DAGVAARDING VEROORDEELDE VERDACHTE BOUTERSE

Van der San blijft directeur Kabinet van de President

30 januari 2020

van-der-san-directeur-kabinet-suriname
 

Eugéne van der San blijft directeur van het Kabinet van de President. Hij had eerder deze week zijn ontslag ingediend bij president Desiré Bouterse nadat er rond het 8-december strafproces een verschil van inzicht zou zijn ontstaan met raadsman van het staatshoofd, Irvin Kanhai. Het staatshoofd heeft gisteravond tijdens een NDP-meeting in Coronie aangegeven dat er tijdens het werk verschil van mening kan zijn, die ertoe kan bijdragen dat er nieuwe inzichten ontstaan.

 

President Bouterse onderstreepte dat in het samenwerken wij instaat moeten zijn om rationeel zaken te benaderen en zeker niet voorbij moeten gaan aan de verdiensten van in dit geval Van der San.

Het Surinaamse staatshoofd benadrukte dat directeur Van der San vanaf 1980 het proces heeft ondersteund en vanwege zijn kennis is aangetrokken om leiding te geven aan de bestuurs en administratieve aangelegenheden van het Kabinet van de President.

Op grond van de verdiensten heeft de president van Suriname aan de directeur medegedeeld diens ontslag niet te kunnen accepteren, meldt het Nationaal Informatie Instituut.

https://www.waterkant.net/suriname/2020/01/30/van-der-san-blijft-directeur-kabinet-van-de-president/

Bouterse in Coronie: Den no man sroto mi, echte echte

30 Jan, 2020, 02:03

foto

 President tevens voorzitter van de NDP spreekt de mensen in Coronie toe tijdens een politieke bijeenkomst woensdagavond. 

“Mi taygi yu eerlijk. Den man no man sroto mi. Echte, echte, echte. Den no man”. President Desi Bouterse zei woensdagavond op een NDP-vergadering in Coronie dat hij met de wet in de hand zal tonen dat ze niet in staat zijn hem op te sluiten. “A no bigi mi du”. Bouterse bedankte Coronie voor de ondersteuning die hij heeft gekregen toen hij in China was en hoorde dat hij 20 jaar celstraf opgelegd heeft gekregen. Daarna was Coronie ook present op 22 januari toen hij voor de Krijgsraad moest verschijnen. “Wi seki a kondre echte echte die dag”, merkte hij op. 

 
Over de ontslagaanvraag van Eugène van der San, directeur van zijn kabinet, zei Bouterse dat er een verschil van inzicht was over hoe de zaak rond de Krijgsraad aangepakt zou worden. Dat heeft hem boos gemaakt, maar de president merkte op dat Van der San een stonfutu is. Sinds 1980 ondersteunt hij de strijd en hij heeft veel kennis anders was hij geen directeur van het kabinet en was hij ook geen minister van Justitie en Politie geworden. Van der San is ook een goede vriend die veel heeft gedaan. Op grond van al deze zaken heeft Bouterse hem geroepen en aangegeven dat hij het ontslag niet accepteert. Bij een borrel wordt de verschil van mening uitgepraat en Van der San gaat weer aan de slag. 
 
Bouterse heeft zijn gehoor aangegeven dat er alles aan gedaan wordt om te voorkomen dat hij voor een derde termijn gaat. De mensen zijn bruya, maar God bepaalt, merkte hij op. De president voerde aan dat in deze regeertermijn alleen er meer dan 561 projecten zijn uitgevoerd. Er is veel werk verzet. Als zou men de drie regeertermijnen van het Front bij elkaar plakken, is er nog geen fractie gedaan van wat deze regering heeft gepresteerd. Op 25 mei zal de Boeing landen, want het is een vlucht van vijf jaar. Hij merkte op dat ook in Coronie, die een achterstand in te lopen heeft, veel is gedaan. Het werk wordt de komende maanden voortgezet. 
 
 
Met China zijn strategische plannen besproken, deelde de president mee. Er is een relatie van 160 jaar met de Chinezen en er zijn veel mogelijkheden. Met de olievondst zal de ontwikkeling van het land versneld worden aangepakt, waarbij Bouterse steden ziet verrijzen in het hele land, tot in het binnenland. In Suriname zijn er meer dan 600 top geschoolde mensen in de oliesector. Ze kunnen overal ter wereld werken. Er is zoveel gas gevonden dat er een tijd zal komen waarbij Surinamers niet hoeven te betalen voor stroom. Er zijn veel ideeën die verder ontwikkeld moeten worden. 
 
Bouterse is ervan overtuigd dat de NDP weer terugkomt na 25 mei. Hij haalde aan dat met iedereen gewerkt wordt. De NDP is een echte nationale partij. Hij voerde aan dat een etnische partij niet multi-etnisch wordt door andere bevolkingsgroepen toe te laten. Het is een heel proces. De deuren van de partij staan open voor eenieder die de beweging wil ondersteunen. 

BREAKING: Kabinetschef Van der San dient ontslag in

27/01/2020 12:34 – Ivan Cairo

BREAKING: Kabinetschef Van der San dient ontslag in

 

PARAMARIBO – Eugène van der San, directeur van het kabinet van de president, heeft per brief zijn ontslag ingediend bij president Desi Bouterse. Naar de Ware Tijd verneemt heeft het staatshoofd nog niet gereageerd op het schrijven.

Van der San heeft zich vorige week opgewonden dat Bouterse mede op advies van anderen zijn functie niet voor enkele uren had neergelegd, maar als president naar de Krijgsraadszitting van 22 januari is gegaan. Hij stelt voornamelijk advocaat Irvin Kanhai verantwoordelijk voor de gang van zaken.

Na de zitting van woensdag slingerde Van der San de advocaat verwijten naar het hoofd, dat mede door zijn adviezen het staatshoofd in de functie van de president in de beklaagdenbank heeft gestaan. Van der San, door de redactie van de Ware Tijd om een reactie gevraagd, wenst geen commentaar te geven.

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/27/breaking-kabinetschef-van-der-san-dient-ontslag-in/


 

Lawfare tegen Decembermoorden strafproces

27 Jan, 10:42

foto

 
Het verzet van Bouterse en advocaat Kanhai tegen het novembervonnis – 20 jaren gevangenisstraf voor de decembermoorden – was geen ‘show’, zoals in Ocer theatraal was aangekondigd. In het staatkundige leven is het inzetten van de uitvoerende en wetgevende macht ter afschrikking van de rechterlijke macht, op de koop toe om persoonlijk belang, detournement de pouvoir, machtsmisbruik. De choreografie van de intimidatie liet daar geen twijfel over bestaan: kostuums van geweld, revolvers (‘geen waterpistool’), dreigen met ‘gewapende machten’, agressieve rancune, inclusief presidentiële homofobie. Het potsierlijke machtsvertoon paste naadloos in de lawfare tegen het Decembermoorden strafproces.
 
Lawfare
Dr. Jeff Handmaker is hoofd van de onafhankelijke waarnemingsmissie van de Internationale Commissie van Juristen (ICJ) voor het Decembermoorden strafproces. In een recent artikel zette hij op een rij hoe Bouterse, zijn advocaat en partijgenoten, alles in het werk stelden om het Decembermoorden strafproces te discrediteren (‘politiek proces’), te doen stopzetten en/of te vertragen. Daarbij werd ook misbruik gemaakt van de wet(geving). Hij noemde de onrechtmatige amnestiewet van 2012 en het terugfluiten van de PG in het lopende strafproces. Ook duidde hij de vele openlijke intimidaties van de rechterlijke macht en de pogingen haar legitimiteit te ondermijnen. Handmakers kwam tot de conclusie dat president Bouterse c.s. zich schuldig maken aan lawfare ter ondermijning van de rechtsstaat. Lawfare is een samenvoeging van law en warfare. In Harvard Carr Center (2001) typeerde kolonel Charles Dunlap, lawfare als ‘een cynische manipulatie van de rechtsstaat en de humanitaire waarden die het vertegenwoordigt.’ Het aansturen op een verstekvonnis door nooit ter zitting te verschijnen om vervolgens door verzet definitieve afsluiting van het Decembermoorden strafproces wederom te voorkomen, kan als voorbeeld van die cynische manipulatie van de rechtsstaat worden begrepen.
 
‘Lulkoek’
President Bouterse zei aan zijn top-down georkestreerde gehoor op het Onafhankelijkheidsplein dat hij had meegewerkt aan ‘waarheidsvinding, dialoog en verzoening’, omdat hij in 2002 had getuigd in het gerechtelijk vooronderzoek. Wat hij verzweeg was dat hij de rechter-commissaris, onder ede, een vals alibi had voorgehouden. Zo is onomstotelijk duidelijk geworden uit het novembervonnis. Ook had hij de rechter-commissaris voorgehouden dat hij bij het op 9 december 1982 op de televisie verkondigen dat de slachtoffers ‘op de vlucht zijn neergeschoten’, verkeerd was geïnformeerd door ondergeschikten. Vele jaren later ‘getuigde’ hij bij de door hem ingehuurde pseudo-waarheidsvinder Sandew Hira, een apologeet van onvoorwaardelijke amnestie, dat hij vanaf het begin wist dat het ‘op de vlucht neergeschoten’, ‘lulkoek’ was. 
 
Beweren met ‘lulkoek’, waarheidsvinding, dialoog en verzoening te bevorderen, is toppunt van ongeloofwaardigheid.  Dat geldt ook voor het in de zelfamnestiewet van 2012 valselijk beloven van een onmiddellijk in te stellen Waarheids- en Verzoeningscommissie, om bijna acht (!) jaren na dato nog niet eens een kiem van vooruitzicht op uitvoering, te hebben weten te produceren! Voor elk weldenkend mens markeren zulke leugens en valse beloften, disrespect voor de slachtoffers van mensenrechtenschendingen en de binnenlandse oorlog, hun nabestaanden en voor het Surinaamse volkslied (‘Recht en waarheid maken vrij’).
 
Misdrijven tegen de menselijkheid
Zelfs als de ontvoeringen, folteringen en moorden van 8 december 1982 een ‘incident’ in een ‘oorlog’ waren, zoals president Bouterse in een poging tot decriminalisering heeft gesteld, zouden zij niet passen binnen de militaire cultuur en militaire traditie van het Surinaamse leger. Het zonder vorm van proces martelen en doodschieten van onschuldige, ongewapende burgers, waaronder journalisten, advocaten, vakbondsleiders, ondernemers en wetenschappers, kan onder het oorlogsrecht worden gekwalificeerd als oorlogsmisdaad, als internationaal misdrijf. Hoewel geen oorlogsmisdaad – er was in december 1982 feitelijk geen sprake van oorlog – kwalificeerden de folteringen en moorden van 8 december 1982 wel als internationale misdrijven. 
 
In 2000 concludeerde professor John Dugard, jarenlang de juridisch adviseur van bisschop Desmond Tutu, als Amicus Curiae van het Amsterdams Gerechtshof, dat de folteringen en moorden van 8 december 1982, gekwalificeerd kunnen worden als misdrijven tegen de menselijkheid. Om de vreedzame volksbeweging voor recht en verkiezingen te breken werden systematisch leden van haar intellectuele voorhoede door de decembermoordenaars buitenwettelijk ontvoerd, gemarteld en uitgeroeid. 8 december was vooraf gegaan en werd gevolgd door vele andere ernstige schendingen van de mensenrechten. In het rapport van 1983 van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten van de OAS, is te lezen hoezeer sinds 25 februari 1980 de militaire dictatuur met lawfare, in de vorm van decreten, de Surinamers beroofde van hun grondrechten en vrijheden. Toen de dictatuur poogde de 8 december slachtoffers valselijk te associëren met een vermeende coup samen met de CIA, was de OAS commissie stellig. Niets rechtvaardigde de toepassing van ‘terroristische methoden’.
 
Henry Does
sociaal geneeskundige en publicist
pdf-icon.gif oasraport_ned.pdf                
 
 

JANUARY 13, 2020JEFF Countering attempts to undermine the rule of law through lawfare in Suriname by Jeff Handmaker

In November 2019, an all-women panel of judges presiding over a decade-long court martial in Suriname convicted Desiré Delano Bouterse, the country’s current president, for international crimes that include torture and extra-judicial executions. While legal mobilisation can legitimately be used to bring about justice, Bouterse and his supporters have used lawfare to try to prevent his trial from proceeding. The trial eventually took place and Bouterse was sentenced to 20 years in prison, while some of his co-accused were acquitted. Bouterse remains in office following the judgement, and it now remains to be seen whether legal mobilisation will triumph over ongoing attempts to use lawfare to undermine the rule of law.


The December Murders

Apart from its historic significance, the case against Bouterse and his co-accused for international crimes is a vivid illustration of the use of lawfare and legal mobilisation, both of which I have been following closely as an independent trial observer and as a researcher generally. The case concerns events that took place in December 1982, referred to by many as the so-called December Murders, at the time when Bouterse served as a commander in the Suriname army after having participated in a military coup. Various accounts of the events reported that 16 men, a combination of civilians and soldiers, all of whom were openly critical of Bouterse, were arrested in the middle of the night, brought to a military base at Fort Zeelandia (dating back to the colonial era), lined up against a wall, and shot. The bodies were brought to a local hospital for investigation, where it became evident that the men who perished had not only been executed without a trial, but had also been tortured.

A trade unionist who managed to survive the incident, Fred Derby, later filed an official statement about what had happened in 1982, which became a crucial part of the evidence presented once the court martial was established in 2007. Three years later, in 2010, despite the ongoing trial, Bouterse was elected president, a position he subsequently used to hinder the trial’s development.

At the time the court handed down its judgement in November 2019, which had been twelve years in the making, Bouterse was abroad on a trade mission in China. He returned to Suriname a few days later, perhaps after obtaining confirmation that a warrant for his arrest had not been issued, receiving a large and enthusiastic welcome at the airport from his supporters. Statements made through his lawyer questioning the legitimacy of the court’s judgement, and which undermine the rule of law, have been published in the local media.

Using lawfare to bend the law in one’s favour

As head of a trial observation mission appointed by the International Commission of Jurists (ICJ) in Geneva, I have been following this trial closely since May 2012. The case has revealed several examples of lawfare, whereby numerous law-based manoeuvres on the part of Bouterse himself, as well as his legal representative, his appointed officials, and members of his political party in the legislature have sought to undermine the rule of law in Suriname, and, more specifically, to stop the trial from taking place.

The court martial took over a decade to issue its judgement, during which period there was extensive use of lawfare to either delay or completely shut down the trial. These included legislating an Act of Amnesty (later declared by the court to be unconstitutional), ordering the prosecutor to suspend the trial, and otherwise seeking to interfere with the prosecution process through replacing the Minister of Justice. Neither of these lawfare efforts were successful and the court’s judgement stands.

The case has also revealed many examples of legal mobilisation, whereby various actors have played different roles to counter the use of lawfare and uphold the rule of law. The families of those who were murdered have continually campaigned to have Bouterse and his accomplices brought before an independent criminal tribunal. During the trial itself, international organisations such as the ICJ have called for the respect of international fair trial standards, and journalists (mostly local) have consistently sought to ensure that the case was correctly reported. In all instances, rigorous attention to the correctness of law-based arguments were a prominent feature during the trial that spanned several years; this proved to be an effective strategy, aimed at preserving the fair and equal application of justice and the rule of law in Suriname, values that are widely shared in the country following hundreds of years of colonial rule.

Reactions to the trial

While several prominent news outlets, including several in the Netherlands, as well as the Associated PressAl Jazeera, the New York Times, and the BBC briefly reported on the judgement, the trial itself has not enjoyed much attention outside of Suriname. Inside Suriname, however, there have been extensive reactions from various actors who have been closely involved in the case, either seeking to uphold or undermine the rule of law.

Betty de Goede, a leader/founder of the Organisation for Justice and Peace (OJP) in Suriname, which represents many families of those who were killed in December 1982, observed at an inter-denominational service organised by the OJP that the rule of law held much value to the people of Suriname, and hence “the judgement (against Bouterse) cannot be ignored”. At the same service, Soeshila Baldew-Malhoe, a prominent Hindu theologian in Suriname, was more strident, declaring that while “Bouterse had no respect for the rule of law” he was warned that

… people must know that every action has consequences. Mr. Bouterse should have known then that the truth would one day come to light … it gives a good feeling to know that the rule of law is alive… everything depends on the rule of law, and when justice is given, everyone must adhere to it, regardless of the person’s social position.

Ignoring potential repercussions against them, the legal community in Suriname has been active and outspoken, including attorney Gerold Sewcharan, who represented Edgar Ritfield, one of Bouterse’s co-accused. Ritfield was one of those acquitted by the court, and characterised Bouterse as a “convicted felon”.

However, a warrant for Bouterse’s arrest has yet to be issued, and in the meantime, there have been efforts to politicise the judgement and undermine the judiciary. One of the main opposition parties, the “Democratic Alternative” (DA), published an Open Letter to the president, calling on him to resign. This has, however, not caused Bouterse to reconsider his decision to remain in power, nor has he lost credibility within the political party he chairs, the NDP, which has condemned the judgement as being “politically motivated”. Whatever happens next, it is certain that many more people, both in Suriname and abroad, will be following the outcome with considerable interest and anticipation.


Image Credit: sunsju on Flickr


JeffHandmakerISS
About the author:

Jeff Handmaker is a senior researcher at the International Institute of Social Studies (ISS) and focuses on legal mobilisation.

He is a regular author for Bliss. Read all his posts here. 

https://issblog.nl/2020/01/13/countering-attempts-to-undermine-the-rule-of-law-through-lawfare-in-suriname-by-jeff-handmaker/

Decembermoorden, misdrijven tegen de menselijkheid?

Decembermoorden, misdrijven tegen de menselijkheid?
 
19 May 2012, 08:00
foto
   


 
Essayist Theo Para vindt het onacceptabel dat de Krijgsraad zonder motivering heeft geoordeeld dat de decembermoorden geen misdrijven tegen de menselijkheid waren. Misdrijven tegen de menselijkheid zijn ook volgens de Amnestiewetten van 1989 en 2012 uitgesloten van amnestie.

De wetgever – De Nationale Assemblee en regering – heeft met de Amnestiewet 2012 verzuimd te motiveren waarom zij vindt dat de 8 decembermisdaden geen misdrijven tegen de menselijkheid waren. Immers, terwijl die wet in navolging van de Amnestiewet 1989 misdrijven tegen de menselijkheid van amnestie uitsluit, verleent zij expliciet amnestie aan de verdachten van december 1982. Of misdaden kwalificeren als misdrijven tegen de menselijkheid is een rechtsvraag, de wetgever is met haar (impliciete) oordeel dat de decembermoorden geen misdrijven tegen de menselijkheid zijn op de stoel van de rechter gaan zitten. Zij is ook in deze kwestie haar bevoegdheid te buiten gegaan. Door het motiveringsbeginsel en het legaliteitsbeginsel te schenden maakt de wetgever zich met de Amnestiewet 2012 schuldig aan onbehoorlijk bestuur.

Vonnis
Misdrijven tegen de menselijkheid zijn volkenrechtelijke, internationale misdrijven. Zij worden beschouwd als misdaden tegen de volkerengemeenschap. Staten kunnen als zij verdachten van zulke misdrijven in handen krijgen die vervolgen en berechten. Ook al hebben de misdrijven niet op hun grondgebied plaatsgehad. Er is internationale consensus dat misdrijven tegen de menselijkheid dermate ernstig zijn dat zij niet in aanmerking komen voor amnestie en/of verjaring. De daders moeten vervolgd en bestraft worden. Daarom konden de Amnestiewetten van 1989 en 2012 er niet onderuit misdrijven tegen de menselijkheid van amnestie uit te sluiten. Voor de delictomschrijving verwezen zij naar het internationaal recht.

De Krijgsraad wees op 11 mei inzake misdrijven tegen de menselijkheid alsvolgt vonnis: ‘De Krijgsraad is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten voor het overige niet voldoen aan de omschrijving van misdrijven tegen de menselijkheid zoals genoemd in artikel 2 van de Amnestiewet 1989, waardoor inroeping van de gevolgen van de Amnestiewet in kwestie niet daarop afstuit’.

Rechtelijke ambtsplicht
De rechter heeft de ambtsplicht het vonnis te motiveren. In het vonnis van 11 mei ontbreekt ten aanzien van het aangehaalde oordeel echter elke motivering. De wet schrijft voor dat de rechter onderzoek doet op grond van de ten laste gelegde feiten en naar aanleiding van al hetgeen ter rechtszitting aan de orde komt.

Op 2 december 2009 heb ik in mijn getuigenis voor de Krijgsraad tegen hoofdverdachte D.D.B. gemotiveerd betoogd dat de ontvoeringen, folteringen en moorden van december 1982 misdrijven tegen de menselijkheid waren. Ik heb mij daarbij gebaseerd op de Suriname-rapporten van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensrechten en het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties, alsook op het proefschrift van Christiaan Rüter ‘Enkele aspecten van de strafrechtelijke reactie op oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid (1973).

Staatsmisdrijven
Rüter vat de kern van het delict misdrijven tegen de menselijkheid in een drietal punten samen. Ten eerste betreft het ernstige feiten. De Franse officier van justitie bij het Internationaal Militair Tribunaal voor berechting van de nazi-misdaden typeerde de ernst van die feiten als een aantasting van de ‘condition humaine’. Ten tweede staan die feiten niet op zichzelf, maar maken zij deel uit van de vervolging en het rechteloos maken van een bepaalde groep, bijvoorbeeld politiek andersdenkenden. Ten derde bevordert of duldt de staat die delicten.

De decembermoorden markeerden ernstige staatsmisdrijven die als oogmerk hadden de liquidatie van de oppositie en de vestiging van een totalitaire staat. Van het laatste kwam op 1 mei 1983 het formele bewijs toen in de regeringsverklaring definitief de parlementaire democratie en algemene verkiezingen werden afgeschaft. Ik maakte mijn boek De schreeuw van Bastion Veere, om de rechtsorde in Suriname tot processtuk door het ter rechtszitting officieel aan de president van de Krijgsraad mr. drs. C. Valstein-Montnor te overhandigen. In het boek staat ook het hoofdstuk Misdrijven tegen de menselijkheid, dat voor het eerst in 1998 werd gepubliceerd.


Amicus Curiae
Het rechtsgebied van het internationaal (straf)recht is complex en dynamisch. In de internationale straftribunalen als het Joegoslavië-tribunaal, het Rwanda-tribunaal en het Internationaal Strafhof zitten veelal rechtswetenschappers met jarenlange ervaring in het internationaal strafrecht of professoren in het internationaal strafrecht. Toch is het goed gebruik bij deze strafhoven om deskundig advies te vragen van een gespecialiseerde amicus curiae (friend of court), om zo ingewikkelde rechtsvragen zoals wanneer een bepaalde handeling kwalificeert als misdrijf tegen de menselijkheid, te beantwoorden.

Het advies van de amicus curiae maakt dan deel uit van het volkenrechtelijk toetsingskader. Als de internationale strafhoven al de hulp van amici curiae inroepen, nationale rechters doen dat in zaken van het internationale recht des te meer. Zo vroeg het Gerechtshof Amsterdam aan C.J.R. Dugard, Senior Counsel, Supreme Court of South Africa, Professor of Public International Law te Leiden, een advies om de vraag te beantwoorden in hoeverre Desi Bouterse vanwege de misdaden van december 1982 in Nederland voor misdrijven tegen de menselijkheid kon worden vervolgd.

Misdrijven tegen de menselijkheid
Dugard citeert in zijn advies ondermeer uit het Nuremberg Charter van 1945 dat misdrijven tegen de menselijkheid definieert als ‘moord, uitroeiing, slavernij, deportatie, en andere onmenselijke daden gepleegd tegen de burgerbevolking, of vervolging op politieke, raciale of religieuze gronden in de uitvoering van of in verband met elke misdaad binnen de jurisdictie van het Tribunaal, al dan niet in strijd met de nationale wetgeving van het land waar ze zijn begaan’. Dugard geeft aan dat een belangrijk onderscheid tussen misdrijven tegen de menselijkheid en andere internationale misdaden en nationale misdrijven als moord, is dat de daden ‘systematisch, wijdverbreid of grootschalig’ zijn. Hij wees er nadrukkelijk op dat met het woordje of wordt aangegeven dat er niet aan alle drie of zelfs twee kenmerken hoeft te zijn voldaan.

Een misdrijf dat voldoet aan het criterium systematisch, hoeft niet ook wijdverbreid of grootschalig te zijn, om te kunnen kwalificeren als misdrijf tegen de menselijkheid. Misdrijven tegen de menselijkheid onderscheiden zich verder van oorlogsmisdaden onder meer doordat de misdaden ook in vredestijd kunnen hebben plaatsgevonden. In zijn uitgebreid onderbouwde advies concludeert Dugard: ‘De foltering en moorden in Paramaribo in 1982 lijken te vallen binnen de definitie van misdrijven tegen de menselijkheid. Ze werden gepleegd door militaire autoriteiten in Suriname (staatsactoren) tegen een groep burgers die tot doelwit werden, niet vanwege hun individuele eigenschappen maar vanwege hun status als leiders van de Surinaamse intellectuele elite. Bovendien, zij werden gepleegd op een systematische manier als onderdeel van een georganiseerd plan, met gebruikmaking van publieke middelen, gericht op vernietiging van potentiële opponenten van de militaire autoriteiten’. Dugard wees er bovendien op dat ernstige schendingen van de mensenrechten onder het militaire regime zich ook voor en na december 1982 hebben voltrokken.

Wetsovertreding
Het volkenrechtelijk delict misdrijven tegen de menselijkheid is (nog) niet verwerkt in het Surinaams Wetboek van Strafvordering. De leden van de Krijgsraad hebben met hun ongemotiveerd oordeel inzake misdrijven tegen de menselijkheid, hun gebrek aan ervaring en deskundigheid op het rechtsgebied van het internationale strafrecht gedemonstreerd. In de geest van het professionalisme zouden zij de grenzen van eigen kennis en kunde moeten herkennen, erkennen en respecteren. Zij hadden te rade moeten gaan bij een ter zake deskundig amicus curiae. De onafhankelijkheid van de rechtspraak veronderstelt naast bevoegdheid, ook bekwaamheid.

De Krijgsraad zou inzichtelijk moeten maken op welke wijze zij het volkenrechtelijk toetsingskader bij haar oordeel betrekt. Zij zou transparant moeten maken op welke internationale verdragen, wetsartikelen, jurisprudentie en adviezen van amici curiae zij haar oordeel baseert. De Krijgsraad had nooit het advies van professor Dugard, een advies nota bene over hetzelfde feitencomplex, mogen negeren. Motivering door rechters van hun vonnissen dient niet alleen om de schijn van willekeur te voorkomen, zij is onmisbaar voor de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Slachtoffers, nabestaanden, verdachten en samenleving hebben daar recht op. Het is onacceptabel dat de Krijgsraad in haar vonnis van 11 mei inzake misdrijven tegen de menselijkheid dat heeft nagelaten. Zij heeft daarmee de Wet van Strafvordering overtreden, omdat die immers in artikel 343 lid 2 voorschrijft dat haar beslissing met redenen omkleed moet zijn.

Theo Para

U kunt het advies van John Dugard en de American Convention hier downloaden
 

advies john dugard

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

LJN: AA8427, Gerechtshof Amsterdam , OPINION RE BOUTERSE

Datum uitspraak: Rechtsgebied: Soort procedure: Vindplaats(en):

Uitspraak

OPINION

C.J.R. Dugard
Senior Counsel, Supreme Court of South Africa

Professor of Public International Law University of Leiden

IN: RE BOUTERSE

I. FACTS

07-07-2000 Civiel overig Hoger beroep Rechtspraak.nl

1.1 On 8/9 December 1982 fifteen persons were arrested by the Surinam military
authority under the command of Lt.Col. D D Bouterse (hereinafter Bouterse) and held in Fort

Zeelandia in Paramaribo. The arrested persons comprised prominent persons in Surinam (lawyers, professors, businessmen, trade-union leaders, journalists and army officers) who were seen to pose a threat to the military authority under Bouterse.

1.2 The available evidence shows that the arrested men were tortured before being summarily and arbitrarily executed by the military on the orders of Bouterse. Autopsies were not performed on the bodies but witnesses who saw the bodies in the mortuary shortly after they were killed claim to have seen signs of torture on the bodies of the victims. There is evidence that Bouterse played a major role in the killing of the arrested persons.

1.3 The explanation given by the military authority is that the men were arrested by reason of their involvement in a counter-revolutionary coup attempt and had been shot while attempting to escape. (The veracity of this explanation was undermined by the testimony of witnesses who claimed that the deceased persons had been shot in the front and not in the back).

  1. 1.4  There was no armed conflict in Surinam at the time of the killings.

  2. 1.5  The killing of the fifteen persons on 8/9 December was not an isolated incident. Persons opposed

to the military authority had been killed before this time and were killed after this time. In February 1983 Major Roy Horb, second-in-co~and of the military in December 1982, was found dead in his cell after he had been arrested on 30 January 1982 for allegedly plotting against Bouterse. The official explanation that he had hanged hirnself was not generally believed.

1.6 Bouterse was a national of Surinam at the time of the killings.
See Beschikking van 3 maart van het Gerechtshof te Amsterdam, paras 2.1-2.3

1.7 Fourteen of the persons tortured and killed were Surinam nationals. One person, Frank Wijngaarde, was a Dutch national.

1.8 The killings had serious repercussions in the Netherlands. According to the Amsterdam Court of Appeal in its decision of 3 March 2000:

1 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

“Nederland heeft nauwe historische banden met Suriname. In Nederland
bevindt zich een grote, uit Suriname afkomstige, bevolkingsgroep. De
gebeurtenissen in december 1982 hebben bij deze groep, maar ook in
Nederland in ruimere kring, een schok veroorzaakt. Er zijn aanwijzingen dat ten minste één der slachtoffers, maar mogelijk meer, de Nederlandse

nationaliteit bezat. Ten slotte wonen klagers, verwanten van twee van de slachtoffers, in Nederland.” Para 4.2.

1.9 Surinam became a party to the International Covenant on Civil and Political Rights in 1977. It is not a party to the 1984 Convention against Torture but it is a party to the 1985 Inter-American Convention to Prevent and Punish Torture (12 November 1987). It is not a party to the 1968 Convention on the Non-Applicability of Statutory Limitations to War Crimes and Crimes against Humanity.

Sources
Report of Special Rapporteur Amos Wako to the United Nations Economic and Social Council E/CN.4 /1985/17, 12 February 1985 (Commission on Human Rights, 41st Session, Agenda Item 12).

Report of the Dutch Lawyers Committee for Human Rights, The Events in Paramaribo, Suriname, 8-13 December 1982, Leiden, 14 February 1983.

De Decembermoorden in Suriname. Verslag van een Ooggetuige (1983).

2. QUESTIONS ASKED

I have been asked by the Amsterdam Court of Appeal to advise on the following questions on the basis of the above facts. (The questions appear in para 5.5 of the Court’s decision):

2.1 Can the acts described above be considered as torture, crimes against humanity or war crimes, involving individual criminal responsibility, according to customary international law as it stood in 1982? (para 5.5.1.)

2.2 Were the acts subject to statutory limitations according to customary international law in 1982? (para 5.5.2.)

2.3 Did customary international law as it was in 1982, or later, give a state competence to exercise extraterritorial criminal jurisdiction over a person accused of torture or crimes against humanity when that person was not a national of the state? (para 5.5.3.)

2.4 Does it make any difference to the answer to question 2.3 if the accused person is present on the territory of the same state? (Para 5.5.4.)

2.5 Does it make any difference to the answer to question 2.3 if the victims of the crime were nationals of that state? (Para 5.5.5.)

2.6 Did customary international law as it stood in 1982, or later, oblige a state to exercise criminal jurisdiction in the circumstances mentioned in questions 2.3, 2.4 and 2.5? (Para 5.5.6.)

2.7 Are there any other comments that might be made on this matter? (Para 5.5.7.)

In this Opinion I have not responded to each question asked in the order set out in the decision (“Beschikking”) of the Amsterdam Court of Appeal of 3 March. Instead I have considered each of the international crimes mentioned in para 2.1 above (Beschikking para 5.5.1 ) separately, together with the questions posed relating to jurisdiction and the effect of lapse of time under customary international law.

2 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

3. DID THE ACTS CONSTITUTE A WARCRIME IN 1982

3.1 In its decision of 3 March 2000 the Amsterdam Court of Appeal expressed the provisiona1 judgment (“voorlopig oordeel”) that the acts in question did not constitute a war crime. I share this view for the following reasons.

3.2 Attempts have been made to define the term “war crime” in many international instruments, ranging from the Nuremberg Charter to the 1998 Rome Statute on an International Criminal Court. The threshold for the commission of such a crime is that there be an “armed conflict”, whether of an international or non-international nature.

See:
(i) Geneva Conventions of 1949, articles 2 and 3;
(ii) Additional Protocols of 1949, article I (protocol II) and article 1 (4)(Protocol I);
(iii) International Law Commission’s Draft Code of Crimes against the Peace and
Security of Mankind, 1996(1, Article 20;
(iv) Statute of the International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia (ICTY)Articles 2, 3 (v) Rome Statute of the International Criminal Court, Article 8.

3.3 The term armed conflict has been defined by the ICTY in the Tadic(2 and Furundzija(3 cases in the following terms.
“[A]n armed conflict exists whenever there is a resort to armed force between states or protracted armed violence between governmental authorities and organized armed groups or between such groups within a state”.

3.4 On the facts of the present case it is impossible to suggest that there was an “armed conflict” in Surinam in 1982.
Clearly there was no conflict between states. Nor was there “protracted armed violence between governmental authorities and organized armed groups.” At the most there was an attempted counter- revolutionary coup backed by peaceful demonstrations on the part of trade-unions and students. However, it is more likely that the military simply arrested, tortured and executed a group of leaders of civil society that it believed to be threat to its retention of power.

4. DID THE ACTS CONSTITUTE A CRIME AGAINST HUMANITY IN 1982?

4.1.1 There can be no question that the crime against humanity was recognized as an international crime resulting in individual responsibility well before 1982.(4 Evidence for this is to be found in the Nuremberg and Tokyo Charters, the jurisprudence of the tribunals applying these Charters, the decisions of the military courts established by the victorious powers after World War II, resolutions ofthe General Assembly of the United Nations confirming the Nuremberg principles, the legislation and judicial decisions of many states (including the Netherlands) reaffirming the concept and the writings of scholars. The evolution of this crime into an accepted crime under customary international law engaging individual responsibility is thoroughly described by M. Cherif Bassiouni in his seminal study Crimes Against Humanity in International Criminal Law (2nd edition, 1999).

Linkage with war or armed conflict
4.2.1 The Nuremberg Charter of 1945 defined crimes against humanity in Article 6 (c) as:

“Murder, extermination, enslavement, deportation, and other inhumane acts
committed against any civilian population, before or during the war, or
persecutions on political, racial or religious grounds in execution of or in connection with any crime within the jurisdiction of the Tribunal, whether or not in violation of the domestic law of the country where perpetrated” (italics added)(5.

On the face of it, this provision suggests an intention to punish persons for atrocities committed before

3 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

1939, but the Nuremberg Tribunal preferred, out of respect for the principle of legality, to limit crimes against humanity to crimes committed during and in connection with the war.(6

4.2.2 Control Council Law No. 10, enacted by the Allies after World War II to govern criminal prosecutions in their respective zones in occupied Germany also contained a provision on crimes against humanity but unlike the Nuremberg Charter’s provision it failed to link crimes against humanity to the conduct of the war.(7 Moreover, it expressly named torture as an act constituting the crime against humanity.

4.2.3 The linkage between crimes against humanity and a state of war appears to have disappeared well before 1982.(8 Thus in 1968 the Convention on the Non-Applicability of Statutory Limitations to War Crimes and Crimes against Humanity prohibited the prescription of crimes against humanity “whether committed in time of war or in peace”(Article 1).

The ICTY Appeals Chamber observed in the Tadic (Jurisdiction) Case:
“The obsolescence of the nexus requirement is evidenced by international
conventions regarding genocide and apartheid, both of which prohibit
particular types of crimes against humanity regardless of any connection to armed conflict…. It is by now a settled rule of customary international law that crimes against humanity do not require a connection to international armed conflict. Indeed, as the Prosecutor points out, customary international law may not require a connection between crimes against humanity and any conflict at all.”(9

The Statute of the ICTY provides in Article 5 that the Tribunal shall only have competence to prosecute persons for crimes against humanity committed “in armed conflict.” Commentators are, however, agreed that this limitation was designed to deal with the special circumstances of the former Yugoslavia and is not intended to suggest that a new nexus, in the form of armed conflict, has been imposed on crimes against humanity.(10

This is confinned by the Statute of the ICTR(11 and the Rome Statute of the ICC which contain no such limitation.(12

Customary international law today recognizes that a crime against humanity may be committed in time of peace. There is no requirement that it be committed in time of war or armed conflict. Whether this was the position in 1982 is not entirely free from doubt, particularly in respect of armed conflict. Control Council Law No.10 abandoned the nexus between crimes against humanity and war; the Genocide Convention (1948) and Apartheid Convention (1973) stress that these species of crime against humanity are not conditional on a state of war or armed conflict; and the 1968 Convention on the Non-Applicabi1ity of Statutory Limitations to War Crimes and Crimes against Humanity envisages that crimes against humanity may be committed in time of peace. Moreover some jurists, including Kooijmans(13 and Rüter(14, writing before 1982 expressed the view that crimes against humanity could be committed in time of peace. Nevertheless, as far as I am aware, there is no recorded case of a prosecution for the crime against humanity (or for that matter genocide or apartheid) committed in time of peace before 1982 before either an international tribunal or a national Court.(15 The ICTY and ICTR, and national courts in severa1 countries, have tried a large number of cases for genocide and crimes against humanity in the past decade but these have been associated with an armed conflict (former Yugoslavia) or large-scale massacre / civil war (Rwanda). Whether the torture and kil1ings in Paramaribo in 1982 would have been categorized as a crime against humanity in 1982 is therefore unsettled. M Cherif Bassiouni, a prominent academic expert in this field, even expresses doubts as to whether contemporary customary international law recognizes crimes against humanity in the case of “purely internal conflicts and tyrannical regimes which produce significant victimization”.(16

Whether the torture and killings in Paramaribo in 1982 would have been categorized as a crime against humanity in 1982 is not therefore completely beyond doubt.

Constitutive Elements of the Crime
4.3.1 All instruments defining crimes against humanity since the Nuremberg and Tokyo Charters have

4 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

expressly included murder and torture as acts that may constitute a crime against humanity . (i) Control Council No. Law 10, Article II.
(ii) Draft Code of Crimes against the Peace and Security of Mankind (1996) Article 18.
(iii) ICTY Statute (1993), Article 5.

(iv) ICTR Statute (1994), Article 3. (v) ICC Statute (1998), Article 7.

