmat
 
U kunt het gehele artikel hier downloaden.
 

INBESLAGNAME €19,5 MILJOEN: HET EINDSPEL? Deze kwestie speelt zich af tijdens de vorige regering, met G.Hoefdraad als minister van Financiën, die daarvoor President van de CBvS was. Om het geheugen wat op te frissen. Een aantal handelsbanken -3 -hadden gelden van cliënten bij de CBvS verzameld en dit geld, die 19,3 miljoen, moest worden vervoerd naar de Bank of China om omgezet te worden in US$. Vroeger werd die omzetting gedaan door ‘’een bank in het eurogebied maar hieraan is een eind gekomen in het kader van de-risking bij die banken’’- zo staat het in de processtukken. De CBvS belaste zich met de verzending van het geld. Daarvoor moest een tussenstop gemaakt worden op Schiphol-Nederland. Die tussenstop vond plaats op13 april 2018. De (Nederlandse) Douane te Schiphol vond het toen om nog onopgehelderde redenen nodig die geldzending aan een controle te onderwerpen. Het betrof namelijk niet een willekeurige zending, maar een die voortvloeide uit een overeenkomst -al in 2014 gesloten- tussen de CBvS en de Bank of China. Desondanks heeft de Douane verdere verzending geblokkeerd en na een kort onderzoek de zaak overgedragen aan de FIOD, de werkarm van het OM-Haarlem. Op 17 april 2018 heeft het OM ‘’klassiek strafvorderlijk beslag ‘’ op de zending gelegd, op vermoeden dat er sprake zou zijn van een witwasoperatie. Vanaf dit moment is van Surinaamse zijde alles in het werk gesteld het beslag opgeheven te krijgen. De toenmalige minister van financiën is een aantal malen met een legertje Surinaamse juristen, aangevuld met een aantal Nederlandse naar Nederland afgereisd, maar slaagde er niet in het beslag opgeheven te krijgen. De door Suriname aangedragen contra-argumenten vond het Haarlemse OM of ontwijkend, of niet ter zake doende of onvolledig. Nederland besloot toen de diplomatieke weg te volgen. Een 3-tal rechtshulpverzoeken werd tot Suriname gericht. Deze bleven of onbeantwoord of niet tot tevredenheid van het Haarlemse OM. In die tijd werkte ik aan mijn proefschrift, Corruptie en corruptiebestrijding in Suriname en was met het hoofdstuk bezig dat gaat over de bestrijding van grensoverschrijdende corruptie en de daarmede vervlochten internationale drugshandel. Zowel het OAS Verdrag tegen corruptie als het VN Verdrag tegen corruptie (van beide organisaties is Suriname lid) schenken daar ruime aandacht aan. Beide Verdragen en vooral het VN-Verdrag tegen corruptie doen een dringende beroep op bij het Verdrag aangesloten Staten om bij die strijd samen te werken en alle -zelfs legale – barrières die de samenwerking in de weg zouden kunnen staan weg te werken, cq daar minder zwaar aan te tillen. Toen ook de diplomatieke weg geen oplossing bracht besloot Suriname van haar kant de zaak aan de rechter voor te leggen. Toen ik het ingediende Klaagschrift aan de Rechtbank Noord-Holland onder ogen kreeg bleek dat Suriname, na ingewonnen advies van een hoogleraar Internationaal recht het geschilpunt te hebben verlegd van de vraag of het in deze betrof een poging tot witwassen van het geld naar de vraag of het handelen van de Nederlandse staat niet in strijd was met het beginsel van Staatsimmuniteit. Volgens Suriname was dit laatste het geval. Suriname besloot toen rechtshulpverzoeken van Nederland te negeren. Na de verlegging van het geschilpunt door Suriname plaatste ik in mijn proefschrift voetnoot 435, stellende: dat het in deze zaak vanaf nu zal gaan om de vraag of een Staat op grond van de Wet witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) beslag kan leggen op gelden of goederen, die toebehoren aan (ingezetenen van) een andere Staat, maar die zich op haar grondgebied bevinden of dat de leer van de Staatsimmuniteit moet gelden, die dat verbiedt. In het door Suriname aangevraagde voorlopige voorziening bij de rechtbank Noord-Holland volgde die rechtbank de leer van de staatsimmuniteit en gelastte opheffing van het beslag. Het OM ging in cassatie en de HR vernietigde die uitspraak, verwees de zaak naar het Hof Amsterdam, zonder overigens zich uit te laten over de kwestie van de staatsimmuniteit. Hof Amsterdam doet dat ook niet en oordeelde op een 5-tal punten ook tot opheffing van het beslag. Opnieuw stelde het OM cassatie in. Het cassatiemiddel dat gericht was tegen één van die punten trof doel. Namelijk het punt waar het Hof Amsterdam stelde dat het OM Haarlem na bijna 5 jaar de zaak nog steeds niet op zitting heeft gebracht en kennelijk nog steeds wacht op informatie van de Surinaamse autoriteiten maar dat Suriname bij brief van 25 november 2022 heeft herhaald geen medewerking te zullen verlenen aan het rechtshulpverzoek. Het OM heeft daartegenover gesteld de zaak zeker op zitting te zullen brengen , dat ze gesterkt is in haar vermoeden dat er sprake is van witwassen en dat het nu werkt aan het ‘’samenstellen van een zo volledig mogelijke strafdossier”, dat het daarin vertraagt wordt door de vele processen in deze zaak. Daarbij – stelt het OM -is het al of niet meewerken van de Surinaamse autoriteiten, “geen noodzakelijke voorwaarde’’ meer. Na deze reactie van het OM vindt de HR het arrest van het Hof ‘’onvoldoende gemotiveerd’’ en volgt vernietiging daarvan met verwijzing van de zaak naar aangrenzend Hof den Haag voor verdere behandeling. Nu het ernaar uitziet dat de leer van de staatimmuniteit het zal afleggen van de Wwft lijkt mij de succesvolste manier om het beslag opgeheven te krijgen dat Suriname deugdelijk en onweerlegbaar bewijs levert dat het geld geen door middel van (drugs)criminaliteit verkregen vermogen is maar eerlijk verdiend geld. Want ook op Suriname , als lid van zowel de OAS als de VN, rust de plicht om te verhinderen dat met (drugs)criminaliteit verkregen vermogen niet via witwassen de bovenwereld binnendringt waardoor Suriname kan verworden tot een maffia-Staat (wat het volgens sommigen al, althans ten dele,is). Want dat is waar het in deze zaak omdraait; niet om het voeren van een verlate antikoloniale strijd tegen het voormalige moederland. Ik hoop dat de drie banken, die het betreft Hof den Haag zullen kunnen overtuigen dat het om eerlijk verdiend geld gaat en dat er geen sprake is van witwassen. Blijven vasthouden aan de leer van de staatsimmuniteit biedt weinig perspectief.. Want na het blauwtje dat eerst de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Haarlem en daarna het Hof Amsterdam bij de HR hebben opgelopen, vermoed ik dat het Hof den Haag de leer van de staatsimmuniteit ten faveure van de Wwft zal laten voor wat het is. Als de zaak t.z.t. bij de rechtbank Haarlem op zitting komt (het OM heeft duidelijk gesteld dat dit zeker zal gebeuren!) is de kans groot dat het tot een veroordeling wegens witwassen komt. Zo’n veroordeling door de banken (die onder toezicht staan van de CBvS) zal de internationale reputatie van Suriname, die al is aangetast doordat het land schuilplaats is voor elders veroordeelde drugscriminelen en de houding ten aanzien van de rechtshulpverzoeken verder aantasten. Er staat dus veel op het spel, niet alleen voor het Surinaamse bankwezen (die in het recente rapport,2019, van het Project Management Team -PMT- wat betreft witwassen de kwalificatie kreeg ‘’hoog risico’’) , maar ook voor de internationale reputatie van Suriname als geheel. André Haakmat

