DE MEDIA IN SURINAME IN 2026 A TAFRA DRAAI EN DE GEKLEURDE ANTI SANTHOKI MEDIA KWAMEN ZICHZELF TEGEN MET ZELFCENSUUR EN CENCUUR

LEES OOK: NIVEAU VRIJE PERS EEN GEVAARLIJKE TREND VAN POLITIEKE KARAKTERMOORD EN INTIMIDATIE VAN EIGEN MEDIAPERSONEN DIE KRITISCHE VRAGEN DURVEN STELLEN AAN MACHTHEBBERS (DL 2)

LEES OOK: DE MEDIA IN SURINAME MUILKORFDE ZICHZELF: ” ALS OFFICIËLE REGERINGSBEELDEN KLAKKELOOS WORDEN OVERGENOMEN, WORDT JOURNALISTIEK GEDEGRADEERD TOT DISTRIBUTIEKANAAL. JUIST HIER HOORT DE SURINAAMSE PERS TE DOEN WAT DE OVERHEID NALAAT: VERGELIJKEN, VEREFIËREN EN PUBLIEKELIJK VERANTWOORDING EISEN”

LEES OOK: STAATS CENSUUR EN GESCHIEDVERVALSING VAN DE OVERHEID WAAR ZIJN DE MEDIA IN SURINAME

Joan Nibte: Niet de houtexporteurs, maar het improviserende ministerie

30 jan 2026

In zijn column schetst Wilfred Leeuwin een beeld van het houtexportdossier richting India waarin “onrecht bijna een certificaat kreeg”. Die formulering suggereert een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de Staat en exporteurs. Maar dat beeld mist de kern: dit dossier is ontstaan door jarenlang wanbeleid en geïmproviseerde praktijken van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV), en niet door autonoom handelen van ondernemers buiten de Staat om.

LVV is geen passieve actor. Het ministerie trad op als beleidsmaker, begeleider, facilitator én toezichthouder van de houtexport. Jarenlang werden exporteurs geaccommodeerd, hoe schots en scheef het beleid ook was. Het ging hierbij niet slechts om onzorgvuldigheid: het was bewust geïmproviseerd beleid, waarbij certificaten werden uitgegeven die niet strookten met de waarheid en in strijd waren met geldende regels. Deze praktijk werd structureel voortgezet en ten minste tweemaal schriftelijk bevestigd door het ministerie via zogenoemde grace periods, expliciet bedoeld voor de exporteurs. Daarmee zond de Staat de boodschap: “U kunt op ons rekenen, ook als onze oplossingen niet conform internationale regels zijn – of zelfs valselijk zijn opgemaakt.”

Ook al zouden individuele medewerkers van het ministerie aansprakelijk zijn voor het opmaken van valse certificaten, dan nog verandert dit niets aan de kern van de zaak: de Staat Suriname, en met name het ministerie van LVV, heeft deze handelingen jarenlang getolereerd en actief gefaciliteerd. De hoofdaansprakelijkheid ligt dus niet bij individuele ambtenaren, maar bij het ministerie zelf als verantwoordelijke beleidsmaker en toezichthouder.

Door dit beleid werd bij exporteurs een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hun bedrijfsvoering werd gedragen door de overheid. Investeringen, contracten en logistieke planning werden uitgevoerd binnen een kader dat LVV zelf had gecreëerd en actief in stand hield. Het is daarom niet redelijk — en juridisch problematisch — om dit plotseling te doorbreken, waardoor exporteurs nu geconfronteerd worden met schade en onzekerheid buiten hun macht. De Staat had haar eigen verantwoordelijkheid moeten nemen om deze situatie op te lossen en tegelijkertijd de exporteurs in staat te stellen hun activiteiten onder aangepaste omstandigheden voort te zetten zonder schade te riskeren.

Hier faalt de Staat opnieuw. In plaats van oplossingsgericht te handelen en verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen van haar eigen improvisaties, kiest zij voor een harde breuk. Exporteurs worden de dupe, terwijl zij jarenlang handelden binnen een kader dat door de overheid zelf werd bestendigd en zelfs actief gefaciliteerd.

Een rechtszaak had in dit licht vermeden kunnen worden. De Staat had via beleid, overgangsmaatregelen of tijdelijke regelingen een ordentelijke afwikkeling kunnen organiseren, zonder de exporteurs in de kou te zetten. Het probleem ligt dus niet bij de vraag of beleid kan worden gewijzigd — dat kan — maar bij de manier waarop, met respect voor rechtszekerheid, zorgvuldigheid en evenredigheid.

Dit dossier vraagt geen juridische theatrale ingrepen, maar verantwoordelijkheid van de overheid voor haar eigen improviserend beleid. Beleidsverantwoordelijkheid eindigt niet waar het lastig wordt. Juist daar begint zij.

Joan M. Nibte
Advocaat

https://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/90394

Eugène van der San aangesteld als voorzitter Administratief Beroepsinstituut

24 dec 2026

Bestuurskundige Eugène van der San is benoemd tot voorzitter van het Administratief Beroepsinstituut (ABI). Het instituut werd op maandag 22 december 2025 officieel geïnstalleerd door president Jennifer Simons.

