Dit verhaal is ook te beluisteren! Bij Blendle hebben ze het ingesproken.

Op de internationale website van ING Group staat een reeks filmpjes over de ontstaansgeschiedenis van de bank. Die begint in 1762, meldt een opgewekte vrouwenstem, met de oprichting van Baring Brothers, een Brits handelshuis van de Engelse bankiers Frances en John Baring. Het handelshuis weet uit te groeien tot een van de grootste investeringsbanken ter wereld.

Het internationale aanzien van de bank sneuvelt pas als in de jaren negentig als de frauduleuze handelaar Nick Leeson de bank een onwaarschijnlijk groot miljoenenverlies bezorgt. Dankzij dat miljoenenverlies kan ING de chicste bank van het Verenigd Koninkrijk voor het symbolische bedrag van 1 pond kopen, en verschaft zichzelf op die manier toegang tot de Londense City. En, zoals het filmpje laat zien, ook tot het roemrijke verleden van de op twee na oudste investeringsbank ter wereld. Zelfs Napoleon was klant, vertelt de vrouw monter.

 

Wat het filmpje niet vertelt: Baring Brothers vergaarde in de beginjaren kapitaal dankzij grootscheepse investeringen in de slavernij. Toen de slavernij werd afgeschaft, had Sir Alexander Baring, de zoon van de oprichter, ruim tweeduizend tot slaaf gemaakten in bezit in Brits-Guiana (het huidige Guyana), en ruim duizend op het eiland Saint Kitts, bij elkaar 3.400 mensen.

Bij de afschaffing van de slavernij werden eigenaren gecompenseerd voor het verlies van hun ‘bezittingen’. Sir Baring kreeg een vergoeding die vandaag de dag zou uitkomen op 1,2 miljoen euro.

In Groot-Brittannië woedt sinds juni dit jaar een felle discussie over het slavernijverleden van het nationale bedrijfsleven. Verzekeringsmarkt Lloyds Bank en bierbrouwer Greene King traden naar buiten met persbericht en excuses, omdat de oprichters tot slaaf gemaakten hadden gehad en daarvan financieel hadden geprofiteerd. De aantallen zijn een schim van die van Barings: respectievelijk 162 en 231 personen.

DIRECT VERBAND MET DE SLAVERNIJ

ING is niet de enige Nederlandse bank die via een rechtsvoorganger direct in verband gebracht kan worden met de slavernij, of de financiële afgeleiden daarvan, zoals investeringen in plantages. In de zeventiende maar zeker ook achttiende en deels negentiende eeuw bemoeide de fine fleur van de Amsterdamse financiële wereld zich met het investeren in scheepsverzekeringen en plantageleningen in Suriname en Guyana. Het waren vooral rijke families die zich in een zoektocht naar rendement bezighielden met de handel in West-Indië.

‘Je kunt de fondsen van toen vergelijken met private equity partijen nu.’

Volgens onderzoek van de aan Harvard verbonden historici Pepijn Brandon en Ulbe Bosma was de handel in door slaven geproduceerde goederen verantwoordelijk voor veertig procent van de economische groei in Holland in de tweede helft van de achttiende eeuw. Deze groei leidde weer tot een golf aan speculaties in plantageleningen. Uiteindelijk zorgde dat voor een grote financiële crisis in 1773, waarna de investeringen weer terugliepen. Maar de handel stopte niet.

Plantageleningen zijn kredieten die verstrekt werden aan plantagehouders, zowel aan Nederlandse eigenaren als buitenlandse. De leningen zelf werden vervolgens in stukjes weer doorverkocht als obligaties, vertelt Brandon, die onderzoek deed naar het onderwerp. ‘Je kunt de fondsen van toen vergelijken met private equity partijen nu; geldschieters verstrekten kapitaal aan plantagehouders, maar verkochten die schuld vervolgens weer door aan kleinere handelaren.’

De betrokkenheid bij slavernij zat op die manier verweven door het hele financiële systeem: handelshuizen die niet direct plantageleningen uitgaven, kregen er vaak toch mee te maken. Ook het hedgen was de achttiende en negentiende-eeuwse handelaar niet vreemd: het afdekken van een financieel risico, mocht de slavernij-economie instorten. Dankzij het uitgeven van die innovatieve financiële producten bleef Amsterdam – en in mindere mate ook Londen – het financiële zenuwcentrum van Europa.