Zaak beslag 19,5 miljoen euro uit Suriname moet opnieuw worden behandeld

19,5 miljoen euro zaak
Mr. Aroon Gonesh, advocaat van de Centrale Bank van Suriname. Foto (c) Waterkant.Net

De beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 10 januari 2023 tot opheffing van het (strafvorderlijk) beslag op een geldtransport vanuit Suriname van 19,5 miljoen euro blijft niet in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Den Haag om opnieuw te worden behandeld en beoordeeld. De raadsman van de Centrale Bank van Suriname, Aroon Gonesh, heeft tegenover de redactie van Waterkant bevestigd dat de Hoge Raad dit zojuist heeft beslist.

Op 17 april 2018 heeft de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) een geldzending van bijna 19,5 miljoen euro inbeslaggenomen wegens verdenking van witwassen. Het geld is eigendom van drie Surinaamse banken (hierna: de handelsbanken). De Centrale Bank van Suriname was de ‘shipper’ van het geld.

Het Amsterdamse hof verklaarde (nadat de Hoge Raad een eerdere rechterlijke beslissing tot teruggave van het beslag had vernietigd) het beklag van de drie handelsbanken opnieuw gegrond, omdat ruim vierenhalf jaar na de inbeslagneming de interstatelijke samenwerking tussen Suriname en Nederland volledig tot stilstand is gekomen en niet aannemelijk is dat de Surinaamse autoriteiten alsnog uitvoering zullen geven aan het rechtshulpverzoek van het OM aan Suriname. Ook ontbreekt volgens het hof concrete informatie voor het antwoord op de vraag of en wanneer er strafzaken zullen worden aangebracht tegen de handelsbanken of andere verdachten. Het hof gelastte daarom teruggave van het geld aan deze drie banken. Het OM stelde opnieuw beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. 

De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof is namelijk niet ingegaan op de stelling van het OM bij de behandeling van het klaagschrift dat, gelet op de al verkregen resultaten van het strafrechtelijke onderzoek en het daarbij gerezen vermoeden van witwassen, de uitvoering van de gevraagde rechtshulp door de Surinaamse autoriteiten geen noodzakelijke voorwaarde is voor het daadwerkelijk voor de rechter brengen van de handelsbanken of andere verdachten.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beslissing van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag om opnieuw te worden behandeld en beoordeeld.

In een eerste reactie zegt de advocaat van de Centrale Bank van Suriname Aroon Gonesh dat ‘de uitspraak teleurstellend is’, maar zegt hij in een adem ‘wij zijn standvastig en duidelijk en gaan door’. Het zal in the end uitkomen dat het beslag geheel ten onrechte is gelegd en onrechtmatig is. Advocaat Gonesh legt uit ‘ dat volgens de raadslieden van de banken uit de overwegingen van het Hof blijkt dat het voor het Hof niet vaststaat dat er een vervolging zal komen en die vervolging tot een veroordeling leiden zal, laat staan tot een bijkomende straf inhoudende de verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldzending.

Dat oordeel is volgens de raadsman niet onbegrijpelijk in het licht van het ter raadkamer op 6 december 2022 verhandelde, met inbegrip van de over en weer uitgewisselde ‘conclusies’ en de ter raadkamer overgelegde schriftelijke aantekeningen van de advocaten van de banken en het OM’. Dat is door de raadslieden van de banken ook in cassatie aan de orde gesteld. De Hoge Raad ziet dit echter anders. Wij zullen over een aantal maanden zien wat het Hof Den Haag ervan vindt, aldus Gonesh. 

https://www.waterkant.net/suriname/2023/06/27/zaak-beslag-195-miljoen-euro-uit-suriname-moet-opnieuw-worden-behandeld/

Reactie op ‘Nogmaals de 19,5 miljoen euro’

 

03 Feb, 2023

foto

 

Starnieuws plaatste een brief van André Haakmat, waarin deze ingaat op de laatste ontwikkelingen in de zaak van de ‘aangehouden’ geldzending. De auteur komt tot een onjuiste conclusie op basis van een aantal misvattingen. De belangrijkste worden hieronder rechtgezet.