Het Administratief Beroepsinstituut is belast met het zorgvuldig voorbereiden van beleidsvoornemens van de regering en het bieden van richting bij de uitvoering daarvan. In die hoedanigheid ondersteunt het instituut de president bij de uitoefening van zijn constitutionele taken binnen de administratieve rechtsgang.

Het ABI bestaat uit zeven leden en één secretaris. Alle leden zijn juristen en beschikken over specifieke expertise op het gebied van het administratief recht. Het instituut brengt onafhankelijk advies uit aan de president, met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving, waaronder de Personeelswet, de Vuurwapenwet en de Kieswet.

Volgens voorzitter Van der San is de taak van het Administratief Beroepsinstituut rechtstreeks verankerd in de Grondwet. Het staatsbestel kent, naast de rechterlijke macht, ook een administratieve rechtsgang waarin de president optreedt als beroepsinstantie.

De voorzitter wijst erop dat de instelling van het ABI bijdraagt aan een transparante en zorgvuldige uitvoering van deze grondwettelijke verantwoordelijkheid. Door de formalisering beschikt de president over een gespecialiseerd orgaan dat op gestructureerde wijze inhoudelijk advies verleent.

Het Administratief Beroepsinstituut is ingesteld voor de duur van de zittingsperiode van de huidige regering. Van der San verwacht dat burgers in toenemende mate een beroep zullen doen op het instituut, met name in gevallen waarin een gang naar de rechter beperkt of niet mogelijk is.

Met de installatie van het ABI wordt beoogd de administratieve rechtsbescherming te versterken en de kwaliteit van besluitvorming binnen het openbaar bestuur te bevorderen.

https://www.srherald.com/suriname/2025/12/24/eugene-van-der-san-aangesteld-als-voorzitter-administratief-beroepsinstituut/

Joan Nibte, aspirant-kandidaat derde positie A20, moet goedkeuring PRO-ALV afwachten – ABC

true

Advocaat Nibte voor zes maanden geschorst in hoger beroep zaak

true

Joan Nibte. Foto: Advocatenkantoor Nibte J.M.

Advocaat Joan Nibte is geschorst voor een periode van zes maanden. In de hoger beroep zaak van de aanklager Harry Dudhnath heeft het Advocaten Tuchtcollege op 25 augustus besloten om de tuchtmaatregelen van schorsing van drie maanden te brengen naar zes maanden. De advocaat van Dudhnath, Vinay Moerahoe, geeft aan dat zijn cliënt de zaak van afpersing heeft gewonnen. Het wachten is nu op Nibte om de beslaglegging op de bankrekeningen van zijn cliënt op te heffen.

Het tuchtcollege had op 21 oktober 2019 besloten dat Nibte in deze zaak geschorst werd voor een periode van drie maanden. Echter zou de tuchtmaatregel niet van toepassing zijn als ze binnen een week na de uitspraak een bedrag van SRD 50.000 had terugbetaald aan de aanklager. Zij heeft echter ervoor gekozen om de zaak in hoger beroep aan te vechten.

“Als ik niet de overtuiging had dat ik het gelijk aan mijn zijde had, zou ik deze strijd niet zijn aangegaan,” laat Nibte weten op haar Facebookpagina. De politica is voor de verkiezingen van 25 mei naar voren geschoven als presidentskandidaat van de Partij voor Recht en Ontwikkeling (PRO). Haar beleving en het feitencomplex is een hele andere dan hoe de klager dat heeft verwoord, schrijft ze. Nibte legt zich neer bij de uitspraak van het Hof. Ze is zich aan het voorbereiden op de rechtsgevolgen, die de schorsing met zich meebrengt.

“Hiermee is een periode van bezinning en tijdelijk terugtrekken uit het publiek, meer zichtbaar leven en debat aangebroken. Er is voorzien in mijn waarneming in de tussenliggende periode en cliënten en personeel van mijn organisatie, zullen niet gedupeerd worden door wat mij aldus ten deel is gevallen,” schrijft verder.

Aan eenieder wil ze tot uitdrukking brengen, dat zij toewijding aan de kernwaarden en alle normen van de advocatuur, zich altijd gedreven heeft in haar loopbaan en de bijdrage die ze aan velen heeft mogen leveren in de afgelopen periode in verschillende hoedanigheden in het bijzonder als advocaat over de afgelopen 20 jaar.

“Mijn gekoesterde wens is om dit, na verloop van de maatregel, met hernieuwde inzichten, persoonlijke groei en acceptatie te mogen hervatten,” zegt ze. Ze is nochtans bereid haar ervaring en inzichten in deze te delen met hen, die daar de behoefte aan hebben. Intussen zal ze zich verder inzetten vanuit een andere hoedanigheid voor personen die op welke manier dan ook hulp behoeven.

Tegen de advocaat hebben verschillende personen een klacht ingediend bij de deken van de Surinaamse Orde van Advocaten, die deze heeft doorgeleid naar het Advocaten Tuchtcollege.

Het tuchtcollege heeft bij de eerste uitspraak al de klacht van H. Dudhnath terecht gevonden, omdat zij voor de opheffing van een conservatoir derdenbeslag, een honorarium vroeg van SRD 60.000 en US$ 30.000. Dit terwijl Nibte de aanklager in het begin had voorgehouden dat haar honorarium SRD 5.000 was. Het tuchtcollege is van oordeel dat de door haar genoemde bedragen voor het honorarium onredelijk zijn.