4.3.2 In order to qualify as crimes against humanity such acts must be committed against the civilian population.(17
In the first instance this indicates that the acts must not be directed against combatants in armed conflict. Secondly, it is designed to show that the acts must not be isolated acts but must instead be col1ective in nature. This was emphasized by an ICTY Trial Chamber in Tadic when it stated that “the emphasis is not on the individual victim but rather on the collective, the individual being victimized not because of his individual attributes but because of his membership of a targeted civilian population “.(18 This is confirmed by the Rome Statute which declares that the requirement that there be an attack directed against any civilian population for the crime against humanity “means a course of conduct involving the multiple commission of acts …. against any civilian population, pursuant to or in furtherance of a state or organizational policy to commit such attack”(Article 7(2)(a)).

4.3.3 Not any act of murder or torture against a civilian population will qualify as a crime against humanity. In addition there must be evidence that the acts were committed as part of state (or organized non-state) action or policy in a systematic, widespread or large scale manner.

4.3.4 The requirement that the acts be part of state (or organized non-state) action or policy does not appear in any of the instruments defining crimes against humanity apart from the 1996 ILC Draft Code of Crimes against the Peace and Security of Mankind which requires that the acts be “instigated or directed by a government or by any organization or group” (Article 18). Bassiouni in Crimes against Humanity in International Criminal Law (1999), however, argues that the crime must be committed by state actors or non-state actors who have some of the characteristics of the state in their ability to exercise dominion and control over territory and people, and to carry out their victimization in a way that reflects a policy that is analogous to state action or policy.(19 It is this element of “state action or policy” that constitutes “the jurisdictional element that makes ‘crimes against humanity’ a distinct category of international crimes”.(20

Although this requirement is controversial, it is not necessary to consider it further for the purposes of the present opinion as it seems clear that the December 1982 crimes were committed by state actors.

4.3.5 Most instruments defining the crime against humanity since Nuremberg(21 have focused on the requirement that the act be systematic, widespread or large scale as the necessary jurisdictional element that distinguishes crimes against humanity from other international crimes and the national crimes of (say) murder, torture etc. Decisions of national courts have also emphasized this requirement.(22

It is not necessary that the acts be both widespread (large scale) and systematic.(23 This is clear from the texts of international instruments which speak of widespread or systematic acts(24, the commentary on Article 18 in the ILC Draft Code(25, judicial decisions(26 and the debates in the Rome Conference preceding the adoption of Article 7 of the ICC Statute(27 which, in Article 7 adopts the formula of “widespread or systematic attack”(italics added).

In the Prosecutor v Akayesu the ICTR stated that

“The concept of ‘widespread’ may be defined as massive, frequent, large
scale action, carried out collectively with considerable seriousness and
directed against a multiplicity of victims. The concept of’ systematic ‘ may be defined as thoroughly organized and following a regular pattern on the basis of a common policy involving substantial public or private resources. There is no requirement that this policy must be adopted formally as a policy of a state. There must, however, be some kind of preconceived plan or policy.”(28

The concept of “systematic” was elaborated upon in Prosecutor v Blaskic, in which an ICTY Trial

5 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

Chamber held that “systematic” embraces four elements:
* the existence of a political objective, a plan pursuant to which the attack is perpetrated, or an ideology, in the broad sense of the word, that is, to destroy, persecute or we aken a community;
* the perpetration of a criminal act on a very large scale against a group of civilians or the repeated and continuous commission of inhumane acts linked to one another;
* the preparation and use of significant public or private resources, whether military or other;
* the implication of high-level political and/or military authorities in the definition and establishment of a methodical plan.(29

The plan, said the Tribunal, may be inferred from a series of events, such as “the general historical circumstances and the overall political background against which the criminal acts are set.”(30

4.3.6 There is no requirement that the acts be carried out in a discriminatory or persecutory manner.(31

4.3.7 The torture and murders in Paramaribo in 1982 appear to fall within the definition of crimes against humanity. They were committed by the military authorities in Surinam (state actors) against a group of civilians who were targeted not because of their individual attributes but because of their status as leaders of the Surinam intellectual elite. Moreover, they were committed in a systematic manner as part of an organized plan, involving public resources, aimed at destroying potential opponents of the military authorities.

Mens Rea

4.4.1 A person charged with a crime against humanity must clearly have the necessary mens rea to commit the crime.(32 It is not necessary that such person have knowledge that his conduct is within the definitional requirements of the crime but he must have knowledge of the facts and circumstances necessary to bring his conduct within the definition of the crime. I was not asked to advise on this matter and in my view it would be premature to embark on an enquiry into Bouterse’s state of mind on the available facts. Suffice it to say that Bouterse’s military training must have given him a clearer picture than the average person of the existence and nature of the crime against humanity. If the Court is called upon to consider this matter it will find guidance in the decisions of the Ontario Court of Appeal(33 and the Canadian Supreme Court in R v Finta.(34

Statute of Limitations

4.5.1 In 1945 it was anticipated that Nazi and Japanese war criminals would be brought to trial expeditiously. Consequently neither the Nuremberg Charter nor the Tokyo Decree contain provisions on statutory limitations. Control Council Law No.10(35 did, however, provide that accused persons were not entitled to the benefits of any statute of limitation in respect of the period 1933-1945. In 1968 the General Assembly of the United Nations adopted the Convention on the Non-Applicability of Statutory Limitations to War Crimes and Crimes against Humanity(36 which provides that no statutory limitations shall apply, inter alia, to crimes against humanity “irrespective of the date of their commission” (Article 1) and obliges states parties to adopt legislation to ensure that statutory or other limitations shall not apply to the prosecution and punishment of such crimes (Article 4). Only 43 states have ratified this Convention. (Neither Surinam nor the Netherlands have ratified it). In 1974 European states, objecting to the applicability of the Convention to crimes “irrespective of the date of their commission” on the ground that it offended the principle of non-retroactivity, adopted the Convention on the Non-Applicability of Statutory Limitations to Crimes against Humanity and War Crimes(37 under the Council of Europe, which stipulated that the Convention would be applicable only to offences committed after its entry into force. Only the Netherlands has ratified this Convention.

4.5.2 The Draft Code of Crimes against the Peace and Security of Mankind, adopted by the International Law Commission at First Reading in 1991 provided that “no statutory limitation shall apply to crimes against the peace and security of mankind”.(38 This provision was, however, dropped from the Second Reading of the Draft Code in 1996(39, on the ground that the principle of imprescriptibility did not apply to all crimes covered in the code, but only to the most serious crimes,

6 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

such as crimes against humanity.(40

4.5.3 The Statutes of the ICTY and ICTR do not contain provisions on statutory Article 29 of the ICC Statute does, however, provide that “crimes within the jurisdiction of the Court shall not be subject to any statute of limitations”. This includes crimes against humanity.

4.5.4 National legal systems are divided on the question of statutory limitations. Common-law countries which know no prescription for murder and other serious crimes have no statutes of limitation for crimes against humanity and war crimes. Several civil law countries, on the other hand, have such statutes.

In 1979 the Parliamentary Assembly of the Council of Europe produced a Report on Statutory Limitation of War Crimes and Crimes against Humanity, designed to encourage states to ratify the 1974 European Convention on statutory limitations, which showed that there was no statutory limitation for war crimes and crimes against humanity in Austria, Denmark, France, Ireland, ltaly, Liechtenstein, the Netherlands and the United Kingdom. However there were statutory limitations for such crimes in Belgium, Greece, Malta, Norway, Portugal, Spain, Sweden, Switzerland and Turkey.(41 Since then a number of states have amended their laws on statutory limitations for crimes against humanity. For instance in 1999 Belgium adopted a statute declaring crimes against humanity to be impresciptible.

The question of statutory limitations for crimes against humanity has come before national courts. In the Barbie Case the French Court of Cassation held that the French Statute of 1964 excluding crimes against humanity from statutory limitations was declaratory of international law.(42 In the Priebke case the Rome Military Court held that the principle of the non-applicability of statutory limitations to war crimes and crimes against humanity had the status of peremptory norm or norm of jus cogens.43

4.5.5 The notion that international crimes such as crimes against humanity have the character of jus cogens has important implications for statutory limitations. In the Furundzija case the ICTY Trial Chamber stated, obiter, that the prohibition on torture (a species of crime against humanity) is a peremptory norm or jus cogens with the result that it could not be covered by a statute of limitations.(44 A similar attitude is adopted by the report of Louis Joinet to the Sub-Commission on Prevention of Discrimination and Protection of Minorities, which boldly states that “prescription should not apply to serious crimes under international law , which are by their nature impresciptible”.(45

4.5.6 Whether customary international law prohibited statutory limitations in respect of crimes against humanity in 1982 cannot be answered with absolute certainty.(46 The 1968 Convention on the Non-App1icability of Statutory Limitations to War Crimes and Crimes against Humanity has not been widely ratified. However, the principal objection to this Convention in respect of crimes committed before 1968 is that it is retrospective. This consideration does not apply to crimes committed in 1982. In my opinion the 1968 Convention was, at least, declaratory of customary international law as it stood in 1968 with the result that crimes against humanity committed thereafter were imprescriptible. In their very nature such crimes, which have the character of a norm of jus cogens, are imprescriptible.

Universal Jurisdiction

4.6.1 Customary international law accepts that a state may exercise “universal jurisdiction” over certain international crimes committed outside its territorial jurisdiction and not involving its nationals, either as actors or victims, or indeed its national interest. In such a case the state acts as the agent of the international community in the prosecution of an enemy of all mankind in whose punishment all states have an interest.(47

4.6.2 That crimes against humanity, which form part of the corpus of customary international law, are crimes that may be tried in accordance with the principle of universality is accepted by judicial decisions(48, the International Law Commission(49 and the writing of jurists.(50

4.6.3 There is therefore no doubt that under customary international law the Netherlands is permitted

7 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

to exercise jurisdiction over a crime against humanity with which it is not linked by territoriality or nationality when the suspect is present in its territory.(51

4.6.4 There is no treaty which obliges a state to prosecute a person suspected of a crime against humanity present on its territory.(52 Whether customary international law imposes such an obligation is debatable. Some authors have argued that states are obliged to prosecute those suspected of having committed crimes against humanity present on their territory.(53 Support for this argument is found in the fact that related conventions dealing with war crimes, genocide, apartheid and torture specify such a duty.(54 Further support is found in General Assembly resolutions 2840 (XXVI) of 1970 and 3074 (XXVIII) of 1973. In the former on the Question of Punishment of War Criminals and Persons who have Committed Crimes against Humanity the General Assembly urged all states “To ensure the punishment of all persons guilty of such crimes, including their extradition to those counties where they have committed such crimes”. In the latter on Principles of Co-operation in the Detection, Arrest, Extradition and Punishment of Persons Guilty of War Crimes and Crimes against Humanity the General Assembly reaffirmed the application of the principle of aut dedere aut judicare to crimes against humanity .

While the Netherlands may be under an obligation to try or prosecute a person suspected of crimes against humanity this is of course limited to the situation in which the person is present in its territory.There is no obligation on the Netherlands (or any other state) to request the extradition of a suspect (e.g. Bouterse) from another state in order to exercise jurisdiction over him in accordance with the principle of universality.

Conclusion

4.7.1 The crime against humanity was a crime under international law, involving individual responsibility, well before 1982. The conduct attributed to Bouterse appears to fall within the definition of the crime under customary international law in 1982. (Para 4.3.7.)
However, it might possibly be argued that customary international law, as reflected in state practice, did not recognize such a crime outside war or armed conflict in 1982. (Para 4.2.3.)
Under customary international law the crime has not prescribed (as it is
imprescriptible) and is subject to universal jurisdiction. (Para 4.5.6.)
If Bouterse was found within the territorial jurisdiction of the Netherlands it would be incumbent on the Netherlands, as a matter of policy, to try or extradite him. Whether there is a legal obligation requiring such action is, however, highly debatable. (Para 4.6.4.)

5. DID THE ACTS CONSTITUTE TORTURE IN 1982? Torture in Armed Conflict.

5.1.1 Torture was clearly punishable as an international crime in war or armed conflict well before 1982, both under customary international law (as an act that might qualify as a crime against humanity) and the Geneva Conventions of 1949 and the 1977 Additional Protocols.(55

Torture in Time of Peace Today

5.2.1 There can be little doubt that torture is today recognized as an international crime under customary international law. Judicial decisions and academic writings assert this and a number of conventions confirm it. The 1984 Convention Against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, the 1985 Inter-Arnerican Convention to Prevent and Punish Torture (ratified by Surinam on 12 November 1987) crimina1ize torture per se while the ICTY, ICTR and ICC Statutes criminalize it as a species of crimes against humanity .

Torture in Time of Peace in 1982
5.3.1 Torture was probably punishable under international law in time of peace in 1982 as a species of

8 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

crime against humanity as a result of the unlinking of crimes against humanity from war and armed conflict. See above paras 4.2.1 -4.2.3.

5.3.2 In my opinion torture was recognized as an independent crime under customary international law before the kil1ings in Paramaribo in 1982. This opinion is based on the fol1owing evidence, viewed cumulatively.

(a) Both international and regional human rights conventions prohibit the use of torture. Of particular importance are the 1966 International Covenant on Civil and Political Rights (Article 7) and the 1969 American Convention on Human Rights (Article 5(2)). Surinam ratified the fonner on 28 December 1976 and the latter on 12 November 1987. Although these Conventions do not provide for individual crirninal responsibility for violations of the prohibition on torture they do emphasize the special nature of these prohibitions by rnaking them non-derogable in time of national emergency.(56

Moreover the monitoring body of the International Covenant on Civil and
Political Rights, the Human Rights Committee, has strongly suggested that there is a duty on Member States to punish torturers. In 1984 in Muteba v Zaire the Human Rights Committee found that Zaire had violated the prohibition on torture in Article 7 and held that it was “under an obligation to conduct an inquiry into the circumstances of [the victim’s] torture, to punish those found guilty of torture and to take steps to ensure that similar violations do not occur in the future.”(57

(b) The General Assembly of the United Nations adopted a number of resolutions between 1973 and 1976(58 which denounced torture. Of particular importance is the 1975 Declaration on the Protection of All Persons from Being Subjected to Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(59, which defined torture in substantially similar terms as the definition contained in the 1984 Convention Against Torture, called on all States to take effective measures to prevent torture and declared that “each state shall ensure that all acts of torture are offences under its criminal law”. Efforts to criminalize the use of torture by treaty under international law were well underway by 1980.(60

As a result of these development a United States Circuit Court of Appeals held in 1980 that the prohibition on torture had become part of customary international law.(61

(C) In 1969 the Vienna Convention on the Law of Treaties in Article 53 gave conventional blessing to the notion that certain international law norms enjoy the character of peremptory norms -that is constitute part of jus cogens. Today the prohibition on torture is accepted as such a norm62 and it is probable that it enjoyed this status before 1982. According to the judgment of ICTY Trial Chamber in Furondzija:

“…. at the individual level, that is, that of criminal liability, it would seem that one of the consequences of the jus cogens character bestowed by the international community upon the prohibition of torture is that every state is entitled to investigate, prosecute, punish or extradite individuals accused of torture, who are present in a territory under its jurisdiction”.(63

(d) The 1984 Convention against Torture (to which Surinam is not a party, but the Netherlands is) and the 1985 Inter-American Convention to Prevent and Punish Torture (ratified by Surinam on 12 November 1987), which oblige states to criminalize acts of torture under their criminal law and to try or extradite torturers purport to be declaratory of existing customary internationallaw in respect of the prohibition on torture and its criminalization.

Only the machinery established by the Conventions to enforce this prohibition is constitutive. The Preamble of the 1984 Convention refers to the prohibitions on torture in the International Covenant on Civil and Political Rights and the 1975 General Assembly Declaration on Torture64 and declares that the Convention is adopted “to make more effective the struggle against torture”.(65
The Inter-American Convention is even more clear in its Preamble. It “reaffirms that all acts of torture…. constitute an offence against human dignity” and a violation of fundamental human rights and notes that for the rules contained in human rights instruments “to take effect, it is necessary to draft an Inter-American Convention that prevents and punishes torture.”

(e) Several speeches of the Law Lords in the seminal Pinochet(66 decision before the English House of

9 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

Lords confirm that torture was a crime under international law before 1984.
(i) Lord Browne-Wilkinson
“I have no doubt that long before the Torture Convention state torture was an international crime in the highest sense…. The Torture Convention was agreed not in order to create an international crime which had not previously existed but to provide an international system under which the international criminal, the torturer, could find no safe haven.”(67
(ii) Lord Hutton
“…it is unnecessary to decide when torture became a crime against
international law prior to [1988], but I am of opinion that acts of torture were clearly crimes against international law and that the prohibition on torture had acquired status of jus cogens by that date.”(68
(iii) Lord Millett
“The Republic of Chile accepts that, by 1973, the use of torture by state
authorities was prohibited by international law and that the prohibition had the character of jus cogens or obligation erga omnes.”(69

The Nature of the Crime of Torture in 1982

5.4.1 Torture is defined in Article 1 of the 1984 Torture Convention as follows: “For the purposes of this Convention, the term ‘torture’ means any act by which severe pain or suffering, whether physical or mental, is intentionally inflicted on a person for such purposes as obtaining from him or a third person information or a confession, punishing him for an act he or a third person has committed or is suspected of having committed, or intimidating or coercing him or a third person, or for any reason based on discrimination of any kind, when such pain or suffering is inflicted by or at the instigation of or with the consent or acquiescence of a public officialor other person acting in an official capacity. It does not include pain or suffering arising only from, inherent in or incidental to lawful sanctions.”

This, in substance, corresponds with the definition of torture contained in the 1975 Declaration on the Protection of all Persons from Being Subjected to Torture which reads:
“For the purpose of this Declaration, torture means any act by which severe pain or suffering, whether physical or mental, is intentionally inflicted by or at the instigation of a public official on a person for such purposes as obtaining from him or a third person information or confession, punishing him for an act he has committed or is suspected of having committed, or intimidating him or other persons. It does not include pain or suffering arising only from, inherent or incidental to lawful sanctions to the extent consistent with the Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners.”

It is impossible to state with certainty what the ambit of the international crime of torture was before 1984, and, in particular what it was in 1982. Essentially there are two possibilities. First, that it existed in the form of the 1975 definition, adopted by consensus in the General Assembly, as confInned by the 1984 Convention against Torture.(70

Secondly, that it did not include “any act” of torture but only the widespread or systematic use of torture, as required for the crime against humanity, of which the crime of torture formed a part. This view was confirmed by Lord Millett in the Pinochet case when he declared:
“The 1984 Torture Convention did not create a new international crime. But

it redefined it. Whereas the international community had condemned the
widespread and systematic use of torture as an instrument of state policy, the convention extended the offence to cover isolated and individual instances of torture provided that they were committed by a public official. I do not consider that offences of this kind were previously regarded as international crimes attracting universal jurisdiction.”(71

5.4.2 On the facts of the present case torture was committed under either definition as the acts of torture were systematic and intentionally committed by public officials either for the purpose of obtaining confessions or intimidating or coercing the arrested persons.

Statute of Limitations
5.5.1 The international crime of torture is not subject to statutory limitations, for two principal

10 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

reasons.
First, because of its ties with crimes against humanity in respect of which there is no statutory limitation.
It would be ridiculous to permit statutory limitation in respect of acts of torture characterized as an independent international crime while at the same time prohibiting such statutory limitations where the acts are characterized as crimes against humanity.
Secondly, because of the jus cogens character of the prohibition on torture which excludes statutory limitations. Support for this proposition is to be found in an obiter dictum in the Furundzija case.(72

Universal Jurisdiction

5.6.1 The 1984 Convention against Torture recognizes the principle of universal jurisdiction, at least for states parties, in Article 5 in providing that a state shall exercise jurisdiction where the offender is present in its territory.

5.6.2 The prohibition on torture is an obligation erga omnes, that is an obligation in whose enforcement all states have a legal interest. Consequently it is a crime, like the crime against humanity, with which it is historically linked, that may be prosecuted by any state, wherever it was committed.(73

5.6.3 Customary international law also recognizes that universal jurisdiction applies in the case of torture as a consequence of the jus cogens character of the prohibition on torture.74 This was stressed in the Pinochet case. Lord Browne- Wilkinson declared:
“The jus cogens nature of the international crime of torture justifies states in taking universal jurisdiction over torture wherever committed. International law provides that offences jus cogens may be punished by any state because the offenders are ‘common enemies of all mankind and all nations have an equal interest in their apprehension and prosecution’: Demjanjuk v Petrovsky (1985) 603 F Supp 1468,774 F 2d 571.”(75

Lord Millett stated:
“In my opinion, the systematic use of torture on a large scale and as an
instrument of state policy had joined piracy, war crimes and crimes against peace as an international crime of universal jurisdiction well before 1984. I consider that it had done so by 1971.”(76

5.6.4 Article 5 ofthe Convention against Torture obliges a state to exercise jurisdiction over an offender when he is present in its territory and it does not extradite him. Judicial decisions also stress the requirement of presence for the exercise of universal jurisdiction. In Furundzija the ICTY stated that “every state is entitled to investigate, prosecute and punish or extradite individuals accused of torture, who are present in a territory under its jurisdiction” (italics added).(77 In the Pinochet case Lord Millett declared, in respect of the exercise of universal jurisdiction, that
“The limiting factor that prevents the exercise of extra territorial
criminal jurisdiction from amounting to an unwarranted interference with the internal affairs of another state, is that, for the trial to be fully effective, the accused must be present in the forum state.”(78

5.6.5 It is not clear whether this requirement prevents a state in whose territory the offender is not present from requesting extradition of the offender from a state in whose territory the offender is present, but which elects not to try him itself, when the sole basis for the exercise of jurisdiction is the principle of universality. Some have argued that it is objectionable to allow extradition requests of this kind as this would permit a particular state to act as “policeman” of the world by requesting extradition of torturers from any country. This objection was not raised in the Pinochet proceedings and a number of English courts were prepared to entertain a request from Spain to exercise jurisdiction on grounds of universality.(79

A state that requests extradition of a torturer would probably be wise to stress the presence of some connecting factor between it and the crime to ensure that this objection would not be raised against it. Article 5(1)(c) of the Convention against Torture recognizes that the passive personality principle may provide a basis for the exercise of jurisdiction if the state in question “considers it appropriate.”

11 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

Although the municipal law of the Netherlands does not permit the exercise of jurisdiction on this ground it may nevertheless consider such a ground as the basis of an extradition request, in lieu of or in addition to, universal jurisdiction. This matter is further considered in para 8.

Aut Dedere aut Judicare and the Duty to Prosecute

5.7.1 There is clearly an obligation on parties to the 1984 Convention against Torture to try or extradite torturers present in their territory.(80 Previously such states were entitled to prosecute or extradite but were not obliged to do so.(81 Under the Convention against Torture states are obliged to prosecute even where there has been no refusal of an extradition request.(82

5.7.2 While the Netherlands is under a legal obligation to try or extradite a torturer present in its territory where the crime was committed after the Torture Convention came into effect for the Netherlands on 20 January 1989, doubts may be expressed about its obligation to try or extradite a person who committed the crime oftorture before 1989. In support of this restrictive view it may be argued that the ratification of a treaty has no retrospective effect and that treaty obligations commence upon ratification.(83 The Vienna Convention on the Law of Treaties provides in Article 28 that:

“Unless a different intention appears from the treaty or is otherwise
established, its provisions do not bind a party in relation to any act or fact which took place or any situation which ceased to exist before the date of the entry into force of the treaty with respect to that party.”

5.7.3 I am not satisfied that the obligation aut dedere aut judicare contained in the Torture Convention is not retrospective to acts of torture committed before 1989.

5.7.4 Torture was a substantive international crime before 1984, albeit subject to the requirement that it be systematic or widespread to accord with constitutive elements of the crime against humanity. The purpose of the Torture Convention was to codify this crime, extend it to cover individual acts of torture and to provide machinery for the effective enforcement of the prohibition on torture.(84 The enforcement machinery is of two kinds. First, the obligation aut dedere aut judicare(85; and, secondly, the institutional machinery created by the Convention providing for establishrnent of a Committee against Torture to receive and consider reports and complaints.(86

5.7.5 The institutional machinery created by the Torture Convention is constitutive and cannot have retrospective effect. This was confirmed by the Committee Against Torture when it held that it was not competent to consider complaints relative to acts of torture occurring in Argentina before it became a party to the Torture Convention.

The Committee held that:
“its competence with respect to communications is defined by Article 22 of the Convention Against Torture, whereby that competence is limited to violations of this Convention and does not extend to the norms of general international law.”(87

5.7.6 The obligation aut dedere aut judicare, however, is not necessarily constitutive and prospective. On the contrary it may be likened to the obligation that a state incurs when it enters into an extradition agreement to extradite fugitives in its territory suspected of having committed crimes in the requesting state before the entry into force of the treaty.

That an extradition treaty has retrospective effect is supported by the jurisprudence of many countries, including the Netherlands.(88
In Gallina v Fraser a US court stated that:
“It appears to have been established a long time ago that extradition treaties, unless they contain a clause to the contrary, cover offences committed prior to their conclusion.(89

In 1947 in the case of In re Colman (Court of Appea1 of Paris) a Belgian citizen resident in France challenged his extradition to Belgium for crimes arising out of collaboration with the enemy in World War II. He argued that the extradition agreement between Belgium and France, which was signed in

12 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

1947, had no retroactive effect to the time that the acts occurred. In rejecting his plea the court held: “The offender cannot invoke the principle of non-retroactivity of laws. He
has no right not to be surrendered for facts which were not provided for, at the time of the consummation of the offence, by the Franco-Belgium

Convention to which he is not a party, as long as both French and Belgian law render criminal and punish offences at the time when they were committed.”(90

5.7.7 In my view the principle aut dedere aut judicare is procedural and its extension to cover an act of torture committed before 1989 in terms of a multilateral extradition agreement (the Torture Convention) does not offend the rule of legality any more than does the application of a bilateral extradition treaty that entered into force in 1989 to a crime committed in 1982. To interpret the Torture Convention to allow pre-1984 torturers to travel freely would run counter to the object and purpose of the Convention, namely to bring to trial all public officials suspected of committing torture – whenever it might have been committed. In these circumstances the general principle contained in Article 28 of the Vienna Convention seems to be inapplicable.

5.7.8 The Pinochet case does not provide an obstacle in the way of such an argument. There the House of Lords did not consider the question whether the United Kingdom was obliged in terms of the Torture Convention to try or extradite Pinochet for crimes committed before the entry into force of the treaty in the UK in 1988. Instead it held that the rule of double criminality contained in the 1989 Extradition Act did not permit Pinochet to be extradited to Spain for crimes committed before 1988.

5.7.8 Bouterse is not present in the Netherlands. There is therefore no obligation on the Netherlands to exercise criminal jurisdiction over him under intenational law. Nor is the Netherlands under a legal obligation to request his extradition from Surinam or any country that he may visit. On the other hand, if Bouterse were to visit the Netherlands, I am of the opinion that the Netherlands would be obliged to try or extradite him under the Torture Convention.

PASSIVE PERSONALITY AS A BASIS FOR JURISDICTION

6.1.1 Customary international law permits a state to exercise criminal jurisdiction where the victim of the crime is a national.(91

6.2.1 International law would therefore permit the exercise of jurisdiction over Bouterse for the murder of Frank Wijngaarde, a Dutch national tortured and mudered at Paramaribo in December 1982. Dutch municipal-law rules, however, do not allow the exercise of jurisdiction on grounds of passive personality.(92 For this reason the possibility of prosecuting Bouterse for mUfder of a Dutch national is not considered.

6.3.1 Multilateral treaties creating international crimes increasingly recognize passive personality as a basis for the exercise of criminal jurisdiction. The Torture Convention in Article 5(1)(c) recognizes that the passive personality principle may provide a basis for the exercise of jurisdiction if a state party “considers it appropriate.” The Netherlands, if its own municipal law recognized this jurisdictional ground, could exercise jurisdiction over Bouterse for the crime of torture on the basis that one of the victims of the 1982 killings was a Dutch national.

OTHER JURISDICTIONAL GROUNDS

7.1.1 Customary international law permits a state to exercise criminal jurisdiction where the effect of the crime is felt in its territory(93; or where the crime threatens its own safety and security (protective principle).(94 It is clear that the 1982 killings in Paramaribo had a profound effect in the Netherlands. See above para 1.8.

Customary international law would therefore permit the Netherlands to exercise jurisdiction over Bouterse on these grounds.

13 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

THE PROSECUTION OF BOUTERSE IN THE CONTEXT OF DUTCH LAW

8.1.1 In my opinion Bouterse could be prosecuted in terms of customary international law for the 1982 murders. I am not, however, giving advice to an international tribunal on how to proceed but to a Dutch court that is bound to apply its own national law.
It is not my mandate to advise on Dutch law, a task for which I am in any event unqualified. On the other hand, I believe it is incumbent on me to make certain tentative comments on the basis of my limited understanding of Dutch law. This would seem to be required by the question posed in paragraph 5.5.7 of the decision of the Amsterdam Supreme Court of 3 March 2000.

Prosecution under Customary International Law as part of Dutch law

8.2.1 Customary international law is part of Dutch municipal law.(95 It might therefore be argued that a Dutch court could prosecute Bouterse on the ground that he has committed a crime of universal jurisdiction under customary international law and that this is part of Dutch municipal law. Support for such a step is to be found in the speech of Lord Millett in the Pinochet case(96 where he held that torture was a customary international crime of universal jurisdiction by 1973 and that an English court had extraterritorial criminal jurisdiction on the basis that customary international law is part of English municipal law.

Statutory authority for the exercise of extra territorial criminal jurisdiction was therefore unnecessary. (Lord Millett conceded that this view was not shared by his fellow judges who required statutory authority for the exercise of universal jurisdiction.)

8.2.2 Such a course is unlikely to be followed as Dutch law, like English law, appears to require a national statute which translates international law obligations into municipal law where the criminalization of human conduct is concerned.(97

Crimes against Humanity and Dutch Law

8.3.1 I have expressed the opinion that Bouterse might be prosecuted for a crime against humanity under customary international law. Here I have concluded that the events of December 1982 might constitute a crime against humanity, a crime subject to universal jurisdiction. I have also expressed the opinion that crimes against humanity are not subject to statutory limitation.

8.3.2 Dutch municipal law governing crimes against humanity is still rooted in the Nuremberg era. The 1952 Wet Oorlogsstrafrecht does not criminalize crimes against humanity as such but, in Article 8, deals with crimes against humanity as a circumstance aggravating war crimes. Such a crime must be a manifestation of a policy of systematic terror or illegal acts directed against the population or a group of the population. Crimes against humanity, in terms of this law, can be committed only during war or armed conflict.(98 It is not, however, necessary, as was previously believed, that the Netherlands be involved in such a conflict.(99

8.3.3 The events of December 1982 in Paramaribo did not occur in a war or armed conflict. It would therefore be difficult to prosecute Bouterse for crimes against humanity as Dutch Law stands at present.

Torture and Dutch Law

8.4.1 The Netherlands ratified the Convention against Torture on 21 December 1988 and the Convention entered into force for the Netherlands on 20 January 1989. The Netherlands gave effect to its obligations under this Convention in 1988 in the Uitvoeringswet Folteringverdrag (Torture Act). This Act defines torture in language similar to that of the Torture Convention (Article 1.1) and provides for life imprisonment where the torture results in death (Article 1.3). Article 5 recognizes the principle of universality:
“De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland aan een van de in de

14 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

artikelen 1 en 2 van deze wet omschreven misdrijven schuldig maakt.”

Article 10 provides that the Act is to come into force on the date on which the Convention comes into effect- that is 20 January 1989.

8.4.2 The Netherlands has generally been hesitant about accepting the obligation of universal jurisdiction and has on several occasions attached reservations to its acceptance of treaties providing for universal jurisdiction; thereby limiting its acceptance of the principle of universal jurisdiction. It did not, however, attach any such reservation when it became a party to the Torture Convention.(100

8.4.3 I have expressed the opinion that Bouterse’s involvement in the acts of torture of December 1982 might make him punishable under customary international law for the crime of torture, which is subject to universal jurisdiction, and in respect of which there is no statutory limitation. Clearly Bouterse would be punishable under the Uitvoeringswet Folteringverdrag of 1988 if his conduct had occurred after 20 January 1989. The question that must be addressed, however, is whether he might be punished under the 1988 Act for acts committed in 1982. No doubt the immediate response to such a suggestion is that this would be retroactive and violate the principle of legality, a principle of both customary international law and national law. The matter does, however, require closer consideration.

8.4.4 The Convention against Torture is declaratory of existing customary law in so far as its prohibition, punishment and definition of torture are concerned.(101 This applies particularly to the crime of torture in so far as it meets the requirements of the crime against humanity of which it was, and still is, an integral part. Thus it might persuasively be argued that the 1988 Torture Act could be applied retrospectively to cover conduct that was illegal under Dutch law before 1989 but was not criminalized under the name of torture -such as assault, murder, etc.(102

8.4.5 The question then arises whether the Netherlands may exercise jurisdiction on grounds of universality over the events occurring in 1982 in terms of Article 5 of the 1988 Torture Act. Some may argue this would offend the principle of retroactivity. On the other hand, it might be argued that the acts constituting the crime of torture were punishable in the Netherlands under other names and that Article 5 is a procedural provision which extends extraterritorial jurisdiction to the prosecution of such crimes without offending the principle of legality. Here retrospective effect could be given to the exercise of jurisdiction in the same way that retrospective effect is given to the granting of extradition in respect of crimes committed before the adoption of an extradition treaty.(103
This is an issue to be decided by a Dutch court applying its own rules of interpretation, general principles and traditions. It may, however, be helpful to consider the experience of the Canadian courts in applying a statute which gave retrospective effect to crimes against humanity committed outside Canada in the face of a prohibition on retroactive legislation contained in the Canadian Charter of Rights and Freedoms. Here the courts upheld the validity of the Canadian statute on the ground that it did not violate the prohibition on retrospectivity because the conduct in question was “criminal according to the general principles of law recognized by the community of nations.”(104 In so deciding the courts drew a helpful distinction between a retroactive statute, which violated the Charter of Rights and Freedoms, and a retrospective statute which did not.

“The distinction between a “retroactive” statute, as opposed to one with a
“retrospective” application, is significant. According to the definition
contained in 44 Hals. 4th ed., p. 572, a retroactive penal statute is one which is “intended to render criminal an act which was innocent when it was committed”.

David H. Doherty (now Mr. Justice Doherty), in an article entitled “What is Done is Done: An argument in Support of a Purely Prospective Application of the Charter of Rights” (1982),26 C.R. (3d) 121, defines both “retroactive” and “retrospective” statutes as follows [at p. 125]:
A retroactive statute is one which is proclaimed to have effect as of a time prior to its enactment. The statute operates backward and changes the law as of some date prior to proclamation. ..

A retrospective statute is one which proclaims that the consequences of an
act done prior to proclamation are to be given a different legal effect after proclamation as a result of the enactment of the statute. It operates only in the future, after proclamation, but changes the legal

15 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

effect of an event which occurred prior to proclamation.

Keeping these definitions in mind, there is clearly a difference between a
retroactive and a retrospective application. A retroactive application takes an act or omission that was not previously criminal, and retroactively deems that act or omission to be criminal as at a later date. A retrospective statute, on the other hand, does not create new offences. Rather, as in this case, it merely operates to retrospectively give Canadian courts jurisdiction over criminal offences committed outside of Canada.”(105

If a Dutch court were to give a retrospective interpretation to the 1988 Act to permit Bouterse to be prosecuted for torture committed in 1982 on the basis of universal jurisdiction it would not violate Artic1e 15 of the International Covenant on Civil and Po1itical Rights which provides that nothing in the prohibition on the retroactivity of criminal law “sha1l prejudice the trial and punishment of any person for any act or omission which at the time it was committed, was criminal according to the general principles of law recognized by the community of nations.”(106

EXTRADITION

9.1.1 Bouterse is presently in Surinam and is unlikely to visit the Netherlands. If he were to visit a third state with which the Netherlands has a multi1ateral (e.g. Torture Convention) or bi1ateral extradition treaty, the question might arise whether the Netherlands could request the extradition of Bouterse for torture on the basis of universal jurisdiction. On the authority of Pinochet, in which the European Convention on Extradition provided the basis for extradition, there would appear to be no objection to such a request.(107 Moreover, Artic1e 5 of the 1988 Dutch Torture Act would appear to permit this as it does not require the presence of the accused in the Netherlands for the exercise of jurisdiction. However, as indicated above(108 the requested state may object to the Netherlands request on the ground that a closer connecting factor is required for extradition.

9.1.2 In such a case the Netherlands might request extradition on the passive personality principle, which is increasing1y accepted today as a ground for the exercise of criminal jurisdiction and is recognized by the Torture Convention itself in Article 5 (1) (c), or the protective principle. See above paras 1.7, 1.8 and 7.1.1.

9.1.3 If Bouterse were extradited in such a case the Netherlands could exercise criminal jurisdiction over him under Article 5 of the 1988 Torture Act which provides for universal jurisdiction -provided Dutch courts were prepared to apply this provision retrospectively. The requested state could not object to this change in the exercise of jurisdiction as the principle of speciality applies only to the crime itself. Here Bouterse would be tried for the same offence -torture -but on a different jurisdictional ground to accommodate the Netherlands’ own jurisdictional rules.

SUMMARY OF CONCLUSIONS War Crimes

10.1.1 The acts that took place in Paramaribo in December 1982 could not be described as war crimes.

Crimes Against Humanity

11.1.1 In 1982 the crime against humanity was a crime under customary international law, involving individual responsibility.

11.1.2 The crime against humanity had probably been unlinked from war and armed conflict in 1982 and could be committed in time of peace.

16 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

11.1.3 The crime against humanity was not subject to statutory limitation in 1982.

11.1.4 Customary interntional law, as it stood in 1982, gave a state competence to exercise extraterritorial criminal jurisdiction over a person accused of a crime against humanity when that person was not a national of the state.

11.1.5 It is not necessary for the victim of the crime to be a national of the prosecuting state for it to exercise jurisdiction. This connecting factor would, however, strengthen the jurisdictional basis for the exercise of jurisdiction.

11.1.6 A state is permitted to exercise jurisdiction over a person suspected of having committed a crime against humanity when that person is present on its territory.

11.1.7 It is debatable whether a state is under a legal obligation to prosecute or extradite a person suspected of having committed a crime against humanity when that person is present on its territory.

11.1.8 The acts attributed to Bouterse in December 1982 appear to qualify as a crime against humanity in that they were committed in a systematic manner as part of an organized plan by the military authorities, of which Bouterse was commander, against a group of civilians.

Torture

12.1.1 In 1982 torture was a crime under customary international law, both as a species of the crime against humanity and as an independent crime.

12.1.2 Torture, as a crime under customary international law, was not subject to statutory limitation in 1982.

12.1.3 Customary intemational law, as it stood in 1982, gave a state competence to exercise extraterritorial criminal jurisdiction over a person accused of torture when that person was not a national of the state.