EXCUUS MAKEN

Op dit moment staat de Londense City in de schijnwerpers vanwege dat verleden. Want ook rechtsvoorgangers van HSBC, Royal Bank of Scotland en Barclays, zo bleek in juni na publicatie van een database van het University College in Londen, hadden banden met de slavernij-economie. De personen en firma’s die een compensatie ontvingen in 1836 staan erin, en ook zij die tevergeefs een claim maakten.

De database maakt inzichtelijk welke politieke partijen, landhuizen, musea en andere instituties profiteerden van de slavernij. Londen was als belangrijk financieel centrum een prominente speler in de slavenhandel: er staan talloze bankiers, handelshuizen en politici vermeld in de database die profiteerden van de handel in tot slaaf gemaakten.

En na de dood van George Floyd en de daaropvolgende Black Lives Matters-protesten sloeg deze nieuwe informatie van juni in als een bom.

Zelfs de Bank of England, opgericht in 1694, zag zich genoodzaakt excuses te maken. Liefst 27 voormalige leden van de Bank bleken geïnvesteerd te hebben in slavernij ofwel gecompenseerd te zijn tijdens de afschaffing ervan. ‘Als instituut is de Bank of England zelf weliswaar niet direct betrokken bij de slavernij, maar ze is zich wel bewust van een aantal onvergeeflijke banden met voormalige gouverneurs en directeuren, en biedt daarvoor excuses aan,’ luidt het officiële persbericht van de toezichthouder. Elf portretten van oud-presidenten die gelieerd kunnen worden aan de slavernij zijn inmiddels door de Bank of England verwijderd uit de gebouwen.

BANDEN MET HET SLAVERNIJVERLEDEN

De excuses van de Bank of England zijn voor Nederland relevant. Uit onderzoek van Vrij Nederland blijkt namelijk dat De Nederlandsche Bank – opgericht in 1814 – ook banden met het slavernijverleden heeft.

Een van de bronnen daarvoor is een proefschrift van historicus J.P. van der Voort uit 1973, waarin alle plantageleningen tussen 1720 en 1795 staan opgetekend. Het is het meest directe bewijs van financiële betrokkenheid van investeerders in slavenplantages in Nederland naast de archieven van de Emancipatiewet uit 1863 (waarmee de slavernij werd afgeschaft).

In de lijst van Van der Voort staat vermeld dat de familiefirma van de tweede president van De Nederlandsche Bank (hij was dat van 1816 tot 1827), Jan Hodshon, plantageleningen verstrekte – hij zou uiteindelijk bij de firma Hodshon & Co gaan werken. Nog in 1789 gaf het handelshuis Hodshon & Co een lening uit aan een plantage in Sint Eustatius.

Ook de familiefirma van Paul Hogguer, de eerste president van De Nederlandsche Bank, staat op de lijst van plantageleningen.

Ook de familiefirma van Paul Hogguer, de eerste president van De Nederlandsche Bank (het dagelijks bestuur bestaat sinds de oprichting uit de president plus vijf directeuren), staat op deze lijst. Al is daarmee niet direct vast te stellen of hij zelf daadwerkelijk in deze leningen handelde: zijn archief is voor een belangrijk deel verdwenen. Hij was kort president: van 1814 tot 1817.

Hogguer stamt uit een belangrijk adellijk Zwitsers geslacht, dat meerdere plantages bezat, schreven Pepijn Brandon en Sven Beckert, een andere Harvard-historicus, onlangs in de Neue Zürcher Zeitung. Zo hadden zijn oma en vader de plantage La Liberté in Suriname, blijkt uit data van het Stadsarchief Amsterdam.

Hogguer was na 1790 niet meer heel actief als bankier, vermoedt hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis Joost Jonker, die op het onderwerp promoveerde. ‘Na de financiële crisis in 1773 zakt de markt van plantageleningen in, Hogguer heeft zich eind achttiende eeuw dan ook al grotendeels teruggetrokken uit de markten.’

COMPENSATIEREGELINGEN

Verder blijkt uit gegevens van het Nationaal Archief dat tijdens de officiële afschaffing van de slavernij in 1863 drie directeuren van DNB betrokken waren bij de compensatieregeling van de Nederlandse overheid voor de vrijmaking in Suriname. Per tot slaaf gemaakte ontvingen eigenaren 300 gulden – anno 2020 betekent dat zo’n 7.000 euro, of delen daarvan, als eigenaren aandelen in de plantages hadden.