In een andere zaak tegen Nibte heeft het tuchtcollege, op 21 oktober 2019, de maatregel van berisping opgelegd gekregen.

Vishmohanie Thomas

https://www.srherald.com/suriname/2020/08/29/advocaat-nibte-voor-zes-maanden-geschorst-in-hoger-beroep-zaak/

Hof publiceert tuchtstraffen tegen advocaat Nibte

Joan Nibte mag voor de duur van een half jaar het ambt van advocaat niet uitoefenen. Het Hof van Justitie, dienende als de hoger beroepsinstantie van het Advocaten Tuchtcollege heeft haar een schorsing van zes maanden opgelegd. Behalve deze tuchtstraf, kreeg Nibte ook in een andere tuchtzaak in hoger beroep, een berispingopgelegd. De kamer van het hof, voorgezeten door rechter Dinesh Sewratan, wees de vonnissen vorige week op 25 augustus. Het hof besliste voorts dat gezien het ‘publieke belang van kennisneming’, de beslissingen bekendgemaakt c.q. gepubliceerd moesten worden op de uitsprakendatabank van de website van het hof.

De advocaat is in twee afzonderlijke gevallen aangeklaagd door haar cliënten. De eerste klacht kwam op 4 juni 2018 binnen en ging onder andere over de kosten (honorarium) die de cliënt (klaagster) aan Nibte moest betalen voor haar diensten. De Surinaamse Orde van Advocaten die de klacht binnenkreeg verwees de zaak door naar het Advocaten Tuchtcollege. 

Berisping

Het tuchtcollege, voorgezeten door rechter Ingrid Chhangur-Lachitjaran, oordeelde dat Nibte onzorgvuldig heeft gehandeld naar de cliënt. “Het vervolgens accepteren van de overdracht van een perceel als ‘verrekening’ van (een deel van) het honorarium is naar het oordeel van het tuchtcollege in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt ongeacht of dit een aanbod was van klaagster.” De advocaat kreeg op 21 oktober 2019 de tuchtmaatregel van berisping opgelegd, waartegen zij in beroep ging bij het hof. 

In deze zaak stelde het hof dat Nibte in strijd heeft gehandeld “met de verplichting om het beroep uit te oefenen in volstrekte onafhankelijkheid en zonder zich daarbij door de zucht naar persoonlijk, financieel, maatschappelijk of ander voordeel te laten leiden”. Het hof bevestigde de beslissing van het tuchtcollege, rekening houden met het feit dat Nibte een ‘first offender’ was. 

Tweede klacht tegen Nibte

Op 26 april 2019 volgde een tweede klacht tegen Nibte en die werd eveneens doorgestuurd naar het Advocaten Tuchtcollege. Die klacht ging onder meer over de hoge kosten – meer dan was afgesproken, die de advocaat in rekening bracht voor verleende diensten. Omdat de cliënt die weigerde te betalen, liet Nibte conservatoir derdenbeslag leggen op zijn financiën.

In strijd met ere-regelen

Het tuchtcollege oordeelde dat Nibte bedrijfsinformatie van de cliënt heeft gebruikt om het beslag te leggen. Nibte heeft met deze stap in strijd gehandeld met de ere-regelen (gedragsregels) van het beroep. Welke afspraken precies zijn gemaakt over de kosten liet de rechter in het midden. De cliënt vond dat er een honorarium van SRD 5000 overeengekomen was voor juridische bijstand in zijn zaak. Maar na de uitspraak in zijn zaak, gaf Nibte hem aan dat het saldo honorarium US$ 68.000, SRD 443.000 en € 8.900 bedroeg. Nibte vond dat zij vanaf de aanvang had afgesproken dat haar honorarium SRD 60.000 en US$ 30.000 is.

Honorarium onredelijk

Het tuchtcollege oordeelde dat de genoemde bedragen voor het honorarium onredelijk zijn, gezien de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak. De handelingen van Nibte werden “zo ernstig” geacht, dat zij op 21 oktober 2019 een schorsing van drie maanden opgelegd kreeg. Deze tuchtstraf zou niet worden uitgevoerd als Nibte binnen een week na de uitspraak SRD 50.000 terug zou geven aan de cliënt en het beslag binnen 24 uur zou opheffen. 

Hof verzwaart tuchtstraf

Echter, de veroordeelde Nibte kon zich niet terugvinden in deze beslissing en stapte naar het hof. Dit werd haar funest. De hofkamer vernietigde de eerder opgelegde tuchtmaatregel van schorsing van drie maanden en legde haar een zwaardere tuchtstraf op van zes maanden schorsing uit het ambt. Het hof concludeerde dat Nibte “zeer ernstige misslagen in de praktijkuitoefening heeft begaan en daardoor heeft gehandeld op een wijze dat een behoorlijk advocaat niet betaamt”. 

Zucht naar financieel voordeel

Volgens het hof heeft zij door “haar zucht naar financieel voordeel”, schade toegebracht aan het bedrijf van de cliënt door een honorarium in rekening te brengen dat niet overeengekomen en “zeer excessief was tegen de achtergrond van de verrichte werkzaamheden”. Door ook nog beslag te leggen op de financiën, raakte zijn bedrijf verlamd en leed de cliënt behoorlijke schade. Het hof verzwaarde de tuchtstraf ook omdat Nibte al een eerste tuchtmaatregel van ‘berisping’ voor ‘soortgelijk klachtwaardig handelen’ had gekregen. 