12.1.4 It is not necessary for the victim of the crime to be a national of the prosecuting state for it to exercise jurisdiction. The Convention against Torture of 1984 does, however, recognize this factor as an additional ground for the exercise of jurisdiction.

12.1.5 A state is under a legal obligation to prosecute or extradite a person suspected of torture when that person is present on its territory. This legal obligation extends to acts of torture comnmitted in 1982.

12.1.6 The acts attributed to Bouterse in December 1982 appear to qua1ify as torture under customary international law in that they were systematic and intentionally committed by public officials either for the purpose of obtaining confessions or intimidating or coercing persons belonging to the civilian population.

C.J.R. DUGARD Leiden, 7 july 2000

1Report of the International Law Commission on the Work ofits 48th Session, 1996, UNGAOR 51st Session, Supplement No 10 (N51/10), p 110.
2 Prosecutor v. Tadic (1996) 35 International Legal Materials (ILM) 32 at 54 (para 70).
3 Prosecutor v Furundzija Case no IT-95-17/I-T; (1999) 38 ILM 317, para 50.

4 In 1977 the ICTY stated that “since the Nuremberg Charter, the customary status of the prohibition against crimes against humanity and the attribution of individual criminal responsibility for their commission have not been seriously questioned” (Prosecutor v Tadic no IT-94-T-(merits) 7 May 1997;

17 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

(1997) 36 ILM 908, 937.
5 82 UNTS 279. Artic1e 5 (c) of the declaration establishing the International Military Tribunal in Tokyo contained an identical provision.
6 For a discussion of the linking of crimes against humanity with the initiation or conduct of war, see M. Cherif Bassiouni International Criminal Law 2nd ed (Crimes) (1999) 552-555,571-574.
7 Control Council Law No.10, Punishment ofPersons Guilty of War Crimes, Crimes against Peace and against Humanity, 20 December 1945, Official Gazette of the Control Council for Germany, 50-55, Article 2. This feature of CCL No 10 was stressed in In Re Ohlendorf and others (Einsatzgruppen Trial, (US Military Tribunal, 1948) 15 International Law Reports (ILR) 656,664.
8 Supra note 6 at 573.
9 Supra note 2 at 72, paras 140-1. See too Article 18 ofthe International Law Commission’s Draft Code of Crimes against the Peace and Security of Mankind, and the commentary thereto, supra note I at 93,96. In R v Bow Street Metropolitan Stipendiary Magistrate and others, Ex Parte Pinochet Ugarte (No 3) Lord Millett stated that the requirement that crimes against humanity be linked to war was a “jurisdictional restriction based on the language of the [Nuremberg] Charter. There is no reason to suppose that it was considered to be a substantive requirement of international law…. The need to establish such a connection was natural in the immediate aftermath of the 1939-45 war. As memory
of war receded, it was abandoned”(at 174 g – h).
10 V Morris & MP Scharf An Insiders Guide to the International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia Vol I (1995) 81-3. See too the Report of the Secretary-General Pursuant to Para 2 of Security Council Resolution 808 (1993), S/25704 of 3 May 1993, para 47: “Crimes against humanity …. are prohibited regardless of whether they are committed in an armed conflict, international or internal in character.”
11 Article 3. See further V Morris & M P Scharf The International Criminal Tribunal for Rwanda (1998) 202-205; T Meron “International Criminalization of Internal Atrocities”(1995) 89 AJIL 554, 557; Prosecutor v Akayesu Case No ICTR-96-4- T (2 September 1998) p 229 (para 565).
12 Article 7.
13 Op het Grensgebied van Internationaal en Nationaal Recht; De Verjaring van Internationale Misdrijven (1968) 17.
14 Enkele Aspekten van de Strafrechtelijke Reactie op Oorlogsmisdrijven en Misdrijven tegen de Menselijkheid (diss. UvA 1973) 41.
15 The prosecution before national courts of Eichmann, Demjanjuk (Israel), Barbie, Touvier, Papon (France), Menten, Ahlbrecht (the Netherlands), Finta (Canada) etc for crimes against humanity all relate to the events ofthe Second World War.
16 Supra note 6 at 573.
17 This requirement is included in all but one (the 1996 ILC Draft Code, supra note 1) of the instruments defining the Crime against Humanity, inc1uding the Nuremberg Charter.
18 See Prosecutor v Tadic IT 94-1-T, para 644 (1997) 36 ILM at 941); D. Robinson “Defining ‘Crimes against Humanity’ at the Rome Conference” (1999) 93 American Journl of International Law (AJIL)43 at 48.
19 At 243-6, Supra note 6 at 578-81.
20 Crimes against Humanity at 277. Bassiouni’s view gains support from Article 7(2)(a) of the Rome Statute of the ICC (supra para 4.3.2) which requires that the acts be “in furtherance of a state or organization policy” and Tadic (supra note 15) at para 644 (1997) 36 ILM 941. See further Robinson, supra note 18 at 49-50.
21 This requirement does not appear in the Nuremberg Charter but it does feature in the jurisprudence of the Tribunal. In its discussion of crimes against humanity the Nuremberg Tribunal declared: “The policy of terror was certainly carried out on a vast scale, and in many cases was organized and systematic.”Nazi Conspiracy and Aggressian: Opinion and Judgment 84 (US Govt and Printing Office 1947); 1996 ILC Report supra note 1 at 94 footnote 126.
22 Ahlbrecht, Bijz. Raad van Cassatie, 11 April 1949, Nederlandse Jurisprudentie 1949, No.427 at p. 750; Menten. Hoge Raad, 13 January 1951, Nederlandse Jurisprudentie 1981, No.29 atp. 215; Barbie Case 78 International Law Reports (ILR) 137.
23As stated by the French text of the ICTR Statute; see the Akayesu case, supra note 11, p. 235 (footnote 144).
24 ICTR Statute, Article 3; ILC Draft Code (supra note 1), Article 18; Rome Statute of ICC, Article 7. 25 Supra note 1 at 94-5.

18 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

26 Akayesu, supra note 11, at 235 (para 575); Prosecutor v Tadic, IT-94-1-T (7 May 1997) para 647; ( 1997) 36 ILM 908 at 942; Prosecutor v Blaskic, Case No IT-95-14-T (3 March 2000) para 207.
27 See Darryl Robinson “Defining ‘Crimes Against Humanity’ at the Rome Conference”(1999) 93, American Joumal of International Law (AJIL) 43 at 47,51.

28 Supra note 11, p 235-6 (para 580).
29 Case No IT-95-14-T (3 March 2000), para 203.
30 Ibid para 204.
31 Prosecutor v Tadic, case no IT-94-1-A (15 july 1999) p 130, para 292.
32 Bassiouni supra note 20 at 411.
33 98 ILR 520,627-8,542-5.
34 104 ILR 284 at 358-363.
35 Supra note 7, Article 2(5).
36 Resolution 2391 (XXllI) of 26 November 1968; 754 UNTS 73.
37 European Treaty Series, No.82.
38 Report of the ILC, 43rd Session, UNGAOR, 46th Session, Supp. No 10, A/46/10 (1991).
39 Supra note I.
40 YBILC 1994, vol. I at 125, 130; vol. II, part two at 80.
41 Parliamentary Assembly of the CoUncil of Europe, 31 January 1979, Doc. 4275. On the position in the Nether1ands, see R van Dongen “De Decembermoorden berecht?” Nm 9 JUne 2000, p. 1142.
42 78 ILR 134-5,
43 (1998) 1 Yearbook of International Humanitarian Law 352. The Argentine Supreme Court adopted a simi1ar approach when it approved the extradition of Priebke to Ita1y: ibid at 341.
44 Judgment of 10 December 1998, IT-95-17/1-T para 157.
45 E/CN.4.Sub.2/1997/20 Rev./(2 October 1997) at 24 (principle 24). italics added. See too Bassiouni supra note 20 at 224.7.
461 A study by Friedl Weiss published in 1982 conc1uded that crimes against humanity could not be subjected to statutory limitation under customary international law: “Time Limits for the Prosecution of Crimes against International Law” (1982) 53 British Year Book of lnternational Law 162, 194.
47 Attorney-General of the Government of Israel v Eichmann 36 ILR 277 at 298-304.
48 Eichmann Case, ibid; Demjanjuk v Petrovsky 776 F 2d 571 (1985) at 528-3; In the Matter of the Extradition of Demjanjuk 612 F Supp 544 (DC Ohio 1985), 555-8; R v Finta 82 ILR 425,443-44; 98 ILR 520; 104 ILR 284.
49 Draft Code of Crimes against the Peace and Security of Mankind. See Article 8 and commentary there to, supra note 1 at 42 and 46.
50 K Randa1l “Universal Jurisdiction under International Law (1988) 66 Texas Law Review 785; Baggiouni, supra note 20 at 240; 1 Brownlie Principles of Public International Law, 5th ed. (1998) 308. 51 In R v Finta the Ontario High Court of Jugtice stressed that “The condition precedent to the exercise of jurisdiction with respect to such international crimes is that the accused person be found within the territory of the country asserting jurisdiction”: 82 ILR 444.
52 Such a treaty obligation exists in the case of war crimes constituting “grave breaches” of the Geneva Conventions and Protocol I.
53M Cherif Bassiouni & E Wise Aut Dedere Aut Judicare (1995) 21; Bassiouni supra note 20 at 217- 224; D. Orentlicher “Sett1ing Accounts: The Duty to Prosecute Human Rights Vio1ations of a Prior Regime”(1991) 100 Yale Law Journa12537, 2593.
54 Bassiouni, supra note at 77; supra note 20 at 221-224.
55 Prosecutor v Furundzija, ICTY, Case No 1T-9S-17/1-T; (1999) 38 ILM paras 134-142.
56 ICCPR, Article 4; American Convention Article 27.
57 Report of the Human Rights Committee, GAOR 39th Session, Suppl. No (Al39/40), Annex xm, p 182, at 188.
58 GA Res 3059 (XXVIII) of 2 November 1973; GA Res 3218 (XX(X) of 6 November 1974; GA Res 3452 (XXX) of 9 December 1975; GA Res 31/85 of 13 December 1976.
59 GA Res 3452 (XXX) of 9 December 1975.
60 A Draft Convention Against Torture and Other Cruel, Inhumane or Degrading Treatment or Degrading Treatment or Punishment was adopted in 1980. ECOSOC Resolution, 6 March 1984, UN Doc E/CN/4/1984/72/Annex I (1980); (1984) 23 ILM 1027. The 1985 Inter-American Convention to Prevent and Punish Torture was also initiated before 1980. See (1986) 25 ILM 519.
61 Filartiga v Pena-Irala 630 F 2d 876 (1980).

19 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

62 Furondzija, supra note 55 at paras 153-157.
63 lhid para 156.
64 Supra note 55.
65 Para 6. Burgers and Danelius in their Handhook on the Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (1984) write:

“Many people assume that the Convention ‘s principal aim is to outlaw torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment. This assumption is not correct insofar as it would imply that the prohibition on these practices is established under international law by the Convention only and that the prohibition will be binding as a rule of international law only for those States which have become parties to the Convention. On the contrary, the Convention is based upon the recognition that the above mentioned practices are already outlawed under international law. The principle aim of the Convention is to strengthen the existing prohibition of such practices by a number of supportive measures.” Lord Millet, in the Pinochet Case, below note 66, supported this view when he stated that the 1984 Convention did not create a new international crime but “redefined” it to cover “iso1ated and individual instances of torture” committed by a public official (at 178 d-f).
66 R v Bow Street Metropolitan Magistrate and others, Ex Parte Pinochet Ugarte (Anmesty International and others intervening) (No 3) [1999] 2 All ER 97 (HL).
67 At 109 c-d, g-h.
68 164 b-c.
69 177 b-c.
70 Furundzija, supra note 55 at para 160.
71 Supra note 66 at 178 d- f.
72 Prosecutor v Furundzija, supra note 55 at para 157.
73 Ibid at paras 151, 156. This passage is quoted at footnote 63 above
74 Ibid at para 156. This passage is quoted at footnote 63 above.
75 Supra note 66 at 109 b- c.
76 Supra note 66 at 178 b -c.
77 Supra note 55 at para 156.
78 Supra note 66 at para 175 9 -h.
79 In Spain v Pinochet (Bow Street Magistrate’s Court, 8 October 1999) the extraditing magistrate was satisfied that the principle of universality gave Spain jurisdiction in this case. Article 7 of the European Convention on Extradition, under which Pinochet’s extradition was ordered, permits extradition where both the requesting and requested state recognize the principle of universal jurisdiction in the case in question.
80 Articles 5 and 7. See too Furundzija, supra note 55 atpara 145.
81 In the Pinochet case Lord Millett stated: “whereas previously states were entitled to take jurisdiction in resect of the offence wherever it was committed, they were now placed under an obligation to do so”( supra note 66 at 178).
82 Pinochet, supra note 66 at 111 a -b; Burgers and Danelius supra note 65 at 72, 137.
83 R Jennings & A Watts Oppenheim ‘s International Law 9th Ed (1992) 1234-5.
84 Supra para 5.3.2 (d); and supra the dictum of Lord Millett at note 71.
85 Articles 5 and 7.
86 Part II, articles 17 -24.
87 Report of the Committee Against Torture, UNGAOR, 45th Session, Suppl No 44, UN DOC A 45/44 E 108, at 111 (para 7.2).
88 Swart & A Klip (eds) International Criminal Law in the Netherlands (1997) 92.
89 177 F Supp 856 (D Conn, 1959) at 864-5. See too Cleugh v Strakosch 109 F 2d 230 (9th-Cir 1940) at 335; In re Extradition of D’Amico 177 F Supp 648 (SDNY, 1959); MM Whiteman Digest of International Law, vo16 (1968) 753 ff.
90 (1947) 14 Annual Digest and Reports of Public International Law Cases 139,140; In re Spiessens (1949) 16 Annual Digest and Reports of Public International Law Cases, 275.
91 G R Watson”The Passive Persona1ity Principle”( 1993) 28 Texas Int’l LI 1; United States v Yunis No 2) 82 ILR 344, 349-50.
92 B Swart & A Klip, supra note 88 at 58.
93 Lotus Case 1927 Permanent Court of International Justice Reports, Series A, No.10.
94 Oppenheim ‘s International Law, supra note 83 at 470-1.
95 Nyugat. HR 6-3-1959; NJ 1962, no 2; P.H. Kooijmans Internationaal Publiekrecht in Vogelvlucht 7

20 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

ed, chapter 5.
96 Supra note 66 at 177-78.
97 B Swart & A Klip (eds) International Criminal Law in the Netherlands (1997) 27-38.
98 Swart & Klip, ibid at 31-32.
99 See Knesevic case, Hoge Raad, 11 November 1997, NI 1998, 463; (1998) 1 Yearbook of International Humanitarian law 601-07; (1998) 73 NJB 1587-1593.
100 Swart & Klip, supra note 97 at 63-64,69.
101 See above, para 5.3.2 (d) and 5.7.4.
102 See the Australian War Crimes Amendment Act of 1988 and the 1987 Canadian legislation providing for the prosecution of persons guilty of war crimes and crimes against humanity. Both statutes, in providing for the retrospectivity of such crimes, cover conduct that would have been criminal under some other name in Australia or Canada respectively. See Polyukhovich v Commonwealth of Australia 19 ILR 1; R v Finta 82 ILR 429; 98 ILR 520; 104 ILR 284.
103 Supra para 5.7.6.
104 Section 11 (g) ofthe Charter of Rights and Freedoms.
105 R v Finta 82 ILR 425 at 432. This approach was followed by the Ontario Court of Appeal in R v Finta 98 ILR 520, 574.
106 See too Article 7 (2) of the European Convention on Human Rights. See R van Dongen “De Decembermoorden berecht?”23 NJB (9 June 2000) 1137, 1141.
107 Supra para 5.6.4 at footnote 79.
108 Supra para 5.6.5.

11Report of the International Law Commission on the Work ofits 48th Session, 1996, UNGAOR 51st Session, Supplement No 10 (N51/10), p 110.
2 Prosecutor v. Tadic (1996) 35 International Legal Materials (ILM) 32 at 54 (para 70).
3 Prosecutor v Furundzija Case no IT-95-17/I-T; (1999) 38 ILM 317, para 50.

4 In 1977 the ICTY stated that “since the Nuremberg Charter, the customary status of the prohibition against crimes against humanity and the attribution of individual criminal responsibility for their commission have not been seriously questioned” (Prosecutor v Tadic no IT-94-T-(merits) 7 May 1997; (1997) 36 ILM 908, 937.

5 82 UNTS 279. Artic1e 5 (c) of the declaration establishing the International Military Tribunal in Tokyo contained an identical provision.
6 For a discussion of the linking of crimes against humanity with the initiation or conduct of war, see M. Cherif Bassiouni International Criminal Law 2nd ed (Crimes) (1999) 552-555,571-574.

7 Control Council Law No.10, Punishment ofPersons Guilty of War Crimes, Crimes against Peace and against Humanity, 20 December 1945, Official Gazette of the Control Council for Germany, 50-55, Article 2. This feature of CCL No 10 was stressed in In Re Ohlendorf and others (Einsatzgruppen Trial, (US Military Tribunal, 1948) 15 International Law Reports (ILR) 656,664.

8 Supra note 6 at 573.
9 Supra note 2 at 72, paras 140-1. See too Article 18 ofthe International Law Commission’s Draft Code of Crimes against the Peace and Security of Mankind, and the commentary thereto, supra note I at 93,96. In R v Bow Street Metropolitan Stipendiary Magistrate and others, Ex Parte Pinochet Ugarte (No 3) Lord Millett stated that the requirement that crimes against humanity be linked to war was a “jurisdictional restriction based on the language of the [Nuremberg] Charter. There is no reason to suppose that it was considered to be a substantive requirement of international law…. The need to establish such a connection was natural in the immediate aftermath of the 1939-45 war. As memory of war receded, it was abandoned”(at 174 g – h).
10 V Morris & MP Scharf An Insiders Guide to the International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia Vol I (1995) 81-3. See too the Report of the Secretary-General Pursuant to Para 2 of Security Council Resolution 808 (1993), S/25704 of 3 May 1993, para 47: “Crimes against humanity …. are prohibited regardless of whether they are committed in an armed conflict, international or internal in character.”
11 Article 3. See further V Morris & M P Scharf The International Criminal Tribunal for Rwanda (1998) 202-205; T Meron “International Criminalization of Internal Atrocities”(1995) 89 AJIL 554, 557; Prosecutor v Akayesu Case No ICTR-96-4- T (2 September 1998) p 229 (para 565).
12 Article 7.
13 Op het Grensgebied van Internationaal en Nationaal Recht; De Verjaring van Internationale

21 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

Misdrijven (1968) 17.
14 Enkele Aspekten van de Strafrechtelijke Reactie op Oorlogsmisdrijven en Misdrijven tegen de Menselijkheid (diss. UvA 1973) 41.
15 The prosecution before national courts of Eichmann, Demjanjuk (Israel), Barbie, Touvier, Papon (France), Menten, Ahlbrecht (the Netherlands), Finta (Canada) etc for crimes against humanity all relate to the events ofthe Second World War.
16 Supra note 6 at 573.
17This requirement is included in all but one (the 1996 ILC Draft Code, supra note 1) of the instruments defining the Crime against Humanity, inc1uding the Nuremberg Charter.
18See Prosecutor v Tadic IT 94-1-T, para 644 (1997) 36 ILM at 941); D. Robinson “Defining ‘Crimes against Humanity’ at the Rome Conference” (1999) 93 American Journl of International Law (AJIL)43 at 48.
19 At 243-6, Supra note 6 at 578-81.
20 Crimes against Humanity at 277. Bassiouni’s view gains support from Article 7(2)(a) of the Rome Statute of the ICC (supra para 4.3.2) which requires that the acts be “in furtherance of a state or organization policy” and Tadic (supra note 15) at para 644 (1997) 36 ILM 941. See further Robinson, supra note 18 at 49-50.
21This requirement does not appear in the Nuremberg Charter but it does feature in the jurisprudence of the Tribunal. In its discussion of crimes against humanity the Nuremberg Tribunal declared: “The policy of terror was certainly carried out on a vast scale, and in many cases was organized and systematic.”Nazi Conspiracy and Aggressian: Opinion and Judgment 84 (US Govt and Printing Office 1947); 1996 ILC Report supra note 1 at 94 footnote 126.
22Ahlbrecht, Bijz. Raad van Cassatie, 11 April 1949, Nederlandse Jurisprudentie 1949, No.427 at p. 750; Menten. Hoge Raad, 13 January 1951, Nederlandse Jurisprudentie 1981, No.29 atp. 215; Barbie Case 78 International Law Reports (ILR) 137.
23As stated by the French text of the ICTR Statute; see the Akayesu case, supra note 11, p. 235 (footnote 144).
24ICTR Statute, Article 3; ILC Draft Code (supra note 1), Article 18; Rome Statute of ICC, Article 7. 25 Supra note 1 at 94-5.
26 Akayesu, supra note 11, at 235 (para 575); Prosecutor v Tadic, IT-94-1-T (7 May 1997) para 647; ( 1997) 36 ILM 908 at 942; Prosecutor v Blaskic, Case No IT-95-14-T (3 March 2000) para 207.
27 See Darryl Robinson “Defining ‘Crimes Against Humanity’ at the Rome Conference”(1999) 93, American Joumal of International Law (AJIL) 43 at 47,51.
28Supra note 11, p 235-6 (para 580).
29Case No IT-95-14-T (3 March 2000), para 203.
30 Ibid para 204.
31 Prosecutor v Tadic, case no IT-94-1-A (15 july 1999) p 130, para 292.
32 Bassiouni supra note 20 at 411.
33 98 ILR 520,627-8,542-5.
34 104 ILR 284 at 358-363.
35 Supra note 7, Article 2(5).
36 Resolution 2391 (XXllI) of 26 November 1968; 754 UNTS 73.
37 European Treaty Series, No.82.
38 Report of the ILC, 43rd Session, UNGAOR, 46th Session, Supp. No 10, A/46/10 (1991).
39 Supra note I.
40 YBILC 1994, vol. I at 125, 130; vol. II, part two at 80.
41 Parliamentary Assembly of the CoUncil of Europe, 31 January 1979, Doc. 4275. On the position in the Nether1ands, see R van Dongen “De Decembermoorden berecht?” Nm 9 JUne 2000, p. 1142.
42 78 ILR 134-5,
43 (1998) 1 Yearbook of International Humanitarian Law 352. The Argentine Supreme Court adopted a simi1ar approach when it approved the extradition of Priebke to Ita1y: ibid at 341.
44 Judgment of 10 December 1998, IT-95-17/1-T para 157.
45 E/CN.4.Sub.2/1997/20 Rev./(2 October 1997) at 24 (principle 24). italics added. See too Bassiouni supra note 20 at 224.7.
46 A study by Friedl Weiss published in 1982 conc1uded that crimes against humanity could not be subjected to statutory limitation under customary international law: “Time Limits for the Prosecution of Crimes against International Law” (1982) 53 British Year Book of lnternational Law 162, 194.

22 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

47 Attorney-General of the Government of Israel v Eichmann 36 ILR 277 at 298-304.
48 Eichmann Case, ibid; Demjanjuk v Petrovsky 776 F 2d 571 (1985) at 528-3; In the Matter of the Extradition of Demjanjuk 612 F Supp 544 (DC Ohio 1985), 555-8; R v Finta 82 ILR 425,443-44; 98 ILR 520; 104 ILR 284.
49 Draft Code of Crimes against the Peace and Security of Mankind. See Article 8 and commentary there to, supra note 1 at 42 and 46.
50 K Randa1l “Universal Jurisdiction under International Law (1988) 66 Texas Law Review 785; Baggiouni, supra note 20 at 240; 1 Brownlie Principles of Public International Law, 5th ed. (1998) 308. 51 In R v Finta the Ontario High Court of Jugtice stressed that “The condition precedent to the exercise of jurisdiction with respect to such international crimes is that the accused person be found within the territory of the country asserting jurisdiction”: 82 ILR 444.
52 Such a treaty obligation exists in the case of war crimes constituting “grave breaches” of the Geneva Conventions and Protocol I.
53 M Cherif Bassiouni & E Wise Aut Dedere Aut Judicare (1995) 21; Bassiouni supra note 20 at 217- 224; D. Orentlicher “Sett1ing Accounts: The Duty to Prosecute Human Rights Vio1ations of a Prior Regime”(1991) 100 Yale Law Journa12537, 2593.
54 Bassiouni, supra note at 77; supra note 20 at 221-224.
55 Prosecutor v Furundzija, ICTY, Case No 1T-9S-17/1-T; (1999) 38 ILM paras 134-142.
56 ICCPR, Article 4; American Convention Article 27.
57 Report of the Human Rights Committee, GAOR 39th Session, Suppl. No (Al39/40), Annex xm, p 182, at 188.
58 GA Res 3059 (XXVIII) of 2 November 1973; GA Res 3218 (XX(X) of 6 November 1974; GA Res 3452 (XXX) of 9 December 1975; GA Res 31/85 of 13 December 1976.
59 GA Res 3452 (XXX) of 9 December 1975.
60 A Draft Convention Against Torture and Other Cruel, Inhumane or Degrading Treatment or Degrading Treatment or Punishment was adopted in 1980. ECOSOC Resolution, 6 March 1984, UN Doc E/CN/4/1984/72/Annex I (1980); (1984) 23 ILM 1027. The 1985 Inter-American Convention to Prevent and Punish Torture was also initiated before 1980. See (1986) 25 ILM 519.
61 Filartiga v Pena-Irala 630 F 2d 876 (1980).
62 Furondzija, supra note 55 at paras 153-157.
63 lhid para 156.
64 Supra note 55.
65 Para 6. Burgers and Danelius in their Handhook on the Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (1984) write:
“Many people assume that the Convention ‘s principal aim is to outlaw torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment. This assumption is not correct insofar as it would imply that the prohibition on these practices is established under international law by the Convention only and that the prohibition will be binding as a rule of international law only for those States which have become parties to the Convention. On the contrary, the Convention is based upon the recognition that the above mentioned practices are already outlawed under international law. The principle aim of the Convention is to strengthen the existing prohibition of such practices by a number of supportive measures.” Lord Millet, in the Pinochet Case, below note 66, supported this view when he stated that the 1984 Convention did not create a new international crime but “redefined” it to cover “iso1ated and individual instances of torture” committed by a public official (at 178 d-f).
66 R v Bow Street Metropolitan Magistrate and others, Ex Parte Pinochet Ugarte (Anmesty International and others intervening) (No 3) [1999] 2 All ER 97 (HL).
67 At 109 c-d, g-h.
68 164 b-c.
69 177 b-c.
70 Furundzija, supra note 55 at para 160.
71 Supra note 66 at 178 d- f.
72 Prosecutor v Furundzija, supra note 55 at para 157.
73 Ibid at paras 151, 156. This passage is quoted at footnote 63 above
74 Ibid at para 156. This passage is quoted at footnote 63 above.
75 Supra note 66 at 109 b- c.
76 Supra note 66 at 178 b -c.
77 Supra note 55 at para 156.

23 van 24 5/13/12 9:54 PM

Rechtspraak.nl – LJN: AA8427 http://zoeken.rechtspraak.nl/Default.aspx

78 Supra note 66 at para 175 9 -h.
79 In Spain v Pinochet (Bow Street Magistrate’s Court, 8 October 1999) the extraditing magistrate was satisfied that the principle of universality gave Spain jurisdiction in this case. Article 7 of the European Convention on Extradition, under which Pinochet’s extradition was ordered, permits extradition where both the requesting and requested state recognize the principle of universal jurisdiction in the case in question.
80 Articles 5 and 7. See too Furundzija, supra note 55 atpara 145.
81 In the Pinochet case Lord Millett stated: “whereas previously states were entitled to take jurisdiction in resect of the offence wherever it was committed, they were now placed under an obligation to do so”( supra note 66 at 178).
82 Pinochet, supra note 66 at 111 a -b; Burgers and Danelius supra note 65 at 72, 137.
83 R Jennings & A Watts Oppenheim ‘s International Law 9th Ed (1992) 1234-5.
84 Supra para 5.3.2 (d); and supra the dictum of Lord Millett at note 71.
85 Articles 5 and 7.
86 Part II, articles 17 -24.
87 Report of the Committee Against Torture, UNGAOR, 45th Session, Suppl No 44, UN DOC A 45/44 E 108, at 111 (para 7.2).
88 Swart & A Klip (eds) International Criminal Law in the Netherlands (1997) 92.
89 177 F Supp 856 (D Conn, 1959) at 864-5. See too Cleugh v Strakosch 109 F 2d 230 (9th-Cir 1940) at 335; In re Extradition of D’Amico 177 F Supp 648 (SDNY, 1959); MM Whiteman Digest of International Law, vo16 (1968) 753 ff.
90 (1947) 14 Annual Digest and Reports of Public International Law Cases 139,140; In re Spiessens (1949) 16 Annual Digest and Reports of Public International Law Cases, 275.
91 G R Watson”The Passive Persona1ity Principle”( 1993) 28 Texas Int’l LI 1; United States v Yunis No 2) 82 ILR 344, 349-50.
92 B Swart & A Klip, supra note 88 at 58.
93 Lotus Case 1927 Permanent Court of International Justice Reports, Series A, No.10.
94 Oppenheim ‘s International Law, supra note 83 at 470-1.
95 Nyugat. HR 6-3-1959; NJ 1962, no 2; P.H. Kooijmans Internationaal Publiekrecht in Vogelvlucht 7 ed, chapter 5.
96 Supra note 66 at 177-78.
97 B Swart & A Klip (eds) International Criminal Law in the Netherlands (1997) 27-38.
98 Swart & Klip, ibid at 31-32.
99 See Knesevic case, Hoge Raad, 11 November 1997, NI 1998, 463; (1998) 1 Yearbook of International Humanitarian law 601-07; (1998) 73 NJB 1587-1593.
100 Swart & Klip, supra note 97 at 63-64,69.
101 See above, para 5.3.2 (d) and 5.7.4.
102 See the Australian War Crimes Amendment Act of 1988 and the 1987 Canadian legislation providing for the prosecution of persons guilty of war crimes and crimes against humanity. Both statutes, in providing for the retrospectivity of such crimes, cover conduct that would have been criminal under some other name in Australia or Canada respectively. See Polyukhovich v Commonwealth of Australia 19 ILR 1; R v Finta 82 ILR 429; 98 ILR 520; 104 ILR 284.
103 Supra para 5.7.6.
104 Section 11 (g) ofthe Charter of Rights and Freedoms.
105 R v Finta 82 ILR 425 at 432. This approach was followed by the Ontario Court of Appeal in R v Finta 98 ILR 520, 574.
106 See too Article 7 (2) of the European Convention on Human Rights. See R van Dongen “De Decembermoorden berecht?”23 NJB (9 June 2000) 1137, 1141.
107 Supra para 5.6.4 at footnote 79.
108 Supra para 5.6.5.

24 van 24 5/13/12 9:54 PM

american convention

INTER-AMERIKAANSE COMMISSIE VOOR DE MENSENRECHTEN

Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) ____________________________________________________________

OEA/Ser.L/V/II.61, doc.6 rev.
15 oktober 1983
Origineel: Engels, vertaald in het Nederlands

RAPPORT
OVER DE MENSENRECHTENSITUATIE IN SURINAME

Vertaling: mr. dr. drs. H.B. van Aller, juli 2005

INHOUDSOPGAVE1

INLEIDING

HOOFDSTUK I
HET BESTUURLIJKE – EN HET POLITIEKE SYSTEEM VAN SURINAME

A.De Grondwetvan 1975.
B.Het opschorten van de constitutionele orde van begin februari 1980.
C. De staatsrechtelijke evolutie sinds de staatsgreep van 25

februari, 1980.
D Staatsrechtelijke structuur onder het huidige politieke systeem. E. Het opschorten van de constitutionele garanties.
F. Internationaal recht en mensenrechten in Suriname.

Hoofdstuk II
HET RECHT OP LEVEN EN HET RECHT OP PERSOONLIJKE INTEGRITEIT

HOOFDSTUK III
ANDERE MENSENRECHTEN

A.Algemene overwegingen.
B.Het recht op persoonlijke integriteit.
C. Het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid en een eerlijk

proces als zijn vrijheid hem wordt ontnomen.

  1. Vrijheid van meningsuiting, vrijheid van verspreiding van

    meningen en gedachten.

  2. Vrijheid van vereniging en vrijheid van organisatie van

    werknemers in vakorganisaties.

F. Politieke rechten.

CONCLUSIES

1. De vertaling volgt zo getrouw mogelijk het origineel van de Mensen- rechtencommissie van de OAS. Het is echter geen geautoriseerde vertaling van de OAS. Vertaalster is jurist en heeft de Surinaamse constituties en internationale verdragen gebruikt om de tekst te contro- leren. Voor zover tikfouten waren gemaakt zijn die gecorrigeerd, verder is de tekst ongewijzigd en zijn ter verduidelijking waar dat nodig leek verklarende voetnoten opgenomen.

i

RAPPORT OVER DE SITUATIE VAN DE MENSENRECHTEN IN SURINAME

INLEIDING

  1. Op 25 februari 1980, leidde een groep van 16 onderofficieren een succesvolle staatsgreep tegen de democratisch gekozen regering van Suriname. Nadat zij het wettig gezag hadden overgenomen benoemden de coupleiders een civiel bestuur en maakten bekend dat verkiezingen zouden worden gehouden in oktober 1982. Ondanks de beloofde terugkeer naar een democratisch bestuur, werd de staatsmacht in toenemende mate en opvallend gecentra- liseerd door de coupleiders. Door de machtsgreep vormden zij effectief de leiding van het leger.

  2. Decreet No. C-64 van 25 maart 982, formaliseerde – onder andere – feitelijk de centralisatie van de staatsmacht, door te regelen dat het hoogste regeringsgezag in Suriname zou worden uitgeoefend door het Beleidscentrum. De samenstelling daarvan zou worden bepaald door het “Militair Gezag”.2

  3. Toen het vooruitzicht op een vroegtijdig herstel van de demo- cratie verdween, intensiveerde de tegenstand tegen het militair bewind. Een dramatische gebeurtenis vond plaats door een po- ging tot een staatsgreep in maart 1982, van een voormalig luitenant uit het leger Surendre Rambocus. De poging tot een staatsgreep werd onderdrukt en de leiders daarvan werden gevangen gezet na berechting.

    Gedurende de laatste maanden van 1982 uitte de tegenstand tegen de regering zich in de vorm van stakingen, georganiseerd door de grootste vakbond, de Moederbond. Vrouwengroepen, reli- gieuze organisaties en studenten organiseerden politieke pro- testen ter ondersteuning van de eisen voor democratische ver- kiezingen en herstel van een democratisch bestuur. Deze binnen- landse onrust mondde uit in de gebeurtenissen van 8-10 december 1982, arrestaties vonden plaats, evenals executies en andere gebeurtenissen, die in dit rapport naar voren komen.

  4. Een reactie op bovenvermelde gebeurtenissen in Suriname van de Commissie (de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensen- rechten) werd versneld door een telegram van 10 december 1982 met een formele klacht van ‘Amnesty International’, de mensen- rechtenorganisatie. De Commissie telegrafeerde de terzake doende gedeelten van de klacht terstond naar de regering van Suriname. Ook verzocht de Commissie om nadere informatie “in

2. Zie hoofdstuk I, p. 20 (nr. 38).

1

verband met de gevolgde procedures tijdens de arrestatie en berechting van deze personen (genoemd in de klacht). Ook wenste de Commissie nadere bijzonderheden te vernemen over andere vermeende arrestaties.”

  1. Op 14 december publiceerde het Surinaams Militair Gezag de namen van vijftien personen, die volgens dat Gezag waren gedood door veiligheidstroepen, terwijl zij probeerden te ontsnappen uit voorarrest. De meerderheid van de vijftien waren bekende burgers, leiders van de politieke coalitie, die de terugkeer eisten naar een burgerlijke democratische rechtsorde. Vier van de vijf- tien waren juristen. Zij hadden de verdediging op zich genomen van de belangrijkste verdachten van de poging tot een staats- greep en in de daarna volgende strafprocessen in maart 1982.

  2. In de tien dagen na de dood van de vijftien arrestanten, ontving de Commissie verzoeken van verschillende Surinaamse burger organisaties om het bloedbad nader te onderzoeken. Op 21 december stuurde de Commissie opnieuw een telegram en verzocht de regering van Suriname om nadere informatie over de omstandigheden waaronder deze personen waren gedood. Op 11 januari 1983 antwoordde de regering van Suriname bij monde van de heer Glenn B. Sankatsing, minister van Buitenlandse Zaken van Suriname als volgt:

IN VERBAND MET DE RAPPORTAGE OVER DE EXECUTIES IN SURINAME, WENS IK U TE INFORMEREN, DAT DEZE RAPPORTAGES DE WAARHEID VAN HET HETGEEN IS VOORGEVALLEN NIET WEERGEVEN. IN EEN OFFICIELE VERKLARING VAN HET MILITAIR GEZAG IS FORMEEL ALS VOLGT VERKLAARD. OP 8 DECEMBER 1982 WERD EEN AANTAL PERSONEN GEDOOD. DIE PERSONEN WAREN GEDETINEERD IN VERBAND MET HUN BETROKKENHEID BIJ ACTI- VITEITEN OM DE REGERING OMVER TE WERPEN DOOR GEWELD- DADIGDE MAATREGELEN. ZIJ ZATEN IN VOORARREST EN WERDEN GEDOOD TIJDENS EEN ONFORTUINELIJK VOORVAL TOEN ZIJ PRO- BEERDEN TE ONTVLUCHTEN. HET NATIONALE LEGER EN DE REGE- RING ZULLEN ER OP TOEZIEN DAT DERGELIJKE GEBEURTENISSEN IN DE TOEKOMST ZULLEN WORDEN VOORKOMEN.

7. In overeenstemming met de procedures van de Commissie werd het antwoord van de regering doorgezonden naar de verschil- lende klagers en werd om hun reactie gevraagd. ‘Amnesty Inter- national’, de oorspronkelijke klager antwoordde begin februari met een uitgebreide weerlegging van de beweringen in de rege- ringsverklaring, dat de arrestanten gedood werden toen zij een vluchtpoging ondernamen.

2

8. Voordat het antwoord werd ontvangen van ‘Amnesty International’ richtte de Uitvoerend Secretaris van de Commissie zich op 3 februari 1983 tot de Permanente Vertegenwoordiger van de Republiek Suriname bij de OAS. Hij deed dat op aanwijzing van de Commissie en hij informeerde de Permanente Vertegenwoordiger, dat de Commissie zich grote zorgen maakte over de mensenrechtensituatie in zijn land. In een nota gedateerd 4 februari 1983, nodigde de regering van Suriname de Commissie uit, om ter plaatse een onderzoek te doen. De nota luidde als volgt:

Geachte Uitvoerend Secretaris,

Naar aanleiding van uw telefoongesprek van 3 februari 1983, waarin u namens de Inter-Amerikaanse Commissie uw grote bezorgdheid uitsprak over de mensenrechtensituatie in Suriname, heb ik de eer u als volgt te informeren.