DNB-directeur Ferdinand Rendorp was belangenbehartiger van aandeelhouders in zo’n fonds, en had, zo vermoedt archivaris en historicus Okke ten Hove, ook zelf aandelen. Secretaris Herman Molkenboer wordt genoemd omdat zijn vrouw gecompenseerd werd voor aandelen in een plantage. Vrouwen werden pas in 1956 handelingsbekwaam voor de wet, dus viel dat geld hem toe.

Jacobus Insinger had op het moment van de Emancipatie in 1863 meerdere plantages en aandelen in plantages in bezit. Zo meldde onderzoeker Dienke Hondius eerder dat Insinger 214 mensen persoonlijk in bezit had op de Surinaamse plantage Barbados. Tijdens de Emancipatie was Insinger directeur bij De Nederlandsche Bank.

In een reactie hierop stelt De Nederlandsche Bank dat ze een onafhankelijke partij zal benaderen om historisch onderzoek te doen naar de beginperiode van de Bank en naar toenmalige presidenten en directieleden.

WEDUWE BORSKI

Ook de vrouw die – volgens de president van De Nederlandsche Bank Klaas Knot – verantwoordelijk is voor het bestaan van de Bank, weduwe Borski, blijkt betrokken geweest bij handel in de slaveneconomie.

In oktober 2019 wordt het Borski Fonds opgericht, een fonds voor vrouwelijke investeerders. Vernoemd naar misschien wel de rijkste vrouw van de negentiende eeuw, en een van de weinige vrouwelijke investeerders uit die tijd. Bij de presentatie van het fonds in Museum van Loon is Knot spreker. Ze zijn de weduwe ‘nog altijd dankbaar’, stelt de president van de Bank daar, omdat het zonder de weduwe Borski maar de vraag was geweest of De Nederlandsche Bank überhaupt had kunnen bestaan.

De Nederlandsche Bank is weduwe Borski ‘nog altijd dankbaar’, stelde president Klaas Knot.

De Nederlandsche Bank is opgericht in 1814 door koning Willem I, op advies van eerdergenoemde Paul Hogguer. Maar dat ging niet vanzelf: het bestaan van de Bank hing in 1814 namelijk aan een zijden draadje. Van de uitgegeven vijfduizend aandelen werden er slechts drieduizend verkocht; de Amsterdamse haute finance had weinig vertrouwen in de toekomst van de bank. Maar één handelshuis durfde het toch aan: de firma Borski en zonen, onder leiding van de weduwe Borski. Zij kocht dankzij een handige deal met Willem I, de resterende tweeduizend aandelen op, en voorzag daarmee DNB van het broodnodige startkapitaal.

Mede dankzij haar kwam de Bank van de grond, stelt Frank Elderson in een uitzending van de VPRO-serie De IJzeren Eeuw. Een replica van het portret van de Weduwe hangt nog altijd in de vergaderzaal van DNB. Knot, in zijn speech: ‘(…) We bestaan nog steeds. Dankzij de aandelen die de weduwe Borski – waarschijnlijk grotendeels in gouden en zilveren munten – afrekende met Koning Willem I.’

PUUR UIT EIGENBELANG

Uit een uitgebreide inventaris uit 1818 tussen de Britse en Nederlandse Staat, afkomstig uit de National Archives in Londen, blijkt dat weduwe Borski al sinds 1802 investeringen uit had staan in Demerary (het huidige Guyana): plantageleningen met een huidige waarde van ruim acht miljoen euro.

Dat ze die in 1818 nog altijd had is opmerkelijk, stelt hoogleraar Jonker, omdat de handel in plantageleningen toen al goeddeels was opgedroogd. ‘Dat de weduwe op dat moment in de geschiedenis nog een hypotheek van honderdduizend gulden heeft op plantages in Demerary is fors. Ze was natuurlijk heel vermogend, maar dat is alsnog een groot bedrag. Overigens handelde de weduwe met haar deal bij De Nederlandsche Bank puur uit eigenbelang: ze weet die nog niet geplaatste aandelen direct door te verkopen aan talloze handelaren in Amsterdam.’

DNB verklaart in een reactie op vragen van Vrij Nederland op de hoogte zijn van de investeringen van Borski. ‘Van de weduwe Borski, die DNB in haar oprichtingsjaren mede financierde, is bekend dat zij met haar vermogen plantages in Suriname en elders in het Caribisch gebied financierde.’