Anders dan Haakmat veronderstelt, is de zaak nog altijd niet aangebracht en werd de opheffing van het beslag niet gelast, enkel omdat “het OM teveel tijd heeft laten verstrijken tussen inbeslagname en aanbrengen van de zaak”. Het Hof kwam tot de voor de Banken positieve beslissing omdat er geen strafvorderlijk belang (meer) is het beslag te laten voortduren. Tijdsverloop speelt daarbij een rol – maar is niet de dragende reden. Het Hof concludeert dat het onderzoek al jaren stil ligt en er geen kans is dat het OM de gekoesterde verdenking naar bewijs brengt.
 
De enige manier die het OM ziet dat te doen, zou zijn door hulp van Suriname door verlening van rechtshulp. Begrijpelijkerwijze heeft Suriname die (verdere) medewerking geweigerd: Nederland maakte onverhoeds een inbreuk op haar soevereiniteit en lichtte Suriname verkeerd voor bij een eerder rechtshulpverzoek. Bovenal tastte het OM door lichtzinnige beslaglegging de Surinaamse monetaire economie, ingrijpend aan. Logisch dat Suriname, gesteund door het Verdrag dat ziet op de verlening van rechtshulp tussen beide landen, de deur nu in het slot wierp.
 

Niet vaak krijgen klagers in het kader van een beslagprocedure gelijk; de uitspraken van rechtbank en Hof maken duidelijk dat de rechters in feitelijke aanleg onderkennen dat dit een even bijzondere als uitzichtloze zaak is.

En de Hoge Raad dan? De Hoge Raad velde enkel een oordeel over de manier waarop de rechtbank de kwestie van de immuniteit benaderde. Dat debat zal mogelijk later worden voortgezet. Wat daar van zij: anders dan schrijver meent, respecteerde het Hof dat oordeel. En geheel in lijn met de uitspraak van de Hoge Raad oordeelde het op een andere, feitelijk grond, dat het beslag niet mag voortduren.
 
Wanneer Haakmat stelt dat de Hoge Raad de zaak nu maar zelf af moet doen, miskent hij de grenzen van hetgeen de cassatierechter vermag. Het Hof legde het juiste criterium aan en motiveerde zijn oordeel feitelijk, sterk en begrijpelijk. De Hoge Raad kan niet in cassatie tot een eigen, ander oordeel komen. Maar als de Hoge Raad het tweede beroep van het OM verwerpt, is de beslissing van het Hof onaantastbaar. Dat zou de juiste uitkomst zijn.
 
Tot besluit: de impliciete stelling dat de banken schuldig zijn, omdat het “uit het oogpunt van de noodzakelijke  internationale bestrijding van grensoverschrijdende corruptie wenselijk (is) dat de zaak niet langer sleept”, past een jurist, laat staan een oud-advocaat en minister, niet. In zijn algemeenheid verzet het onschuldsbeginsel zich tegen dergelijke wilde, premature vaststellingen; in dit geval geldt dat a fortiori. Er is geen begin van bewijs – niet meer dan een gekunstelde, hoogst aanvechtbare verdenking.
 
En die verdenking is niet gerelateerd aan corruptie  Strafrechtelijke bemoeienis met een reguliere interbancaire geldzending van de Centrale Bank van een andere staat was en is ongepast. Het is niet enkel in het belang van de betrokken banken en Suriname dat het oordeel in stand blijft; rechtszekerheid, soevereiniteit en monetaire stabiliteit zijn er bij gebaat dat het oordeel van het Hof in stand blijft.

Aldo Verbruggen

Nederlands OM gaat in cassatie; 19.5 miljoen euro nog niet vrij

 
24 Jan, 2023
foto

 
Het Nederlandse Openbaar Ministerie (OM) heeft zich vastgebeten in de beslaglegging van de 19.5 miljoen euro van 4.5 jaar geleden. Het vervolgingsapparaat is vandaag in cassatie gegaan tegen het besluit van het gerechtshof in Amsterdam. Voor de tweede keer is de inbeslagname van het geld ongegrond verklaard.
 
De Surinaamse Bank, de Finabank en de Hakrinbank hadden verwacht dat het geld eindelijk vrij zou komen. Aangegeven werd dat het Nederlandse OM geen sterke case heeft. Er werd ervan uitgegaan dat de procedure zou worden opgestart om de 19.5 miljoen euro terug te geven aan Suriname.
 
Het OM heeft echter ervoor gekozen om de laatste juridische mogelijkheid aan te grijpen en in cassatie te gaan. Dit proces kan anderhalf jaar duur. De imago- en economische schade voor de banken en Suriname is groot door deze stap van het Nederlandse OM.
 
De advocaten van de banken hebben de akte vandaag binnengekregen waarin wordt aangegeven dat het Nederlandse OM in cassatie gaat. Het legt zich niet neer bij de uitspraak van de rechtbank in Amsterdam.

Gerechtshof Amsterdam 10-01-2023, 000613-21; 000614-21; 000615-21; 000616-21

 

ECLI:NL:GHAMS:2023:22

Inhoudsindicatie
Artt. 94 en 552a Sv – Beklag van de Centrale Bank van Suriname en drie buitenlandse handelsbanken tegen klassiek beslag, gelegd op een contant geldbedrag van 19,5 miljoen euro, dat via Schiphol van Suriname naar Hong Kong werd vervoerd. Het hof is van oordeel dat het belang van strafvordering de voortzetting van het beslag niet langer vordert en gelast de teruggave aan de handelsbanken.
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2023-01-10
Publicatiedatum
2023-01-10
Zaaknummer
000613-21; 000614-21; 000615-21; 000616-21
Procedure
Raadkamer
Rechtsgebied
Strafrecht

 

Formele relatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

 

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Raadkamer

 

rekestnummers klaagschrift: 000613-21; 000614-21; 000615-21; 000616-21.

parketnummer: 15/870866-18

Beschikking van het gerechtshof Amsterdam op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), op het gezamenlijk ingediende klaagschrift van:

 

1de Centrale Bank van Suriname,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat mr. drs. A.J.F. Gonesh,

Laan van Wateringse Veld 707, 2548 BN Den Haag ,

 

klaagster sub 1. hierna ook te noemen: CBvS;

 

2 [klaagster 2] ,

gevestigd te [adres 1] ,

domicilie kiezende ten kantore van haar raadsman mr. A. Verbruggen,

Apollolaan 151, 1077 AR Amsterdam ;

 

3 [klaagster 3] ,

gevestigd te [adres 2] ,

domicilie kiezende ten kantore van haar raadslieden mr. R. de Bree en mr. F.H.H. Sijbers,

Alexanderstraat 21, 2514 JM Den Haag ;

 

4 [klaagster 4] ,

gevestigd te [adres 3] ,

domicilie kiezende ten kantore van haar raadslieden mr. R. de Bree en mr. F.H.H. Sijbers,

Alexanderstraat 21, 2514 JM Den Haag ;

 

klaagsters sub 2. tot en met 4. hierna ook te noemen: de handelsbanken.

 

 

Inhoud klaagschrift Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag gelegd op een geldbedrag in contanten van

€ 19.499.000,00, met last tot teruggave van het (inmiddels girale) geldbedrag aan klaagsters voornoemd door overmaking aan de Centrale Bank van Suriname, zo nodig onder zekerheidstelling in de vorm van een borgstelling door de Centrale Bank van Suriname.

 

Procesverloop

Op 28 juni 2019 is het klaagschrift bij de rechtbank Noord-Holland ingekomen.

 

Op 5 november 2019 is het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld en is de behandeling geschorst tot 10 december 2019, om de officieren van justitie en de advocaten/gemachtigden in de gelegenheid te stellen een schikking te beproeven.

 

Op 10 december 2019 hebben de officieren van justitie laten weten dat het niet is gelukt tot een schikking te komen.

 

Bij beschikking van 24 december 2019 heeft de rechtbank Noord-Holland het klaagschrift van CBvS gegrond verklaard. De rechtbank heeft het beslag – op € 19.499.00,00 en op twee valse coupures van

€ 500,00 – opgeheven en de teruggave van het eerstgenoemde bedrag gelast door overboeking naar de rekening van CBvS bij de Nederlandse Bank. De handelsbanken werden, voor zover zij ook een afzonderlijk klaagschrift hadden willen indienen, in dezelfde beschikking niet-ontvankelijk verklaard.

 

Op 3 januari 2020 hebben de officieren van justitie tegen deze beschikking beroep in cassatie ingesteld.

 

Bij beschikking van 6 juli 2021 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat deze – op het door de klaagsters gezamenlijk ingediende klaagschrift – opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

 

Op 2 december 2021 heeft het gerechtshof Amsterdam besloten een schriftelijke uitwisseling van standpunten stukken te laten plaatsvinden.

 

Op 31 januari 2022 is namens de klaagsters een nadere toelichting gegeven op het oorspronkelijke klaagschrift.

 

Op 3 maart 2022 hebben de officieren van justitie daarop gereageerd.

 

Op respectievelijk 23 maart 2022 en 13 april 2022 zijn conclusies van repliek en dupliek ingekomen.

 

Het hof heeft kennisgenomen van de relevante stukken en heeft de officieren van justitie mrs. Sarian en De Bree, tevens plaatsvervangende advocaten-generaal, alsmede de advocaat van CBvS en de raadslieden van de handelsbanken op 6 december 2022 ter gelegenheid van de openbare behandeling van het klaagschrift in raadkamer gehoord.

 

Inleiding

 

Op 13 april 2018 heeft de Douane te Schiphol een geldzending vanuit Suriname met bestemming Hong Kong aan een controle onderworpen. Op de vrachtpapieren stond de Centrale Bank van Suriname als ’shipper’ vermeld. Bij de vrachtpapieren was verder documentatie gevoegd over de inhoud van de zending die € 19.500.000,00 contant geld betrof en volgens de documentatie afkomstig was van de handelsbanken in de volgende verdeling: € 4.500.000,00 van [klaagster 4] ,

€ 10.000.000,00 van [klaagster 2] en € 5.000.000,00 (waarvan € 1.000,00 in valse coupures) van [klaagster 3] De geldzending is douanetechnisch stopgezet waarna per e-mail is gecorrespondeerd met de CBvS. De Douane heeft haar bevindingen vervolgens overgedragen aan de FIOD, die op 17 april 2018 klassiek strafvorderlijk beslag op het geld heeft gelegd. Het geldbedrag is bij De Nederlandse Bank geteld en, met uitzondering van de twee valse biljetten van elk € 500,00, giraal gemaakt. Op 1 juni 2018 werd een bedrag ter grootte van € 19.499.000 door De Nederlandse Bank op een bankrekening van de Belastingdienst gestort.

 

Volgens de plaatsvervangende advocaten-generaal is sprake van een verdenking van witwassen. Het (ernstige) vermoeden bestaat dat het inbeslaggenomen geldbedrag geheel of grotendeels (on)middellijk van misdrijf afkomstig is. De handelsbanken en een vijftal in Suriname gevestigde geldwisselkantoren zijn door het Openbaar Ministerie inmiddels als verdachte aangemerkt. Een deel van het inbeslaggenomen geld zou afkomstig zijn van deze wisselkantoren.

 

Volgens de klaagsters komen in Suriname meer contante euro’s binnen dan het land verlaten. Om die euro’s toe te voegen aan de liquide middelen van de banken dienen deze euro’s giraal te worden gemaakt. Lange tijd heeft dit plaatsgevonden door overbrenging vanuit Suriname naar een bank in het eurogebied maar dit is tot een einde gekomen in het kader van ‘de-risking’ bij die banken. In het belang van een stabiele, monetaire economie heeft CvBvS in 2014 een overeenkomst gesloten met de [bank] , die bereid was de contante euro’s van CBvS in ontvangst te nemen. CBvS heeft sindsdien gezorgd voor het giraal maken van deze contante euro’s en heeft met dat doel de geldtransporten gecoördineerd.