Ik heb Zijne Excellentie dr. Harvey H. Naarendorp ingelicht over de door de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten geuite ongerustheid. Daarop herhaalde hij de wens van de regering, dat internationale Organisaties, zoals de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten Suriname zou moeten bezoeken om ter plaatse de bestaande mensenrechtensituatie te onderzoeken.

In verband daarmee wil ik gaarne verwijzen naar de verklaring van de minister van Buitenlandse Zaken, gedaan tijdens een speciale bijeenkomst van de Groep van Latijns Amerikaanse Landen van de Verenigde Naties op 1 februari 1983. In deze verklaring meldde de minister dat de Surinaamse regering bereid was bezoeken te ontvangen van bovenvermelde Organisaties. De minister van Buitenlandse Zaken suggereerde tevens dat het bezoek van de Inter/Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten pas plaats zou vinden, nadat hij naar Suriname teruggekeerd was op 25 februari 2005.

Met gevoelens van de meeste hoogachting, verblijf ik,

Henricus A.F. Heidweiller
Ambassadeur, Permanente Vertegenwoordiger

9. Op 9 februari 1983, bevestigde de Uitvoerend Secretaris de ont- vangst van de uitnodiging en zond de volgende nota aan de Suri- naamse regering.

3

Excellentie:

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van uw nota van 4 februari 1983, waarin uw regering de Commissie uitnodigt om Suriname te bezoeken om de mensenrechtensituatie ter plaatse te onderzoeken.

Deze informatie zal onder de aandacht worden gebracht van de Commissie, die dit onderwerp ter bespreking op de agenda zal plaatsen tijdens de 59ste Vergadering, die in april zal worden gehouden. Daarna zal de Commissie een voorstel doen voor een mogelijke datum van het voorgenomen bezoek.

Excellentie, ik verzoek u de hernieuwde uiting van mijn hoogachting te willen aanvaarden.

Edmundo Vargas Carreño Uitvoerend Secretaris

10. Daar de situatie als ernstig werd beoordeeld, overlegde de Uitvoerend Secretaris met de Commissie. Vervolgens zond hij op 7 maart 1983 een telegram aan Minister-president Alibux. Daarin verzocht hij de toestemming van de Surinaamse regering om een onderzoek ter plaatse te mogen doen van 18 tot 20 maart 1983.

11. De heer Henrich Texel, waarnemend Vertegenwoordiger van het Permanente Gezantschap van Suriname bij de OAS, informeerde de Uitvoerend Secretaris van de Commissie bij nota van 10 maart 1983, “dat het voorgestelde tijstip voor het bezoek van de Commissie aan Suriname niet gelegen kwam”. De nota stelde vervolgens “dat de Surinaamse regering voorstelde om het bezoek van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensen- rechten te doen plaatsvinden in mei of juni 1983.”

12.Bij brief gedateerd 16 maart 1983, bevestigde de Uitvoerend Secretaris ontvangst van de nota van de Surinaamse regering en stelde dat de gezonden informatie ter kennis zou worden gebracht van de Voorzitter van de Commissie. De eerstvolgende vergadering van de Commissie zou worden gehouden in april 1983. Gedurende die bijeenkomst zou de Commissie dan een voorstel doen voor een mogelijke datum van het voorgenomen onderzoek.

13.In april 1983 werd de 59ste zitting van de Commissie gehouden. Op die zitting besprak de Commissie de uitnodiging van de Surinaamse regering. De doktoren Andrés Aguilar, Francisco Bertrand Galindo en professor Tom J. Farer, leden van de Commissie, werden benoemd in een Speciale Commissie om het onderzoek ter plaatse in Suriname uit te voeren. De Commissie

4

stelde tevens voor dat het voorgenomen bezoek zou plaatsvinden in de tweede helft van juni. Dit voorstel werd eind mei formeel geaccepteerd door de Surinaamse regering.

14.De Commissie had al een vergadering gepland in de tweede helft van juni. De Surinaamse regering achtte begin juni een geschikt tijdstip voor een bezoek van de Commissie. Gezien deze omstan- digheden moest de Commissie kiezen tussen een betrekkelijk kort bezoek of uitstel van het onderzoek. De Commissie beoordeelde de situatie als zeer urgent, omdat wel duidelijk was dat de ver- meende schendingen van de mensenrechten zich hadden voorge- daan en/of zich nog voordeden in de hoofdstad van Suriname, Paramaribo. De Commissie koos voor de eerste optie, in de veronderstelling dat slechts een kort bezoek een waardevolle mogelijkheid zou opleveren om de feitelijke situatie in Para- maribo te kunnen beoordelen. De feiten bleken deze vooron- derstelling te bevestigen.

15.Onder voorzitterschap van dr. Andrés Aguilar, het oudste lid van de Speciale Commissie werd ter plaatse een onderzoek ingesteld van 20 juni tot 24 juni. Het onderzoek werd ondersteund door de Uitvoerend Secretaris, dr. Edmundo Vargas Carreño en de volgende technische Commissieleden: dr. Ernst Brea, dr. Christina Cerna, mevrouw Diana Decker en professor Claudio Grossman (als technisch consultant en tolk). De Commissie kon tevens gebruik maken van de inzet en ondersteuning van de Directeur van het OAS kantoor in Paramaribo, dr. Felipe Sanfuentes en zijn staf.

  1. Op basis van de ontvangen klachten en verdere informatie die ter beschikking werd gesteld en de observaties ter plaatse, stelde het Secretariaat van de Commissie informatie en juridische analyses op, ten behoeve van de Commissie. In een centraal gelegen hotel in Paramaribo richtte de Commissie een kantoor in. Daardoor was de Commissie gemakkelijk bereikbaar voor personen die verkla- ringen wilden afleggen voor de Commissie en ook voor vertrou- welijke bijeenkomsten met personen die informatie konden ver- strekken ten behoeve van de Commissie.

  2. Stafleden van de Speciale Commissie spraken met vertegenwoor- digers van de Nationale Commissie voor Advies en Informatie onder voorzitterschap van de heer Phillip Akkrum. De regering had de Nationale Commissie aangewezen als haar liaison met de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten (‘Inter- American Commission on Human Rights’; IACHR). De Nationale Commissie trad op als het Surinaamse overheidsorgaan, dat de werkzaamheden van de IACHR op alle mogelijke manieren moest

5

vergemakkelijken. De juristen van de Speciale Commissie lichtten de algemene procedures toe, die de IACHR volgt tijdens een onderzoek en legden een lijst over met namen van functio- narissen die de Speciale Commissie graag zou willen spreken. Tevens bevestigden de juristen de plaats van de verschillende huizen van bewaring en gaven een persbericht uit, dat werd bekendgemaakt door de overheid gecontroleerde radiostations, televisiestations en door de schrijvende pers.

18.Nadat de voorbereidingen succesvol waren afgerond, hield de Speciale Commissie een aantal bijeenkomsten met ambtenaren en burgers. Het was opvallend dat de meerderheid van de burgers hun naam niet in het Rapport vermeld wilde zien. Normaliter wensen burgers onder deze omstandigheden wel hun naam te noemen, zoals blijkt uit de lange ervaring die de Speciale Commissie heeft met onderzoek ter plaatse. Natuurlijk respecteerde de Commissie hun verzoek om anoniem te mogen blijven.

19. De belangrijkste regeringsvertegenwoordigers en ambtenaren waarmee de Speciale Commissie sprak waren: Luitenant-kolonel Desiré Bouterse, Commandant van het Leger; de President van de Republiek, de heer Frederik Ramdat Misier Lachmipersad; de plaatsvervangend eerste minister, tevens minister van Planning en Financiën, de heer Winston Caldeira (de Commissie werd geïnformeerd dat de Minister-president Errol Alibux zich niet in de hoofdstad bevond); de minister van Justitie, dr. Frank Leeflang; de Procureur-generaal, dr. R.M. Reeder; de President van het Gerechtshof, dr. R.E. Oosterling en de directeur van de Nationale Voorlichtingsdienst, de heer Dick de Bie. Terzake dienende pun- ten die voortkwamen uit de gesprekken van de Speciale Com- missie met deze ambtsdragers en functionarissen worden in de volgende hoofdstukken van dit Rapport beschreven en geanalyseerd.

20.De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Luitenant-kolonel Bouterse zijn opvattingen op een duidelijke en openhartige wijze naar voren bracht, evenals de heren Caldeira en De Bie. Hun weergave van de feiten veroorzaakte echter grote twijfel over de bedoe- lingen van de Surinaamse regering om te handelen in overeen- stemming met de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens. De lidstaten van de OAS, die het Ameri- kaanse Verdrag voor de Mensenrechten niet hebben geratificeerd zijn door de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens gebonden. Een voorbeeld. Zowel Luitenant-kolonel Bouterse als de heer Caldeira veroordeelden het oude parlemen- taire systeem en verklaarden dat zij nieuwe bestuursorganen

6

wensten waarin de wil van het volk (beter) tot uitdrukking kon komen. Zij lieten echter na om daarvoor een plan en tijdschema aan te dragen. Drie jaren zijn voorbijgegaan sinds het huidige bewind aan de macht kwam. Een onbeperkte verlenging van een ondemocratisch bestuur gaat niet samen met de verplichtingen van alle lidstaten om een democratisch staats- en bestuurs- systeem te handhaven om het recht op politieke participatie en de andere fundamentele mensenrechten veilig te stellen.

Zoals de Commissie heeft verklaard bij eerdere gelegenheden, zijn binnen het bestek van het recht op politieke participatie vele staatkundige mogelijkheden denkbaar. Er bestaan veel constitu- tionele alternatieven over de mate van centralisatie van de staatsmacht, of de wijze van verkiezingen en de kenmerken van de organen die verantwoordelijk zijn voor de uitoefening van die bevoegdheden. Evenwel is een democratische staatsstructuur een essentieel element om een politieke maatschappij te realiseren, waarin de menselijke waarden ten volle gerealiseerd kunnen worden.

Het recht op politieke participatie maakt het mogelijk het recht van vereniging en vergadering uit te oefenen, inhoudende het recht partijen en politieke organisaties op te richten. Die instellingen kunnen door open discussies en politieke strijd het sociale niveau en de economische omstandigheden van de massa verbeteren en voorkomen dat er een machtsmonopolie ontstaat van een groep of individu. Tezelfdertijd kan worden gesteld dat democratie het samenbindend element is tussen de naties van dit halfrond.

21.De persvrijheid werd gerespecteerd, maar tezelfdertijd leken de Commandant van het Leger, de waarnemend Minister-president en de directeur van de Nationale Voorlichtingsdienst ongevoelig te zijn voor de afwezigheid van diversificatie in de communi- catiemedia. Op het moment van het onderzoek begon net een particulier nieuwsblad te verschijnen. De radio- en televisie- stations waren gemonopoliseerd door de staat. Voor zover de Speciale Commissie kon vaststellen, werd niets ondernomen om de staatsradio en -televisie af te schermen voor direct politiek toezicht. De Bie meende dat de situatie die bestond vóór de gebeurtenissen van december 1982 een vertekend beeld gaf. Er bestonden weliswaar meerdere kranten, die in particuliere handen waren en verschillende private radiostations, maar die creëerden slechts de indruk dat er sprake was van diversiteit. In werkelijkheid werd uitsluitend de mening weergegeven van een zeer beperkte groep mensen. De media, zei hij, zou de gehele bevolking moeten bedienen. Iedereen zou toegang moeten

7

hebben tot verwerving van eigendom en dat ook moeten kunnen verwerven. Hij verzekerde ons dat er geen terugkeer naar het verleden mogelijk zou zijn, voor wat betrof de media. In antwoord op een vraag van de Commissie zei hij, dat lange termijn plannen voor de media door de regering nog nader werden geformuleerd.

22.Een laatste algemeen punt zal verder worden uitgewerkt in het hoofdstuk dat het Recht op Leven behandelt. Dit punt staat in verband met de moorden die zich voordeden in december 1982. Luitenant-kolonel Bouterse stond erop, ‘dat deze sterfgevallen geplaatst moeten worden in de context van onze herhaalde coups tegen de huidige regering en de voortdurende samenzweringen onder invloed van de veiligheidsdiensten van vreemde staten’. Desondanks gaven hij en andere ambtsdragers toe, dat het ombrengen van de boven genoemde personen als excessief moest worden gezien. Hiermee leek te worden bedoeld dat Bouterse en de andere ambtsdragers van mening waren, dat het ombrengen van deze personen niet kon worden gerechtvaardigd binnen het juridisch systeem van Suriname of onder het recht dat van toepassing is op dit halfrond. Geen aanspraak werd gemaakt op de rechtsgeldigheid van de sterfgevallen als zijnde een legitiem middel om de ontsnapping van op de juiste wijze gedetineerde personen te voorkomen.

23.Naast het houden van verschillende interviews met ambts- dragers, functionarissen en particulieren, bezocht de Commissie ook twee detentie-instellingen. De gevangenis van Santo Boma en Fort Zeelandia. Fort Zeelandia was de plek waar de decembermoorden plaatsvonden. Hier vond ook de dood plaats van Majoor Roy Horb, voormalig waarnemend Comman-dant van het Leger en van het “comando” dat de staatsgreep van 1980 leidde. In de gevangenis inspecteerde de Speciale Commissie de voorzieningen en interviewde een aantal gevangenen die waren veroordeeld wegens misdrijven tegen de staat. In Fort Zeelandia sprak de Commissie met een leidinggevende officier van de militaire politie. Onder de bestaande decreten mag de militaire politie dezelfde bevoegdheden uitoefenen als de reguliere politie. Ook interviewde de Commissie vier opgesloten soldaten, die hadden gediend als lijfwachten van Majoor Horb. Ook werd de cel onderzocht waarin Horb opgehangen werd gevonden, het zou een daad van zelfmoord zijn geweest.

24. Gedurende het onderzoek, voldeed de Surinaamse regering direct aan elk verzoek tot ondersteuning van de Commissie binnen haar mandaat.

8

INTER-AMERIKAANSE COMMISSIE VOOR DE MENSENRECHTEN

Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) ____________________________________________________________

OEA/Ser.L/V/II.61, doc.6 rev.
15 oktober 1983
Origineel: Engels, vertaald in het Nederlands

RAPPORT
OVER DE MENSENRECHTENSITUATIE IN SURINAME

Hoofdstuk I
Het bestuurlijke – en politieke systeem van Suriname

A.De Grondwet van 1975

1. Juridisch werd Suriname onafhankelijk op 25 november 1975. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden werd in 1954 het Statuut voor het Koninkrijk ingevoerd (de Grondwet voor het Koninkrijk). De voormalige koloniën (Suriname en de Nederlandse Antillen, toevoeging HBvA) verkregen daardoor een grote mate van autonomie in eigen zaken. Nederland regelde buitenlandse zaken en defensie.

2. Op 19 november 1975 werd de Grondwet voor Suriname unaniem aanvaard door de Staten (parlement) van Suriname In oktober 1974 keurden de Eerste en de Tweede Kamer van het Neder-

9

landse Parlement de wet goed, die de onafhankelijkheid van Suriname vastlegde.

  1. Door de Surinaamse Grondwet werd Suriname een Republiek. De gekozen regeringsvorm is de parlementaire democratie, de macht van het volk wordt vastgelegd door middel van vierjaarlijkse verkiezingen van de volksvertegenwoordigers op grond van algemene en geheime verkiezingen. Tevens regelt de Grond-wet een scheiding van de staatsmacht (wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht, om misbruik van staatsmacht te voor- komen, toevoeging HBvA) en de grondrechten. De Grondwet kent de volgende staatsorganen: de regering (uitvoerende macht), het parlement (de volksvertegenwoordiging), de Raad van Advies, de Rekenkamer, de Rechterlijke Macht en het Constitutionele Hof.

  2. De regering bestaat uit de President en de ministers. De President wordt gekozen door het parlement voor een periode van 5 jaren en kan worden herkozen voor een nieuwe termijn (artikel 28). De President is het staatshoofd en het is zijn verantwoordelijkheid er zorg voor te dragen dat het land bestuurd wordt in overeen- stemming met de Grondwet (artikel 20).

    De ministers zijn individueel en gezamenlijk verantwoording ver- schuldigd aan het parlement over de uitvoering van hun bevoegd- heden. De Raad van Ministers wordt voorgezeten door de Minister-president. De Raad van Ministers stelt het algemeen regeringsbeleid vast (artikel 42).

  3. Het parlement vertegenwoordigt het volk van Suriname (artikel 52). Het bestaat uit 39 leden, gekozen op grond van algemene en geheime verkiezingen. 27 leden worden gekozen in kiesdistricten die wettelijk zijn vastgelegd, de overblijvende 12 leden worden gekozen op grond van evenredige vertegenwoordiging (artikel 54). Het parlement wordt gekozen voor een termijn van 4 jaren (artikel 54), voordien kan het parlement worden ontbonden door een staatsbesluit.3 Ontbinding houdt ook nieuwe verkiezingen in (artikel 64).

  4. De regering en het parlement oefenen gezamenlijk de wetgevende macht uit. Beide organen hebben het recht van initiatief (artikel 87). De wetsvoorstellen worden aanvaard door het parlement met meerderheid van stemmen, tenzij de Grondwet een gekwali- ficeerde meerderheid voorschrijft (artikel 74). Als een wetsvoor- stel wordt goedgekeurd door het parlement wordt het van kracht na ondertekening door de President, als de Raad van Ministers dit

3. Gedurende de constitutionele periode werden de staatsbesluiten of decreten uitgevaardigd door de regering. Zie sub-paragraaf 4.

10

beslist. Het voorstel wordt niet van kracht, indien binnen 14 dagen beroep daartegen wordt ingesteld bij het Constitutionele Hof door de President, de Procureur-generaal of door minstens een derde van de parlementsleden. Dit kan plaatsvinden als de mening overheerst dat de wet in strijd is met de fundamentele mensenrechten zoals vastgelegd in hoofdstuk I van de Grondwet (artikel 97). De grondrechten, zoals vastgelegd in hoofdstuk I prevaleren boven de wet (zie onder meer artikel 86). Wetsvoor- stellen mogen niet in strijd zijn met de grondrechten (toevoeging HBvA). Indien het Constitutionele Hof beslist dat een wetsvoorstel geheel of gedeeltelijk in strijd is met de fundamentele rechten, dan kan het voorstel niet van kracht worden door ondertekening van de President (artikel 100). Wetsvoorstellen kunnen onmiddel- lijk van kracht worden als er sprake is van dringende noodzaak, algemeen belang of een noodsituatie. Zij kunnen dan achteraf nog getoetst worden aan de grondrechten. Het Hof kan dan alsnog vonnissen dat de wet in strijd is met de fundamentele mensenrechten.

  1. De Raad van Advies bestaat uit een minimum van 5 en een maximum van 9 leden. De plaatsvervangend voorzitter van het parlement is lid, evenals de President van de Raad van Advies. De leden worden benoemd bij staatsbesluit voor een periode van 5 jaren (artikel 80). De Raad van Advies adviseert over ontwerpen van wet, staatsbesluiten houdende algemene maatregelen en verdragen die de goedkeuring van het parlement behoeven. Ook adviseert de Raad van Advies op verzoek van de regering en spreekt zich uit over bestuursrechtelijke conflicten die moeten worden beslecht bij staatsbesluit en in alle andere kwesties waarin de Grondwet en specifieke wetten dat vereisen Ook kan de Raad van Advies de regering adviseren op eigen initiatief (artikel 81).

  2. De Rekenkamer bestaat uit tenminste 3 leden en ten hoogste 5 leden. Er zijn drie plaatsvervangende leden. De leden worden benoemd bij staatsbesluit op voordracht van het parlement. Zij zijn benoemd voor het leven. Alleen onder omstandigheden die de wet voorschrijft kunnen zij worden geschorst of ontslagen door het Hof van Justitie (artikel 82). De Rekenkamer is verantwoor- delijk voor de rechtmatigheids- en doelmatigheidstoetsing van de inkomsten en uitgaven (artikel 83) van het land (de financiële huishouding van de regering, toevoeging HBvA).

9. De Rechterlijke Macht wordt gevormd door een Hof van Justitie, de Procureur-generaal, rechters en andere juridische ambtsdragers waarvan de functies in de wet geregeld zijn (artikel 131). Het Hof van Justitie, de hoogste rechterlijke instantie in Suriname, is verantwoordelijk voor de eenheid van rechtspraak en voor het

11

juridisch kunnen functioneren van de rechterlijke instanties (artikel 144). De leden van de Rechterlijke Macht en de Procureur-generaal zijn benoemd voor het leven. Hun benoe- mingen worden vastgesteld bij staatsbesluit, nadat het Hof van Justitie is gehoord (artikel 145). Zijn kunnen alleen ontslagen worden op gronden in de Grondwet genoemd, op verzoek van het Hof van Justitie en nadat de Raad van Advies is gehoord (artikel 147 en 148).

10. Alle rechtsgeschillen behoren tot de kennisneming van de gewone rechter (artikel 132). In concrete gevallen die de rechter worden voorgelegd, kan hij een bepaling van een wet strijdig oordelen met hoofdstuk I van de Grondwet. Een dergelijke bepaling wordt dan buiten toepassing gelaten (artikel 133). De terechtzittingen zijn openbaar behalve als de wet daarop een uitzondering maakt (artikel 134). Elke inmenging in rechtszaken (van een andere macht, bijvoorbeeld de regering, toevoeging HBvA) is verboden (artikel 135).

10.Het Openbaar Ministerie is met uitzondering van elk ander orgaan belast met de vervolging van strafbare feiten. De Procureur- generaal is het hoofd van het Openbaar Ministerie en is belast met de justitiële politiezorg. Hij is bevoegd aan de ambtenaren die met de politie zijn belast, zodanige instructies te geven tot voorkoming van -, en opsporing en nasporing van – strafbare feiten, als hij in het belang van een goede justitie nodig oordeelt. Daarnaast waakt de Procureur-generaal over de juiste uitoefening van de politietaak (artikel 137).

11.Het Constitutionele Hof is samengesteld uit de President van het Hof van Justitie (als voorzitter) of zijn plaatsvervanger en 4 leden. Op voordracht van het Hof van Justitie wordt één lid en één plaatsvervangend lid benoemd. Bij staatsbesluit worden op voordracht van het parlement drie leden en drie plaatsver- vangende leden benoemd. Zij worden benoemd voor een periode van vijf jaren. Zij kunnen worden herbenoemd (artikel 139).

12.De Grondwet kan worden veranderd bij wet, de wijziging moet echter worden goedgekeurd door een meerderheid van tenminste twee derde van het aantal parlementensleden (artikel 154).

13.De fundamentele mensenrechten zijn opgenomen in hoofdstuk I van de Surinaamse Grondwet. In de preambule van de Grondwet wordt de waarde van deze grondrechten nog eens benadrukt door de volgende omschrijving.

12

“WIJ HET VOLK VAN SURINAME, IN HET PARLEMENT BIJEEN DOOR MIDDEL VAN ONZE VERTEGENWOORDIGERS,

  • uitgaande van de gelijkheid voor de wet van alle burgers zonder onderscheid naar ras, geslacht, godsdienst, levensovertuiging of politieke gezindheid,

  • overtuigd van de plicht de fundamentele rechten en vrijheden van de mens te eerbiedigen en te waarborgen,

  • bezield door de idealen van vrijheid, verdraagzaamheid, democratie en vooruitgang van onze natie,

  • vastbesloten in vrede en vriendschap met elkaar en met alle volkeren in de wereld samen te leven en te werken, op de grondslag van vrijheid, gelijkheid, broederschap en menselijke solidariteit.

    VERKLAREN PLECHTIG AAN ONSZELVE TE GEVEN DE NAVOLGENDE GRONDWET”

15.Artikel 1 stelt dat allen die zich in Suriname bevinden voor de wet als persoon erkend worden. Zij hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. Niemand mag wegens zijn ras, geslacht, godsdienst, levensovertuiging of politieke gezindheid worden bevoordeeld of benadeeld.

16. Hoofdstuk I bevat verder het recht van petitie (het recht om een schriftelijk verzoek in te dienen bij het bevoegde gezag, artikel 4); vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (artikel 5); vrijheid van onderwijs (artikel 6); het recht vrijelijk zijn mening te uiten en inlichtingen te ontvangen en door te geven, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet (artikel 7); het recht van betoging, vereniging en vergadering (artikel 8); het recht om vakverenigingen op te richten en het recht om te staken (artikel 8); het recht op een eerlijke en openbare behandeling binnen een redelijke termijn en door een onafhan- kelijke rechter (onafhankelijk van het bestuur, toevoeging HBvA) (artikel 9); het recht op een behandeling van de zaak bij een rechter in een rechtszaak (artikel 10); het recht op rechtsbijstand (artikel 11); het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen dan op de wijze door de wet bepaald (artikel 12); de mogelijkheid van ‘habeas corpus’ (als iemand zijn vrijheid is ontnomen heeft hij het recht de rechter om zijn invrijheidstelling te vragen) en het recht op schadeloosstelling als iemand zijn vrijheid onrechtmatig is ontnomen (artikel 12); het verbod van de burgerlijke dood of de verbeurdverklaring van alle goederen van de veroordeelde, kan niet al straf of als gevolg van straf worden bedreigd (artikel 13); het recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, het niet mogen binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, het recht op een

13

onschendbaar brief- telefoon- en telegraafgeheim (schending kan alleen bij in de wet voorziene gevallen (artikel 14) en het recht op eigendom. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang volgens wettelijke regels en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling (artikel 15); alle Surinamers zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar (artikel 3). Het kiesrecht voor Surinamers van 21 jaar en ouder is geregeld in hoofdstuk III van de Grondwet, dat de volksvertegenwoordiging regelt (artikel 53, eerste lid). De Grondwet stelt vast dat Surinamers niet kunnen worden uitgeleverd, zonder dat daarvoor een verdragsrechtelijke basis bestaat. Surinamers kunnen altijd naar hun land terugkeren. De toelating en uitzet- ting van vreemdelingen wordt bij wet geregeld, evenals de uitlevering van vreemdelingen (artikel 2).

17.Voorwerp van zorg van de regering is, dat een ieder opvoeding en onderwijs kan ontvangen, gericht op de volledige ontplooiing van de persoonlijkheid en dat een ieder kan deelnemen aan het culturele leven en kan genieten van de vruchten van weten- schappelijke vooruitgang. De hierboven genoemde rechten beperken de ouders niet om hun kinderen op te voeden en te doen onderwijzen in overeenstemming met hun godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging (artikel 16).

18.De zorg van de overheid is gericht op de bestaanszekerheid van de bevolking, op voldoende werkgelegenheid onder garanties van vrijheid en gerechtigheid, op het deel hebben van een ieder aan economische vooruitgang en op het treffen van sociale voor-zieningen voor hen die, ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van hun wil, niet in hun bestaan kunnen voorzien (artikel 17).

19.In hoofdstuk I zijn de grenzen vastgelegd van de overheidsbe- voegdheid om de grondrechten te beperken. Van de bevoeg- heid tot het beperken van een grondrecht mag uitsluitend gebruik worden gemaakt, als die beperkingen in een demo- cratische samenleving noodzakelijk zijn en zij de kern van het grondrecht niet aantasten (artikel 18). De rechten en vrijheden toegekend in Grondwet mogen niet worden ontkracht of verder worden beperkt dan in de Grondwet is voorzien (artikel 19).

20.De Grondwet geeft aan tot hoever bepaalde grondrechten mogen worden beperkt, de gevolgen daarvan en de autoriteiten die tot die beperkingen bevoegd zijn. In geval van oorlog of oorlogsgevaar of ingeval van bedreiging of verstoring van de inwendige orde en rust die kan leiden tot wezenlijke aantasting van belangen van de staat kan elk gedeelte van Suriname in

14

staat van oorlog of in staat van beleg worden verklaard. Dit gebeurt bij staatsbesluit ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid. Dit staatsbesluit wordt in het Staatsblad geplaatst (artikel 125). De wet regelt de gevolgen van een dergelijke beslissing, die gevolgen heeft voor de uitoefening van het recht op bewegingsvrijheid, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering, het recht op vrijheid in de persoonlijke levenssfeer, het recht op een onschendbaar brief- telefoon- en telegraafgeheim en het oplossen van juridische conflicten door de Rechterlijke Macht. Voor het in staat van beleg verklaarde gebied kunnen in geval van oorlog, op de wijze bij wet bepaald, het militaire strafrecht en de militaire straf- rechtspleging geheel of ten dele op een ieder van toepassing worden verklaard (artikel 125).

21.Een staat van oorlog of beleg kan worden opgelegd bij staats- besluit, over de voortzetting daarvan moet terstond worden beslist door het parlement. Een beslissing omtrent het voort- duren van een dergelijke staat voor een termijn langer dan een maand, kan slechts worden aangenomen met tenminste twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen (artikel 125).

15

B. De onderbreking van de constitutionele orde, die begon op 25 februari 1980

22.Na de onafhankelijkheidsverklaring en onder de Grondwet van 1975 werden de eerste verkiezingen gehouden op 31 oktober 1977.

23.De eerste verkiezingen werden gewonnen door een partijcom- binatie van de NPK (de Nationale Partij Kombinatie). Deze combi- natie voor de verkiezingen werd gevormd door de NPS (de Natio- nale Partij Suriname) en door de PSV (Progressieve Surinaamse Volkspartij Suriname) die voornamelijk een Creoolse aanhang had; door de KTPI (Kaum Tani Persatuan Indonesia) die de Javaanse bevolking organiseerde en door de HPP (de Hindoe- staanse Progressieve Partij). De grootste partij was de NPS.

24.Alleen de oppositiepartij de VDP (de Verenigde Democratische Partijen) waren vertegenwoordigd in het parlement. Deze combi- natie bestond uit de VHP (de Vooruitstrevende Hervomings Partij) die de Hindoestaanse bevolking organiseerde; de grootste partij in deze combinatie de Pendawalima (een Javaanse partij) en de SPS (Socialistische Partij Suriname).

25.De kleine linkse partijen zoals de PALU (de Progressive Arbeiders en Landbouwers Unie) en de Volkspartij waren niet vertegen- woordigd in het parlement.

26.De NPK, die werd aangevoerd door de leider van de NPS en Minister-president Henck Arron, had 22 zetels in het parlement. De VDP, die aangevoerd werd door de leider van de VHP, de heer Lachmon, kreeg 17 zetels in het parlement. Op grond van de uitslag van de verkiezingen stelde Minister-president Arron de nieuwe regering samen.

27.De wijze waarop het kabinet Arron het land bestuurde, leidde tot toenemende onrust onder grote delen van de Surinaamse bevol- king. De belangrijkste oorzaken van die ontevredenheid over de regering waren:

  1. a).  een verslechterende economie die leidde tot toenemende werkloosheid;

  2. b).  het bestuur, de uitvoering en de aard van het uitgebreide ont- wikkelingsprogramma dat met Nederland was overeenge- komen en getekend;

  3. c).  de achterstandsituatie waarin het binnenland verkeerde. Als daar ontwikkelingsprojecten werden opgezet werd geen reke- ning gehouden met de wensen en de belangen van de be- woners;

16

  1. d).  de grootschalige migratie van Surinamers naar Nederland;

  2. e).  de benoeming van een opvolger voor een vacante parle- mentszetel, zonder dat de normale toelatingsprocedure werd

    gevolgd;

  3. f).  de afhandeling van de benoemingen en rangindeling in het

    leger, inclusief de rol van de vakbond (BoMika, Bond Van Militair Kader).4

28.Gezien de heersende omstandigheden, de toenemende druk van de oppositie en de tussenkomst van de President van Suriname, besloot de regering de verkiezingen te vervroegen met anderhalf jaar. De datum van de nieuwe verkiezingen werd vastgesteld op 27 maart 1980.

29.Binnen de context van de bovenomschreven situatie pleegden de onderofficieren in het leger een staatsgreep op 25 februari 1980 en zette de regering Arron af. De militairen creëerden de NMR (de Nationale Militaire Raad), die gevormd werd door 8 onderoffi- cieren (Bouterse, Sital, – de President van de NMR – Neede, Mynals, Horb, Abrahams, van Reyand Joeman). De NMR eigende zich de regering van het land toe. De militaire coup die relatief zonder veel bloedvergieten verliep, werd door de overgrote meerderheid van de bevolking niet bestreden. Dit was mogelijk te wijten aan de vele klachten, die er waren over de wijze van besturen van de vorige regering, de opstelling van de militairen en hun eerste verklaringen die leefden binnen de NMR. De NMR verzekerde de bevolking dat er onmiddellijk een burgerlijke regering zou worden gevormd en dat de grondrechten zouden worden gerespecteerd. Ook zouden de bestaande regeringsor- ganen blijven functioneren, zoals de President en het parlement.

4. Het leger bestond uit 18 officieren, 100 onderofficieren, 500 rekruten en 150 burgers.

17

C. De bestuurlijke ontwikkeling sinds de staatsgreep van 25 februari 1980

30.Om de ontwikkelingen in Suriname na de staatsgreep tot nu toe beter te begrijpen, is het nuttig om drie perioden te onderscheiden (met ‘tot nu toe’ wordt bedoeld de periode tot aan het onderzoek van de Commissie, toevoeging HBvA). De eerste periode duurde tot de val van President J.H. Ferrier op 13 augustus 1980 (van 25 februari 1980 tot 13 augustus 1980); de tweede periode beschrijft de regering van President dr. Chin A Sen, die ongeveer anderhalf jaar duurde en de derde periode beschrijft het aftreden van dr. Chin A Sen tot nu toe.

a). Eerste periode van 25 februari tot 13 augustus 1980

31. In Bulletin No. 1 van 25 februari 1980, verklaarde het Militair Gezag dat het de leiding van het land overnam, inclusief de militaire en politietaken. Tevens werden alle inwoners opgeroepen om mee te doen in het proces van sociale, economische en morele heroriën- tatie, ongeacht ras, beroep en politieke of religieuze overtuiging. Het Militaire Gezag stelde, dat het de regeringstaken niet zou hebben overgenomen als gezond verstand het had gewonnen van rancune, haatgevoelens en arrogantie en dialoog van confrontatie. Ten slotte verzocht de Nationale Militaire Raad alle inwoners zich te houden aan de militaire bevelen en verklaarde dat het zich gebonden achtte aan de basisdemocratische principes in Suriname, zoals in de wet neergelegd. Deze beginselen zouden volledig worden gerespecteerd.

32.Diezelfde dag gaf de Nationale Militaire Raad ook Bulletin No. 2 uit, waarin het succes van de militaire ingreep werd beschreven, met de toevoeging, dat de ingreep helaas niet zonder bloedvergieten was verlopen. Ook zou de Militaire Raad het welzijn van alle burgers be- vorderen en respecteren. Een ieders persoonlijke veiligheid was gegarandeerd, verdere slachtoffers zouden niet behoeven te vallen en de verplichtingen voortvloeiend uit internationale verdragen waarbij Suriname partij was, zouden alle worden nageleefd. Door zo te handelen voldeed de Militaire Raad aan de principes en doel- stellingen van de Verenigde Naties. Er werd verwezen naar de fundamentele mensenrechten, zoals neergelegd in onder andere het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Tevens werd verwezen naar andere verdragen, waarin de grondrechten waren vastgelegd. Al deze rechten werden door de Nationale Militaire Raad erkend.

18

33.Op 26 februari werd een delegatie van de Nationale Militaire Raad ontvangen door de President van Suriname, dr. Johan H. Ferrier. Aan het eind van de bijeenkomst werd een officieel communiqué uitgegeven, waarin stond dat een delegatie van de Raad de President had geïnformeerd dat de Nationale Militaire Raad zich zoveel mogelijk zou houden aan de Grondwet. Het handelen van de Raad was erop gericht om de hoogste graad van welzijn voor de Surinaamse bevolking te bereiken. Alle handelingen van de Raad waren mede gericht op het welzijn van het Surinaamse volk.

De verklaring stelde tevens als volgt.
1. Er zou zo snel mogelijk een regering worden gevormd volgens

de regels neergelegd in de Grondwet.

  1. Maatregelenzoudenwordengenomenomteverzekeren,dathet

    beleid van de regering zo effectief mogelijk zou zijn. In nood- zakelijke gevallen zou het regeringsbeleid worden vastgesteld in overleg met de Nationale Militaire Raad.

  2. Het leger en de politie zouden direct worden aangestuurd door de Nationale Militaire Raad.

  3. De Grondwet zou worden bestudeerd om vast te stellen of wijzigingen noodzakelijk waren. Indien dat het geval zou zijn, zouden die voorstellen worden voorgelegd aan het Surinaamse volk.

  4. De algemene verkiezingen die zouden worden gehouden op 27 maart werden opgeschort, totdat een nieuwe datum zou zijn bepaald.

34. Op 31 maart delegeerde de Nationale Militaire Raad het bestuur van de staat aan een regering die werd geformeerd door twee militairen onder leiding van dr. Hendrik Rudolf Chin A Sen.

35.Op 1 mei 1980 presenteerde de regering haar programma, waarin het voornemen tot een aanzienlijke bestuursverandering werd bekendgemaakt. Die verandering in de wijze van regeren moest ertoe leiden, dat corruptie zou worden uitgebannen, het overheids- apparaat zou worden gereorganiseerd en een inkomensherverde- lingspolitiek zou worden ingevoerd. Tevens moest de economische onafhankelijkheid worden versterkt en moest het onderwijssysteem gereorganiseerd, verbeterd en vernieuwd worden. Om deze doel- stellingen te kunnen realiseren werd ook een noodprogramma gepresenteerd, bestaande uit 20 punten. Ondermeer hielden die punten in: een eind maken aan het te laat uitbetalen van bijstand en pensioenen; het ontwikkelen van een systeem waardoor bij ziekte salariscompensatie mogelijk is; het versterken van de rol van de vrouw binnen de maatschappij; het bouwen van 100 huizen voor personen uit de lagere inkomensklasse; de verbetering van het waterleidingsysteem in Paramaribo; de ontwikkeling van de

19

landbouw; het initiëren van het Kabalebo project en het betrekken van het leger bij de nationale ontwikkelingen.

36.Het parlement kwam twee keer bijeen. De eerste keer was op 1 april 1980, toen het een wet goedkeurde, die degenen die misdaden hadden begaan tussen 25 februari en 31 maart vrijstelden van juridische aansprakelijkheid. 31 maart telde ook mee, daar dat de datum was waarop de nieuwe burgerregering aantrad. De tweede keer vergaderde het parlement op 20 maart 1980. Bij die gelegenheid, delegeerde het parlement op grond van de wet van 20 maart 1980, (Machtigingswet, Staatsblad 1980, No. 28) haar wet- gevende bevoegdheden aan de regering, die vanaf die datum wetten kon maken per decreet. Die delegatie hield ook in de bevoegdheid om bestaande wetten tijdelijk op te schorten of bestaande wetten te wijzigen. De fundamentele mensenrechten en de garanties daarvoor, zoals neergelegd in hoofdstuk I van de Grondwet, waren uitgezonderd van deze bevoegdheden.