De leningen aan plantages zijn vanuit historisch perspectief zo belangrijk omdat juist door die financiële infrastructuur de plantages in Suriname en andere koloniën konden groeien, zegt Karin Lurvink. Zij deed namens de Vrije Universiteit onderzoek naar de betrokkenheid van bankiers en verzekeraars bij de slavenhandel.

Lurvink: ‘Op de levens van Afrikaanse slaaf gemaakten werden hypotheken geplaatst door plantage-eigenaren, met als bedoeling om krediet te krijgen, zodat ze onder andere weer nóg meer slaaf gemaakten konden kopen.’ De Afrikaanse tot slaaf gemaakten vertegenwoordigden een derde van de totale waarde van de plantage. En op basis van die waarde werd de lening verstrekt. Dat leidde tot de cynische realiteit dat hoe meer tot slaaf gemaakte mensen een plantage bezat, hoe groter de lening was die kon worden afgesloten. Waarmee nóg meer tot slaaf gemaakten konden worden gekocht.

SLAVERNIJBAGATELLISERING

In het verleden werd de betrokkenheid van de Nederlanders bij de slavernij vaak weggewoven; een bezigheid die historicus Matthias van Rossum omschrijft als ‘slavernijbagatellisering’. Nederland zou niet zoveel verdiend hebben aan de slavernij, was het idee. En bovendien: de Britten vervoerden veel meer tot slaaf gemaakten.

Door de Nederlandse bankiers is de Nederlandse betrokkenheid bij de slavernij veel groter dan vaak wordt aangenomen.

Maar door de Nederlandse bankiers is de betrokkenheid van de Nederlanders veel groter dan vaak wordt aangenomen. De inventaris uit de Londense archieven die in 1818 werd opgesteld toont dit aan. Niet alleen hebben de Nederlanders elf procent van alle Britse plantages in handen, ook geven ze leningen uit aan buitenlandse plantagehouders. En de Nederlandse hypotheken en slaveneigenaren samen waren goed voor maar liefst een derde van de totale slavenhandel in de regio ten westen van Suriname, blijkt uit het begeleidende stuk. Dankzij de financiële elite in Nederland. 

NIET ERG HAPPIG

Nederlandse bankiers bezaten ook direct tot slaaf gemaakten, met name toen de afschaffing van de slavernij in zicht was. Een deel van de plantages ging voor de afschaffing al failliet en kwam in handen van de schuldeisers: de bankiers.

Het bekendste voorbeeld daarvan is de firma Insinger & Co, de rechtsvoorganger van het huidige InsingerGilisen. Uit onderzoek van Karin Lurvink, die er eerder over schreef in OneWorld, blijkt dat het handelshuis Insinger & Co in 1863 ruim 1.500 tot slaaf gemaakten bezat, meer dan welk ander Nederlands bedrijf dan ook.

De Nederlandse elite was bovendien niet erg happig op de afschaffing van de slavernij, vertelt historicus Pepijn Brandon. ‘Men wist in Nederland dat het af zou lopen, maar heeft het nog tot het allerlaatst proberen te rekken. En toen werd het deel van een economisch rationeel: in de eindfase werd het zelfs winstgevend om plantages aan te houden, omdat de eigenaren wisten dat ze toch door de overheid zouden worden gecompenseerd.’

Vooral Frits Insinger was hierin actief: hij wist als Eerste Kamerlid de afschaffing van de slavernij jaren uit te stellen. ‘De regering heeft geen recht tot vrijmaking, zonder schadevergoeding,’ stelt hij in 1854 (is te lezen in de historische stukken van de Eerste Kamer). In 1863 krijgt de firma die schadevergoeding: 300 gulden per mens, 350 duizend gulden in totaal. Omgerekend naar nu is dat ruim acht miljoen euro.

Overigens wil de historische ironie, aldus hoogleraar koloniale en postkoloniale geschiedenis Gert Oostindie in een radiogesprek met VPRO, dat de afschaffing van de slavernij in de West werd bekostigd door opbrengsten die voortkwamen uit onvrije arbeid in de Oost. Dankzij de winsten uit Nederlands-Indië had de Nederlandse Staat genoeg geld om plantagehouders schadeloos te stellen.