Klaagsters voeren primair aan dat met de inbeslagname inbreuk is gemaakt op de immuniteit van CBvS als staatsorgaan. Verder betwisten zij dat sprake is van witwassen.

Ontvankelijkheid

Door de plaatsvervangende advocaten-generaal is gesteld dat CBvS niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het klaagschrift, omdat zij geen belanghebbende is.

 

De advocaten van klaagsters hebben gesteld dat CBvS wel belanghebbende is en daarom ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat CBvS als gevolmachtigde van de handelsbanken heeft gehandeld om de redenen als weergegeven in de inleiding. Tevens is aangevoerd dat CBvS de partij is die voor de klaagsters [klaagster 4] en [klaagster 2] het risico loopt indien de gelden uiteindelijk (deels) niet worden teruggegeven, nu zij deze twee handelsbanken naar aanleiding van de door het beslag ontstane liquiditeitsnood heeft voorzien van liquiditeit door de nostrorekeningen van deze twee handelsbanken te crediteren. Daartegenover staat de verplichting van die handelsbanken de aan hen toebehorende hoeveelheid geld te leveren aan de Centrale Bank van Suriname, zodra het beslag wordt opgeheven.

 

Het hof overweegt dat alleen een belanghebbende overeenkomstig artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering kan klagen over inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave. Als belanghebbende geldt in elk geval de beslagene. Voor de vraag of ook een ander als belanghebbende kan gelden is niet louter beslissend of deze als rechthebbende op het beslagene kan worden aangemerkt, maar ook of die ander gesteld heeft rechthebbende te zijn. Namens CBvS is gesteld dat recht op teruggave bestaat van het inbeslaggenomen geld. Hierin ligt besloten dat CBvS stelt rechthebbende te zijn. Gelet op het voorgaande, in samenhang met hetgeen onder 5.10 in de conclusie van de procureur-generaal voorafgaand aan voormelde beschikking van de Hoge Raad van 6 juli 2021 is opgemerkt, is het hof van oordeel dat (ook) CBvS ontvankelijk is in het gezamenlijk ingediende klaagschrift.

Onschendbaarheid van de Centrale Bank van Suriname

 

CBvS heeft een beroep gedaan op (staats)immuniteit die haar volgens het volkerenrecht zou toekomen. Door de rechtbank Noord-Holland is dat beroep gehonoreerd. De Hoge Raad heeft in cassatie geoordeeld dat een centrale bank slechts aanspraak kan maken op immuniteit van inbeslagneming en executie voor zover het “property” van de centrale bank betreft dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid. In het licht van de vaststellingen van de rechtbank, in het bijzonder dat de handelsbanken rechthebbenden waren en bleven met betrekking tot het inbeslaggenomen geld en dat uit de vaststellingen van de rechtbank over de betrokkenheid van CBvS bij dat geld niet meer blijkt dan dat zij een faciliterende rol had bij de omzetting van de geldbedragen van chartaal naar giraal, is het oordeel van de rechtbank volgens de Hoge Raad niet begrijpelijk.

 

In de beklagprocedure bij het gerechtshof Amsterdam is namens klaagsters aangevoerd dat het oordeel dat CBvS slechts een faciliterende rol speelde, tekort doet aan haar essentiële betrokkenheid. Zonder CBvS kon immers de omzetting van chartaal in giraal niet plaatsvinden, en zonder die omzetting zou de Surinaamse economie schade worden toegebracht. Het is mede de taak van CBvS dergelijke schade te voorkomen en dat is de reden waarom zij de transporten en het omzetten van chartaal geld in giraal geld bij de [bank] als taak kon opvatten, opvatte en uitvoerde. Hiermee werd uitvoering gegeven aan taken die volgen uit de Surinaamse Bankwet 1956. [bank] zou slechts met CBvS willen handelen en het geld werd door [bank] ook bijgeschreven op de rekening die CBvS aanhield bij de [bank] . De Hoge Raad legt het begrip “property” volgens klaagsters te eng uit.

Het hof overweegt dat het oordeel dat sprake was van een louter faciliterende rol van CBvS, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, niet zonder meer recht doet aan haar betrokkenheid. De beantwoording van de vraag of sprake is van strafrechtelijke en/of strafvorderlijke immuniteit kan volgens het hof evenwel in het midden worden gelaten, nu – gelet op het hierna overwogene – het antwoord op deze vraag niet bepalend is voor de beslissing op het gezamenlijk ingediende klaagschrift.

Vereist het belang van strafvordering het voortduren van het beslag?

Vast staat – de plaatsvervangende advocaten-generaal hebben dat tijdens de behandeling van het gezamenlijke klaagschrift in openbare raadkamer op 6 december 2022 nogmaals bevestigd – dat het beslag louter is gelegd op basis van artikel 94 Sv, en niet (tevens) als verhaals- of conservatoir beslag op basis van art. 94a Sv. Het hof zal daarom eerst de vraag beantwoorden of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vereist (ECLI:NL:HR:2010:BL2823). Daarbij zijn de volgende vragen van belang: dient (het voortduren van) het beslag (i) de waarheidsvinding, is het (ii) van belang voor het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel of is het niet (iii) hoogst onwaarschijnlijk dat de/een strafrechter, later oordelend, het beslagene verbeurd zal verklaren of aan het verkeer zal onttrekken?

 

Ad (i) De contante gelden zijn aangetroffen, in beslag genomen, geteld en gerubriceerd naar (beweerd) rechthebbende of herkomst. Dit gebeurde aan de hand van bij de zending behorende documenten en op basis van informatie van door de vervoerders en rechthebbenden overgelegde en (later) uit Suriname verkregen stukken. Tussen klaagsters en het Openbaar Ministerie bestaat hierover geen discussie, zodat deze feiten vaststaan. Door het Openbaar Ministerie is niet gemotiveerd op grond waarvan voortduring van het beslag de waarheidsvinding kan dienen. Het hof ziet evenmin redenen waarom het voortduren van het beslag met het oog op de waarheidsvinding nog is vereist.