Uitbreiding uitsprakendatabank

Het is de eerste keer dat beslissingen in de tuchtrechtspraak over advocaten openbaar en toegankelijk worden voor het publiek. Eind vorig jaar publiceerde het hof ook de uitspraken van de Krijgsraad in de 8-december strafzaak. 

Vorig jaar april bij de lancering van de website gaf waarnemend hofpresident Iwan Rasoelbaks aan dat uitspraken van het hof in civiele en strafzaken gepubliceerd zouden worden, nadat die betekend zijn aan partijen. Het gaat om bijzondere en geen standaard zaken; beslissingen die aan bepaalde juridische of maatschappelijke criteria voldoen. 

https://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/60483

Dossier houtexport 14 – Column: Toen onrecht bijna een certificaat kreeg

Het houtexportdossier richting India laat zien hoe dun de scheidslijn kan worden tussen bestuur en misbruik, tussen recht en rendement. Wat begon als illegale export, groeide uit tot een praktijk die jarenlang kon voortbestaan en die op 31 december 2025 zelfs bijna werd gelegitimeerd door een rechterlijk bevel.

Zes houtexporteurs hadden al hout naar India verscheept zonder geldig fytosanitair certificaat. Niet alleen morarondhout, maar ook andere houtsoorten die volgens de geldende regels helemaal niet naar India mogen worden geëxporteerd. Dat gebeurde niet per ongeluk en niet eenmalig. Jarenlang vond deze export plaats met medewerking van functionarissen binnen het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV).

De certificaten werden parmantig ondertekend door Anand Ramkisoensing, destijds directeur Landbouwkundig Onderzoek, Afzet en Verwerking. Hij was daartoe niet bevoegd. Die bevoegdheid lag bij Meglin Samuel, chef Inspectie. Samuel weigerde, terecht om mee te werken aan het onjuist vermelden van houtsoorten op authentieke documenten. Dat moment markeert het verschil tussen ambtelijke integriteit en bestuurlijke ontsporing. Hij was gedekt door de houtlijst van SBB. 

Toen de bevoegde ambtenaar weigerde, nam de directeur het besluit zelf op zich. Inmiddels is Ramkisoensing buiten functie gesteld en is er aangifte tegen hem gedaan wegens vermoedens van opzettelijke onjuiste vermelding van houtsoorten op fytosanitaire documenten. Dat is ernstige documentfraude, geen administratieve fout.

Schokkend vonnis

Tegen deze achtergrond is het kortgedingvonnis van rechter Robert Praag ronduit schokkend. Op 31 december 2025 beval hij de Staat om alsnog fytosanitaire certificaten af te geven aan de zes exporteurs. Dat terwijl officieel niet eens een aanvraag was ingediend voor houtexport naar India. De lading was door LVV vergast voor China. Met het vonnis werd de Staat gedwongen een document af te geven dat per definitie frauduleus was. Een certificaat dat niet de werkelijkheid vastlegt, maar deze ernstig maskeert.

Het Hof van Justitie heeft dit vonnis terecht vernietigd. Het Hof stelde helder dat een valselijke en illegale activiteit niet kan worden gerechtvaardigd, ongeacht de economische belangen die ermee gemoeid zijn. Met dat arrest is een duidelijke grens getrokken: onrecht en fraude die jarenlang heeft plaatsgevonden, kan geen juridische zegen krijgen. Ook niet voor nog één keer. 

Omdat het kortgedingvonnis uitvoerbaar bij voorraad was, konden de zes exporteurs hun lading in India afzetten met een valselijk opgemaakt certificaat. Hun doel werd bereikt. De winst geïncasseerd. De rechtsstaat bleef achter met de schade en de schande. Het Hofvonnis, hoe mooi ook, had geen rechtsgevolgen meer voor de vele containers hout dat als Mora is verkocht in India, terwijl de werkelijke houtsoorten veel duurder zijn.

Alsof dat nog niet genoeg was, meldde zich vóór de vernietiging van het kortgedingvonnis door het Hof een zevende houtexporteur bij de rechter. Ook deze exporteur (Jeva Trading NV) had rondhout naar India uitgevoerd en wilde via een rechtszaak onder het bestaande vonnis vallen. Zijn hout zou aanvankelijk ook naar China gaan. Dat moment legt de kern van het probleem bloot: het vonnis werkte als precedent, als uitnodiging. Zodra onrecht loont, volgen er meer.

Dit dossier laat zien hoe gevaarlijk het wordt wanneer economische belangen zwaarder gaan wegen dan rechtmatigheid. Een rechtsstaat die bereid is onwaarheid te certificeren om schadeclaims te voorkomen, ondergraaft zichzelf. Het probleem is hier niet alleen dat regels zijn overtreden, maar dat er bijna een rechterlijk stempel op fraude is gezet.

Een kortgedingrechter hoort niet alleen te kijken naar mogelijke economische schade, maar vooral naar de rechtmatigheid van het handelen dat aan die schade ten grondslag ligt. Hij had ook vooraf moeten screenen of er werkelijk aanvragen waren voor India. Door de Staat te bevelen een certificaat af te geven waarvan vaststond dat het niet juist kon zijn, heeft de rechter een fundamentele grens overschreden. Rechters horen onrecht te stoppen, niet te repareren met papieren constructies. Dat het Hof dit heeft gecorrigeerd, is prijzenswaardig, maar het had nooit zover mogen komen.