DUBBEL GECOMPENSEERD

Nederlandse plantage-eigenaren werden niet alleen door de Nederlandse Staat gecompenseerd voor hun verloren bezittingen, maar ook nog door de Britse. De Britten sloten daartoe de grootste lening af in hun geschiedenis: 20 miljoen pond – omgerekend 2,5 miljard euro. De Britse belastingbetaler heeft nog tot 2015 moeten opdraaien voor het terugbetalen van deze lening. 

Als ze in 1836 de slavernij afschaffen, hebben tientallen Nederlanders op dat moment nog plantages in Britse gebieden. In de dataset van de University College of London staan 31 Nederlanders die in 1836 geld kregen van de Britse overheid. In totaal ontvangen de Nederlanders honderdduizenden ponden voor vele duizenden mannen, vrouwen en kinderen die ze tot hun persoonlijk bezit rekenden: omgerekend naar nu zijn dat vele tientallen miljoenen euro’s.

In totaal ontvangen de Nederlanders honderdduizenden ponden voor vele duizenden mannen, vrouwen en kinderen die ze tot hun persoonlijk bezit rekenden.

Eén familie in het bijzonder maakt fortuin: de secretaris van de kolonie Demerary, Philip Tinne, een succesvol suikerhandelaar die ook investeerde in koffieplantages. In 1813 vormt hij een maatschap, Sandbach, Tinne & Company, dat handelt in, aldus de archieven: ‘prime Gold coast N*gros.

Het bedrijf maakt een klapper tijdens de Britse afschaffing: omgerekend naar nu krijgt het ruim 22 miljoen euro voor de tot slaaf gemaakten in verschillende koffie- en suikerplantages. Philip Tinne zelf ontvangt bijna dertien miljoen van de Britse Staat. Zijn fortuin stelt zijn vrouw en dochter Alexine na zijn dood in staat te doen waar ze zin in hebben. Jaren later maakt de Haagse Alexine Tinne furore als ‘de eerste vrouwelijke ontdekkingsreiziger.’

VERLEDEN VAN VOORGANGERS

Als in 2006 ABN Amro de Amerikaanse bank LaSalle wil overnemen, is één van de voorwaarden voor die overname dat de bank onderzoek doet naar het eigen slavernijverleden. Het stadsbestuur in Chicago, waar LaSalle zetelt, acht het dan al fundamenteel in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen dat bedrijven weten of zij ooit winsten hebben gemaakt door handel in tot slaaf gemaakten.

Uit het onderzoek blijkt onder meer dat rechtsvoorganger Mees & Zonen actief betrokken was bij de Transatlantische slavenhandel. Karin Lurvink concludeerde eerder al dat de betrokkenheid van Hope & Co daarin niet wordt meegenomen, terwijl ABN zich op haar website ook beroept op het verleden van deze voorganger.

Hope & Co is een befaamde Nederlandse bank, en een van de particuliere bedrijven die de transatlantische slavenhandel onderhield, stelt het Stadsarchief Amsterdam.

Ze werken in meerdere zaken nauw samen met de firma Barings. In het proefschrift van Van der Voort staat Hope & Co vermeld met zeven kredieten: leningen naar waarde van nu iets minder dan dertig miljoen euro. In het archief in Amsterdam zijn bovendien nog uitgebreide lijsten en beschrijvingen voor de uitrusting van slavenschepen te zien – die waren nodig voor de financiering en verzekering van de schepen.

TER VERANTWOORDING GEROEPEN

In het Verenigd Koninkrijk groeit ondertussen de druk op de banken om hun problematische verleden. Zo stelde Member of Parliament Layla Moran drie weken geleden dat ze álle instellingen gaat aanschrijven die in de database voorkomen, opdat zij net als Lloyds en Greene King excuses en donaties kunnen maken.

Maar ‘sorry’ is niet genoeg, vindt Hilary Beckles, voorzitter van de Caricom-landen (de Caribische eilanden plus Suriname en Guyana). Eerder dreigden deze landen met een rechtszaak tegen de Britse, Nederlandse en Franse staat vanwege hun rol in de slavenhandel en slavernij, op basis van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie uit 1965. Martyn Day van het advocatenkantoor Leigh Day stond hen destijds bij. Tot nu toe is de zaak nog niet voor de rechter gekomen.