 

Ad (ii)

Hetzelfde geldt voor het aantonen van wederrechtelijk voordeel. Van de klaagsters zijn alleen de handelsbanken door het Nederlandse Openbaar Ministerie als verdachten aangemerkt. Voor het aantonen van (de omvang van eventueel) wederrechtelijk verkregen voordeel door deze handelsbanken of andere verdachten is het voortduren van het beslag evenmin vereist.

 

Ad (iii)

Zo resteert voor het hof als beklagrechter de beantwoording van de vraag of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de/een strafrechter, later oordelend, het beslagene verbeurd zal verklaren of aan het verkeer zal onttrekken. De beklagrechter moet zich, gezien het summiere karakter van de beklagprocedure, in die beoordeling terughoudend opstellen en zich niet op voorhand uitlaten over de mogelijke uitkomst van de strafzaak of de daarin te nemen beslagbeslissingen.

 

Het Openbaar Ministerie heeft tijdens de behandeling van het gemeenschappelijk klaagschrift in openbare raadkamer op 6 december 2022 te kennen gegeven dat een recent verzonden nader rechtshulpverzoek door de Surinaamse overheid nog niet is uitgevoerd. Die uitvoering wordt door het Nederlandse Openbaar Ministerie niet gezien als noodzakelijke voorwaarde voor het daadwerkelijk instellen van strafvervolging. Er is nog geen strafzaak aangebracht, omdat het Openbaar Ministerie eerst een zo volledig mogelijk dossier wil hebben. De beantwoording van het nadere rechtshulpverzoek zou wel sterk bijdragen aan de aanvulling van het dossier. Afhankelijk van de uitkomst van de onderhavige klaagschriftprocedure zal worden bekeken welke inspanningen door het Openbaar Ministerie verder worden gedaan.

Klaagsters hebben tijdens diezelfde raadkamerzitting een brief van 25 november 2022 overgelegd, afkomstig van de Minister van Justitie van Suriname en gericht aan diens Nederlandse ambtgenoot, waarin staat dat Suriname niet aan dat nadere rechtshulpverzoek zal voldoen. Het Openbaar Ministerie heeft de authenticiteit van de brief en de inhoud daarvan niet bestreden; in reactie daarop hebben de plaatsvervangende advocaten-generaal wel de verwachting uitgesproken dat ongegrondverklaring van het (gezamenlijk) beklag en voortduring van het beslag tot een meer bereidwillige houding van de Surinaamse autoriteiten zal leiden. Die verwachting is evenwel niet nader onderbouwd.

Het hof overweegt dat de beslaglegging inmiddels ruim viereneenhalf jaar geleden plaatsvond en dat de interstatelijke samenwerking inmiddels – aldus voornoemde brief – geheel tot stilstand is gekomen. Dat de Surinaamse autoriteiten zich alsnog zullen inspannen om uitvoering te geven aan het (nadere) rechtshulpverzoek als het beslag voortduurt, is niet aannemelijk geworden. Enige concrete informatie voor een antwoord op de vraag of en wanneer er strafzaken tegen de drie handelsbanken of andere verdachten zullen worden aangebracht, ontbreekt. Bovendien houdt het feit dat tot nu toe in de kwestie geen strafzaken zijn aangebracht, kennelijk wel degelijk nauw verband met de behoefte van het Openbaar Ministerie om meer informatie te krijgen van de Surinaamse autoriteiten. Deze informatie wordt, gelet op de brief van 25 november 2022, echter niet verstrekt.

Als gevolg van een en ander is naar het oordeel van het hof hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het beslagene verbeurd zal verklaren of aan het verkeer zal onttrekken.

 

Het hof zal het gezamenlijke beklag daarom gegrond verklaren en de daarmee overeenkomende last geven. Van die beslissing en last zullen worden uitgezonderd de twee valse bankbiljetten, nu het ongecontroleerde bezit daarvan, ook in Suriname, in strijd is met de wet. Nu alle klagers stellen dat de handelsbanken volgens de hierboven omschreven verdeling rechthebbenden zijn op het beslagene, het Openbaar Ministerie dat niet heeft bestreden en ook overigens niet anders is gebleken, zal het hof de teruggave in overeenstemming met die stelling gelasten.

 

Beslissing Het hof:

Verklaart het klaagschrift gegrond.

 

Gelast de teruggave van:

  • – € 4.500.000,00 (vier miljoen vijfhonderdduizend Euro)aan [klaagster 4] ;
  • – € 10.000.000,00 (tien miljoen Euro) aan [klaagster 2] ;
  • – € 4.999.000,00 (vier miljoen negenhonderdnegenennegentigduizend Euro) aan

[klaagster 3] .

 

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan klaagsters.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, A.P.M. van Rijn en A.W.T. Klappe,

in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 10 januari 2023.

Amsterdam, 10 januari 2023

 

Het gerechtshof Amsterdam heeft het strafvorderlijke beslag dat in april 2018 te Schiphol is gelegd op een geldzending uit Suriname van 19,5 miljoen euro in contanten, opnieuw opgeheven. Het hof heeft dat vandaag beslist, na verwijzing door de Hoge Raad. 

Gang van zaken

 
In december 2019 besliste de rechtbank in dezelfde zin. De Centrale Bank van Suriname (CBvS) deed samen met drie Surinaamse handelsbanken beklag tegen de inbeslagname. De rechtbank honoreerde de klacht van CBvS, omdat de beslaglegging van het geld strijdig zou zijn met het internationaal publiekrecht. CBvS, staatsorgaan van Suriname en de verzender van het geld, kwam volgens de rechtbank immuniteit van strafvorderlijk beslag toe. 
 