Ook de rol van de voormalige minister van LVV, Parmanand Sewdien, verdient aandacht. Onder zijn politieke verantwoordelijkheid kon deze praktijk jarenlang voortbestaan. Dat betekent niet automatisch strafrechtelijke schuld, maar wel bestuurlijke verantwoordelijkheid. Hoe kon onbevoegde ondertekening structureel plaatsvinden? Wie beschermde deze werkwijze? En waarom werd niet eerder ingegrepen toen integriteit juist wél werd getoond door de bevoegde ambtenaar? Het niet aannemelijk dat hij niet op de hoogte van deze praktijk was, terwijl de dienst die daarover gaat, alarm had geslagen. Hij wist toch ook dat deze praktijken stopgezet zouden worden, want de brief is onder zijn bewind in 2022 al geschreven naar de houtexporteurs. 

Dit dossier mag niet eindigen bij één buiten functie gestelde directeur. Het vraagt om volledige transparantie, een bestuurlijke evaluatie en waar de feiten dat rechtvaardigen verdere strafrechtelijke stappen. Niet uit wraak, maar uit principe. Het strafrechtelijk onderzoek moet antwoorden geven op de vele vragen die deze kwestie oproept. 

Het Hof van Justitie heeft uiteindelijk het juiste signaal gegeven: onrecht blijft onrecht, zelfs als het winstgevend is. Maar deze zaak is een waarschuwing. Zodra fraude beleid wordt en een certificaat een dekmantel, staat de geloofwaardigheid van de Staat op het spel. Nationaal én internationaal in dit geval! 

Wilfred Leeuwin

Lees ook

● Rechter verplicht Staat tot afgifte fytocertificaten ondanks brief LVV

● Column: Wanneer geld het recht gijzelt

● Tegenreactie: handhaving is geen verrassing, maar rechtszekerheid evenmin onderhandelbaar

● Dossier houtexport 1: Certificaat onder protest: LVV vecht rechterlijk bevel aan

● Dossier houtexport 2: Dossier houtexport 2: Niet plotseling, maar te laat

● Dossier houtexport 3: Waarom het vonnis in houtdossier ernstige vragen oproept…

● Dossier houtexport 4: Aangifte in houtzaak niet aangenomen na overleg met OM

● Dossier houtexport 5: Advocaat Staat: rechter veroordeelt Suriname tot het plegen misdrijf 

● Dossier houtexport 6: OM en LVV oneens over aangifte houtzaak: alleen tegen Jeva geregistreerd

● Dossier houtexport 7: Column: De misdaad die een vonnis heet

● Dossier houtexport 8: Directeur LVV Ramkisoensing ontheven; RvM keurt besluit goed

● Dossier houtexport 9: PG bevestigt: LVV kan onbeperkt aangifte doen van strafbare feiten

● Dossier houtexport 10: Hoger beroep donderdag bij Hof van Justitie

● Dossier houtexport 11: Jeva Trading zoekt aansluiting bij gewraakte vonnis, uitspraak Hof dinsdag

● Hof vernietigt vonnis dat Staat dwong fytocertificaten af te geven

● Dossier houtexport 12: HvJ: geen recht op certificaten bij onjuiste houtopgave

● Dossier houtexport 13: Hout zes houtexporteurs al ingeklaard, alleen Jeva Trading nog geraakt

https://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/90386

Wilfred Leeuwin – Foto (c) Dagblad De West

COLUMN: ‘Wilfred Leeuwin schiet zichzelf in de voeten met zijn column inzake censuur’

ByRedactie

January 25, 2026 

Wilfred Leeuwin heeft subtiel gereageerd op het artikel verschenen op de website van SurinameVandaagSurinameVandaag publiceerde een artikel met als titel ‘Censuur bij Starnieuws: ingezonden reactie op stuk van Wilfred Leeuwin geweigerd‘. Leeuwin haalde het artikel van SurinameVandaag niet openlijk aan, maar wij zijn niet naïef. Hij heeft zijn column gepubliceerd naar aanleiding van het betreffende artikel, waarin hij met zoveel woorden de weigering van publicatie zijdens Starnieuws probeert te verdedigen, zonder te beseffen dat hij zichzelf in de voeten schiet. Hilarisch is dat.

Leeuwin ziet niet in dat hij veel woorden nodig heeft om niets te zeggen. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk om als journalist en columnist van Starnieuws en tevens als schrijver van dit artikel objectief te blijven over een kritische reactie die jouw stellingen onderuit haalt. Ook raar dat hij de ene keer als journalist schrijft en de andere keer weer als columnist. 

Leeuwin schrijft over de weigering van de publicatie het volgende: “……….. Dat is precies de grens die een redactie bewaakt. Niet om iemand het zwijgen op te leggen, maar om te voorkomen dat gevoelens, aannames en verdraaiingen worden verkocht als feiten. Een opiniestuk mag scherp zijn. Mag boos maken. Maar het mag niet gebouwd zijn op onwaarheden, suggestieve verdraaiingen of halve verhalen die niet te controleren zijn”.