37.In deze eerste periode ontstonden verschillende conflicten die te maken hadden met de constitutionele ontwikkelingen in Suriname. De President van de Republiek, dr. Johan H. Ferrier, die de bijeenkomst van het parlement had geëist, stelde dat als het parlement niet bijeengeroepen werd, hij zou aftreden. In dezelfde tijd gaf de Raad van Advies te kennen ontevreden te zijn over sommige bepalingen in Decreet B-9 van 8 september 1980 (Staatsblad 1980, No. 72). Die bepalingen stelden een Bijzonder Gerechtshof in, dat kon oordelen over gedragingen en handelingen van een politicus, die weliswaar geen strafbaar feit opleverden, maar desondanks “totaal verwerpelijk” waren op basis van alge- meen aanvaardbare morele en ethische normen.

Het Decreet werkte terug tot 1 januari 1970. Een andere bron van conflicten – in die tijd – werd gevormd door de onduidelijkheid in de hiërarchische verhoudingen tussen de regering, de Nationale Militaire Raad en het parlement.

38.De heer Desiré D. Bouterse bekleedde sinds juli 1980 de post van legeraanvoerder In de bovenomschreven situatie onthulde hij het bestaan van een samenzwering, die bestond uit 3 leden van de Nationale Militaire Raad (Sital, Mijnals, Joeman) en een onbekend aantal burgers. Deze personen wilden een militaire staatsgreep uitvoeren. Daarop vaardigde het Militair Gezag op 13 augustus 1980 Algemeen Decreet A (Staatsblad 1980, No. 59) uit. Daarin werden de volgende maatregelen genomen.5

5. H.F. Munneke, De Surinaamse constitutionele orde sinds 1975, Ars Aequi Libri, 1990, Nijmegen, p. 68 en verder. Uit het staatsrecht- overzicht anno 1985, artikel V.9 blijkt het volgende. Decreten waren

20

  1. DeregeringzouwordengevoerddoorhetMilitaireGezag.

  2. Het Militaire Gezag zou een nieuwe President, benoemen onder aanvaarding van het ontslag van Ferrier en de Raad van

    Ministers.

  3. De regering zou worden gevoerd door het Militaire Gezag

    tezamen met de President en de Raad van Ministers zodra dezen

    benoemd waren.

  4. De staat van beleg werd afgekondigd voor het gehele

    grondgebied.

  5. De Grondwet werd geheel in haar werking geschorst. Het was mogelijk om bij decreet de schorsing van de gehele Grondwet of delen daarvan te beëindigen.

    Op dezelfde datum werd ook Algemeen Decreet A-1 (Staatsblad 1980, No. 60) uitgevaardigd, waardoor de bevoegdheden van het parlement en de Raad van Advies werden geschorst tot nadere aankondiging.

b). Tweede periode van 14 augustus 1980 tot aan het aftreden van dr. Chin A Sen

39.Op 14 augustus 1980 werd Algemeen Decreet B aanvaard, inhoudende dat dr. Hendrick Rudolf Chin A Sen tot President werd benoemd. Die functie aanvaardde hij op 15 augustus 1980.6 Dr. Chin A Sen stelde een nieuw kabinet samen en voerde zijn functie ongeveer anderhalf jaar uit.

40.Gedurende zijn regeerperiode ontstonden ernstige conflicten binnen het staatsbestel, die te maken hadden met de koers van de politieke ontwikkelingen en de methoden die werden toegepast. Er ontstonden verschillende machtscentra waarvan niet duidelijk was welke bevoegdheden deze precies hadden. In februari 1982 leidden die conflicten uiteindelijk tot het aftreden van dr. Chin A Sen, op verzoek van het Militair Gezag.

41.President Chin A Sen had duidelijk gemaakt dat het noodzakelijk was een democratische Grondwet in te voeren met een president aan het hoofd van de Republiek en een tweekamer parlement,

verdeeld in drie categorieën. Decreten A hadden van doen met de noodtoestand en de regeling daarvan. Decreten B regelden de gevolgen van de noodtoestand van tijdelijke aard. Decreten C stonden niet direct in verband met de noodtoestand en bevatten regelingen van meer permanente aard, toevoeging HBvA.

6. Het Decreet van 22 augustus 1980, stelde ook dat de rechtspraak zoals die bestond voor de coup d’etat zou blijven functioneren. Dit gold niet voor het politieke systeem en het bestuurssysteem.

21

gebaseerd op de soevereiniteit van het volk. De President weigerde een paragraaf te accepteren in het regeringsprogramma 1982- 1984. Die paragraaf stelde dat binnen afzienbare tijd geen algemene verkiezingen zouden worden gehouden.

42.Als gevolg van de ontstane meningsverschillen verzocht het Militair Gezag om de regeringsbevoegdheden onvoorwaardelijk aan dat Militair Gezag over te dragen, ingaande 4 februari 1982. Die over- dracht werd bekrachtigd bij Algemeen Decreet A-3 (Staatsblad 1982, No. 9).

43.Op 4 februari 1982 werd bij Algemeen Decreet A-4, de samenstel- ling van het Militair Gezag vastgesteld. De Bevelhebber van het Nationaal Leger was D.D. Bouterse, als Garnizoenscommandant fungeerde R.D. Horb en H.A. Fernandes was de Bataljonscomman- dant.

44. Het Militair Gezag zou vervolgens binnen afzienbare tijd een nieuwe President en Raad van Ministers benoemen, waarbij tevens hun bevoegdheden zouden worden vastgesteld. Een nieuwe organisatie werd in het leven geroepen, het Beleidscentrum. Dit Beleidscentrum werd het belangrijkste overheidsorgaan in Suriname. De samen- stelling van dit orgaan werd vastgesteld door het Militair Gezag.

c. Derde periode vanaf het aftreden van Chin A Sen in februari 1982 tot heden

45.Rechter L.F. Ramdat werd aangewezen als de nieuwe President van Suriname.

46.Op 11 maart 1982, was er sprake van een poging tot een coup onder leiding van Luitenant Rambocus. Deze officier stelde Sergeant -majoor Hawker in vrijheid. Hawker was betrokken bij een couppo- ging op 15 maart 1981 en zat een gevangenisstraf uit van 4 jaar. Beiden eisten dat er vrije en geheime verkiezingen zouden worden gehouden en dat een regering van nationale eenheid zou worden gevormd. De coup mislukte en Sergeant Hawker, die gewond werd afgevoerd op een stretcher, legde daarna een verklaring af voor de televisie en werd vervolgens standrechtelijk geëxecuteerd.

47.Op 11 maart 1982 verklaarde het Militair Gezag de staat van oorlog van toepassing bij Algemeen Decreet A-7 gedateerd 11 maart 1982 (Staatsblad 1982, No. 50). Kort daarna, werd op 31 maart een regering gevormd onder leiding van de heer Nijhorst.

48.In diezelfde periode ontstond in Suriname een brede sociale beweging, in gang gezet door kerken, leiders van vakverenigingen, juristen, artsen, journalisten en studenten. Zij eisten de terugkeer

22

naar de democratie, het houden van verkiezingen en het voldoen

aan belangrijke eisen van de vakbeweging.
49.De tragische gebeurtenissen van 8 december 1982, vonden plaats

in een atmosfeer van repressie van deze sociale beweging.7 Op die dag verklaarde Legerleider Bouterse op de televisie dat zich een couppoging had voorgedaan en dat het leger verschillende arres- taties had verricht. Hij stelde dat de volgende maatregelen waren genomen: 1). het opleggen van een uitgaansverbod; 2). het sluiten van de grenzen en het luchtruim; 3). de beperking van het recht van vergadering; 4). een verbod op de verschijning van een aantal dagbladen en een verbod van uitzending van verschillende radiostations; 5). het sluiten van de universiteit.

50.De premier en het kabinet traden af als gevolg van de gebeurte- nissen op 8 en 9 december 1982.

51.Het duurde tot 28 februari 1983 vóórdat een nieuwe regering was gevormd. Als Minister-president fungeerde de heer L.A. Alibux, tevens vervulde hij de post van minister van Buitenlandse Zaken. Op 1 mei 1983 presenteerde de nieuwe regering haar programma voor de periode 1983-1986. Het programma kritiseerde het vorige democratische parlementaire systeem en omschreef het als deca- dent en corrupt. Het programma stelde, dat het volk zal worden opgeleid tot een nieuwe democratische orde, die de participatie van de bevolking mogelijk maakt in de besluitvorming van de staat. Ook zal de bevolking effectief controle uitoefenen op de regering. Er zal een commissie in het leven worden geroepen, die projecten zal presenten aan een Nationaal Democratisch Congres en aan de Raad van State. Het programma voorzag niet in een regeling die het mogelijk zou maken om invloed uit te oefenen in de voorbereidende commissies, ook werd niet duidelijk op welke manier de projecten zouden worden goedgekeurd. Ook gaf het programma geen ondub- belzinnige garanties dat de te creëren organen gebaseerd zouden zijn op algemeen kiesrecht en vrije en geheime verkiezingen. Er werd ook niet gerefereerd aan de invloed die alle burgers, zonder enige discriminatie, zouden moeten kunnen uitoefenen in het bestuur van de staat.

7. Zie hoofdstuk II.

23

D. De organisatie van de staat in het huidige politieke systeem

52.Met het afschaffen van de Grondwet van 1975, miste het staatsbestel van Suriname elke grondwettelijke basis. Het huidige staatsbestel werd ingevoerd per decreet. Van specifieke betekenis zijn het Algemeen Decreet A-9 van 25 maart 1982 (Staatsblad 1982, No. 61), waarin de regeringsbevoegdheden werden en hun onderlinge afbakening werden vastgelegd; Decreet C-64 van 25 maart 1982 (Staatsblad 1982, No. 64), waarin de bevoegdheden en functies van het Beleidscentrum werden opgenomen; Decreet C-65 van 25 maart 1982 (Staatsblad 1982, No. 65), waarin de bevoegdheden werden geregeld van de Raad van Ministers en Algemeen Decreet A-4 van 4 februari 1982, (Staatsblad 1982, No. 21) en A-4A van 30 maart 1982 (Staatsblad 1982, No. 75) met betrekking tot het Militair Gezag. Algemeen Decreet A-9 stelde drie overheidsorganen vast: 1). de President, 2). Het Beleidscentrum en 3). De Raad van Ministers.

53.De President zou in hoofdzaak ceremoniële taken uitvoeren en zou worden benoemd door het Militair Gezag.

54.De regering zou worden uitgeoefend door het Beleidscentrum en door de Raad van Ministers (artikel 4 van Decreet A-9).

Het Beleidscentrum was het belangrijkste overheidsorgaan ingesteld bij Algemeen Decreet A-9 (artikel 4). De samenstelling van het Beleidscentrum werd vastgesteld door het Militair Gezag en bestaat in ieder geval uit de Bevelhebber van het Nationale Leger, de plaatsvervangend Legerleider en de Minister-president.

55.De bevoegdheden en het functioneren van het Beleidscentrum werden vastgelegd in artikel 2 van Decreet C-64. Daarin stond dat: 1). de hoogste bestuursmacht berustte bij het Beleidscentrum; 2). De wetten die algemene verplichtingen inhouden moesten worden goedgekeurd door het Beleidscentrum en moesten worden getekend door de President en het Militair Gezag; 3). het Beleidscentrum zou de aanbevelingen doen voor de benoeming van de ministers, onder- ministers, leden van de Rechterlijke Macht en andere voordrachten voor het vervullen van functies in hoge staatsorganen, waarna de President hen kon benoemen; 4). de benoeming in officiële functies in organen waarin de staat een belang heeft, moesten vooraf worden goedgekeurd door het Beleidscentrum; 5). de leden van het Beleidscentrum die geen lid zijn van de Raad van Ministers hadden het recht de vergaderingen van de raad bij te wonen, maar zonder stemrecht. Volgens ditzelfde Decreet C-64 was het de verant- woordelijkheid van het Beleidscentrum om de politieke richting te bepalen van het revolutionaire proces en om een algemeen politiek beleid vast te stellen voor de regering. De President moest erop

24

toezien dat het kabinet het beleid volgde, zoals dat was vastgesteld door het Beleidscentrum (artikel 4). De resoluties van het Beleidscentrum kwamen tot stand met een gewone meerderheid van stemmen, er kon alleen worden gestemd als meer dan de helft van de leden aanwezig was.

56.Het Beleidscentrum werd op dat tijdstip geleid door Luitenant- kolonel D.D. Bouterse, verder hadden zitting dr. L.E. Alibux, Minister-president tevens Minister van Buitenlandse Zaken en Algemene Zaken, W. Caldeira, Minister van Financiën en Planning en mr. R.W. Cruden, een jurist en de President van die de Progressieve Werknemers Organisatie, die optrad als secretaris.

57.Het tweede regeringsorgaan, de Raad van Ministers, vergaderde zoals werd vastgelegd in Decreet A-9 en werd voorgezeten door de Minister-president, die ook verantwoordelijk was voor de eenheid en coördinatie van het regeringsbeleid. De ministers en onderministers waren individueel en gezamenlijk verantwoordelijk aan het Beleids- centrum.8 De ministers en onderministers werden benoemd en ontslagen door de Minister-president als het Beleidscentrum aldus besloot. Ook was het noodzakelijk voor benoeming en ontslag, dat het Militair Gezag zijn toestemming gaf door de benoeming of het ontslag te tekenen. In overeenstemming met artikel 2 van Decreet C-65, moest de Raad van Ministers het beleid uitvoeren dat was vastgesteld door het Beleidscentrum. Bovendien coördineerde dit instituut de implementatie van het overheidsbeleid en de uitvoering daarvan en overlegde of en wanneer zijn mening was vereist, vooral wat betrof de ontwerpen van wet, voorgestelde benoemingen en schorsing en ontslag in functies zoals vastgesteld door het Beleidscentrum.

58.Het Beleidscentrum speelde ook een centrale rol in de wetgevende taken. Volgens Decreet C-64, vereisten algemene wettelijke regels die een verplichtend karakter hebben, vooraf toestemming van het Beleidscentrum. Die wettelijke regels moesten worden getekend door de President, het Militair Gezag en door de bevoegde minister. In overeenstemming met Algemeen Decreet A-10 van 25 maart 1982, (Staatsblad 1982, No. 62) worden wetten aangeduid als decreten. Daar er geen Grondwet meer functioneerde, moet worden geconstateerd dat de wetgevende macht tevens de grondwettelijke macht inhield.

8. Het Beleidscentrum nam de plaats in van zowel de volksvertegenwoor- diging als van de regering. Er bestaat dus geen scheiding van machten meer binnen het staatsbestuur, hetgeen staatsrechtelijk zo van belang is om machtsmisbruik te voorkomen (toevoeging HBvA).

25

59.Voor wat betreft de rechtsprekende functies, werd een aantal wijzi- gingen doorgevoerd in verband met de rechterlijke onafhan- kelijkheid van de gewone rechters, hun bevoegdheid en de rol van het Hof van Justitie.

60.Rechters werden niet langer benoemd voor het leven. Die garantie is opgeheven. Hun benoeming viel óók onder de bevoegdheden van het Beleidscentrum. De bevoegdheden van de militaire rechts- pleging werden steeds verder uitgebreid. Misdrijven gepleegd door burgers in vereniging met militairen vielen onder de jurisdictie van militaire recht. Onder oorlogsomstandigheden of buitengewone omstandigheden zullen burgers die het burgerlijk of militair gezag omver willen werpen voor de Krijgsraad moeten verschijnen. Onder die omstandigheden kunnen legerkaders zelfs de doodstraf opleggen op grond van het enkele horen van de verdachte. Tegen de beslissing om de doodstraf op te leggen is geen beroep mogelijk.

61.In andere zaken die voor de Krijgsraad werden behandeld was wel beroep mogelijk op het Hoog Militair Gerechtshof, dat bestond uit een President, een Vice-president en maximaal 5 leden, die bij voorkeur militair moesten zijn. De President en de Vice-president moesten jurist zijn. De leden van het Hoog Militair Gerechtshof werden voorgedragen door het Militair Gezag en benoemd door de President.

62.Onder de vorige regering was het Hof van Justitie de hoogste rechterlijke instantie in Suriname. Sinds het instellen van het Hoog Militair Gerechtshof, was dit feitelijk de hoogste rechterlijke instan- tie geworden voor belangrijke zaken waarbij, het naleven van de mensenrechten moest worden beoordeeld. De Commissie kon vaststellen dat de rechters van het Hof van Justitie beperkt waren in hun bevoegdheden en dat zij niet langer zaken konden behandelen over beperkingen van fundamentele rechten en vrijheden.

63.Samenvattend kan worden gesteld dat de politieke macht in Suriname bij het Militair Gezag lag. Het Militair Gezag had zichzelf uitgebreide uitvoerende en wetgevende bevoegdheden toebedeeld, die werden uitgevoerd via het Beleidscentrum. Ook oefende het Militair Gezag invloed uit op de Rechtsprekende Macht. Daardoor ontstond een situatie waarbij er géén hogere instantie bestond, die de legaliteit en legitimiteit van de beslissingen van het Militaire Gezag beoordeelde. Omdat de Grondwet niet meer functioneerde, verving ieder nieuw decreet het voorgaande, dit leidde ertoe dat de wet de wil van het Militair Gezag weergaf (en niet de wil van het volk, vertegenwoordigd in het parlement, zoals dat hoort in een parlementaire democratie, toevoeging HBvA)

26

64.Als gevolg van een tragisch vliegtuigongeval, waarbij de Bataljons- commandant van het Leger, H.A. Fernandes omkwam, werd de samenstelling van het Militair Gezag aangepast. Bij Algemeen Decreet A4-4 van 30 maart 1982 (Staatsblad 1982, No. 75) werd de samenstelling van het Militair Gezag beperkt tot Legerleider D.D. Bouterse en Garnizoenscommandant Horb. De samenstelling moest opnieuw gewijzigd worden, toen Commandant Horb – volgens de autoriteiten – zelfmoord pleegde, nadat hij was aangeklaagd wegens ernstige beschuldigingen in verband met de ondermijning van de staatsveiligheid, Na zijn arrestatie werd hij opgesloten in de gevangenis van Fort Zeelandia.

27

a). Fundamentele rechten en vrijheden onder het huidige politieke systeem

65.Het Algemeen Decreet A-11 van 25 maart 1982 (Staatsblad 1982, No. 63) stelde vast welke rechten en plichten de burgers in Suriname, hadden, nadat de Grondwet van 1975 was afgeschaft.

66.Decreet A-11 (de artikelen 1-11) erkende de volgende burgerlijke rechten en plichten:

  • het recht op politieke, sociale, economische en culturele zelfbe-

    schikking. Deze rechten houden mede in het recht op natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen. Als daarbij internationale samen- werking is vereist, dan zal die medewerking gebaseerd zijn op de beginselen van wederzijds voordeel, solidariteit en internationaal recht;

  • het recht dat een ieder gelijk is voor de wet. Niemand mag worden gediscrimineerd op grond van geboorte; sekse; ras; taal; afkomst; opleiding; economische positie; sociale omstandig- heden; of enige andere status. De overheid heeft de plicht om de condities te bevorderen die kunnen leiden tot een reële gelijkheid van alle burgers;

  • het recht op fysieke, morele en psychische integriteit. Niemand zal worden onderworpen aan martelingen of aan een degraderende of inhumane behandeling of een soortgelijke straf;

  • het recht op de vrijheid van arbeid en het verbod op dwang- arbeid of verplichte arbeid;

  • het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Vrijheidsont- neming is verboden, tenzij de wet het toestaat en de procedures worden gevolgd zoals die daarvoor in de wet zijn voorge- schreven. Iedereen die van zijn vrijheid is beroofd, heeft het recht op een behandeling overeenkomstig de menselijke waar- digheid;

  • het recht op eerbiediging van zijn privé-leven (privacy), zijn gezin, zijn woning en zijn eer en goede naam. In niemands woning mag tegen zijn wil worden binnengetreden, dan op last van een macht die tot het geven daarvan bij wet bevoegd is verklaard en met in achtneming van de bij wet voorgeschreven normen;

  • het recht op de onschendbaarheid van het briefgeheim, het tele- foongeheim en telegraafgeheim;

  • het recht op godsdienstvrijheid en het recht op een persoonlijke levensovertuiging;

  • de vrijheid van meningsuiting;

  • de persvrijheid;

  • de vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering;

  • het recht van petitie (het recht om een verzoek te doen aan de

    autoriteiten, toevoeging HBvA).

28

67.De vastgelegde economische rechten en plichten luidden als volgt (artikelen 11-13):

  • het verrichten van arbeid is een maatschappelijke verantwoorde-

    lijkheid van de Surinaamse burger;

  • het is de plicht van de Staat volledige en productieve werkge-

    legenheid voor alle Surinamers te bevorderen.

    Alle werknemers zijn gerechtigd tot de volgende minimum arbeids- voorwaarden:

  • gelijke beloning voor gelijke arbeid zonder onderscheid, in het

    bijzonder zonder onderscheid naar geslacht;

  • veilige en gezonde werkomstandigheden;

  • vatgestelde maximum werktijden en voldoende rust en ontspan-

    ning;

  • gelijke kansen bij sollicitatie en promotie met geen andere

    beperking dan die voortvloeien uit ervaringsjaren en

    capaciteiten. Discriminatie op grond van geslacht is verboden;

  • werkende vrouwen hebben recht op zwangerschapsverlof gedu- rende een redelijke termijn vóór en na de bevalling met behoud van loon en andere voordelen voortvloeiende uit de dienstbe-

    trekking;

  • het recht op individueel eigendom en het recht op eigendom van

    de gemeenschap. Het eigendom moet een sociale functie

    hebben;

  • onteigening is slechts mogelijk in het algemeen belang en

    volgens wettelijke regels.

    68.De volgende sociale rechten en plichten werden vastgelegd (artike- len 14-15):

  • de erkenning van bescherming van het gezin. Dit houdt ook in de volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de bescher- ming van het kind zonder enig onderscheid;

  • ouders hebben ten aanzien van wettige en onwettige kinderen dezelfde verantwoordelijkheden;

  • de Staat bevordert de organisatie van het Surinaamse volk in regionale en sectorale verbanden om op die manier daadwerke- lijke democratie te bevorderen.

69. De culturele rechten en plichten waren vastgelegd in de artikelen 16 tot en met 20 en luidden als volgt:

  • het recht op onderwijs. De staat bevordert onderwijs en de

    omstandigheden waaronder schoolonderwijs en andere vorm- en van onderwijs kunnen bijdragen aan de ontwikkeling tot een democratische en rechtvaardige samenleving;

  • het is de plicht van de Staat om de voorwaarden te scheppen die nodig zijn om het recht van alle burgers op gelijke scho- lingskansen te effectueren; duurzaam en adequaat onderwijs te verzekeren en het analfabetisme op te heffen; kleuter-

29

onderwijs en verplicht lager- en buitengewoon onderwijs te verzekeren; evenals de toegang van een ieder mogelijk te maken tot alle niveaus van onderwijs en kunstzinnige schepping. Dit geschiedt in overeenstemming met een ieders capaciteit;

  • het recht op de vrijheid van onderwijs, behoudens het toezicht van de Staat op alle onderwijsinstellingen van publieke aard ter naleving van het nationaal onderwijsbeleid en door de Staat vastgestelde normen betreffende het onderwijs. Het vaststellen van de tarieven van privé-onderwijsinstellingen is onderworpen aan goedkeuring van de Staat;

  • de beoefening van wetenschap en technologie is vrij en zal worden bevorderd in het kader van de nationale ontwikke- lingsdoelstellingen;

  • de Staat zal de culturele erfenis van het Surinaamse volk bewaren, verdedigen en vergroten.

    70.Ten slotte stelt artikel 21 onder meer als volgt:
    • De uitoefening van de rechten impliceert de vervulling van

    plichten van de Surinaamse burger ten opzichte van de gemeen- schap.

30

E. Deopschortingvandeconstitutionelegaranties

71.Als zich de staat van beleg of noodtoestand voordoet, of om redenen van nationaal belang, nationale veiligheid, openbare orde en goede zeden kunnen de in het Decreet genoemde grondrechten worden beperkt, op de wijze zoals de wet voorschrijft. De beperking dient te geschieden in overeenstemming met de ontstane situatie in het land. De beperkingen gelden in beginsel voor een bepaalde periode, maar die beperkingen zijn afhankelijk van de ontstane situatie.

72.Op 11 maart 1982 verklaarde het Militair Gezag Suriname in staat van oorlog. Dit gebeurde bij Algemeen Decreet A-7 (Staatsblad 1982, No. 50).

73.Op 11 maart 1982 werden bij Algemeen Decreet A-74 (Staatsblad 1982, No. 51) de ‘militaire kaders’ bevoegd verklaard om onder- meer de doodstraf op te leggen, als de staat van oorlog of de nood- toestand werd afgekondigd. De enige voorwaarde was dat de ver- dachte gehoord moest worden.

Op 23 maart 1982 werd bij Algemeen Decreet A-8 (Staatsblad 1982, No. 58) de noodtoestand heringevoerd in Suriname

F. InternationaalRechtendemensenrechteninSuriname

74.Suriname werd toegelaten tot de Verenigde Naties op 4 november 1975 en werd lid van de Organisaties van Amerikaanse Staten op 8 juni 1977. Het Handvest van beide organisaties omvat de bevor- dering van de mensenrechten en de eerbied daarvoor, tevens wordt de nadruk gelegd op de garantie van de mensenrechten.

75.Suriname is partij bij het Internationaal Verdrag inzake burger- rechten en politieke rechten (IVBPR of BUPO-verdrag, toevoeging HBvA) en het Facultatief Protocol van dat verdrag. Suriname is tevens partij bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR, toevoeging HBvA). Daarnaast is Suriname ook partij bij verschillende internationale verdragen inzake de mensenrechten.

76.De vigerende regeling en handhaving van de mensenrechten in Suriname is thans vastgelegd in Algemeen Decreet A-11. Het systeem schiet ernstig tekort, gezien de verplichtingen die uit de internationale mensenrechtenverdragen voortvloeien, waarbij Suriname partij is. Met name moet de nadruk worden gelegd op artikel 2, eerste en tweede lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat als volgt luidt:

31

“1. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich de in dit Verdrag erkende rechten te eerbiedigen en deze aan een ieder die binnen zijn grondgebied verblijft en aan zijn rechtsmacht is onder- worpen te verzekeren, zonder onderscheid van welke aard ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, welstand geboorte of enige andere omstandigheid.

2. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich, langs de door zijn staatsrecht voorgeschreven weg en in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag erkende rechten tot gelding te brengen, voor zover daar niet reeds door bestaande wettelijke regelingen of anderszins in is voorzien.”

77.De volgende rechten die zijn vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens, worden niet erkend in het bovenvermelde Decreet.

  • Het recht op een eerlijke en onpartijdige berechting (zie artikel 2, derde lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en XVIII van de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens).

  • Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon en iedere burger is gelijk voor de rechter en de rechterlijke instanties. Het strafrecht heeft geen terugwerkende kracht en geen feit is strafbaar als daarvoor op het moment van de handeling geen strafbepaling bestaat (zie de artikelen 9 en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en XXVI van de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens).

  • Het verbod van vrijheidsbeneming als de verplichtingen uit een overeenkomst niet kunnen worden nagekomen (artikel 11 van het Internationaal Verdrag en XXV van de Amerikaanse Decla- ratie).

  • Het recht op vrije, geheime en algemene verkiezingen en deel- name aan het landsbestuur (zie de artikelen 25 van het Inter- nationaal Verdrag en XX van de Universele Amerikaanse Decla- ratie van de Rechten van de Mens).

    Alhoewel Decreet A-11 bepaalde rechten erkent, is die erkenning onvoldoende als de formuleringen in het Decreet vergeleken worden met de formuleringen in het Internationaal Verdrag en in de Amerikaanse Declaratie. Dit is het geval met de volgende artikelen:

    • het recht van non-discriminatie (zie artikel 2 van het Algemeen

      Decreet, waarin geen melding wordt gemaakt van een verbod van discriminatie op politieke gronden (zie artikel 2 van het Internationaal Verdrag);

    • een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft heeft binnen dit grondgebied, het recht zich vrijelijk te verplaat-

32

sten en er zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen. Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten. Dit recht om Suriname te mogen verlaten, is niet opgenomen in artikel 5 van het Algemeen Decreet, dat ziet op persoonlijke vrijheid (artikel 12 Internationaal Verdrag en VIII van de Amerikaanse Declaratie);

• het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten is niet opgenomen in artikel 9 van het Algemeen Decreet, dat ziet op de vrijheid van vereniging (zie artikel 22 van het Internationaal Verdrag en XII van de Amerikaanse Declaratie).

78.De Surinaamse Grondwet van 1975 bevatte deze grondrechten, die ontbreken in het Algemeen Decreet A-11 en niet worden gehonoreerd door het Militair Gezag.

  1. De voorwaarden die gesteld worden aan het uitroepen van de nood- toestand, zoals gesteld in artikel 21 van Decreet A-11, zijn in flagrante strijd met artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Deze schendingen tasten de noodzakelijke voorwaarden aan, voorzien in het Verdrag om de noodtoestand af te mogen kondigen. Deze criteria hebben met name betrekking op de absolute onaantastbaarheid van bepaalde rechten en onder welke wettelijke voorwaarden die rechten al dan niet beperkt mogen worden.9

  2. De noodtoestand kan slechts worden uitgeroepen volgens het Inter- nationaal Verdrag als er een buitengewone situatie is ontstaan die het voortbestaan van de natie bedreigt. Decreet A-11 laat afwijkingen toe en staat het uitroepen van de noodtoestand toe onder elke situatie waarbij het algemeen belang, de openbare orde en veiligheid en de goede zeden in het geding zijn.

81.Het Internationaal Verdrag stelt dat de volgende rechten onaantast- baar zijn en niet beperkt mogen worden: de rechten genoemd in artikel 6 (recht op leven); 7 (verbod van marteling of een wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing); 8, het verbod van vrijheidsbeneming als men niet kan voldoen aan een verplichting uit overeenkomst); 15 (een strafbaar feit kan niet met terugwerkende kracht in het leven worden geroepen); 16 (een ieder heeft het recht om als persoon te worden erkend voor het recht) en

9. Artikel 4 van het Internationaal Verdrag stelt, dat bepaalde rechten nimmer mogen worden beperkt. Zo mag niemand willekeurig van het leven worden beroofd, worden gemarteld of onder inhumane omstan- digheden worden opgesloten en moet er altijd een eerlijk proces plaats- vinden voor een onafhankelijke rechter (onafhankelijk van het over- heidsbestuur). Uitleg in deze voetnoot toevoeging HBvA.

33

18 (het recht op de vrijheid van meningsuiting, godsdienst en levensovertuiging). In tegenstelling daarmee staat Algemeen Decreet A-11 afwijking toe van alle rechten zoals vastgelegd in het Decreet.

82.Ten slotte moge worden opgemerkt, dat het Internationaal Verdrag vereist, dat de opschorting van alle andere rechten in strikte overeenstemming met de vereisten van de ontstane noodsituatie moet plaatsvinden. Ook moet de opschorting van de grondrechten zeer zorgvuldig plaatsvinden. De opschorting van de grondrechten mag niet in strijd zijn met andere verplichtingen, die voortvloeien uit het internationale recht en mag ook geen discriminatie veroor- zaken. In tegenstelling daarmee stelt het Algemeen Decreet slechts dat de situatie van de Staat bij de opschorting van grondrechten in overweging moet worden genomen, zonder dat aan de beperkingen een tijdslimiet wordt verbonden. Ook is er geen procedure vastgesteld die de opschorting van de grondrechten kan toetsen en die kan leiden tot heroverweging van die opschorting.

34

INTER-AMERIKAANSE COMMISSIE VOOR DE MENSENRECHTEN

Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) ____________________________________________________________

OEA/Ser.L/V/II.61, doc.6 rev.
15 oktober 1983
Origineel: Engels, vertaald in het Nederlands

RAPPORT
OVER DE MENSENRECHTENSITUATIE IN SURINAME

HOOFDSTUK II

HET RECHT OP LEVEN EN HET RECHT OP PERSOONLIJKE VEILIGHEID

  1. Het burgerlijke recht van de Republiek van Suriname, erkent de fundamentele rechten van een individu op leven en op persoonlijke veiligheid.10 Ook internationale verdragen waarbij Suriname partij is erkennen die grondrechten.

  2. Artikel 1 van het Algemeen Decreet A-11 dat het Statuut van basisrechten en verplichtingen van het Surinaamse volk regelt, werd op 25 maart 1982 van toepassing verklaard en stelt als volgt:

    1. Iedereen heeft recht op fysieke, morele en psychische integriteit.

    10. Zie de artikelen 11 en 12 van de Surinaamse Grondwet van 1975 en de artikelen 9, 11 en 14 van het IVBPR en artikel XXVI en XXV van de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens, toevoeging HBvA.

35

2. Niemand zal worden onderworpen aan martelingen of aan een degraderende of inhumane behandeling of een soortgelijke straf.

Suriname is onderworpen aan de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens, omdat Suriname lid is van de Organisatie van Amerikaanse Staten. Artikel 1 van de Declaratie luidt: “Ieder mens heeft recht op leven, vrijheid en de veiligheid van zijn persoon”.

Suriname is partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR of BUPO-verdrag). Artikel 6 van het Verdrag luidt als volgt:

“Ieder heeft recht op leven. Dit recht wordt door de wet beschermd. Niemand mag willekeurig van het leven worden beroofd”.

3. Het onderzoek van de Commissie naar de werking van de grond- rechten met betrekking tot Leven en Persoonlijke Veiligheid in de Republiek Suriname concentreerde zich op de gebeurtenissen van december 1982. Met name werd onderzoek gedaan naar de arres- taties en de executies beschreven in de inleiding. Als bedacht wordt dat er op het betreffende halfrond duizenden mensen worden ver- moord, dan lijkt de dood van vijftien burgers, hoe groot die men- selijke tragedie ook is, betrekkelijk ondergeschikt, gezien de heden- daagse geschiedenis van de schending van de mensenrechten en de misdrijven tegen de mensheid. Maar wanneer dit voorval wordt geplaatst in de juiste context krijgt het een toegevoegde betekenis.

De bevolking van Suriname telt ongeveer 350,000 zielen. De meerderheid van de bevolking woont in en om de hoofdstad Paramaribo. Bovendien is Paramaribo het centrum van het politieke en intellectuele leven en is ook het communicatieve centrum van het land. Elke belangrijke organisatie of groep heeft zijn hoofdkantoor in Paramaribo. Daarnaast is Paramaribo echter zo kleinschalig, dat als er zich een dramatische gebeurtenis voordoet, dit schokgolven zendt door de gemeenschap. Als gevolg van de importantie en de centrale ligging van Paramaribo doen die schokgolven hun invloed voelen in het gehele land.

Maar zelfs in een land met een zeer grote bevolking en veel belang- rijke stedelijke centra zou de gevangenneming en het doden van vijftien prominente burgers, de gehele natie shockeren en diep- gaande gevolgen hebben voor het politieke en sociale leven. Immers onder die vijftien burgers bevonden zich de leider van de belang- rijkste vakbond, de eigenaar van een toonaangevend radiostation, de president van de Orde van Advocaten, de decaan van de Econo-

36

mische Faculteit van de Universiteit van Suriname en andere perso- nen van nationale bekendheid.

4. Zoals vermeld in de inleiding, maakte het Militair Gezag op 14 december, kort na de gebeurtenissen van 8 tot en met 10 december 1982 de namen van vijftien personen bekend, die doodgeschoten waren door veiligheidstroepen, toen zij wilden vluchten uit gevangen- schap. De namen van de vijftien doden en hun beroep worden hierna vermeld:

  1. a).  vier advocaten die de soldaten verdedigden, die werden verdacht van betrokkenheid bij de coup van 11 maart 1982:
    John Baboeram;
    Eddy Hoost;

    Kenneth Gonçalves – President van de plaatselijke Orde van Advocaten;
    H.C. Riedewald – President van de nationale Orde van Advocaten;

  2. b).  Luitenant Surendre Rambocus – die de leiding had van de couppoging van maart 1982 tegen Bouterse en in november 1982 door de Krijgsraad was veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf;

  3. c).  Cyrill Daal – de voorzitter van de Moederbond, de grootste vakbond van Suriname;

  4. d).  Bram Behr – een journalist verbonden aan het communistisch weekblad MOKRO;

  5. e).  Lesley Rahmen – een vakbondsleider en journalist verbonden aan het dagblad de Ware Tijd;

  6. f).  Josef Slagveer – journalist, directeur van Informa Nieuwsagent- schap;

  7. g).  André Kamperveen – eigenaar van ABC radio, voormalig minister van Jeugdzaken, Sport en Cultuur en Vice-president van de FIFA (Internationale Voetbal Federatie);

  8. h).  Frank Wijngaarde – journalist, ABC radio-omroeper, Wijngaarde was Nederlander;

  9. i).  Robby Sohansingh – een zakenman uit Paramaribo;

  10. j).  Gerard Leckie – decaan van de Economische Faculteit van de Universiteit van Suriname;

37

  1. k).  Suchrim Oemrawsingh – voormalig parlementslid. Lid van de overwegend Hindoestaanse oppositie partij, VHP. Broer van Baal Oemrawsingh, een docent aan de Medische Faculteit, die dood werd gevonden na de couppoging van maart 1982;

  2. l).  Sergeant Jiwan Sheombar – beschuldigd van betrokkenheid bij de couppoging van maart 1982. Veroordeeld door de Krijgsraad tot 8 jaar gevangenisstraf.