Het Openbaar Ministerie (OM) stelde tegen die beslissing van de rechtbank beroep in cassatie in bij de Hoge Raad der Nederlanden. In juli 2021 oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank de immuniteit van CBvS ten onrechte aan haar beslissing ten grondslag had gelegd, nu het geld niet toebehoorde aan CBvS, maar aan de handelsbanken. De Hoge Raad verwees de zaak naar het Amsterdamse gerechtshof, om nogmaals over de zaak te beslissen. 

Beklag opnieuw gegrond verklaard

 

Het hof verklaarde het beklag tegen het beslag van CBvS en de handelsbanken vandaag opnieuw gegrond. De reden daarvoor is dat het beslag inmiddels ruim 4,5 jaar geleden gelegd is, dat in de kwestie nog geen strafzaak in Nederland aanhangig is gemaakt en dat ook geen concreet vooruitzicht daarop bestaat. Dat tot nu toe geen strafzaken zijn aangebracht, lijkt nauw verband te houden met de behoefte van het OM om meer informatie te krijgen van de Surinaamse autoriteiten. Deze informatie wordt echter niet verstrekt.

Het hof acht het daarom inmiddels hoogst onwaarschijnlijk dat er (later) een strafvorderlijke beslissing over het beslag zal worden genomen waarvoor het voortduren van dat beslag vereist is. Het hof heeft de teruggave van het geld aan de drie Surinaamse handelsbanken bevolen.

 

Hof Amsterdam behandelt 19,5 miljoen euro zaak opnieuw

 
 
Hof Amsterdam behandelt 19,5 miljoen euro zaak opnieuw
Advocaat Gonesh vanmorgen voor aanvang van de zitting in het hof Amsterdam. Foto (c) Waterkant.Net

Het gerechtshof in Amsterdam zal vandaag het eerder door de Centrale Bank van Suriname (CBvS) en de drie handelsbanken (Hakrinbank, Finabank en De Surinaamsche bank) ingediend klaagschrift tegen de inbeslagname van de 19,5 miljoen euro opnieuw behandelen. Dit nadat de Hoge Raad der Nederlanden op 6 juli 2021 de eerdere beslissing van de rechtbank Noord-Holland van 24 december 2019, waarbij de opheffing van het beslag en teruggave werd gelast, vernietigde en de zaak verwees naar het hof in Amsterdam. Dit heeft Aroon Gonesh, advocaat van de CBvS vanmorgen bevestigd aan de redactie van Waterkant.Net.

De zaak
Op 17 april 2018 heeft de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) een geldzending van bijna 19,5 miljoen euro in beslag genomen wegens verdenking van witwassen. Deze geldzending was een paar dagen daarvoor per vliegtuig uit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol en had als eindbestemming Hong Kong, waar het zou worden omgezet in giraal geld en vervolgens weer aan de liquide middelen van de handelsbanken zou worden toegevoegd. Het geld is eigendom van drie Surinaamse banken (hierna: de handelsbanken). 

Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaarde het beklag van de banken op 24 december 2019 gegrond. De rechtbank vond dat het geld niet in beslag genomen had mogen worden omdat de Centrale Bank van Suriname een staatsorgaan is dat volgens het internationale recht (volkenrecht) immuniteit geniet. Met de geldzending voerde de centrale bank een wettelijke taak uit, waaronder het verzorgen van de geldsomloop in Suriname en het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer. Daarom geniet zij immuniteit van strafvorderlijk beslag voor zover dat beslag betrekking heeft op voorwerpen die zij onder zich heeft ten behoeve van de uitoefening van haar publieke taak.

Cassatieberoep OM
Het OM vroeg de Hoge Raad de beslissing van de rechtbank te vernietigen. Het OM was het niet eens met het oordeel van de rechtbank over de aan de Centrale Bank van Suriname toekomende immuniteit.

Advies advocaat-generaal (AG) aan de Hoge Raad
AG Spronken adviseerde in een zeer uitgebreide en deugdelijk onderbouwde conclusie de Hoge Raad op 2 februari 2021 de beslissing van de rechtbank in stand te laten. Volgens haar is het strafvorderlijk beslag op het geldtransport door de rechtbank terecht opgeheven.

Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad keek anders naar de zaak. Volgens de Hoge Raad kan uit het internationaal gewoonterecht hooguit worden afgeleid dat een centrale bank aanspraak kan maken op immuniteit voor zover het ‘property’ van de centrale bank betreft dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid.

Aroon Gonesh, advocaat van de Centrale Bank van Suriname, geeft kort voor aanvang van de behandeling aan de redactie van Waterkant.Net aan dat ‘deze uitspraak van de Hoge Raad de hoon opleverde van professor De Boer die eerder een noot (wetenschappelijk commentaar) onder dit arrest schreef in de Nederlandse Jurisprudentie. Dat is opmerkelijk volgens Gonesh omdat professor De Boer gekend is als een uitgesproken tegenstander van de – in zijn ogen- te ruime immuniteitsleer zoals die door de Hoge Raad wordt gehanteerd in het civiele recht. Hij stelt, zegt Gonesh, dat de redenering van de rechtbank meer overtuigt dan die van de Hoge Raad.

De raadsman geeft aan dat, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad, gemeend zou kunnen worden dat het imuniteitsvraagstuk is afgehandeld. Niets is volgens de raadsman minder waar. Volgens hem ‘strookt de visie van de Hoge Raad  niet met het internationaal publiekrecht maar strijdt ermee’. Property is niet gelijk aan eigendom. Het immuniteitsvraagstuk ligt daarom opnieuw voor bij het gerechtshof naast de andere bezwaren die  destijds namens de banken naar voren zijn gebracht. Waar de Hoge Raad het oordeel van de rechtbank vernietigde op dit aspect, moet (niettemin) hernieuwd het oordeel worden geveld dat het beslag afstuit op het volkenrechtelijk beginsel van immuniteit van executie.