Leeuwin en de redactie van Starnieuws zouden deze toets moeten toepassen op het artikel van Leeuwin waarin hij Hoefdraad en kornuiten zonder schaamte verdedigt, en suggestieve verdraaiingen als feiten presenteert. Het hele artikel is gebouwd op halve waarheden, waarbij verdraaiingen als feiten verkocht worden. 

Onze bronnen die aanwezig waren tijdens de zitting van de rechtszaak tegen Hoefdraad en kornuiten, hebben ons gemeld dat Robert van Trikt na de rechterlijke uitspraak duidelijk hoorbaar werd ingefluisterd door Leeuwin om de media niet te woord te staan. Zo geschiedde ook. Leeuwin is geen jurist, maar schrijft over juridische vraagstukken en presenteert zaken als juridisch vaststaande feiten, ook al moet het op een domme manier. Hij gebruikt exact dezelfde kromme redeneringen van het advocatenteam van de ‘Hoefdraad-groep’. Wij ontkomen niet aan de indruk dat het betreffende advocatenteam het artikel voor Leeuwin geschreven heeft of dat Leeuwin als doorgeefluik functioneert van de kromme redeneringen van het betreffende advocatenteam.

Wij zijn nog steeds ervan overtuigd dat de redactie van Starnieuws censuur heeft toegepast en daarmee de vrijheid van meningsuiting geen dienst heeft bewezen. Het is de redactionele vrijheid van een medium om een ingezonden stuk wel of niet te publiceren, dat klopt. Het wordt anders als de redactie aangeeft dat het ingezonden artikel geen stellingen bevat, iets wat volstrekt onwaar is. Hieruit blijkt dat de redactie een drogreden heeft verzonnen om het artikel waarin de stellingen van hun journalist onderuit worden gehaald, niet te publiceren. Dus het is een bewuste keuze geweest.

Leeuwin schrijft: “Echte censuur is iets heel anders. Dat is wanneer de staat of machthebbers bepalen wat niet gezegd mag worden. Wanneer media onder druk worden gezet, vergunningen worden ingetrokken, journalisten worden geïntimideerd of publicaties worden verboden. Dat is gevaarlijk, omdat het publieke debat gecontroleerd en beperkt wordt. Een redactie die zegt: “Dit publiceren we niet omdat het niet klopt”, doet juist het tegenovergestelde. Die beschermt het debat”.

Wij hebben niet gezien dat de redactie van Starnieuws met het artikel van Leeuwin het debat beschermd heeft inzake de ‘Hoefdraad-groep’. Complete onwaarheden zijn gepubliceerd door Leeuwin, die het publieke debat juist schade toebrengt door onwaarheden als feiten te presenteren. In tegenstelling tot wat Leeuwin stelt, is van censuur niet alleen sprake wanneer de staat of machthebbers bepalen wat wel en niet gepubliceerd mag worden. Zijdens individuen, organisaties, entiteiten en instituties kunnen ook censuur toegepast worden. Zodra het publieke debat beïnvloedt wordt door iets opzettelijk niet te publiceren dat anders wel gepubliceerd zou worden, is er sprake van censuur. Elk instituut, organisatie of persoon die de macht heeft te bepalen welke mening wel of niet gepubliceerd mag worden, zou zeer terughoudend dienen om te gaan met deze macht. De toets zou moeten zijn of iets wel of niet toevoegt aan het publieke debat.

Wij nemen wederom de vrijheid om het weerwoord van de heer mr. K. Ramdhan hieronder integraal te plaatsen.

Sunil Sookhlall & Kries Mahabier

Opinie | Repliek: Abstracte zorgvuldigheid is geen inhoudelijk argument

In zijn column “Een mening is geen vrijbrief” rechtvaardigt Wilfred Leeuwin de weigering van Starnieuws om een door mij ingezonden opiniestuk te publiceren. Hij doet dit niet door de inhoud van dat stuk te analyseren of te weerleggen, maar door een algemeen en normatief betoog te houden over journalistieke zorgvuldigheid, feiten en vrijheid van meningsuiting. Juist daarin schuilt het probleem: zorgvuldigheid wordt hier opgevoerd als abstract beginsel, niet als toetsbare praktijk.

Een onjuiste voorstelling van zaken

Leeuwin suggereert dat geweigerde opiniestukken doorgaans bestaan uit emoties, aannames en feitelijke onjuistheden. Die suggestie is in dit geval aantoonbaar onjuist. Het geweigerde artikel bevatte geen persoonlijke frustraties of ongefundeerde beschuldigingen, maar een systematische, juridisch onderbouwde weerlegging van specifieke stellingen die Leeuwin zelf eerder had ingenomen over de strafzaak rond de Centrale Bank van Suriname.

Het artikel nam expliciet stelling over de juridische grenzen van beleidsvrijheid, het wettelijk mandaat van de Centrale Bank, de strafrechtelijke irrelevantie van persoonlijke verrijking als constitutief vereiste (wettelijke voorwaarde), het onderscheid tussen administratieve verantwoording en rechtmatigheid, en de betekenisloosheid van Interpol-besluiten voor nationale strafvervolging. De bewering dat dit artikel “geen stellingen” zou bevatten, is feitelijk onhoudbaar.