5. ToendeCommissiebesloottothetinstellenvaneenonderzoeknaar de naleving van de mensenrechten in Suriname en vervolgens daarover zou rapporteren, werd direct begonnen met het syste- matisch verzamelen van gegevens over de december gebeurtenis- sen. Van belang waren de omstandigheden waaruit die gebeurtenis- sen voortvloeiden en de gevolgen daarvan. De informatie die uit verschillende bronnen de Commissie bereikte, liet een patroon zien van oorzaak en gevolg, implicerend dat direct voorafgaande aan de moorden, er sprake was van besluitvorming in de hoogste leger- kringen om de effectieve oppositie te elimineren. Daarbij was van bijzonder belang, dat in de nacht van 7 december militairen hadden deelgenomen aan brandstichting en daardoor aan de verwoesting van het hoofdkantoor van de Moederbond, twee particuliere radio- stations (ABC en Radika) en de kantoren van een nieuwsblad, dat de overheid niet gunstig was gezind, de Vrije Stem. Ook kreeg de Commissie uit betrouwbare bronnen informatie, dat de lichamen van de vijftien tekenen vertoonden van afschuwelijke martelingen: gebroken kaken; gebroken ledematen; ingeslagen tanden; in een geval een ontwrichte heup en andere tekenen van ernstige mishan- deling.11

11. De weekendeditie van het NRC-Handelsblad van 28 december 2004 meldde onder de kop: “Vervolging voor krijgsraad van ‘december- moorden’ Suriname”, als volgt. Het Surinaams openbaar ministerie gaat een aantal verdachten vervolgen voor de zogenoemde ‘december- moorden’ uit 1982. Onder hen is voormalig legerleider Desi Bouterse, die door het OM als hoofdverdachte wordt gezien. Bouterse is tegen- woordig parlementariër. De verdachten hebben vorige week een kennisgeving van de openbaar aanklager ontvangen. Het OM heeft niet gezegd hoeveel mensen worden vervolgd. Ze moeten terechtstaan voor moord, die “opzettelijk en met voorbedachten” en “in kalm beraad en rustig overleg” is gepleegd, aldus de aanklacht. In 1982 werden in Fort Zeelandia, in de hoofdstad Paramaribo, vijftien tegenstanders van het toenmalige Militair Gezag in Suriname standrechtelijk geëxecuteerd. De slachtoffers waren prominente vakbondleiders, advocaten en jour- nalisten, onder wie de Nederlander F. Wijngaarde. De moorden zorgden voor een schok in de samenleving en brachten Suriname voor jaren in een internationaal isolement. Nederland staakte de ontwikkelingshulp. Het is nog onduidelijk wanneer het proces begint. Het dient voor de

38

  1. Om deze informatie te kunnen bevestigen, reisde dr. David Padilla, Assistent Uitvoerend Secretaris van de Commissie, namens de Commissie naar Nederland om daar terzake dienende getuigen te horen, met name diegenen die de stoffelijke overschotten hadden gezien.

  2. In Leiden, interviewde dr. Padilla familieleden van de slachtoffers. De familieleden verzochten om hun getuigenis anoniem in het Rap- port op te nemen, omdat zij vreesden voor represaillemaatregelen tegen hun familieleden en vrienden in Suriname. In essentie verklaarden de getuigen als volgt.

    1. Op 8 december tussen 2:00 uur en 3:00 uur in de ochtend arriveerde een detachement veiligheidstroepen, bestaande uit ten minste 3 manschappen bij de woningen. De militairen klopten op de deur, vuurden in de lucht of schoten gericht op de woningen.

    2. Sommige veiligheidsagenten droegen een uniform, anderen waren in burger. Allen waren gewapend.

    3. Er werden geen arrestatiebevelen overgelegd.

    4. De betrokkenen mochten zich aankleden en hen werd meege- deeld dat zij ondervraagd zouden worden door de hoogste autoriteiten in het hoofdkwartier van het Militair Gezag in Fort Zeelandia.

    5. Tot het aanbreken van de dag werden minstens twee bewakers gestationeerd bij de woningen van de betrokkenen, om er zeker van te zijn, dat de familieleden van de gearresteerden geen vrienden en familieleden zouden kunnen informeren over de gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden.

    6. De telefoon in de woningen van de gearresteerde personen werd uitgeschakeld door de veiligheidsagenten.

    7. Eenveiligheidsagentdiehethuisbewaakte,verteldeinminstens een geval, aan een familielid, dat wanneer zij haar man terug zou zien dit of “in de hemel of in de hel” zou zijn.

    8. De familieleden zagen geen van de vijftien slachtoffers levend terug, uitgezonderd de heer Slagveer, die een openbare schuld- bekentenis aflegde samen met de heer Kamperveen op de

      krijgsraad. Bouterse heeft in het vooronderzoek toegegeven verant- woordelijk te zijn geweest voor de moorden, maar ontkent dat hij bij het misdrijf aanwezig was. Voetnoot, toevoeging HBvA.

39

publieke televisiezender. Beiden verklaarden te hebben deelge- nomen aan een couppoging. Later herhaalde Slagveer zijn schuldbekentenis op de publieke radiozender.

  1. Op 9 december verscheen Kolonel Bouterse op de televisie en verklaarde dat vijftien personen die allen betrokken waren bij een couppoging doodgeschoten waren tijdens een massale vluchtpoging.

  2. Op 10 december 1983 verzamelden de familieleden van de slachtoffers zich bij het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis in Paramaribo en identificeerden aldaar de lichamen van de overledenen.

  3. Alle lichamen waren bedekt met lakens. Familieleden mochten de lakens zover optillen, dat het gezicht, de keel en het bovenste deel van de schouders van de overledenen zichtbaar werden.

  4. De verwondingen die de slachtoffers hadden opgelopen waren verschillend van aard. De getuigen maakten in het algemeen verschil tussen kneuzingen en zwellingen, die erop duiden dat de slachtoffers hard geslagen waren. De kogelwonden (inschot- wonden) waar de kogels het lichaam waren binnengetreden, waren klein, diep en bloederig. De plaatsen waar de kogels het lichaam hadden verlaten (uitschotwonden), vertoonden grotere gaten aan de zijkant en achterkant van het hoofd. Die kogelwonden op de plaats van uittreding gaven aan, dat de slachtoffers van dichtbij en frontaal waren neergeschoten.

  5. dr. Paulus Baidjoe, een geneeskundige die thans (met thans wordt hier bedoeld ten tijde van het onderzoek van de Commis- sie, toevoeging HBvA) werkzaam is als politiearts in Nederland, zag alle lichamen in het mortuarium op 10 december. Daar hij een familielid was van een van de overledenen, mocht hij de lichamen zien. Dr. Baidjoe, gaf toestemming zijn naam te noe- men in dit Rapport. Hij verklaarde dat naast de wonden veroor- zaakt door harde slagen en kogels, de lakens die de stoffelijke overschotten bedekten op ontelbare plaatsen puntvormig vast- gekleefd waren als gevolg van gestold bloed. Zijn professionele mening als een medisch onderzoeker was, dat dit een bewijs was voor uitschotwonden veroorzaakt door kogels die frontaal en van dichtblij waren afgeschoten.

  6. Dr. Baidjoe merkte op dat een van de stoffelijke overschotten een ontwrichte heup bleek te hebben, gezien de hoek waaronder het been gedraaid lag en omdat het daardoor korter was dan

40

het andere been. Zijn conclusie was dat het lichaam onderhevig was geweest aan een krachtige slag van een stomp voorwerp waardoor de heup was ontwricht.

o. Op maandag 13 december werden begrafenisdiensten ge- houden op verschillende begraafplaatsen. Geen van de stoffe- lijke overschotten werd gebalsemd. Lijkschouwingen werden niet uitgevoerd. Tot 17 december werden de graven bewaakt door de politie en door soldaten.

Naast de verwondingen aan de lichamen van de overledenen, zoals die eerder in het algemeen beschreven zijn, werden de volgende specifieke trauma’s aangetroffen op de stoffelijke overschotten.

John Baboeram, advocaat. Hij had ernstig letsel opgelopen door harde slagen in zijn gezicht. Daardoor was zijn bovenkaak gebroken, bijna al zijn tanden, behalve één rechtsboven, waren stukgeslagen, zijn lippen waren vermorzeld. Hij had een horizontale wond op zijn voorhoofd. Links naast zijn neus bevond zich een kogelwond, die later met pleisters werd afgedekt. Tevens bevonden zich verwon- dingen en snijwonden op zijn wangen en het gezicht vertoonde bloedingen. Een van de bronnen rapporteerde een snijwond in de tong.

Bram Behr, journalist, directeur van het weekblad MOKRO. Hij had wonden in het gezicht en kogelwonden in zijn borst en voeten.

Cyrill Daal, President van de grootste vakbond van Suriname, de Moederbond. Hij had kogelwonden in de buik en verschillende wonden in het gezicht. Twee bronnen rapporteerden oogver- wondingen in het algemeen, een bron vermeldde dit letsel specifiek. Twee bronnen meldden dat iemands scrotum was weggeschoten en een andere bron rapporteerde dat hij had gezien dat Daal was gecastreerd. Een bron rapporteerde fracturen van armen en benen.

Kenneth Gonçalves, voorzitter van de plaatselijke Orde van Advocaten. Hij had verwondingen opgelopen in het gezicht. Zijn neus was gebroken. Een bron rapporteerde dat hij een dozijn kogels in zijn borst had aangetroffen.

André Kamperveen, zakenman en voormalig Minister van Cultuur en Sport, eigenaar van radio station ABC. Hij had een opgezwollen gelaat en verwondingen aan de kaak, mogelijk een ontwrichting. Hij had ongeveer 18 kogelwonden in zijn borst. Ook werd een gebroken dijbeen vermeld. Een andere bron vermeldde een kogelwond in de rechter slaap.

41

Gerard Leckie, decaan van de Sociale en Economische Faculteit van de Universiteit van Suriname. Hij had bloeduitstortingen in het gezicht. Een bron vermeldde kogels in de borst.

Suchrin Oemrawsingh, docent aan de Universiteit van Suriname, directeur van een computercentrum. Gezien de omstandigheden was zijn gezicht betrekkelijk ongeschonden. Hij had een klein gat in de rechter wang en een groot gat in de rechter slaap dat bedekt was door zijn haar. Later werd het gat afgeplakt met een pleister.

Leslie Rahman, journalist van het persagentschap CPS. Hij had schrapwonden12 en snijwonden in zijn gezicht. Hij had bulten op zijn voorhoofd. Een bron vermeldde dat repen huid van zijn dijbeen waren gerukt.

Surindre Ranmbocus, officier in het leger, was veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf voor zijn aandeel in de couppoging van maart 1982. Hij had een open schrapwond in het gelaat en kleine schrapwonden in de lippen en boven het linkeroog. Hij was doorzeefd met kogels van de linkervoet tot aan de nek en ook zijn middel was doorzeefd met kogels. Zijn gezicht was opgezwollen.

Harold Riedewald, advocaat. Hij had een kogelwond op de rechter- slaap en bloederige en ernstige verwondingen aan de linkerzijde van de nek. Een bron rapporteerde veel kogelwonden in zijn borst.

Jiwansingh Sheombar, soldaat, veroordeeld voor zijn aandeel in de couppoging van maart 1982. Zijn gezicht was opgezwollen en was donkergekleurd als gevolg van de vele bloeduitstortingen. Hij had een ernstige verwonding aan de rechterzijde van de kaak. Hij had ook een kogelwond in de nek, daaruit bleek dat de kogel door het hoofd was uitgetreden. Ook had hij een kogelwond in de schedel. Een patroon van afgevuurde kogels in de vorm van een kruis werd aangetroffen op zijn borst en buik.

Josef Slagveer, journalist, eigenaar van het persagentschap INFOR- MA. Hij had een opgezwollen gelaat met veel bloeduitstortingen, over het algemeen aan de linkerkant. Ook vertoonde hij een verwonding aan de kaak. Hij had ook kogelwonden in de borst- en buikstreek.

Somradj (Robbie) Sohansing, zakenman. Hij vertoonde verwon- dingen in het gelaat. Zijn tanden waren zijn mond in geslagen en hij had een gebroken jukbeen. Ook hij vertoonde kogelwonden in de borst- en buikstreek.

12. Een schrapwond ontstaat als een kogel over het lichaam scheert en de huid meeneemt (technische informatie verkregen van de politie, toevoeging HBvA).

42

Frank Wijngaarde, journalist voor ABC, hij was een Nederlander van Surinaamse oorsprong. Zijn kaak was gebroken. Zijn tanden waren zijn mond ingeslagen. Hij vertoonde kogelwonden in zijn borst en schotwonden in zijn gezicht.13

  1. Gedurende de waarnemingen ter plaatse, kon de Commissie verdere informatie veiligstellen. De Commissie heeft kunnen vast- stellen, dat de vijftien zware martelingen moesten ondergaan, voor- dat zij werden geëxecuteerd. De bronnen die deze informatie verschaften, wilden absoluut anoniem blijven. Op basis van ander bewijsmateriaal en de visie van de speciale leden van de Commissie op de heersende situatie, werd geconcludeerd dat het verzoek om anoniem te mogen blijven de waarheid van de getuigenissen niet ontkrachtte.

  2. Aanvankelijke verklaarde de overheid en het leger, dat de moorden gerechtvaardigd waren, omdat deze voortvloeiden uit een recht- matig optreden van de autoriteiten om de vlucht van de rechts- geldig gedetineerden te voorkomen. Vervolgens werd een aangepaste variant van de eerdere verklaring voor de moorden gegeven. De moorden zouden zijn gepleegd als gevolg van enige zeer zenuwachtige soldaten, die ten onrechte hadden geconcludeerd dat de gedetineerden binnenkort voornemens waren een vlucht- poging te ondernemen. Gedurende de gesprekken van de Speciale Commissie ter plaatse werd niet waargenomen, dat de burgerlijke autoriteiten of Luitenant Kolonel Bouterse de nadruk legden op een strikt juridische rechtvaardiging van de moorden. Integendeel, zij leken vastbesloten aan te tonen, dat de moorden moesten worden gezien als een ongelukkige uitwas, waarvoor als verzachtende om- standigheid de samenzweringen tegen de revolutie, kon worden aangevoerd. De hierna volgende samenvatting van de lange en openhartige gedachtewisseling tussen de Commissie en Luitenant Kolonel Bouterse is van die opvatting een goede illustratie.

    Er werden vier serieuze pogingen ondernomen om de Revolutie te beëindigen en we zijn er in geslaagd om die pogingen af te slaan. We bevonden ons steeds in een moeilijke situatie gedurende de verschillende couppogingen die de revolutie zochten te belem- meren. In dergelijke omstandigheden is het onmogelijk om te plan- nen en de wetten staan niet toe om tegen dergelijke ondermijnen- de activiteiten actie te ondernemen ter voorkoming of vermijding ervan. Op 11 en 12 maart 1982, waren alle manschappen in de barakken van de Membre Boekoe aanwezig. Feitelijk was er een totale oorlog tegen ons ontketend. Zelfs al wisten we dat zij

    13. Rapport van de ‘ICJ Mission’, in Suriname. Internationale Commissie van Juristen.

43

samenzwoeren tegen ons, toch werden wij door hen verrast. Na vier ernstige couppogingen, waarin wij niet alleen onze levens riskeer- den, maar ook de Revolutie, besloten wij dat het zo niet verder kon. Wij waren op de hoogte van hun plannen tot destabilisatie en burgerlijke ongehoorzaamheid. Het was de bedoeling dat daarna de CIA zou ingrijpen. De arbeiders gaven zij een verkeerde voorstelling van zaken, die daarop de straat opgingen. Zij probeerden de studenten de straat op te krijgen en dat lukte. Zij maakten zelfs gebruik van de ziekenhuizen om hun doel te bereiken en zij hadden krachtige steun van de media: de pers, de televisie en de radio. Zij werkten allemaal samen. Het is bijzonder interessant om het nieuws opnieuw te beluisteren en de artikelen te herlezen uit de periode direct voorafgaande aan de decembergebeurtenissen. Er werd zelfs gemeld dat wij dood waren en dat de Revolutie voorbij was. Zij dachten te kunnen rekenen op de steun van de CIA en dat zij van alles konden ondernemen, omdat de CIA het allemaal zou regelen. Deze keer besloten we niet te wachten totdat iemand een geweer op ons zou richten en schieten. In feite ging het om de Revolutie die zich moest verweren tegen een contra-revolutie. Nu de tegenstand is overwonnen en zij niet langer steun hebben om op terug te vallen, zeggen zij dat wij het zijn die de straat zijn opgegaan, de huizen zijn binnengevallen en vijftien personen hebben opgepakt en zonder meer hebben gedood. Dat houdt in, dat wij die vijftien personen zouden hebben uitgezocht en dat we hen zo maar vermoord hebben. Maar zij zeggen niet wat er zou zijn gebeurd, als deze personen en alle reactionairen hun doel zouden hebben bereikt en alle progressieve krachten zouden zijn gedood.

Ik kan u zeggen dat deze Revolutie heeft aangetoond dat het geen bloedige Revolutie is. Deze Revolutie wil niet verslinden, het is geen wrede Revolutie. Toen wij de macht overnamen op 25 februari 1980, waren er radicale linkse groeperingen, die ons wilden aanzetten tot het doden van alle ministers en alle conservatieven. Nu kunnen we zeggen dat al deze mensen, waaronder de ministers, posities bekleden binnen de Revolutie. Gedurende de verschillende pogingen om de Revolutie te belemmeren, zeiden de mensen vaak, dat we degenen die de Revolutie ondermijnen moesten doden. Deze personen hebben we altijd gearresteerd en overgeleverd aan justitie. Met andere woorden men kan niet zeggen dat het hier om een wrede Revolutie gaat. Als een soldaat hier de wapenen op- neemt en mensen mishandelt, krijgt hij problemen. Maar niet omdat wij huurlingen of anderen de kans moeten geven op te treden, zoals zij wensen. Natuurlijk hopen wij dat de decembergebeurtenissen zich niet zullen herhalen, want hij hebben vrede en rust nodig om te kunnen werken in het belang van het volk. U kunt zien dat het niet de Revolutie is, die huurlingen aantrekt, maar als zij komen, zullen wij de Revolutie moeten verdedigen.

44

10.Dat er en couppoging is ondernomen in maart 1982 is een his- torisch feit. De regering gaf echter geen enkele verklaring aan de Commissie, waarmee kon worden onderbouwd, dat de geëxecu- teerde personen daadwerkelijk betrokken waren bij een gewapende samenzwering. Luitenant Rambocus en Sergeant Sheombar waren tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld, als gevolg van hun deelname aan de coup in maart. De geëxecuteerde personen waren leiders van de openlijke oppositie tegen de blijvende voortzetting van ondemocratisch bestuur. Maar zelfs als zij betrokken zouden zijn geweest bij een clandestiene gewapende poging om de bestaande machtsstructuren omver te werpen, dan is dat natuurlijk nog geen enkele rechtvaardiging voor hun aanhouding, noch voor de afschuwelijke martelingen die zij moesten ondergaan en de daar- op volgende standrechtelijke executie. Zoals de Commissie veel- vuldig heeft opgemerkt en de Algemene Vergadering officieel heeft beslist, is er geen enkele rechtvaardiging voor de toepassing van terroristische methoden.

  1. Op 30 januari 1983 werd Majoor Roy Horb gearresteerd, die tot dan toe plaatsvervangend Legerleider was. Hij werd beschuldigd van het smeden van een complot om Luitenant Kolonel Bouterse te vermoorden. Vijf dagen later verklaarde de regering, dat Majoor Horb zelfmoord had gepleegd door zichzelf op te hangen in zijn cel. Gedurende het onderzoek ter plaatse zocht de Commissie nadere informatie over de omstandigheden, waaronder Majoor Horb de dood vond. Zijn lijfwachten werden geïnterviewd, allen verklaarden van niets te weten, omdat zij ten tijde van het voorval in een ander deel van Fort Zeelandia waren opgehouden. De Commissie inter- viewde een functionaris van de militaire politie, die belast is met de controle van het huis van bewaring in het Fort. Ook werd de cel geïnspecteerd waarin Majoor Horb was ingesloten. Noch het onderzoek van zijn cel, noch de interviews, noch enige andere informatie leverde enig bewijs op vóór of tégen de bewering van de regering, dat Majoor Horb de hand aan zichzelf had geslagen.

    Op 14 april 1983, ongeveer twee maanden vóórdat de Commissie haar onderzoek ter plaatse uitvoerde, ontving de Commissie een officiële verklaring van de heer Henk Chin A Sen. De heer Chin A Sen was President en Premier van Suriname geweest. Hij leefde in ballingschap en fungeerde daar als president van de Raad voor de Bevrijding van Suriname. Hij verklaarde dat Majoor Horb hem had opgebeld ten tijde van de moorden en alle verantwoordelijkheid daarvoor had ontkend.

  2. Op grond van de getuigenissen en de eigen waarnemingen van de Speciale Commissie, kon de Commissie niet anders concluderen dan dat de decembermoorden en de daarbij behorende maatregelen de

45

oppositie effectief de mond hadden gesnoerd. De oppositie ageerde tegen de onbepaalde voortzetting van ondemocratisch bestuur en de centralisatie van de macht in handen van Luitenant Kolonel Desiré Bouterse. De ingezette middelen waren behalve de moorden, de uitbreiding van het leger, de invoering van de populaire militie en de bekendmaking van wetgeving, die dreigde met strafoplegging voor de verspreiding van subversief geachte literatuur. De moorden en bovenvermelde maatregelen creëerden een leefklimaat dat bepaald werd door hevige angst. Een dergelijk leefklimaat onder- mijnt elke vorm van institutionele bescherming, die nog zou hebben bestaan en moest opkomen voor het recht op bescherming van de lichamelijke integriteit en het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke rechter.

Werkzame organisaties van juridische beroepsbeoefenaren bestaan niet meer in Suriname. De slachtoffers Eddy Hoost, een voormalig Minister van Justitie, en Kenneth Gonçalves, hoofd van de Surinaamse Orde van Advocaten, evenals John Baboeram en Harold Riedewald waren allen advocaten. Zij verdedigden de daders van de coup van maart 1982. Tijdens de zitting hadden zij ter verdediging van de daders aangevoerd, dat niemand schuldig kon zijn aan een misdrijf als het handelen gericht was op het omverwerpen van een onwettige regering. Bovendien ging het óók nog om een regering die de macht gewapenderhand had gegrepen. Het heeft er alle schijn van dat op het ogenblik geen advocaat bereid is om een verdachte beschuldigd van misdrijven tegen de staatsveiligheid te verdedigen. De ontstane situatie kan worden geïllustreerd aan de hand van de zaak van de heer Hardjoprajitno. De heer Hardjo- prajitno is gedetineerd sinds 30 januari 1983. Hij is beschuldigd van het deelnemen aan een complot om Luitenant Kolonel Bouterse om het leven te brengen. Het complot zou tezamen met Majoor Horb zijn gesmeed. Majoor Horb en de heer Hardjoprajitno, waren respectievelijk nummer 2 en 4 in de bevelstructuur van de 16 man grote groep, die de macht greep op 25 februari 1980.14 De familie en vrienden van de heer Hardjoprajitno hebben zeven advocaten verzocht hem te verdedigen. Allen weigerden wegens het ontbreken van garanties. Toen een advocaat er in toestemde om hem te verdedigen, werd hij volgens de berichtgeving bedreigd. In ieder geval trok hij zich terug uit de zaak.

13.Na een uitgebreide evaluatie van het bewijsmateriaal is de Com- missie er absoluut van overtuigd, dat ernstige schendingen van het recht op leven en het recht op persoonlijke veiligheid hebben plaatsgevonden. In zaken zoals die van Hardjoprajitno komt de Commissie meestal met een aanbeveling om de misdaden van de

14. De heer H.A. Fernandez, No. 3, kwam om bij een vliegramp in 1982.

46

overheidsfunctionarissen te onderzoeken, de vervolging van de verantwoordelijken te verzekeren en hun veroordeling gestreng en volgens de wet te realiseren. De Commissie neigde zelfs tot een dergelijke aanbeveling, als zij moest concluderen, dat de hoogste overheidsfunctionarissen direct of indirect verantwoordelijk waren.

Personen vertrouwd met de rapportage van de Commissie en de juridische tradities van het betreffende halfrond, herkennen dat een aanbeveling tot onderzoek, vervolging en bestraffing die onder deze omstandigheden wordt gedaan, in feite beoogt te appelleren aan het geweten van de verantwoordelijke personen. De aanbeveling is een impliciete veroordeling van hun gedrag en een bevestiging van de morele verantwoordelijkheid van de toekomstige regeringen om de noodzakelijke maatregelen te treffen. Die maatregelen kunnen echter in feite niet worden genomen, zolang de daders van de misdrijven en de beschreven verschrikkingen aan de macht blijven. De Commissie erkent uiteraard, dat niet-juristen een zekere incon- sistentie menen aan te treffen tussen de conclusie dat de hoogste of machtigste functionarissen verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten, én de aanbeveling dat de regering diegenen zou moeten vervolgen en straffen die voor die schendingen verantwoordelijke zijn, maar die ook tegelijkertijd de macht hebben.

47

OEA/Ser.L/V/II.61, doc.6 rev.
15 oktober 1983
Origineel: Engels, vertaald in het Nederlands

RAPPORT
OVER DE MENSENRECHTENSITUATIE IN SURINAME

HOOFDSTUK III ANDERE MENSENRECHTEN

A. Algemene overwegingen

  1. In dit hoofdstuk geeft de Commissie een beknopt overzicht van de situatie met betrekking tot sommige burgerlijke en politieke rechten, zoals vastgelegd in de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens. De te bespreken rechten kregen nog onvoldoende aandacht in dit Rapport. De Commissie heeft echter kunnen vaststellen dat het naleven van deze rechten problematisch was.

  2. De Commissie meent dat die problemen – met name – het recht op persoonlijke integriteit aantastten. Dit gold ook voor het recht op een eerlijk en onafhankelijk proces, het recht op het hebben en uitdragen van een eigen mening, de vrijheid van meningsuiting en de verspreiding daarvan, het recht van vereniging en vergadering, en het recht tot het oprichten van een vakvereniging en politieke rechten.

  3. Alhoewel de Commissie geen uitgebreide studie heeft gedaan naar de naleving van de economische, sociale en culturele rechten, kan naar voren worden gebracht dat de huidige regering zich heeft inge- spannen deze rechten te verwezenlijken. Ondanks die conclusie, moet de Commissie toch haar zorgen uitspreken over de situatie aan de Universiteit van Suriname, die door ingrijpen van de autori- teiten steeds meer gepolitiseerd is. De Commissie is voornemens de ontwikkelingen aldaar op de voet te volgen.

48

B. Het recht op persoonlijke integriteit15

  1. Gedurende haar verblijf in Suriname, verzamelde de Commissie overtuigend en overweldigend veel bewijs, dat de vijftien personen gedood op 8 december 1982 gemarteld waren.

  2. Het bezoek ter plekke van de Commissie aan verschillende plaatsen van detentie, evenals het verzamelde bewijsmateriaal, stelde de Commissie in staat om te verifiëren, dat over het algemeen de arrestaties gepaard gingen met afranselingen en een wrede behan- deling, met name gedurende de eerste dagen van de vrijheidsbe- neming. Eveneens, kon de Commissie vaststellen, dat er geen sys- tematische martelpraktijken werden toegepast. Tijdens de bezoeken aan Fort Zeelandia, de Memre Boekoe kazerne en de Santo Boma Gevangenis, kon de Commissie vaststellen, dat de omstandigheden van gevangenhouding adequaat waren, dat de gevangenen waardig en humaan werden behandeld door de gevangenbewaarders en dat de verantwoordelijke autoriteiten er ook naar streefden deze voorwaarden te handhaven.

C. Het recht op een eerlijke en onpartijdige berechting16

6. Naast de regelingen genoemd in de Amerikaanse Declaratie, geven artikel 2 en de artikelen 3, 9, 14 and 15 van het BUPO-verdrag juri- dische garanties. Deze houden ondermeer in: het recht op rechts-

  1. De Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens stelt het recht op persoonlijke veiligheid en integriteit vast in artikel 1: “Ieder mens heeft recht op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon”. Artikel XXV, regelt de bescherming tegen willekeurige gevan- genneming en stelt dat een ieder het recht heeft op een menselijke behandeling als hij van zijn vrijheid is beroofd. Artikel XXVI regelt het recht op een eerlijke en onpartijdige berechting en stelt vast dat niemand die wordt beschuldigd van een strafbaar feit zal worden onderworpen aan martelingen of aan een degraderende of inhumane behandeling of een soortgelijke straf.

  2. Artikel XVIII van de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens verklaart: “Iedereen heeft het recht om gehoord te wor- den door een onpartijdige rechter, als hij zijn rechten wil uitoefenen. Eveneens dient er een eenvoudige en snelle gerechtelijke procedure be- schikbaar te zijn om de verzoeker te beschermen tegen schendingen van de constitutioneel vastgelegde fundamentele rechten door de auto- riteiten.” Artikel XXVI voegt daaraan toe: “Een ieder wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld wettig en overtuigend is bewe- zen. Een ieder die wordt beschuldigd van een misdrijf heeft het recht op een openbare en onpartijdige behandeling van zijn zaak door een rechterlijke instantie die voorafgaand aan het strafbaar feit is ingesteld bij wet. Hij zal niet worden onderworpen aan wrede, degraderende of ongewone straffen.”

49

bijstand, de veronderstelling dat iemand onschuldig is, totdat zijn schuld wettig en overtuigend is bewezen, het recht van een ieder die wordt beschuldigd van een strafbaar feit op een openbare en onafhankelijke rechterlijke procedure af te handelen door een rechterlijke instantie, die vóór de beschuldiging al ingesteld was bij wettelijke regeling.

  1. De dood van de advocaten John Baboeram, Kenneth Gonçalves, Eddy Hoost en Harold Riedewald, werkte mee aan het ontstaan van een klimaat van beduchtheid en angst onder de juridische beroeps- beoefenaars. Onder de doden waren immers advocaten die per- sonen verdedigden, die waren aangeklaagd door de overheid. De Commissie kon de ontstane angst onder juristen in Suriname vast stellen op grond van verschillende getuigenverklaringen, die werden afgelegd. Een van de gevolgen van de heersende angst was, dat het onmogelijk bleek een nieuw bestuur te benoemen van de Orde van Advocaten (de vorige voorzitter was Gonçalves). Ook was het niet mogelijk advocaten te vinden, die genegen waren personen te ver- dedigen die door de overheid van hun vrijheid waren beroofd. In de zaak van de heer Hardjoprajitno, die een voormalig Minister van Suriname was, was geen advocaat te vinden die hem wilde verde- digen. Hardjoprajitno werd in januari van dit jaar (bedoeld wordt 1983, toevoeging HBvA) gearresteerd. Ook heeft de overheid niet voorzien in rechtsbijstand. Het was mogelijk om met de heer Hard- joprajitno in de gevangenis te spreken. Hij verklaarde dat alle advo- caten die door zijn familie en vrienden werden benaderd om zijn zaak te doen, afzagen van zijn verdediging. Zij gaven daarbij aan dat zij bang waren de zaak aan te nemen, gezien de gebeurtenis- sen van december 1982. De Commissie sprak ook met drie van de lijfwachten van de heer Horb, die gedetineerd waren in Fort Zee- landia sinds januari. Ook zij konden geen advocaat vinden die bereid was hen te verdedigen. .

  2. Van bijzonder belang voor minimale rechterlijke garanties was Algemeen Decreet A-7A van 11 maart 1982 (Staatsblad 1982, No. 51). Decreet A-7A werd ingevoerd nadat Sergeant Hawker was geëxecuteerd. Door dit militaire decreet werd het mogelijk dat militairen en burgers werden berecht door “kaders van het leger”. Dat was mogelijk als tijdens een staat van bezetting of oorlog, militairen en burgers alleen of in vereniging gewelddadig probeer- den de militaire of burgerlijke gezagstructuren omver te werpen. Deze kaders kunnen na het horen van de verdachte, hem ter dood veroordelen of besluiten dat de verdachte door de Krijgsraad zal worden berecht. De beslissing om de doodstraf op te leggen is onomkeerbaar en van die uitspraak is geen beroep mogelijk. De doodstraf wordt uitgevoerd door een vuurpeloton. Decreet A-7A is in flagrante strijd met de internationale verplichtingen die Suriname

50

heeft op grond van het BUPO-verdrag en ook op grond van de minimale juridische garanties, die verband houden met het recht op leven.

Artikel 4 van dat Verdrag specificeert dat nimmer van artikel 6 kan worden afgeweken. Artikel 6 zegt het volgende:

  1. Ieder heeft het recht op leven. Dit recht wordt door de wet beschermd. Niemand mag naar willekeur van zijn leven worden beroofd.

  2. In landen waar de doodstraf niet is afgeschaft, mag een doodvonnis slechts worden uitgesproken voor de ernstigste misdrijven overeen- komstig de wet zoals die ten tijde dat het misdrijf wordt begaan van kracht is en welke niet in strijd is met de bepalingen van dit Verdrag en met het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van geno- cide. Deze straf kan slechts worden voltrokken ingevolge een onher- roepelijk vonnis door een bevoegde rechter gewezen.

  3. Wanneer beroving van het leven het misdrijf van genocide inhoudt, geeft geen enkele bepaling in dit artikel een Staat die partij is bij dit Verdrag de bevoegdheid af te wijken van enigerlei verplichting die is aanvaard krachtens de bepalingen van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide.

  4. Een ieder die ter dood is veroordeeld heeft het recht gratie of ver- zachting van het vonnis te vragen. Amnestie, gratie of verzachting van het vonnis kan in alle voorkomende gevallen worden verleend.

  5. De doodstraf mag niet worden opgelegd voor misdrijven die zijn begaan door personen beneden de leeftijd van achttien jaar en mag niet worden voltrokken aan zwangere vrouwen.

  6. Op geen enkele bepaling van dit artikel kan een beroep worden gedaan om de afschaffing van de doodstraf door een Staat die partij is bij dit Verdrag op te schorten of te voorkomen.

9. Hier mag aan worden toegevoegd dat zelfs in oorlogstijd, de auto- riteiten verplicht zijn om artikel 3 van het Verdrag van Genève toe te passen (dit verdrag regelt de behandeling van krijgsgevangenen, toevoeging HBvA), dat is geratificeerd door Suriname.

10.Ondanks de verplichtingen die Suriname is aangegaan volgens het BUPO-verdrag en de verdragen van Genève blijkt dat het toepas- selijk Decreet A7-A niet voorziet in het recht van een verdachte op rechtsbijstand, het recht op een bevoegde rechterlijke instantie, de mogelijkheid van amnestie en gratie en verzachting van het vonnis.

51

De enige opgenomen garantie is, dat de verdachte zal worden gehoord. Deze voorziening is volstrekt onvoldoende in het licht van de beschreven internationale verplichtingen.

11.De Commissie wenst ook haar zorgen uit te spreken over het volgende. Er heeft nog geen inmenging plaatsgevonden in de rechtspraak over niet-politieke zaken. De geringschatting die aan de dag wordt gelegd voor de garanties die in de Grondwet van 1975 zijn vastgelegd met betrekking tot de rechterlijke macht, levert een gevaar op voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Deze situatie is verergerd sinds het Decreet C-64. Dit decreet stelt dat de benoeming van rechters onder de exclusieve rechtsmacht van het Beleidscentrum valt. Daarenboven vallen misdrijven gericht tegen de veiligheid van de Staat niet langer onder de rechtsmacht van de gewone rechterlijke instanties, maar onder de krijgsraad. Van de eindbeslissing van de krijgsraad kan geen beroep worden ingesteld bij de gewone rechter, maar bij het Hoog Militair Gerechtshof. De leden van het Hoog Militair Gerechtshof werden benoemd door de President en voorgedragen door het Militair Gezag. Tijdens het bezoek van de Commissie aan het Hof van Justitie, gaf de huidige President aan dat de gewone rechterlijke instanties absoluut geen zaken mogen behandelen die te maken hebben met de veiligheid van de Staat.

D.De vrijheid van meningsuiting en de verspreiding van meningen en gedachten17

12. Artikel 8 van het Algemeen Decreet A-11 Van 25 maart 1982, stelde vast dat een ieder het recht had op de vrijheid van meningsuiting en dat de persvrijheid wordt erkend. Hetzelfde recht is erkend in artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

13.Ondanks hierboven vermelde bepalingen was het recht van vrije meningsuiting en de verspreiding daarvan ernstig beperkt in Suriname.

14. Ten tijde van de opstelling van dit rapport, verscheen er slechts een nieuwsblad in Suriname “De Ware Tijd”. Het nieuwsblad werd vooraf onderworpen aan censuur. Dit kon de Commissie direct verifiëren. Het dagblad was verplicht het nieuws te publiceren, dat de overheid ter beschikking stelde. Daardoor werd het een orgaan voor de officiële overheidspropaganda. Alle andere persorganisaties werden gecensureerd. Deze situatie was het uiteindelijke resultaat van een

17. Artikel 4 van de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de mens stelt dat: “Een ieder heeft het recht op de vrijheid van onderzoek, de vrijheid van meningsuiting en het recht om gedachten te uiten en te verspreiden op welke wijze dan ook.

52

proces dat begon met de onderbreking van de constitutionele orde op 25 februari 1980. Vanaf dat moment werd het in toenemende mate verboden te publiceren over de regering of het leger zonder voorafgaande toestemming. Er ontstond de verplichting om nieuws en commentaar te publiceren gebaseerd op opdrachten van verschillende burgerlijke en militaire autoriteiten. Vervolgens werden uitgevers en journalisten op willekeurige wijze gearresteerd en langer of korter vastgehouden. Dit proces zette zich voort, ondanks de bestaande wettelijke regels die het recht van vrije meningsuiting garanderen en zonder de mogelijkheid van rechterlijke interventie. Die ontwikkelingen leidden tenslotte tot de bestaande situatie, waar- bij alle niet-officiële persorganen zijn gesloten.

15. Op dezelfde wijze werden niet-officiële radiostations gesloten door de militairen. Bovendien werden de maatregelen tegen de persvrijheid steeds bruter van karakter. Tijdens de tragische gebeurtenissen van 8 december 1982 werden vier journalisten die kritiek op het bewind hadden, gedood. Het bewind stak twee radiostations in brand, ABC Radio en Radika. De kantoren van het nieuwsblad Vrije Stem werden ook in brand gestoken. Daarenboven stelde de Commissie vast, dat de brandweerlieden opdracht hadden gekregen van de autoriteiten om de branden niet te blussen.

16. Deze gebeurtenissen creëerden een extreem ernstige situatie in het land, die leidde tot een algemene angst van de bevolking, die niet in staat was haar recht op vrijheid van meningsuiting en de verspreiding van gedachten en gevoelen, te uiten. De Commissie kon deze stand van zaken bevestigen door de verklaringen van vroegere politici, vakbondleiders, geestelijke leiders en reacties van de bevolking in het algemeen.

17.De bovenvermelde situatie kreeg een nieuwe dimensie met de volgende mededeling op 7 mei 1983 in het dagblad De Ware Tijd. Het vermeldde de goedkeuring van een nieuw decreet dat beoogde de publieke en nationale veiligheid in stand te houden. Om dat doel te bereiken werden invoer, vervoer, verspreiding, verkoop, bezit, productie en reproductie van bepaalde geschriften verboden.

18.De Raad van Ministers moest nog vaststellen welke geschriften verboden waren. Het overtreden van dit decreet werd bestraft met gevangenisstraf. Alhoewel tot dusverre het decreet niet werd uitgevaardigd en de Raad van Minister niet heeft besloten welke geschriften verboden zijn, is de Commissie van mening, dat het decreet als het wordt ingevoerd, een flagrante schending kan opleveren van het recht op vrije meningsuiting. Dit heeft de Commissie doen weten aan de minister van Justitie. De Commissie wil de aandacht vestigen op het feit dat volgens het bovenbedoelde

53

decreet zelfs het simpele bezit van enig geschrift dat de overheid mogelijkerwijs gevaarlijk acht voor de nationale veiligheid, verboden is.