De vraag is of ING Group als moederbedrijf van Barings daarmee een schadeclaim tegemoet kan zien. Day: ‘Er zijn banken en instituten – en Baring Brothers is daar een van – die enorm hebben geprofiteerd van de slavernij en de afschaffing ervan. Het zou mij eerlijk gezegd verbazen als daar de komende jaren geen juridische consequenties aan vastzitten.’ Hoe zaken precies juridisch vorm zullen krijgen, verschilt volgens Day per zaak. Maar: ‘al deze organisaties zijn nu nerveus. De tijd is aangebroken dat ze ter verantwoording kunnen worden geroepen.’

REACTIES BANKEN
DNB

‘We zijn ons bewust van de huidige discussie over het Nederlandse slavernijverleden en daarom is mede naar aanleiding van het onderzoek bij de Bank of England besloten tot een historisch onderzoek naar de relatie tussen DNB en slavernij.

Daarbij zal worden gekeken naar de rol van DNB als instelling in de beginjaren van haar bestaan en naar toenmalige presidenten en directieleden.

Van de weduwe Borski, die DNB in haar oprichtingsjaren mede financierde, is bekend dat zij met haar vermogen plantages in Suriname en elders in het Caribisch gebied financierde.

We zullen een onafhankelijke partij vragen het historisch onderzoek uit te voeren. Na afronding van het onderzoek besluit DNB over eventuele vervolgstappen.’

ING

‘ING veroordeelt alle vormen van discriminatie en uitbuiting. ING streeft ernaar een veilige en tolerante onderneming te zijn voor haar klanten, leveranciers, werknemers en de bredere gemeenschappen die ze bedient. Hierin is geen plaats voor discriminatie of uitbuiting. In de loop der jaren heeft ING verschillende overnames gedaan, waaronder de Britse bank Barings 25 jaar geleden. Barings, opgericht in 1762, was in zijn vroege jaren betrokken bij de financiering van activiteiten die verband hielden met slavernij, zoals plantages die profiteerden van de dwangarbeid van tot slaaf gemaakte mensen. Wat betreft de vermelding in de UCL-database denken we dat deze voortkomt uit een hypotheek op een aantal plantages, waarbij de eigenaar in gebreke bleef. De plantages, inclusief de slaven die daar werkzaam waren, kwamen hierdoor bij wijze van onderpand in handen van de bank.

Het Baring Archive, eigendom van ING en sinds 2008 ondergebracht in een stichting, bewaart documenten die teruggaan tot 1762 en moedigt het gebruik ervan voor educatieve doeleinden aan. Het archief wil een ​​adviserende werkgroep van academici en andere geïnteresseerde partijen in het leven roepen om te onderzoeken hoe de dossiers nog toegankelijker kunnen worden gemaakt en er meer onderzoek mogelijk wordt gemaakt naar dit onderwerp.’

INSINGERGILLISEN

‘Bij InsingerGilissen zetten wij ons in voor diversiteit en inclusie, zowel op de werkvloer als in de bredere maatschappelijke context. In racisme, onderdrukking of slavernij – welke vorm deze ook aannemen – kunnen en willen wij ons niet herkennen. Het Nederlandse slavernijverleden is te betreuren net als het feit dat voorgangers van InsingerGilissen daar mogelijk in het verleden bij betrokken zijn geweest. Wij starten een eigen onderzoek om na te gaan wat de betrokkenheid nu precies is geweest, om daarmee het bewustzijn onder collega’s te vergroten en volledige transparantie te kunnen verschaffen richting onze stakeholders.’

ABN AMRO

‘Wij onderzoeken op dit moment intern hoe we zaken die in ons verre verleden hebben plaatsgevonden, een plek kunnen geven in het bewustzijn van iedereen die bij de bank werkt. Dat gaat om het bestrijden van alle vormen van racisme, het bevorderen van diversiteit, maar ook om het bevorderen van gelijke man/vrouw verhoudingen en het bestrijden van moderne slavernij. Wij zijn daar op dit moment intern over in gesprek, en willen op een zorgvuldige manier die geschiedenis begrijpen. Omdat dit nog niet is afgerond kunnen wij nog niet vooruitlopen op de vraag of wij het voorbeeld van de Britse verzekeraar Lloyds volgen. Wel is zeer voorstelbaar dat wij meer openheid gaan geven over deze geschiedenis, bijvoorbeeld op onze website.’

https://www.vn.nl/nederlandse-bankiers-slavernij/