Feitelijke onjuistheid wordt verward met inhoudelijk meningsverschil

Een tweede fundamentele tekortkoming in Leeuwin’s betoog is de verwarring tussen feitelijke onjuistheid en juridisch meningsverschil. Het geweigerde artikel betwistte geen feiten, data of gebeurtenissen. Het betwistte de juridische duiding en conclusies die Leeuwin aan die feiten verbond. Dat is precies wat opiniejournalistiek behoort te faciliteren.

Door een inhoudelijk verschil van inzicht te presenteren als een kwestie van zorgvuldigheid, verschuift Leeuwin het debat van argumentatie naar autoriteit. Wie bepaalt wat “klopt”, hoeft dan niet langer uit te leggen waarom het niet klopt. Dat is geen redactionele neutraliteit, maar framing.

Juridische correcties blijven onweersproken

Op meerdere kernpunten corrigeerde het geweigerde artikel juridische aannames in Leeuwin’s oorspronkelijke bijdrage. Zo werd door mij erop gewezen dat onder de Anti-Corruptiewet persoonlijke verrijking geen vereiste is voor strafbaarheid in deze en dat administratieve verantwoording (publicatie van jaarverslagen) geen bevoegdheid kan scheppen waar die wettelijk ontbreekt. Anders gezegd, ook al klopt je boekhouding/administratieve verantwoording, maar dat wil niet zeggen dat de uitgaven rechtmatig zijn geweest. Dit zijn geen randopmerkingen, maar fundamentele uitgangspunten van het publiek- en strafrecht.

Opvallend is dat Leeuwin in zijn column deze tegenargumenten volledig onbesproken laat. Hij weerlegt ze niet, nuanceert ze niet en betwist ze niet. In plaats daarvan wordt de discussie verplaatst naar een abstract niveau waarop inhoudelijke toetsing overbodig wordt gemaakt. Dat is geen zorgvuldigheid, maar ontwijking.

Redactionele macht is geen neutrale factor

Leeuwin stelt dat van censuur geen sprake is, omdat een geweigerd stuk elders kan worden gepubliceerd. Dat is formeel juist, maar journalistiek ontoereikend. Wanneer een medium een betoog publiceert en vervolgens een inhoudelijke weerlegging daarvan weigert zonder concrete motivering (doch met de ongefundeerde stelling dat het artikel geen stellingen bevat), ontstaat een structureel onevenwichtig debat. Dat is geen staatscensuur, maar wel een redactionele machtskeuze met reële gevolgen voor het publieke debat.

Juist daarom vergt journalistieke integriteit transparantie over de inhoudelijke gronden van weigering. Dit, om elke schijn van censuur te voorkomen. Een beroep op abstracte beginselen zonder inhoudelijke toetsing ondermijnt het vertrouwen dat die beginselen zeggen te beschermen.

Conclusie

Het probleem met Leeuwin’s column is niet dat hij journalistieke autonomie verdedigt, maar dat hij die autonomie inzet als substituut (vervanging) voor inhoudelijke verantwoording. Zorgvuldigheid is geen retorisch schild, maar een concrete verplichting: argumenten moeten worden gewogen, niet vermeden zoals in casu gebeurd is.

Een repliek weigeren en die weigering vervolgens legitimeren (goedpraten) zonder ook maar één inhoudelijk punt uit die repliek te adresseren, beschermt niet het publieke debat. Het beschermt in dit geval eerder een politiek gekleurd concept. En precies daar verliest een beroep op journalistieke zorgvuldigheid zijn geloofwaardigheid.

K. (Chinta) Ramdhan

https://www.surinamevandaag.com/column-wilfred-leeuwin-schiet-zichzelf-in-de-voeten-met-zijn-column-inzake-censuur/

Censuur bij Starnieuws: ingezonden reactie op stuk van Wilfred Leeuwin geweigerd

January 20, 2026 

Columnisten Sunil Sookhlall en Kries Mahabier hebben vandaag onder de noemer ‘Censuur van Starnieuws!’ een bericht gepubliceerd over mr. K. (Chinta) Ramdhan die onlangs een ingezonden artikel aan Starnieuws heeft aangeboden ter publicatie. Dit als reactie op het tendentieuze artikel van Starnieuws-journalist Wilfred Leeuwin.

De redactie van Starnieuws heeft geweigerd het artikel te publiceren. Volgens Starnieuws neemt mr. Ramdhan geen stellingen in zijn artikel, terwijl het artikel één en al stellingen bevat. Hij is stapsgewijs ingegaan op alle stellingen van Leeuwin door stelling te nemen t.a.v. de stellingen van Leeuwin.

Starnieuws die altijd zegt de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel te dragen, weigert een artikel te plaatsen waarbij de stellingen van hun journalist één voor één met de grond gelijk gemaakt worden. Dit is reinste vorm van censuur waar Starnieuws bekend om staat: het medium van degene die zich de nestor van de Surinaamse journalistiek waant.

“Ook wij hebben in het verleden te maken gehad met censuur van Starnieuws, met als gevolg dat wij al jaren niets meer aanbieden bij Starnieuws ter publicatie”, aldus Sookhlall en Mahabier die hieronder het artikel van mr. K. Ramdhan aanbieden:

Opinie | Beleidsvrijheid is geen strafrechtelijke vrijbrief

De recente bijdrage van Wilfred Leeuwin over de strafzaak rond de Centrale Bank van Suriname (CBvS) presenteert zich als een bezinning op rechtsstatelijke verhoudingen. Bij nadere beschouwing blijkt het betoog echter te berusten op een onjuiste voorstelling van de verhouding tussen beleidsvrijheid en strafrechtelijke verantwoordelijkheid. De kernstelling — dat deze strafzaak de grens overschrijdt tussen strafrecht en beleid — houdt juridisch geen stand.