54

E. De vrijheid van vereniging en vergadering en het recht om vakverenigingen op te richten18

19.Artikel 19 van het Algemeen Decreet A-11 erkent het recht van vreedzame vereniging en vergadering.

  1. Naast de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens.erkent óók het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten in de artikelen 21 en 22 het recht op vreed- zame vergadering en vereniging.

  2. Ondanks bovenvermelde bepalingen, zijn niet-officiële politieke par- tijen verboden in Suriname. Deze maatregel is niet van toepassing op die politieke organisaties die onderdeel vormen van de huidige regering van het land. Dat is het geval met de PALU, een groep die geen enkele zetel behaalde in de verkiezingen van 1977. Enkele prominente leden van de zittende regering zijn lid van deze partij.

22.Het recht om vakorganisaties op te richten wordt niet specifiek genoemd in Algemeen Decreet A-11, dat gezien kan worden als het Statuut van Basisrechten en Verplichtingen van de Surinaamse bevolking. Maar het recht tot oprichting van vakorganisaties en het recht om te staken werden wel specifiek genoemd in artikel 8 van de Grondwet van 1975.

23.Internationale verplichtingen inzake de mensenrechten zijn verbin- dend. De overheid is gehouden de verplichtingen na te komen zoals neergelegd in de Amerikaanse Declaratie en in artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Dit laatste verdrag stelt onder andere:

1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van vereniging en vergadering met anderen, inclusief het recht om vakorganisaties op te richten en daarvan lid te zijn ter bescherming van de eigen belangen.

2.Geen beperkingen mogen worden opgelegd ten aanzien van de uitoefening van dit recht, tenzij die beperkingen bij wet zijn

18. Artikel XXI van de Amerikaanse Declaratie voor de rechten en de plichten van de Mens vermeldt dat: “Een ieder het recht heeft van vreedzame vergadering met anderen, van openbare demonstraties of tijdelijke bijeenkomsten inzake de gezamenlijke belangen, ongeacht de essentie daarvan.” Artikel XXII vermeldt dat: “Een ieder het recht heeft van vereniging en vergadering met anderen om de eigen rechtmatige belangen naar voren te brengen, uit te oefenen en te beschermen, ongeacht of deze belangen van politieke, economische, religieuze, sociale, culturele, professionele, arbeidsrechtelijk of van andere aard zijn.”

55

vastgelegd en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare veilig- heid of de openbare orde (ordre public), de bescherming van de openbare gezondheid of morele waarden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel belet niet het opleggen van wettige beperkingen aan leden van de strijdmacht en van de politie in de uitoefening van dit recht.

24.Ondanks de hiervoor genoemde wettelijke regelingen, zijn er in Suriname ernstige pogingen ondernomen tegen het recht om lid te zijn van een vakorganisatie en in dat verband te kunnen vergaderen Deze acties werden verscherpt in oktober 1982.

25.Gedurende die tijd werd Cyrill Daal gearresteerd tijdens een vreed- zame demonstratie van werknemers, die terugkeer naar de demo- cratie eisten. Daal was voorzitter van de Moederbond, de vakbond die de meeste leden had. Kort daarna werd Daal vermoord. Boven- dien werd het hoofdkwartier van de Moederbond op diezelfde dag verwoest door de militairen. Gezien het heersende repressieve klimaat, werden talrijke vakbondsleiders gedwongen het land te verlaten. De Commissie ontving herhaaldelijk klachten en claims van voormalige vakbondsleiders over het volledig ontbreken van hun rechten en de heersende angst om hun werkzaamheden uit te voeren.

F. Politiekerechten19
26.Aanvullend op de Amerikaanse Declaratie, verwijst het Internatio-

naal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten in artikel 25 naar de politieke vrijheden. Dat artikel geeft het volgende aan:

“Elke burger heeft het recht en dient in de gelegenheid te worden gesteld zonder dat het onderscheid bedoeld in artikel 2 wordt gemaakt en zonder onredelijke beperkingen:

19.Artikel XX van de Amerikaanse Declaratie voor de Rechten en Plichten van de Mens stelt dat: “Een ieder die rechtmatig in staat daartoe is, heeft het recht deel te nemen in de regering van zijn land, direct of door middel van zijn vertegenwoordigers en om deel te nemen aan algemene verkiezingen, die echt, vrij en geheim zijn en periodiek worden gehoud- en.” Artikel XXI stelt: “Een ieder heeft het recht van vreedzame verga- dering met anderen, het recht van demonstratie of korte bijeenkomsten, gerelateerd aan de gezamenlijke belangen, ongeacht hun aard. Artikel XXII stelt: “Een ieder heeft het recht van vereniging met anderen en om de eigen rechtmatige belangen te bevorderen, uit te voeren en te be- schermen, ongeacht of die belangen politiek, economisch, religieus, sociaal, cultureel, professioneel, arbeidsrechtelijk of van welke andere aard dan ook zijn.”

56

  1. a)  deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegen- heden, hetzij rechtstreeks of door middel van vrijelijk gekozen vertegenwoordigers;

  2. b)  te stemmen en gekozen te worden door middel van betrouwbare periodieke verkiezingen die gehouden worden krachtens alge- meen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemming, waardoor het vrijelijk tot uitdrukking brengen van de wil van de kiezers wordt verzekerd;

  3. c)  op algemene voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.”

27.Ondanks de vorige bepalingen bevat Algemeen Decreet A-11, geen hoofdstuk of een specifiek voorschrift over politieke rechten van de bevolking van Suriname. Samengevat bevat het hoofdstuk over sociale rechten en plichten in genoemd Decreet één artikel: artikel 15. Dit artikel geeft aan dat ten einde werkelijke democratie te kunnen realiseren de staat zal bevorderen, dat de bevolking zich zal organiseren langs regionale en sectorale lijnen. Het huidige bewind heeft de vorming van milities, volkscomités en vergelijkbare groeps- vorming van burgers bevorderd.

28.Alhoewel Suriname internationale verplichtingen heeft om de politieke rechten van zijn bevolking te garanderen, kan de bevolking van Suriname deze rechten niet uitoefenen. Verkiezingen worden niet gehouden door middel van algemene en geheime verkiezingen en de deelname van alle burgers aan het bestuur van het land is niet verzekerd.

29. Deze situatie werd weer gekritiseerd in Suriname door de Associatie voor Democratie, die werd opgericht op 17 december 1982. Deze Vereniging werd opgericht door het Comité van Christelijke Kerken, de Hindoestaanse religieuze gemeenschap ‘Sanatan Dharm’, de Hindoestaanse religieuze gemeenschap ‘Aryans’, ‘Madjlis, Muslimin Suriname’, de Moslimvereniging van Suriname, de Werkgeversor- ganisatie van Suriname, de Organisatie van fabrikanten van Suriname, de Orde van Advocaten van Suriname, de Vereniging van Mediadirecteuren en Hoofdredacteuren, de Centrale Organisatie van Landbouwersbonden en de Nationale Vrouwenbond van Suriname. Op 2 december sloot de Vereniging van Juristen zich hierbij aan.

30.Kort hiervoor – op 15 december 1982, toen Commandant Bouterse de situatie in het land becommentarieerde, maakte hij bekend, dat de organisaties die geconsulteerd wensten te worden en wensten deel te nemen aan de besturing van het land zouden moeten

57

voldoen aan voorwaarden van volksdemocratie. Die voorwaarden zouden later worden geformuleerd.

31.In een open brief aan Commandant Bouterse van 23 november 1982, drong de Associatie voor Democratie erop aan, dat de militairen zich zouden terugtrekken uit de politiek. De Associatie verwierp de totalitaire filosofie, inhoudend dat alleen de opvattingen van de heersende politieke leiders doorslaggevend zouden zijn, waardoor degenen die het niet met hen eens waren werden uitge- sloten.

Ook waarschuwde de Associatie, dat gezien de historische en culturele karakteristieken en de politieke rijpheid van het land, moet worden aangenomen dat het huidige politieke beleid op ongekende wijze repressief zal worden.

32.Kort daarna zouden zich de tragische gebeurtenissen voordoen van 8 december, waarbij ook een aantal prominente leden van de Vereniging zou sterven.

33. Het regeringsbeleid voor de periode 1983-1986 werd op 1 mei 1983 gepresenteerd. Daarin herhaalde de regering het plan van Com- mandant Bouterse over de politieke toekomst van het land en de uitoefening van politieke rechten. Ook werd uitgebreid verklaard wat met het plan werd bedoeld.

34.In dat programma werd het voorgaande parlementaire systeem gekarakteriseerd als decadent en zinloos. De nadruk werd gelegd op de noodzaak om instellingen te ontwikkelen waardoor de bevolking werkelijk invloed en controle zou kunnen uitoefenen op de politieke macht.

35.Twee instellingen werden voorgesteld in dat programma, het Nationale Democratische Congres en de Centrale Raad van State.

36.Het eerste orgaan zal worden gevormd door vertegenwoordigers van massa-organisaties. Het zal democratisch worden gekozen en wordt gezien als een patriottisch forum dat de regering moet advi- seren.

37.De Centrale Raad van State zal worden gevormd door hoge over- heidsfunctionarissen, militaire officieren, leden van het Nationale Democratische Congres en administratieve functionarissen. Dit orgaan heeft de macht om het beleidsprogramma van de regering en het budget goed te keuren.

58

38.In overeenstemming met het programma zouden beide instanties kunnen worden ingesteld voor eind 1984. Speciale comités zullen worden aangewezen om de noodzakelijke staatsrechtelijke pro- jecten voor te bereiden, teneinde de instelling van beide instanties te kunnen realiseren.

39.De hierboven beschreven staatsrechtelijke ontwikkeling zou – onder andere – de noodzakelijke basis vormen voor de instelling van een Constitutioneel Comité, met de taak een nieuwe Grondwet op te stellen. Dat Comité zou gedurende de lopende regeringsperiode moeten worden ingesteld.

40.In het voorstel tot oprichting van deze instellingen in het regerings- programma, wordt het recht op algemene en geheime verkiezingen niet eenduidig erkend. Dit geldt óók voor het recht van alle burgers van Suriname om te kunnen participeren in het openbaar bestuur van het land.

41.Het bovenvermelde regeringsprogramma garandeert geen demo- cratische participatie in de instelling van de speciale comités, die zullen worden belast met het opstellen van de staatsrechtelijke projecten. Hieraan dient te worden toegevoegd, dat gedurende haar verblijf in Suriname de Commissie herhaaldelijk van getuigen te horen kreeg, dat door volkscomités ondermeer druk werd uitge- oefend. Die comités dwongen individuen deel te nemen aan de werkzaamheden van de comités. Ook werd dwang uitgeoefend tot samenwerking op andere manieren, inclusief het bijwonen van officiële gelegenheden.

42.Zoals de Commissie verklaarde in andere rapporten, is het recht tot deelname in de regering en tot participatie in eerlijke, periodieke, geheime en vrije verkiezingen van fundamenteel belang om de mensenrechten veilig te stellen. De redenen daarvoor zijn gelegen in het feit dat de historische ervaring heeft aangetoond, dat rege- ringen die gebaseerd zijn op de wil van het volk door vrije verkiezingen, de beste garantie vormen dat de essentiële mensen- rechten worden nageleefd en beschermd.

De Amerikaanse Staten hebben in hun Charter van de Organisatie van Amerikaanse Staten opnieuw bevestigd, dat een van de leidende principes waarop hun saamhorigheid en lotsverbondenheid is gebaseerd, vereist dat de politieke organisatie van die Staten is gegrondvest op een vertegenwoordigende democratie. Andere internationale regelingen over mensenrechten, zoals het Pact van San Jose in Costa Rica, erkennen het recht van iedere burger om deel te nemen aan het openbaar bestuur, te kiezen en verkozen te worden in eerlijke en periodieke verkiezingen, die zullen worden

59

gehouden op grond van een algemeen en gelijk kiesrecht en door het geheim kunnen uitbrengen van de stemmen, waardoor de vrije uiting van de wil van de kiezers wordt gegarandeerd.

Tezelfdertijd heeft de Algemene Vergadering van de OAS, die lid- staten die dat nog niet gedaan hebben, nog eens duidelijk gemaakt, dat een democratisch politiek systeem dient te worden heringevoerd of te worden verbeterd. Een democratisch regeringssysteem en de uitvoerende macht dienen gebaseerd te zijn op de rechtmatige en vrije uiting van de wil van het volk, in overeenstemming met de specifieke karakteristieken en omstandigheden van elk land.

De Commissie heeft van haar zijde steeds benadrukt, dat binnen de alternatieve vormen van overheidsbestuur, die worden erkend door het constitutionele recht, de basis van een democratisch bewind steeds de volledige erkenning van de mensenrechten zal moeten zijn.

Gezien de politieke rechten en het recht van politieke participatie hebben overheden in deze context bezien, de plicht om de organi- satie van alle politieke partijen en andere verenigingen toe te staan en hun bestaan te garanderen. Dit geldt alleen dan niet, als die politieke partijen of andere organisaties worden opgericht om de mensenrechten te schenden,

Ook moeten overheden gezien die politieke rechten, open debatten en discussies over de algemene vraagstukken van sociaal-econo- mische ontwikkeling toestaan, evenals het houden van algemene en vrije verkiezingen met alle noodzakelijke garanties, zodat het resultaat de wil van het volk weergeeft.

Zoals wordt aangetoond door de historische ervaring, kan de ontzegging van politieke rechten of de wijziging van de volkswil leiden tot een gewelddadige situatie.

De Commissie acht het onacceptabel, dat sommige regeringen voor onbepaalde tijd aan de macht blijven, door het voortdurende verbod op de toepassing van politieke rechten en door afwijzende opvat- tingen willekeurig te onderdrukken.

60

OEA/Ser.L/V/II.61, doc.6 rev.
15 oktober 1983
Origineel: Engels, vertaald in het Nederlands

RAPPORT
OVER DE MENSENRECHTENSITUATIE IN SURINAME

A.CONCLUSIES

1.Gezien het bovenstaande, concludeert de Commissie dat ernstige schendingen van belangrijke mensenrechten, die zijn vastgelegd in de Declaratie van de Rechten en de Plichten van de Mens, zich in Suriname hebben voorgedaan. De rechten die het meest zijn geschonden worden hierna genoemd.

2.Het Recht op Leven, gezien de illegale executies uitgevoerd door geheime agenten en overheidsfunctionarissen. De Commissie is buitengewoon verontrust door de executies die plaats vonden in de Fort Zeelandia gevangenis in de nacht van 8 december 1982. Bij die gelegenheid werden vijftien prominente Surinaamse burgers standrechtelijk vermoord. Bovendien geeft de overweldigende hoeveelheid verkregen bewijs aan, dat de vijftien wreed werden gemarteld voordat zij werden vermoord. Aan hun dood werd direct of indirect deelgenomen door hoge overheidsfunctionarissen.

3. Het Recht op Gerechtigheid en een Eerlijk Proces, gegeven het feit dat er geen sprake is van een werkelijk onafhankelijke rechterlijke macht in Suriname sinds hoofdstuk I van de Grondwet van 1975 werd afgeschaft. Dat hoofdstuk voorzag erin dat rechters niet konden worden afgezet, nu is hun benoeming afhankelijk van de gevoelens van het Beleidscentrum. Bovendien bestaat de mogelijk- heid tot verzoeken om habeas corpus niet langer, een gevolg van het gebrek aan rechterlijke autoriteit in zaken die te maken hebben met misdrijven over de veronderstelde aantasting van de

61

staatsveiligheid.20 De Commissie stelt ook vast dat in verband met dit recht, het ontstane klimaat van angst, dat de juridische professie heeft doordrongen, onder andere heeft geleid tot de onwil van advocaten om een leidinggevende positie te overwegen in de Orde van Advocaten. Die angst leidde ook tot onwil van advocaten om politieke gevangenen te verdedigen. In de praktijk betekende dit, dat personen die werden beschuldigd van politieke misdrijven weerloos zijn.

4. Het Recht op de Vrijheid van Meningsuiting, gezien het feit dat er op het ogenblik geen sprake is van persvrijheid in Suriname. Het enige dagblad, evenals de radio en televisiestations die door de staat worden geëxploiteerd, staan onder officiële en volledige censuur. Journalisten worden veelvuldig bedreigd. Bovendien is het recht op de vorming van opinies, de vrijheid van meningsuiting en de verspreiding daarvan verder in gevaar gekomen, omdat de Raad van Ministers een decreet heeft goedgekeurd dat het bezit, de verspreiding, verkoop en invoer van enig werk, dat de nationale veiligheid of openbare moraal kan bedreigen, heeft verboden.

5. De Vrijheid van Vereniging, gezien het feitelijk verbod van politieke partijen en vrije vakverenigingen. Ook is dit verbod discriminatoir, omdat alleen de PALU partij, haar politieke activiteiten mag ont- plooien, omdat enkele hoge overheidsfunctionarissen daartoe behoren.

6. Politieke Rechten, gezien het feit dat het regeringsprogramma van 1983-1986 faalt om de politieke rechten veilig te stellen. Dit is vereist volgens de vastgelegde rechten in de Amerikaanse Declaratie van de Rechten en Plichten van de Mens, waarbij Suriname partij is. Die politieke rechten zijn: een politiek systeem gebaseerd op algemeen kiesrecht, geheime stemmingen en het recht van alle Surinamers om deel te kunnen nemen aan het openbaar bestuur. De Commissie stelt ook vast dat de instelling van de volkscomités, de volksmilities en andere gelijksoortige organisaties, meer nog dan het eenvoudigweg vestigen van nieuwe vormen van participatie, een ontwikkeling markeert welke erop gericht is deelname van alle Surinamers aan het bestuur van hun land op niet-discriminatoire grondslag, te voorkomen. Als gevolg daarvan is de Commissie van mening, dat de institutionalisering die thans wordt ondernomen er niet in slaagt het Surinaamse volk

20.Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen dan op de wijze door de wet bepaald (artikel 12, eerste lid, Grondwet Suriname 1975); de mogelijkheid van ‘habeas corpus’, als iemand zijn vrijheid is ontnomen heeft hij het recht de rechter om zijn invrijheidstelling te vragen (artikel 12, tweede lid, Grondwet Suriname 1975). Uitleg in deze voetnoot door de vertaalster.

62

een vrije keuze te bieden, waarmee zij hun politieke bestemming kunnen selecteren.

7.Gezien de grootte en de ernst van de schendingen die zijn bedreven, maant de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Men- senrechten de Surinaamse regering aan, om zowel haar handel- wijze als haar wetgeving radicaal te verbeteren. Dit is nood- zakelijk om de democratische instituties te kunnen herinvoeren, inclusief een onafhankelijke rechterlijke macht, evenals respect voor de fundamentele mensenrechten.

63

 

Jurist Jones noemt veroordeling Bouterse een ‘coup’

27/01/2020 04:07 – Naomi Hoever

Jurist Ebu Jones (l) vindt dat het 8 Decemberproces op een andere manier moeten worden aangepakt.

Jurist Ebu Jones (l) vindt dat het 8 Decemberproces op een andere manier moeten worden aangepakt. Foto: dWT  

PARAMARIBO – Jurist Ebu Jones noemt het ongebruikelijk dat een president in functie is veroordeeld. Hij spreekt van een ‘coup’ dat de president buiten alle grondwettelijke regels is veroordeeld. De krant sprak hem en anderen woensdag na afloop van de Krijgraadszitting.

“Als je in het juridisch systeem zit dan snap je het.” De enige manier waarop een president in Suriname kan worden afgezet is via de Grondwet. “Wanneer je buiten deze mogelijkheden de president veroordeelt, dan kan je praten over een ‘coup’. Want het is een ongebruikelijke manier en niet op de Grondwet gestoelde wijze.” Hij noemt het een conflictsituatie. “De zaak had op een andere manier moeten worden aangepakt.” Wat die manier is wil hij niet zeggen.

Deze zienswijze delen andere NDP’ers ook onder wie DNA-voorzitter Jennifer Geerlings-Simons. Zij noemde het feit dat Bouterse voor de Krijsraad verscheen jammerlijk. “Wij als land hebben het zo ver laten komen dat een president is veroordeeld; ‘Dat is not done‘.” “Voor of tegen; je handelt het niet zo af.”

Hoewel Simons nog gelooft in de rechterlijke macht zegt ze dat Suriname het 8 Decemberproces verkeerd heeft laten aflopen. Het is “nonsens dat er wordt beweerd dat er sprake is van intimidatie naar de rechterlijke macht” door de aanhang te mobiliseren. “Er is geen intimidatie hier. Als land moeten we wel markeren dat we iets hebben gedaan met z’n allen dat niet had moeten gebeuren. Het had niet zover moeten komen. Eenmaal het zo is moeten we kijken hoe wij ermee omgaan.”

De DNA-voorzitter zegt dat de mensen met hun aanwezigheid wel een statement hebben gemaakt. “Wij moeten het statement maken dat niet het hele land achter zo een ontwikkeling staat. Dat een zittende president wordt veroordeeld.” Simons zegt dat de persoon Bouterse niet gescheiden kan worden van zijn functie als president. “Daarom hebben alle landen in hun grondwet methodes in geval een president wat doet in zijn zittingsperiode. Hoe degene dan president af kan zijn.”

Rabin Parmessar verwijst in dit verband naar de wet op Politieke partijen en de Amnestiewet. Laatstgenoemde wet is in 2012 bijgesteld. Directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken, Dennis Menso, behoorde woensdag ook tot de ondersteuners. Hij was niet in de mensenmassa, maar stond op straat vóór het gerechtsgebouw.

“Wij van de NDP hebben altijd gezegd dat het een politiek proces is. Het is voor het eerst voorgekomen dat een president in functie is veroordeeld.” Hij vindt het onterecht dat Bouterse door tegenstanders dictator wordt genoemd. Menso verwijst naar de machtsmiddelen waarover Bouterse beschikt als president, en die toch niet heeft ingezet gedurende dit proces.

De mobilisatie noemt hij geen intimidatie maar steunbetuiging. “Het proces staat niet op zich maar het is een scenario.” Naar zijn weten heeft het te maken met het feit dat zijn partijvoorzitter opstaat tegen de koloniale overheerser Nederland. “Bouterse is een symbool van verzet. Hij brengt de massa op de been om het getij te keren. Dankzij hem zijn er veranderingen opgetreden en groeit het bewustzijn. Dit maakt dat hij de vijand is van de kolonisator.”

Remy Pollack, ex-districtscommissaris en coordinator van de NDP in Commewijne noemt Bouterse een volksleider. Ook hij valt over de wijze van veroordeling. “Het is een unicum en dat keuren wij af. Laat het recht zegevieren. We wonen in een rechtstaat en wij eerbiedigen dat.” Pollack geeft aan dat er moest worden gewacht totdat Bouterse is afgetreden.

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/27/jurist-jones-noemt-veroordeling-bouterse-een-coup/

 

NDP’ers blijven maar verongelijkt jammeren over veroordeling van Bouterse voor betrokkenheid bij 15-voudige moord in december 1982

 
Ambassadeur in Guyana Ebu Jones: ‘Veroordeling is een coup’

– Assembleevoorzitster Geerlings-Simons: ‘Wij als land hebben het zo ver laten komen dat een president is veroordeeld, dat is not done’
– Niemand in een democratie staat boven de wet, maar de NDP denkt daar in eigen belang nu even anders over…


Surinames ambassadeur in Guyana, de jurist en oud-journalist Ebu Jones, vindt het ongebruikelijk dat een president in functie is veroordeeld. Hij spreekt van een ‘coup’ en meent dat de president buiten alle grondwettelijke regels is veroordeeld. ‘Als je in het juridisch systeem zit dan snap je het’, beweert hij vandaag, maandag 27 januari 2020, in de Ware Tijd. 

De enige manier waarop een president in Suriname kan worden afgezet is volgens Jones althans, via de Grondwet. Maar, kennelijk snapt deze jurist het zelf niet. Immers, niemand in een democratie staat boven de wet, maar NDP-gelieerden denken daar in eigen belang nu even iets anders over…

‘Wanneer je buiten deze mogelijkheden de president veroordeelt, dan kan je praten over een coup. Want het is een ongebruikelijke manier en niet op de Grondwet gestoelde wijze.’ Hij noemt het een conflictsituatie. ‘De zaak had op een andere manier moeten worden aangepakt’, vindt Jones. Wat die manier is wil hij echter niet zeggen, mogelijk omdat hij het simpelweg niet weet…

Ambassadeur Harvey Naarendorp bestempelde de veroordeling in december reeds als een ‘gerechtelijke staatsgreep’ op de eendaagse top van de Bolivariaanse Alliantie voor Amerika (ALBA) op Cuba. Andere NDP’ers delen de zienswijze van Jones en Naarendorp.

Assemblee-voorzitster Jennifer Geerlings-Simons noemde het ‘jammerlijk‘ dat Bouterse voor de Krijgsraad verscheen. ‘Wij als land hebben het zo ver laten komen dat een president is veroordeeld, dat is not done. Voor of tegen, je handelt het niet zo af.’ Zij gelooft in de rechterlijke macht, maar vindt dat Suriname het 8 decemberproces verkeerd heeft laten aflopen. Het is volgens haar ‘nonsens dat er wordt beweerd, dat er sprake is van intimidatie naar de rechterlijke macht’ door de aanhang te mobiliseren. ‘Er is geen intimidatie hier. Als land moeten we wel markeren, dat we iets hebben gedaan met z’n allen dat niet had moeten gebeuren. Het had niet zover moeten komen. Eenmaal het zo is moeten we kijken hoe wij ermee omgaan.’

De Assemblee-voorzitster zegt, dat de mensen met hun aanwezigheid wel een statement hebben gemaakt. ‘Wij moeten het statement maken dat niet het hele land achter zo’n ontwikkeling staat. Dat een zittende president wordt veroordeeld.‘ Geerlings-Simons beweert, dat de persoon Bouterse niet gescheiden kan worden van zijn functie als president. ‘Daarom hebben alle landen in hun Grondwet methodes in geval een president wat doet in zijn zittingsperiode. Hoe degene dan president af kan zijn.’ 

Directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken, Dennis Menso, behoorde woensdag ook tot de ondersteuners bij de Krijgsraad waar de behandeling van de verzetzaak van Bouterse tegen zijn veroordeling plaatsvond. ‘Wij van de NDP hebben altijd gezegd dat het een politiek proces is. Het is voor het eerst voorgekomen dat een president in functie is veroordeeld.

Hij vindt het onterecht dat tegenstanders Bouterse een dictator noemen. Menso wijst op de machtsmiddelen waarover Bouterse beschikt als president, en die toch niet heeft ingezet gedurende dit proces. De mobilisatie noemt hij geen intimidatie, maar steunbetuiging. ‘Het proces staat niet op zich, maar het is een scenario.’ Hij denkt dat dit scenario te maken heeft met het feit, dat zijn partijvoorzitter opstaat tegen de koloniale overheerser Nederland. ‘Bouterse is een symbool van verzet. Hij brengt de massa op de been om het getij te keren. Dankzij hem zijn er veranderingen opgetreden en groeit het bewustzijn. Dit maakt dat hij de vijand is van de kolonisator.’ 

(Suriname Mirror/de Ware Tijd)
 

COLUMN: 6 minuten

23/01/2020 14:00 – Pokay Tongo

COLUMN: 6 minuten

Stuart Rahan  

Erkenning van de Krijgsraad door Desiré Delano Bouterse is een feit. Zijn jarenlange tirade met schuim op de bek dat hij nooit voor het gerecht zou verschijnen, veranderde hem in zes minuten in een mak lam. ‘Nooit, noiti, nunca, never, jamais’ zullen wij voortaan moeten missen. Het recht zette hem op zijn plek: iedereen, ongeacht diens positie, is ondergeschikt aan de wet. Die plek gunde hij zijn slachtoffers op 8 december 1982 niet.

“Wie bent u? Waar bent u geboren? Wanneer bent u geboren? En, welk beroep beoefent u?” Al deze vragen heeft de burger Desiré Delano Bouterse, gestoken in militair tenue, positief beantwoord. Hij had geen keus. Hij moest voorkomen dat het vonnis van twintig jaar werd uitgevoerd. De veroordeelde moordenaar stapte na zes minuten verantwoording naar buiten, wederom als hoofdverdachte.

De schizofrenie in de Decembermoorden slaat behoorlijk toe bij de volkspresident/hoofdverdachte/moordenaar/drugsveroordeelde. Hij stapte triomfantelijk de rechtszaal uit en verruilde die gelijk voor het verkiezingspodium om zijn overwinning te vieren met duizenden aanhangers. Daar waant hij zich veilig en is hij zijn eigen schizofrene ik. Daar voert hij monologen als op 8 december 1982. De slachtoffers die hem tegenspraken diende hij met kogels van repliek. Zij kunnen zijn militaire cultuur niet reconstrueren.

Het getoonde respect (lees verlies) voor de Krijgsraad compenseert hij ruim buiten de rechtszaal. A nak‘ Edward ‘Sikiman’ Belfort en Chan ‘Oranje’ Santokhi wan tu berekofu. Wat hebben zij met de veroordeling door de Krijgsraad te maken? Niks, maar aangezien hij elk podium politiek misbruikt, zag hij zijn kans schoon voor de aanstaande verkiezingen.

Zijn retoriek dat Suriname in handen van deze twee uitgeleverd zal worden aan de Nederlandse kolonisator werd geslikt als boyo. “A man tyari a kondre baka go lever gi a kolonisator: over my dead body.” Ik zal niet juichen als er over zijn dead body moet worden gestapt, maar wel als Suriname in ere zal zijn hersteld met de overname door Surinamers met het hart en vooral het hoofd op de juiste plaats.

Op het podium nam zijn schizofrenie absurdere vormen aan. Hij weet en gaf ook toe dat wat er op 8 december 1982 gebeurde, dramatisch was. Hij rouwt om de overledenen van een oorlogsincident. We waren niet in oorlog! Hoe kunnen de Decembermoorden dan een incident in een oorlog zijn? Zoiets mag, als het aan hem ligt, nooit meer gebeuren maar hij toont geen berouw.

Integendeel, hij plaatst slachtoffers van de Binnenlandse Oorlog op één lijn met de vijftien van 1982. Vreemd, want ook Tucayana, Maka, Moiwana, Angula en militairen zijn slachtoffer geweest van zijn regime. Of neemt hij nu daar ook de verantwoordelijkheid voor? Nabestaanden van Moiwana bijvoorbeeld vragen zich nog steeds af: ‘Waarom? Waarvoor?’

Als een ferleygi awari overspeelde hij nu ook weer zijn hand. Het ging net goed met zijn respect naar de Krijgsraad toe. Waarom moest de Nederlandse advocaat van Surinaamse afkomst Gerard Spong het ontgelden? Als de president het gehouden had bij hulp van Spong aan de Krijgsraad had hij misschien applaus gekregen. Maar iemands seksuele geaardheid erbij betrekken, terwijl de rechtszaak daar niet over gaat, is ronduit stuitend. “A man dis’ e prit’ watramun wreed.”

Deze zelfde volkspresident heeft de coup en de Decembermoorden met Roy Horb gepleegd, de man van wie je al op een afstand kon ruiken wat zijn geaardheid was, maar hem slechts aansprak op zijn handelen zoals op 8 december 1982. Zijn dode kameraad nog een trap nageven zegt veel over zijn persoon. Het respect dat hij gaf aan de Krijgsraad devalueerde net zo hard als de Surinaamse munt voor de Surinamers op het Oranje-, nee sorry, Onafhankelijkheidsplein.

In zes minuten hebben duizenden Surinamers steun betuigd aan hun volkspresident. Hebben duizenden Surinamers voor zes minuten dagenlang geld noch moeite gespaard om steun te geven aan hun volkspresident. Duizenden Surinamers hebben zich opgewonden en alle ruimte gekregen voor propaganda en bedreigingen met als enige doel: no wan man e sroto mi president.

Dat hadden zij zich kunnen besparen. Hun advocaat Irwin Kanhai had ze kunnen vertellen dat na zes minuten de moordenaar wederom als hoofdverdachte naar buiten zou lopen. Zo eenvoudig zit het Surinaamse rechtssysteem ook weer in elkaar. Duizenden Surinamers hebben het land benadeeld door niet op het werk te verschijnen, moesten scholen sluiten en is de productie voor een dag stilgelegd. We willen geen rust. Un lobi a dyugudyugu.

taknangami@live.nl

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/23/column-6-minuten/




“Kanhai wordt op het matje geroepen voor gedrag tegenover journalisten”

“Kanhai wordt op het matje geroepen voor gedrag tegenover journalisten”, zegt Samantha Gadjradj, deken van de Surinaamse Orde van Advocaten. Foto: Suriname Herald

Advocaat Irvin Kanhai wordt mogelijk berispt door het Advocaten Tuchtcollege, geeft Samantha Gadjradj, deken van de Surinaamse Orde van Advocaten, tegenover Suriname Herald te kennen. Gadjradj zegt dat Kanhai zich in zijn hoedanigheid van advocaat anders moet opstellen tegenover de media en de journalisten in de kwestie van het 8-decemberstrafproces.

Kanhai die raadsman is van ex-legerleider Desi Bouterse, heeft vorig jaar december tegen diverse media zowel nationaal als internationaal gezegd dat Bouterse geen verzet zal indienen. Echter, bleek dat hij wel verzet had aangetekend tegen het vonnis van de Krijgsraad. Sommige media hadden wel de ontkenning van Kanhai gepubliceerd, terwijl andere daarvan hadden afgezien, omdat hun bronnen wel aangaven dat er verzet was ingediend op dinsdag 3 december 2019.

Zo zei Kanhai op 5 december 2019 tegen de Ware Tijd dat zijn cliënt geen verzet zou aantekenen tegen het vonnis van 29 november 2019 waarbij Bouterse voor twintig jaar gevangenisstraf was veroordeeld door de Krijgsraad. Aan Suriname Herald zei Kanhai een dag eerder dat hij nog niet wist wat zijn cliënt zou doen. Maar later zei Kanhai aan Starnieuws dat er wel verzet was aangetekend tegen het vonnis in het Decemberstrafproces.

Kanhai zei als reactie hierop dat hij niet had gelogen. Hij noemde het een strategie. Volgens hem waren mensen al zo blij na het nieuws dat Bouterse na veertien dagen na het verstrijken van de beroepstermijn zou worden opgepakt. “Ik ben toch niet dom om geen verzet aan te tekenen. Dat mensen zoiets kunnen geloven,” aldus Kanhai tegen Starnieuws.

Gadjradj geeft aan dat de deken in deze kwestie zelf de klacht indient bij het tuchtcollege. Ook zijn er klachten over Kanhai’s functioneren als advocaat binnengekomen bij de deken. Een klacht wordt niet rechtstreeks ingediend bij het Advocaten Tuchtcollege, maar wordt eerst schriftelijk voorgelegd aan de deken.

Ze voert verder aan dat Kanhai zich in de media naar journalisten toe onbetamelijk heeft gedragen. “Dat vinden wij niet correct”, zegt Gadjradj. Volgens haar heeft hij niet gehandeld volgens de ereregels. De deken wil niet inhoudelijk ingaan op deze kwestie, omdat het een interne aangelegenheid is. Vaststaat dat Kanhai op het matje geroepen zal worden door het Advocaten Tuchtcollege want dit kan volgens Gadjradj niet door de beugel.

Vishmohanie Thomas

https://www.srherald.com/suriname/2020/01/23/kanhai-wordt-op-het-matje-geroepen-voor-gedrag-tegenover-journalisten/

Bouterse: Vonnis moet voorkomen dat ik weer president word

23 Jan, 00:01

foto
 President Desi Bouterse spreekt de massa toe op het Onafhankelijkheidsplein. Hij en zijn lijfwachten zijn gestoken in militair tenue. Zo hebben ze de Krijgsraadzitting bijgewoond. (Foto: René Gompers) 

President Desi Bouterse gelooft er heilig in dat het vonnis in het 8 decemberproces bedoeld is om te voorkomen dat hij weer president wordt. Dat is volgens hem het hele probleem dat de mensen deze horde willen nemen. “Maar ik zeg je, dat bepaal jij toch niet? Wacht een beetje… 25 mei komt en dan zal het volk beslissen. San de ye wer’ mi ede, san de ye forceer.”
 
Bouterse heeft woensdagochtend de paarse menigte die zich op het Onafhankelijkheidsplein had verzameld voorgehouden dat iedereen president wil worden. Zonder namen te noemen beschimpte hij Chan Santokhi en Edward Belfort. “Maar je hebt een Willempje van Oranje en mi Gado wan man e dren if ai srebi dat a wan tron president, a wan tron president om dit land weer over te leveren aan de kolonisator… over my death body…over my death body…”
 
Begeleid door de NDP-aanhang is Bouterse woensdag voor het eerst sinds het 8 decemberproces van start ging, als verdachte verschenen voor de Krijgsraad. Met zijn aanwezigheid heeft hij voorkomen dat het uitgesproken vonnis van 20 jaar werd bekrachtigd. Inhoudelijk is de zaak niet behandeld, omdat rechter Rewita Chatterpal verhinderd was. Haar plaats werd ingenomen door rechter Anand Charan. De zitting was van korte duur, waarbij Bouterse voor de rechter is verschenen. Nadat hij antwoord had gegeven op de vragen van de president van de Krijgsraad, Cynthia Valstein-Montnor om zijn naam, geboortedatum en beroep kenbaar te maken, heeft zij meegedeeld dat de zaak niet kan worden behandeld, omdat een lid van de Krijgsraad afwezig was. Daarop hamerde Valstein-Montnor de zitting af en liep ze de zaal uit.
 
De president hield zijn goed gemobiliseerde aanhangers op het Onafhankelijkheidsplein voor dat hij waarheidsvinding belangrijk vindt. Van de hak op de tak springend zei hij direct erachter aan: “ik heb de verantwoordelijkheid over de gewapende machten. We moeten verantwoording afleggen, want onderschat de gewapende machten niet…” Hij herhaalde: “Onderschat de gewapende machten niet, en ik heb de verantwoordelijkheid over ze. En als ze recht willen, laten ze recht spreken.”
 