De Hoge Raad kwam volgens advocaat Gonesh tot dit oordeel door in het bijzonder te verwijzen naar het proefschrift van de Duitse jurist Dr. Bsaisou. De Hoge Raad maakte zijn opvattingen tot de zijne zo volgt uit de uitspraak om te concluderen dat propery eigendom is. Maar dat  is niet juist, volgens Gonesh. De advocaten zijn te rade gegaan bij Dr. Bsaisou. Althans eerst bij zijn proefschrift. Maar toen hen bleek dat daarin niet de opvattingen te vinden zijn die de Hoge Raad erin meent te ontwaren, zijn zij vervolgens bij hem te rade gegaan. ‘Niemand beter die weet wat er door de rechtsgeleerde bedoeld is dan de betrokkene zelf’ volgens de raadsman. 

Dat heeft geresulteerd in een 25 pagina’s tellend legal opinion van Dr. Bsaisou die vorige week is ingediend bij het gerechtshof Amsterdam. Bsaisou heeft volgens advocaat Gonesh o.m. de statenpraktijk onderzocht om te concluderen dat een veel breder concept dan property moet worden gehanteerd bij de vraag of immuniteit van executie geldt, al helemaal in het strafrecht.

Zijn heldere conclusie is dat de Centrale Bank van Suriname immuniteit van executie toekomt. De raadsman benadrukt tot slot dat eerder ook professor Ryngaert in een deskundigenadvies tot dezelfde conclusie kwam en ook de rechtbank Noord-Holland alsook de advocaat-generaal bij de Hoge Raad met van oordeel zijn dat aan de Centrale Bank van Suriname immuniteit toekomt.

Het advocatenteam dat de banken bijstaat bestaat uit Aroon Gonesh (CBvS), Aldo Verbruggen (Hakrinbank), Robbert de Bree en Frans Sijbers (Finabank en DSB Bank).

https://www.waterkant.net/suriname/2022/12/06/hof-amsterdam-behandelt-195-miljoen-euro-zaak-opnieuw/

Beslissing opheffing strafvorderlijk beslag op geldtransport van 19,5 miljoen euro vanuit Suriname blijft niet in stand

 
6 juli 2021
 
 

De beslissing van de rechtbank tot opheffing van het strafvorderlijk beslag op een geldtransport vanuit Suriname van 19,5 miljoen euro blijft niet in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld. Dit oordeel heeft tot gevolg dat het beklag van (onder meer) de Centrale Bank van Suriname tegen het strafvorderlijk beslag op het geld opnieuw moet worden behandeld en beoordeeld door het gerechtshof.

 

De zaak

Op 17 april 2018 heeft de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) een geldzending van bijna 19,5 miljoen euro inbeslaggenomen wegens verdenking van witwassen. Deze geldzending was een paar dagen daarvoor per vliegtuig uit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol en had als eindbestemming Hong Kong waar het zou worden omgezet in giraal geld en vervolgens weer aan de liquide middelen van de handelsbanken zou worden toegevoegd. Het geld is eigendom van drie Surinaamse banken (hierna: de handelsbanken). De Centrale Bank van Suriname was de ‘shipper’ van het geld. De handelsbanken en de Centrale Bank van Suriname hebben gezamenlijk een beklag tegen de inbeslagneming ingediend.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaarde het beklag gegrond. De rechtbank vond dat het geld niet in beslag genomen had mogen worden omdat de Centrale Bank van Suriname een staatsorgaan is dat volgens het internationale recht (volkenrecht) immuniteit geniet. Met de geldzending voerde de centrale bank een wettelijke taak uit, waaronder het verzorgen van de geldsomloop in Suriname en het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer. Daarom geniet zij immuniteit van strafvorderlijk beslag voor zover dat beslag betrekking heeft op voorwerpen die zij onder zich heeft ten behoeve van de uitoefening van haar publieke taak. Dat het geld niet aan de centrale bank in eigendom toebehoort, maakt dat niet anders volgens de rechtbank.

Het Openbaar Ministerie (OM) stelde tegen die beslissing beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Cassatieberoep OM

Het OM vroeg de Hoge Raad de beslissing van de rechtbank te vernietigen. Het OM is het niet eens met het oordeel van de rechtbank over de aan de Centrale Bank van Suriname toekomende immuniteit.

Het is voor het eerst dat van de Hoge Raad een oordeel in een strafzaak wordt gevraagd over de aan het volkenrecht ontleende immuniteit (artikel 8d in het Wetboek van Strafrecht) in relatie tot de bevoegdheid van het OM om strafvorderlijk beslag te leggen onder een vreemde staat.

Advies advocaat-generaal (AG) aan de Hoge Raad

AG Spronken adviseerde de Hoge Raad in haar conclusie van 2 februari jl. de beslissing van de rechtbank in stand te laten. Volgens haar is het strafvorderlijk beslag op het geldtransport door de rechtbank terecht opgeheven.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad kijkt anders naar de zaak en oordeelt dat de cassatieklacht van het OM slaagt. Volgens de Hoge Raad kan uit het internationaal gewoonterecht hooguit worden afgeleid dat een centrale bank aanspraak kan maken op immuniteit voor zover het ‘property’ van de centrale bank betreft dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid. De rechtbank heeft vastgesteld dat de handelsbanken rechthebbende en daarmee eigenaar waren en bleven met betrekking tot het inbeslaggenomen geld. Het geld zou weer aan de liquide middelen van de handelsbanken worden toegevoegd nadat het bij een Chinese bank was omgezet in giraal geld. De betrokkenheid van de Centrale Bank van Suriname bij dat geld was niet meer dan een faciliterende rol bij de voorgenomen omzetting van het contante geldbedrag door de handelsbanken. Het oordeel van de rechtbank dat immuniteit niet in de weg staat aan het feit dat het geld niet aan de centrale bank in eigendom toebehoort vindt de Hoge Raad daarom niet begrijpelijk.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam om opnieuw te worden behandeld en beoordeeld. Daarbij wijst hij erop dat dat ook geldt voor het door de handelsbanken ingestelde beklag.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2021:1042

https://www.hogeraad.nl/actueel/nieuwsoverzicht/2021/juli/beslissing-opheffing-strafvorderlijk-beslag-geldtransport-19-5-miljoen/