In een rechtsstaat bestaat beleidsvrijheid uitsluitend binnen de grenzen van de wet. Beleidsvoering vormt geen autonome sfeer die zich onttrekt aan strafrechtelijke toetsing. Integendeel: juist waar publieke macht wordt uitgeoefend, dient zij aan strikte wettelijke kaders te zijn gebonden. Indien functionarissen deze kaders overschrijden, is strafrechtelijke beoordeling niet alleen toegestaan, maar noodzakelijk ter bescherming van de rechtsorde.

De Bankwet kent de CBvS een duidelijk omschreven mandaat toe. Dat mandaat is functioneel en begrensd. De wet wijst de centrale bank primair taken toe op het terrein van monetaire stabiliteit, valutabeheer en het waarborgen van een stabiel financieel stelsel. De doelstelling om bij te dragen aan een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling kan niet worden gelezen als een onbeperkte bevoegdheid om centrale-bankmiddelen aan te wenden voor uitgaven die naar hun aard behoren tot de begrotingsverantwoordelijkheid van de Staat.

Centrale banken zijn in moderne rechtsstelsels juist ingericht om institutionele afstand te bewaren tot politieke en fiscale besluitvorming. Dat beginsel is geen beleidsvoorkeur, maar een juridisch beschermde kern van centrale-bankonafhankelijkheid. Het argument dat bepaalde uitgaven een maatschappelijk of economisch doel dienden, kan daarom niet afdoen aan de vraag of zij binnen het wettelijk instrumentarium van de CBvS vielen. Die vraag vormt het zwaartepunt van de strafrechtelijke beoordeling.

Opvallend in het betoog van Leeuwin is de nadruk op het ontbreken van bewijs van persoonlijke zelfverrijking. Deze redenering is juridisch onjuist. Onder de Anti-Corruptiewet is persoonlijke verrijking geen constitutief vereiste voor strafbaarheid. Strafbaar zijn onder meer het misbruik van ambtelijke bevoegdheden, het willens en wetens handelen in strijd met wettelijke voorschriften en het onrechtmatig aanwenden van publieke middelen, ongeacht of dit tot persoonlijk financieel voordeel leidt. Het strafrecht richt zich primair op het begrenzen van publieke macht, niet uitsluitend op morele verontwaardiging over persoonlijk gewin.

Evenmin overtuigt het beroep op administratieve verantwoording en jaarverslagen. Dat transacties boekhoudkundig correct zijn verwerkt en in officiële documenten zijn opgenomen, zegt niets over hun rechtmatigheid. Administratieve verantwoording kan een gebrek aan wettelijke bevoegdheid niet helen. Het strafrecht toetst niet of middelen zijn verantwoord, maar of zij bevoegdelijk en in overeenstemming met dwingend recht zijn aangewend. Dit onderscheid behoort tot de fundamenten van het publiekrecht.

De suggestie dat vervolging problematisch zou zijn vanwege de gebrekkige implementatie van de Anti-Corruptiewet houdt eveneens geen stand. Voor de geldigheid van strafrechtelijke vervolging is doorslaggevend dat de strafbepaling formeel in werking is getreden vóór het ten laste gelegde handelen. Dat was hier het geval. Het ontbreken of laattijdig functioneren van uitvoeringsorganen raakt de bestuurlijke effectiviteit, niet de strafrechtelijke geldigheid van de wet. Het legaliteitsbeginsel verlangt rechtszekerheid, geen institutionele perfectie.

Ook de vermeende juridische tegenstrijdigheid tussen de strafzaak in Suriname en civiele procedures in Nederland berust op een misvatting. Civielrechtelijke geschillen over eigendom en immuniteit worden getoetst aan andere normen dan strafzaken over bevoegdheidsoverschrijding en ambtsmisbruik. Dat dezelfde feiten in verschillende rechtscontexten uiteenlopend worden beoordeeld, is geen paradox, maar een kenmerk van een gedifferentieerd rechtssysteem.

Ten slotte wordt de weigering van Interpol om een Red Notice uit te vaardigen ten onrechte opgevoerd als aanwijzing voor de inhoudelijke zwakte of politieke aard van de zaak. Interpol oordeelt niet over schuld of bewijs, maar past eigen statutaire criteria toe. Aan een dergelijke beslissing kan geen strafrechtelijke betekenis worden toegekend.

De kern van de zaak is eenvoudig en juridisch scherp: publieke macht zonder wettelijke grondslag is geen beleid, maar onbevoegd handelen. Het strafrecht dat dit toetst, vormt geen bedreiging voor de rechtsstaat, maar een essentiële waarborg ervan. De CBvS-zaak is geen oordeel over economische wijsheid of politieke opportuniteit, maar een toets van legaliteit en institutionele discipline. Wie die toets afdoet als politieke afrekening, miskent de fundamentele functie van het strafrecht in een democratische rechtsorde.

K. (Chinta) Ramdhan