Over 8 december zelf zei Bouterse: “Jullie moeten begrijpen dat er iets dramatisch is gebeurd in 1982. En je begrijpt dat als mensen de militaire cultuur niet kennen, ze de militaire traditie niet kennen, ze de militaire operatie niet kennen… We sari omdat libisma dede en a no musu gebeur nooit moro, a no mus’ gebeur nooit moro…” Hij merkte op dat in de oorlog er incidenten gebeuren. “En wij weten dat dit een incident is. Het is niet het patroon van het leger en laten wij doen aan waarheidsvinding.” Hij vindt dat er dialoog moet ontstaan, dat er moet worden doorgegaan met verzoening. “Ik strek mijn handen hier op het podium uit naar alle Surinamers…Srananmans jullie begrijpen niet dat dit land dadelijk een ander land zal zijn…”
 
Bouterse drukte zijn aanhang op het hart om niet te denken dat de NDP, de verkiezingen al gewonnen heeft. “Zo lang de mensen niet klaar zijn met tellen, hebben we niet gewonnen.” Hij gaf mee dat het hard werken geblazen is en deed nogmaals een beroep op eenieder om de gelederen te sluiten. “We kijken naar de toekomst waar we alle mensen nodig hebben, waar we alle Surinamers nodig hebben om de handen in elkaar te slaan, zodat onze kinderen en kinds kinderen het beter kunnen hebben in de ruimste zin van het woord.”
 

Eugène van der San boos op advocaat Kanhai

23/01/2020 08:51 – Ivan Cairo

Eugène van der San (l) en Irvin Kanhai.

Eugène van der San (l) en Irvin Kanhai. Foto: dWT Archief  

PARAMARIBO – Na de zitting van de Krijgsraad heeft er woendag een heftige woordenwisseling plaatsgevonden tussen Eugène van der San, directeur van het kabinet van de president en Irvin Kanhai, advocaat van ex-legerleider Desi Bouterse wiens verzetzaak was behandeld.

Na yu schuld meki a president kon tide fesi rechter“, slingerde Van der San Kanhai naar het hoofd op het bordes van het gerechtsgebouw aan de Monseigneur Wulfinghstraat. De aanleiding voor de ruzie was niet meteen duidelijk. 

Naderhand heeft de redactie van de Ware Tijd vernomen dat Van der San er laaiend over is dat Bouterse in de functie van president voor de Krijgsraad is verschenen. Toen krijgsraadvoorzitter Cynthia Valstein-Montnor hem naar zijn beroep vroeg, antwoordde Bouterse: “Ambtsdrager in de functie van president van de republiek Suriname.”

De ex-legerleider verscheen in militaire camouflagekleding voor de rechtbank. Met zijn optreden schreef Suriname geschiedenis. Het is de eerste keer dat een president in functie voor een rechter in een strafzaak is verschenen.

Naar verluidt had Van der San de president geadviseerd om woensdag gedurende 24 uur zijn ambt neer te leggen op de wijze zoals in de Grondwet is voorzien. Er was al een resolutie gemaakt om dat te regelen. President Bouterse heeft het voorstel kennelijk op advies van andere adviseurs, onder wie advocaat Kanhai, naast zich neergelegd.

Hierdoor kwam hij er niet onderuit zijn functie te noemen toen hem naar zijn beroep werd gevraagd. Dat heeft volgens een ingewijde wrevel gewekt bij de directeur van het kabinet van de president, wat tot uitbarsting is gekomen na de strafzitting.

Nadat de zitting was geopend hield Valstein-Montnor Bouterse zijn rechten voor. Zij wees hem erop dat hij gedurende de behandeling niet verplicht is te antwoorden op de vragen die aan hem gesteld zullen worden. Tot een inhoudelijke behandeling van de zaak kwam het niet, omdat de kamer die Bouterse op 29 november vorig jaar heeft veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf niet compleet was.

De wet schrijft voor dat in een verzetzaak dezelfde rechters zich weer over de zaak moeten buigen. Echter, rechter Rewita Chatterpal was wegens ziekte afwezig. Haar plaats was ingenomen door collega Anand Charan, zodat de rol kon worden afgeroepen en met de behandeling kon worden begonnen. Bouterse werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan de moord op 15 mannen op 8 december 1982. Op 31 maart wordt de behandeling voortgezet.

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/23/eugene-van-der-san-boos-op-advocaat-kanhai/

22 JAN 2020 DE NDP MASSA OP HET ONAFHANKELIJKHEIDSPLEIN

Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen, menigte en buiten

Essed: Bouterse sleept ambt president mee naar zitting

22 Jan, 14:03

foto

 Hugo Essed, advocaat van de nabestaanden, keurt het af dat Desi Bouterse het ambt van de president meegesleurd heeft naar de rechtbank. (Foto: Raoul Lith) 

 

Hugo Essed, advocaat van de nabestaanden 8 december 1982, vindt dat “de persoon Desi Bouterse het ambt van de president heeft meegesleept” naar de Krijgszitting vandaag. De jurist merkt tegenover journalisten op dat men de fout maakt door te denken dat de persoon president is. “De heer Bouterse is geen president. Hij draagt het ambt van president. En hij heeft dat ambt meegesleept vandaag. Dat vind ik op zichzelf te betreuren. Daarmee besmeurt hij nodeloos dat ambt,” stelt Essed. 
 
Bouterse is naar de zitting gegaan met zijn hele entourage. De eerste rijen waren ook gereserveerd voor de beveiliging die samen met Bouterse de zittingszaal binnenkwam. Hij is ook niet gefouilleerd zoals het doorgaans gebeurt wanneer een verdachte het gebouw binnenkomt. Publiek en pers zijn wel grondig gescreend, waarbij ook de mobiele telefoons ingeleverd moesten worden. NDP-toppers waren eveneens aanwezig in de zaal. 
 
Essed kijkt wel positief naar het proces. Bouterse is verschenen voor de rechter. Hij heeft daarmee de jurisdictie van de Krijgsraad erkend. Op vragen zegt de jurist dat de mobilisatie van massa geen invloed heeft op het proces. “Op de inhoud van de rechtszaak heeft het nul komma nul invloed.” De zaak is ordelijk verlopen. De behandeling van de zaak in verzet is officieel begonnen, ook al heeft er geen inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. “Wij zijn weer een stap verder,” stelt Essed vast. 
 
EN: Bouterse in militair tenue naar zittinghttps://www.youtube.com/watch?v=MeYJjORl9mQ
 

Bouterse moet op volgende zitting Krijgsraad wel aanwezig zijn

De rollen zijn nu omgedraaid; heel lang hebben nabestaanden allerlei beschuldigingen moeten aanhoren in de rechtszaal, maar nu moest de hoofdverdachte zelf verschijnen. Dat zegt Sunil Oemrawsing, voorzitter van de Stichting 8-december.

Na het vonnis van de Krijgsraad, waarin 20 jaar geeist werd tegen Bouterse, hebben de nabestaanden al een verlichting ervaren. Toch hoopte Oemrawsing dat de rechtszaak vandaag anders verliep en niet werd uitgesteld, omdat het een slepende kwestie is; ook voor de verdachten.

Bouterse moet op de volgende zitting wederom aanwezig zijn. Dat heeft de rechter hem ook meegedeeld. Het argument van Irvin Kanhai, de advocaat van Bouterse, dat zijn client niet meer hoeft te verschijnen, klopt niet, meent Oemrawsing.

Als Bouterse niet uitkijkt, eindigt hij als ordinair burger in een vieze cel

22-01-2020 COLUMNSHEILA SITALSING

Vanaf 30 november 2007 heeft het met grote regelmaat geschald door de rechtszaal: of de hoofdverdachte D. D. Bouterse naar voren wilde komen, om zijn plaats in te nemen in het verdachtenbankje, naar de krijgsraad te luisteren, licht te laten schijnen over duistere zaken, zich te verweren tegen de beschuldiging dat hij de hoofdverantwoordelijke was voor een slachtpartij onder vijftien landgenoten in de jonge Surinaamse republiek.

 

Hij kwam nooit. Zoals wel meer verdachten de weg naar de rechtbank niet altijd even goed konden vinden. Soms had hij de Mexicaanse griep. Soms was hij uitlandig, of anderszins verhinderd. Soms zei zijn advocaat dat hij ook niet wist waar hij uithing, hij had hem niet gesproken.

Ook toen twaalf jaar later vonnis werd gewezen in de slepende rechtszaak was hij op reis. Op het moment dat drie rechters hun eigen president tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeelden, zat hij in Peking zijn hand op te houden voor nóg meer leningen die zijn land nog dieper in de schuldenellende zullen duwen. Zat hij tegen de president van China te flemen dat het ongenoegen in Hongkong ‘een interne aangelegenheid’ is waar de rest van de wereld zich niet mee heeft te bemoeien.

‘Politiek’ smaalde hij, als het over zijn veroordeling ging. Allemaal ingestoken door politieke tegenstanders, door mensen die aan wanen lijden, en door oude koloniale machten – dat calimero-argument blijft het ook 45 jaar na de onafhankelijkheid van Nederland uitstekend doen.

Woensdag kwam hij naar zijn proces. Voor het eerst. Voor de zekerheid. Want als hij zich niet zou melden, in de rechtbank zou bevestigen dat hij het inderdaad zelf was die daar stond, 37 jaar ouder, grijzer en strammer dan toen hij het vuurpeloton instrueerde, dan zou het vonnis onherroepelijk zijn. Dan zou een hoger beroep niet mogelijk zijn.

En hij mag zich wel dan onaantastbaar achten, hij mag dan wel ‘door God op deze stoel gezet zijn’ zoals hij graag zegt, je kunt niet alles overlaten aan goddelijke machten en aan de goedgelovigheid van je achterban. Soms moet je vooruit denken. Want wie weet komt er een dag, misschien heel snel al na de verkiezingen van mei aanstaande, dat zijn god de handen van hem aftrekt, hij zijn presidentiële zetel kwijtraakt, en hij als ordinair burger in een vieze cel belandt.

Dus ging hij, in militair tenue, het ouderdomsvet weggestopt achter de broekband. De filmpjes stroomden de hele dag van alle kanten binnen op mijn telefoon. Van bussen vol aanhangers die van heinde en ver waren aangerukt – tegen betaling van 100 srd, iets meer dan een eurotientje, werd er gefluisterd.

De krijgsraad draaide de zaak om: goed dat de verdachte zich eindelijk eens had verwaardigd te komen, helaas ontbrak er een rechter. Hij mocht weer gaan. Het duurde zes minuten. Toen stond hij weer buiten, als een weggestuurde schooljongen.

Hij wist er weer een feestje van te maken. Met een plein vol aanhangers. En met eten en drinken, want de achterban is weliswaar snel tevreden – zijn partij deelt al maanden ladingen ‘pakketten’ uit met daarin levensbehoeften en kleine cadeautjes – maar je moet ze wel blijven voorzien van lekkers. Zolang dat gebeurt, zullen ze de hand die hen voedt niet bijten. Op het gevaar af dat ze almaar gulziger zullen worden. Op een dag zal dat hem opbreken.

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/als-bouterse-niet-uitkijkt-eindigt-hij-als-ordinair-burger-in-een-vieze-cel~b3c549b7/

FACEBOOK REACTIES & VIDEOS

22-01-2020
Jules Vink Hiep, hiep hoera, de moordenaar is in zijn hemd gezet, en belachelijk gemaakt. Power women!!! Daarnaast heeft hij geen enkele beschaving, je gaat niet naar een militair front, moordenaar gaat naar de rechter, ja met zijn verstand zal hij het niet begrijpen. Feestdag voor het beschaafde deel van de bevolking
Natascha Adama Rajen Budhu Lall hun god is een sater, een met hoeven en 🔱 als staf en een stok die ze op hun hoofd kweert, keer op keer op keer.
Maritza Wezel Ze zijn weer oraal en anaal verkracht zonder vaseline.En ze openen topic na topic om te vertellen hoe lekker het was😂en dat ze niet verkracht zijn .Het was echte liefde bedrijven.
 
Hein Taus Het probleem is dat vele aanhangers van NDP laag ontwikkeld is afhankelijk is van de overheid. De beter geschoolde aanhangers hebben grote voordelen aan de NDP. De laatsten weet je dat ze altijd voor Bouterse zullen zijn tenzij ze geen njang meer kunnen maken. Net als wat met Manglie , Kalidipsingh ( combe markt ) is gebeurd. Maar het probleem vormt de laag geschoolden. Bouta als laag geschoolde is hun man die het tot een sterke en grote leider heeft gebracht. Een Maduro achtige. Men voelt zich meer aangetrokken tot wie sterk overkomt. Met hun garnalen hersenen kan men niet zelfs aan hun eigen toekomst denken. Ik zie hoe lagere mederwerkers opgewonden raakten bij het zien van de beelden op tv en ondanks hun anti -ndp vol bewondering waren voor bouterse
Hein Taus elk geval dit is een historische dag waarbij bouterse is beledigd en geschoffeerd!! ze gaan het steeds verdraaien..maar ze weten het wat hun overkomen is! Wat zal Bouterse nu doen…? Zijn achterban wil dit wel gecorrigeerd hebben. Misiekaba ea zullen antwoorden..
 
Hein Taus en bij elke zitting nu bij verzet zullen ze hem laten komen als vernedering. zodra krijgsraad hem op de zitting wilt moet hij verschijnen!!
 
Hein Taus Maar in ieder geval rechtszaak heeft voortgang gehad…de griffie heeft verzet vastgelegd..en de zitting gewoon verdaagd.
 
  •  
    Hein Taus dit is strategie van de krijgsraad. ze willen de man psychisch kapot maken en kijken hoe vaak mensen hem gaan ondersteunen..denk je dat bedrijven vaak dicht willen zijn. Weet je hoe bouta nu zal balen? hij wilde graag praten. de man is gekleineerd en geschoffeerd hierdoor. natuurlijk praat hij het mooi dat de krijgsraad hem goed heeft behandeld maar de rechter heft 3 vragen gesteld en is weggelopen, dus de rechter heeft hem echt niet met respect behandeld. nu willen ze zien wat de advocaat en Bouterse gaan reageren, boos of tactisch. ze hebben wel tactisch gereageerd
 

Deze drie vrouwen zijn echte basen ze hebben #lummel als een kleine jongen behandeld en de zaak binnen 5 minuten uitgesteld.Ze hebben #lummel laten lopen door de felle zon, Ze hebben #lummel laten zweten, 1 miljoen SRD laten verspillen,#lummel zijn aanhang is zomaar zo vroeg opgestaan. #lummel zijn favoriete ondernemer Chotelal heeft zomaar 1 dag omzet gemist door zijn bedrijf te sluiten voor iets dat 5 minuten geduurd heeft.😂 Masterclass van de Krijgsraad.

Afbeelding kan het volgende bevatten: 3 mensen, zittende mensen
Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon, close-up
 

Nu ze niet eens 10.000 mensen voor #lummel hebben kunnen oproepen, zeggen ze dat het niet om een mobilisatie gaat😂😂😂
Zogenaamd alleen vrijwilligers

Klaas de Groot COMPLEET GESTOORD EN ONACCEPTABEL.
Krijgt nu iereeen een dag betaald verlof als een kennis voor de rechter moet komen?? Mismanagement, misbruik van staatsmiddelen.
Ziehier de lachwekkend pijnlijke vertoning van een gebroken man in militaire tenue, eenzaam wachtend op een stoeltje op de rechtsprekers van ons land.
De opgetrommelde NDP – aanhang keek op gepaste wijze boos om zich heen – je bent niet voor niks boze burger – maar de rest van de aanwezigen was opvallend goed gemutst. Tegenactievoerders voorzover die er waren maar misschien gekluisterd achter hun beeldscherm liepen lachend rond.
.
Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen, de tekst '#lummel moest rustig buiten wachten op zn beurt'
 

In een toespraak voor zijn achterban maakte Bouterse onder meer bekend dat hij de Krijgsraad erkent. Eerder zei hij nog dat hij de uitspraak van de Krijgsraad niet erkende omdat er sprake was van een politiek proces. Dit noemt men een draaikont!

Bouterse verscheen vandaag voor het eerst voor de Krijgsraad om beroep aan te tekenen. Eind maart wordt de zaak inhoudelijk behandeld.
 

NOS.NL

 
Bouterse verscheen vandaag voor het eerst voor de Krijgsraad om beroep aan te tekenen. Eind maart wordt de zaak inhoudelijk behandeld.
Vaneeta Bhagirath Dit noemt men geen massa, in welk belang stonden ze daar?
In Ieder geval niet in het belang van land en volk, niet in het belang van de bescherming van onze rechtstaat, niet in het belang van de toekomstige generatie, niet in het belang van de productieve en sociaal- economische sector, niet in het belang van mensen rechten en zeker niet…… In het belang van de duurzame ontwikkeling van onze grondstoffen.
Noemt men dit een volksmassa of propaganda naar de verkiezing toe.
Een Grote schande is dit om nog dit te kunnen accepteren in een democratisch land.
Moge de rechtstaat en de gerechtigheid voor de nabestaanden zegevieren..
 
 
William Spalburg Kimaro Linger-Winter Zijn gezicht toonde mij alleen maar teleurstelling met een wanhopige poging om stoer te zijn maar nu ligt de bal volledig op de helft van de krijgsraad en dat is een bittere pil!!!!
Jessica Iglesias Lijkt op Maduro op het podium, met het leger achter zich en zijn hele ministers team en politieke aanhangers die niet moe zijn van de honger. Misschien krijgen ze zelfs betaald om daar te zijn

Rinkoe Brooks De rechters zijn geen domme mensen ze hebben altijd een plan B en C.En zodoende blijft hij nog steeds een veroordeelde.Op 31 maart volgt weer een schorsing!Hoe zal hij gevoeld hebben dat hij voor de aap is gezet.Hij en zoveel paarse ratten voor niets de hele avond niet geslapen.

Maar ff serieus zoveel mensen zijn werkloos?? 😡😡😡
Of A 3kwart foe A volk dies NE roko zeker..

31 maart weer feesten dus.

Natasha Kamaansing Dus “massa” hoorde op podia dat ons rechtssysteem een rommel is..en knikken ja,rennen mee,in de felle zon,uren in de bus m.n nickerie etc.nationaal leger bussen ingezet door de regering.ministeries,zaken,bedrijven gesloten….VOOR WAT,6 MINUTEN BIJSTAAN?nooit ons rechtssysteem onderschatten,heb respect voor.
Sander Emanuels En hij marcheerde naar binnen op de tonen van een… brassband??
Mark FräserSander Emanuels voor ‘t eerst maak ik dit mee!. Iets dat je niet eens in films ziet!. Een moordverdachte die trots een rechtsgebouw binnen stapt op tonen van muziek!!. Sranang fadong baja!!.
Marab Loedba Instituut President is gedegradeerd door deze man. Trouwens is gebleken dat hij geen land kan besturen.
Soemie Matradji Alleen maar verlies voor het land, kijk hoeveel mensen niet werken. Hoe gaat het land vooruit????
Anthony Wong Soemie Matradji de meesten die daar waren leveren totaal geen economische bijdrage maar leven van pakketen bazo kaart
Soemie Matradji Anthony Wong de meeste zijn geen ndp’er, zijn gedwongen om naar daar te gaan
Dew Ramsemoedj De eerbare rechters hebben hem met zijn slaven gewoon een poeppie laten ruiken

Hein Taus PARAMARIBO – Surinaamse militairen mochten woensdag de Memre Boekoe-kazerne in Paramaribo niet verlaten. Ze moeten paraat zijn voor als de situatie rond de rechtbank uit de hand zou lopen. President Desi Bouterse moest daar voor de krijgsraad verschijnen.

Volgens de advocaten van Bouterse is het heel normaal om op dergelijke momenten het leger in staat van paraatheid te brengen.

Een advocaat van de nabestaanden van de decembermoorden noemde dat onzin en zei dat het machtsvertoon van de regering-Bouterse is

Elke ambtenaar had dus het recht om niet naar het werk te gaan maar om de President te ondersteunen en dat is landsbelang zegt Minister Chotkan. NDP Bigi 😂😂 wat een mobilisatie kracht

ABC Online Nieuws – 22 januari 2020 Chotkan en Moestadja spreken elkaar tegen; personeel ministeries wel naar gerechtsgebouw Minister Vijay Chotkan van Openb…
 
Over deze website
 
YOUTUBE.COM
 
ABC Online Nieuws – 22 januari 2020 Chotkan en Moestadja spreken elkaar tegen; personeel ministeries wel naar gerechtsgebouw Minister Vijay Chotkan van Openb…

https://www.youtube.com/watch?v=wICk6IHRQ2s&feature=youtu.be&fbclid=IwAR1c4CXfLyyYWUiWf1Kk_dK079GKPWX7NaxJ0gEoapZZv25SAhjPfp2Fspk

22.01.2020
Een echte volkspresident zou zijn volk aan het werk laten gaan.
Een echte volkspresident zou man’s genoeg zijn en niemand mee sleuren in troep die hij in zijn verleden heeft gedaan.
Een echte volkspresident zou de jeugd van Suriname normaal van zijn schooldag laten genieten, omdat zij ten alle tijde recht hebben op onderwijs.
Een echte volkspresident zou de economie draaiende proberen te houden.
Een echte volkspresident zou zijn volk vragen in vrede met elkaar te leven, ongeacht de uitkomst van vandaag. Hij zou die oproep niet alleen doen voor 25 mei 2020!!!
Een echte volkspresident zou in algemeen belang van zijn volk de juiste beslissing nemen.

Een echte volkspresident..

YOUTUBE BOUTERSE NAAR DE KRIJGSRAAD ZITTINGhttps://www.youtube.com/watch?v=sPxqEIyhX1s&fbclid=IwAR3Nu4D6CRHpqO6JWD9pnRZDMHAvipON4UGh7-B33MIta4G8aGgSjrIaDEE

….ondertussen is dit het relaas wat de rechter tegen onze poepejantje bouta zei……(ik ga stuk,😂😂🤣😂😂)

Rechter: Boi zeg hoe je heet
Baas: Desi de geweldige edelachtbare
Rechter: Wie zijn die mensen buiten
Baas: Kweet nie mevrouw ik heb ze onderweg gezien
Rechter: Boi ik ga je wegsturen nu. Neem die circus van buiten mee en doe je normale clowns pak aan als ik je weer roep.
Baas: Mevrouw da wanneer moet ik weer komen
Rechter: 31 maart. Donder nu op!
Baas: Ija mevrouw..

Hij moet want hij is een vriendje! 🤣🤣🤣😂

….ondertussen, mocht onze poepejantje bouta na 6 minuten weer optyffen! Hij wilde nooit langskomen toch? Hij wilde de rechters belachelijk maken toch? Now it’s payback time! Laten komen en gaan, totdat hij een fokking ons weegt en zij achterlijke aanhang ook! Fokjoe bouta, fokjoe!

….ondertussen, MOET hij ook OPSTAAN voor de rechter,….omdat hij een poepejantje klootzak is!

Afbeelding kan het volgende bevatten: de tekst 'desi zit mooi dang! (voor de rekter)'

….ondertussen,…..

Afbeelding kan het volgende bevatten: de tekst 'desi, morgen is het JOUW dag! Ben je blij?Wij zijn wel HEEEEELLL BLIJ voor je hoop ding srotoh joe mars meteen'
 

2020 is slecht begonnen voor NDP:
– Faya Pepre down
– Afobaka feest gecanceld
– Fitch downgrade
– Kadermeeting gecanceld
– Koers blijft elke dag stijgen
– Van Trikt ontslagen
– Deviezencommissie besluit ingetrokken
– Constitutioneel Hof ingetrokken
– NDP Nickerie loopt over naar HVB
– Bouta moet als een kleine #lummel op een arrestantenstoel buiten wachten
– Zomaar alle mobilisatie en kosten 22 jan

En januari is nog niet eens voorbij!

Afbeelding kan het volgende bevatten: de tekst 'ALLES GAAT MIS!'

Zo zo, het broeit behoorlijk binnen de NDP. Eerst laten ze Van Trikt vallen als een baksteen. En nu zijn ze begonnen met Limbo.

 
Afbeelding kan het volgende bevatten: de tekst 'Dinesh Lucky and 300 others Most Relevant Calvin Calvin telgje. zit de heer Limburg in elkaar. weten dat mischien niet. Ik was toen jongen 16 jaar, maar veel ouder wijzer. Ik ben een van jongens die hem oraal moest bevredigen. Toen hij eenmaal bevredigd was gaf hij mij het volgende:
Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon
 
Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen en staande mensen
 
 

LIMBO ie verras oenoe nanga gedrag diesie! We saar a tjien boi Calvin. Je gie NDP bigie sjen. WIJ ZIJN KLAAR MET JOUW!

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Suriname niet uitgenodigd voor topoverleg met Amerika

21/01/2020 06:08 – Ivan Cairo  

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Mike Pompeo.

klik voor meer  meer...

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Mike Pompeo. Foto:

PARAMARIBO – Suriname participeert niet in de bespreking dinsdag tussen de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Mike Pompeo, en collega’s van Caricom-landen. Minister Yldiz Pollack-Beighle kreeg geen uitnodiging en gaat dus niet. De bijeenkomst die in Kingston, Jamaica, plaatsvindt heeft voor enige controverse gezorgd in Caricom. 

Of Barbados wel een uitnodiging heeft gekregen, is niet gezegd. In ieder geval stuurt Bridgetown geen vertegenwoordiger. Premier Mia Mottley zegt dat haar regering niet deelneemt aan onderonsjes waarbij niet alle Caricom-landen zijn uitgenodigd. Barbados is nu voorzitter van Caricom.

Desgevraagd zegt minister Beighle uit de media te hebben vernomen dat er een bilateraal onderhoud zal plaatsvinden tussen de ministers van Buitenlandse Zaken van Jamaica en de VS. “In de marge van deze meeting schijnen enkele Caricom-landen te zijn uitgenodigd. Suriname is niet uitgenodigd. Ook de agenda voor deze gesprekken is ons niet bekend”, aldus de bewindsvrouw.

Ze benadrukt dat Suriname en de VS een “excellente bilaterale samenwerking” met elkaar hebben. Vooralsnog is onduidelijk welke landen zijn uitgenodigd voor de meeting in Kingston. Tijdens een receptie afgelopen zaterdag ter gelegenheid van de viering van de 100ste verjaardag van premier Errol Barrow – nu wijlen – zei Mottley dat de ontmoeting met Pompeo een poging is om de Caricom te verdelen.

“We zoeken geen ruzie. Ik ben niet op zoek naar gevechten, maar ik ben mij ervan bewust dat als dit land niet ergens voor staat, het voor alles te vinden zal zijn. Als voorzitter van Caricom kan ik onmogelijk toestaan dat mijn minister van Buitenlandse Zaken een vergadering bijwoont met iemand waarbij slechts enkele leden van Caricom zijn uitgenodigd. Als sommigen worden uitgenodigd en niet allemaal, dan is het een poging om deze regio te verdelen”, zei Mottley.

In maart 2019 was er ook al onenigheid binnen Caricom nadat de Amerikaanse president Donald Trump een handjevol Caricom-leiders had uitgenodigd voor een bespreking in het Witte Huis. Die uitnodiging werd gezien als een beloning voor hen die een resolutie ondersteund hadden bij de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). In die resolutie werd de tweede ambtstermijn van vijf jaar van de Venezolaanse president Nicolás Maduro niet erkend.

De vijf Caribische leiders die de bijeenkomst bijwoonden, werden door de premier van Antigua en Barbuda, Gaston Browne, getypeerd als “zwakzinnig” door op de uitnodiging van Trump in te gaan. “Ik schaam me voor die zwakke leiders die zich laten gebruiken om de agenda van anderen uit te voeren,” schreef Browne op zijn Facebook-pagina.

Het besluit van de vijf om naar die meeting te gaan, werd ook bekritiseerd door Ralph Gonsalves, de premier van St. Vincent en de Grenadines. Gonsalves beschuldigde de VS ervan dat hij de regio probeerde te verdelen. Ook de premier van Trinidad en Tobago, Keith Rowley, leverde kritiek.

http://www.dwtonline.com/mobiel/?node=492269

.

Krijgsraad is na zes minuten al klaar met Bouterse

De Surinaamse president Desi Bouterse houdt een toespraak na afloop van de zitting van de krijgsraad buiten op het Onafhankelijkheidsplein.De Surinaamse president Desi Bouterse houdt een toespraak na afloop van de zitting van de krijgsraad buiten op het Onafhankelijkheidsplein. © ANP

De zitting van de Krijgsraad, waar president Desi Bouterse voor het eerst verscheen, is na zes minuten alweer beëindigd. Een van de drie rechters en de openbaar aanklager waren niet aanwezig. Daardoor is zaak verdaagd tot 31 maart.

Onder luide toejuichingen van duizenden aanhangers verscheen Bouterse vandaag voor de Krijgsraad. Gekleed in militair tenue stond hij voor het eerst oog in oog met de rechters die hem twee maanden geleden veroordeelden tot 20 jaar cel voor de Decembermoorden. 

Bouterse stond op voor de rechters en gaf antwoord toen rechtbankpresidente Cynthia Valstein-Montnor hem vroeg naar zijn naam, geboortedatum en beroep. ,,Ambtsdrager in de functie van president van de republiek Suriname’’, zei hij. Daarna meldde Valstein-Montnor dat rechter Rewita Chatterpal niet aanwezig was vanwege ziekte, waardoor de inhoudelijke behandeling van de zaak is uitgesteld.

Als een trotse militair verliet Bouterse zes minuten na aanvang van de zitting alweer de rechtbank, terwijl zijn aanhangers hem volgden naar het Onafhankelijkheidsplein. Daar dankte hij in een toespraak zijn echtgenote, kinderen en het publiek, en veegde de vloer weer aan met het strafproces.

Hij noemde het ‘lastig als er een verdachte is die ook president is’ en zei dat tijdens de binnenlandse oorlog veel meer slachtoffers zijn gevallen. Bouterse riep op tot verzoening en samenwerking. ,,Ik strek mijn handen uit naar iedereen. We gaan voor een nieuw begin, maar we hebben nog niet gewonnen.’’

Het was voor het eerst dat Bouterse voor de Krijgsraad verscheen in het 8 December Strafproces. De rechters behandelden zijn verzet tegen de veroordeling tot 20 jaar cel voor de moord op 15 tegenstanders van zijn regime in 1982.

,,Alles is ordelijk verlopen, zowel binnen als buiten de rechtbank‘’, zegt Hugo Essed, advocaat van de nabestaanden. ,,Door te verschijnen, erkent hij ook dat de Krijgsraad bevoegd is om recht over hem te spreken. Dat is ook positief. Ik vind het alleen negatief dat hij het presidentschap heeft meegesleept in de rechtbank. Daarmee heeft hij het ambt besmeurd.’’

Nabestaande Eddy Wijngaarde, broer van de vermoorde Nederlandse journalist Frank Wijngaarde, heeft er vrede mee dat het zo snel afgelopen was. ,,Zolang het proces maar goed verloopt. Het was te kort om er een emotie bij te hebben. Ik had me ingesteld op een vraag-antwoord spel, maar dat kwam niet.’’

,,Ik zag hem niet goed door alle lijfwachten om hem heen. Ik vond het wel vervelend dat hij in militair tenue verscheen. Dat is een provocatie van jewelste. In de stad hangen ook grote borden met de tekst ‘40 jaar revolutie’, vanwege de coup in 1980. Hij propageert het land te willen verenigen en dan doet hij dit. Hij heeft er niks van geleerd.’’

De in uniform gestoken Bouterse bedankte het publiek voor de steun die hij steeds heeft gekregen tijdens het proces over de decembermoorden.

 
De in uniform gestoken Bouterse bedankte het publiek voor de steun die hij steeds heeft gekregen tijdens het proces over de decembermoorden. © ANP

Brassband

Bouterse arriveerde een uur voor aanvang van de zitting in het gerechtsgebouw. Hij werd vergezeld door vele tientallen mensen, onder wie Defensieminister Ronni Benschop. Toen hij samen met enkele militairen aan zijn zijde de rechtszaal betrad, zongen vrouwen religieuze liederen.

Buiten hadden zich duizenden aanhangers uit heel Suriname verzameld. Ze kwamen in een stoet, onder begeleiding van een brassband, of met tientallen bussen naar Paramaribo. Daarmee gaven ze gehoor aan de oproep van de Nationale Democratische Partij (NDP) om voorzitter Bouterse massaal te steunen. ,,President, u gaat niet. Wij gaan!’’ riep parlementslid Silvana Afonsoewa onlangs op een partijbijeenkomst . ,,Oppositie noch Krijgsraad zal de show stoppen.’’

De straten rond de rechtbank waren hermetisch afgesloten. Voor het gebouw stonden hoge dranghekken, overal liepen militairen en agenten. Scholen bleven dicht. Volgens Surinaamse media hadden sommige bedrijven hun personeel zelfs vrij gegeven om Bouterse te kunnen ondersteunen.

Voor het gerechtsgebouw waren ook ministers en partijprominenten. Ramon Abrahams, ondervoorzitter van de NDP, zei tegen journalisten dat de opkomst ook een signaal is naar de verkiezingen. ,,Dit is ook onze organisatie op peil brengen naar 25 mei toe en kijken hoe onze mensen gemobiliseerd zijn en wat onze sterkte is. Ik heb geen geloof in de rechterlijke macht.’’

Stressbestendig

Archieffoto Desi Bouterse uit 1984.

Archieffoto Desi Bouterse uit 1984. © ANP

First Lady Ingrid Bouterse zei volgens de krant De Ware Tijd kort voor aanvang van de zitting blij te zijn met de steun van de leden. Haar man is ‘onder alle omstandigheden kalm’, zei ze. ,,Je zal nooit aan hem merken dat iets mis is. Absoluut geen stress. Mijn man is vreselijk stressbestendig. Dat is iets wat ik in hem bewonder. Hij geeft nooit op en is positief.’’

Parlementsvoorzitter Jennifer Geerlings-Simons noemde het een ‘ jammerlijke dag’. ,,We hebben de president veroordeeld. Voor of tegen: je moet dat niet zo afhandelen. Dit ding hebben we als land verkeerd laten aflopen.’’

Een groep NDP’ers heeft de nacht doorgebracht op straat vlakbij het rechtsgebouw. Ze zongen het traditionele lied ‘Mi kondre true’ (mijn ware land) en ‘Hori vaste san yu habi’ (houdt vast aan de dingen die je hebt).

Ze droegen paarse NDP-vlaggen en shirts met een afbeelding van ‘Bouta’. Op straat stonden tafels en stoelen, er was eten drinken, muziek en dans. ‘Strey de fu strei, un no sa frede!’, riepen ze. ‘Als je strijdt voor je strijd, zul je geen angst kennen’.

We hebben gezongen en gebeden voor kracht en bescher­ming van onze president. Er moet recht gesproken worden

Harriette Bholasingh-Helstone

Boutisten

Harriette Bholasingh-Helstone was een van de ‘Boutisten’, die de hele nacht buiten voor de rechtbank heeft vertoefd. Ze is ondercoördinator van de NDP in het ressort Rainville. ,,Ik vind het belangrijk om hier te zijn voor onze volksleider. Ik woon hier vijf minuten vandaan, maar het zou belachelijk zijn als mensen uit alle windstreken hier naartoe komen, terwijl ik als rechtgeaarde NDP’er thuis zit.’’

Met haar aanwezigheid wilde ze Bouterse een hart onder de riem steken. ,,We hebben gezongen en gebeden voor kracht en bescherming van onze president. Er moet recht gesproken worden. Het kan niet zo zijn dat hij al bijna 40 verdacht wordt van bepaalde zaken en er geen eind aan komt. Dat is niet leuk voor de nabestaanden, maar ook niet voor onze partijvoorzitter. Hij is een wijze man die gewoon meewerkt.’’

Desi Bouterse in 2018.

 
Desi Bouterse in 2018. © EPAhttps://www.ad.nl/buitenland/krijgsraad-is-na-zes-minuten-al-klaar-met-bouterse~a32c161d/

Bouterse wilde rechtszaak live voor het publiek

President Bouterse spreekt zijn partijaanhang op het Onafhankelijkheidsplein toe. Foto: NII

De bij verstek veroordeelde Desi Bouterse in het 8-decemberstrafproces zei na de zitting van de Krijgsraad op het Onafhankelijkheidsplein tegen partijgenoten, dat hij de opzet van de rechtszaak graag had anders gewild.

Bouterse zei dat hij met alle respect naar de rechterlijke macht toe een brief heeft geschreven naar de waarnemend president van het Hof van Justitie, Iwan Rasoelbaks, alsook de president van de Krijgsraad, Cynthia Valstein-Montnor, om als verantwoordelijke mensen te praten, omdat het om Suriname gaat. De president van de Krijgsraad heeft teruggeschreven dat zij niet kan, omdat zij de zaak behandelt. Bouterse heeft hiervoor respect.

Rasoelbaks is wel ingegaan op de uitnodiging. De president heeft met hem van gedachten gewisseld over het proces van vandaag en het feit dat Bouterse ook president is van het land. Hij gaf aan dat het probleem van dit proces is dat er een zogenaamde verdachte is, genaamd Bouterse, die tegelijkertijd ook president is, “dus natuurlijk ie kan kar wan verdachte kon, maar ie no kan kar wan president kon”. Bouterse wilde voornamelijk dat alles ordelijk verliep.

Hij had graag gezien dat de rechtszaak vanwege de ligging van het gebouw van de Krijgsraad en de verwachtte massa op een andere locatie werd gehouden en ook met de betrekking van de veiligheid van de Krijgsraadsleden.

Bouterse deed voorstellen voor het houden van de zitting op het presidentieel paleis, Domburg of het Hoekhuis. Rasoelbaks kwam volgens de president met een beter idee om de rechtszitting te houden in het gebouw van het Hof aan de Tamarindelaan tegenover het Onafhankelijkheidsplein en de massa via grote schermen op het plein de rechtszaak live zou kunnen meemaken. Waarom de rechtszaak toch gehouden is aan de Mgr. Wulfingstraat, heeft hij niet bekendgemaakt.

https://www.srherald.com/suriname/2020/01/22/bouterse-wilde-rechtszaak-live-voor-het-publiek/

Essed: Bouterse sleept ambt president mee naar zitting

22 Jan, 14:03

foto

 Hugo Essed, advocaat van de nabestaanden, keurt het af dat Desi Bouterse het ambt van de president meegesleurd heeft naar de rechtbank. (Foto: Raoul Lith) 
Hugo Essed, advocaat van de nabestaanden 8 december 1982, vindt dat “de persoon Desi Bouterse het ambt van de president heeft meegesleept” naar de Krijgszitting vandaag. De jurist merkt tegenover journalisten op dat men de fout maakt door te denken dat de persoon president is. “De heer Bouterse is geen president. Hij draagt het ambt van president. En hij heeft dat ambt meegesleept vandaag. Dat vind ik op zichzelf te betreuren. Daarmee besmeurt hij nodeloos dat ambt,” stelt Essed. 
 
Bouterse is naar de zitting gegaan met zijn hele entourage. De eerste rijen waren ook gereserveerd voor de beveiliging die samen met Bouterse de zittingszaal binnenkwam. Hij is ook niet gefouilleerd zoals het doorgaans gebeurt wanneer een verdachte het gebouw binnenkomt. Publiek en pers zijn wel grondig gescreend, waarbij ook de mobiele telefoons ingeleverd moesten worden. NDP-toppers waren eveneens aanwezig in de zaal. 
 
Essed kijkt wel positief naar het proces. Bouterse is verschenen voor de rechter. Hij heeft daarmee de jurisdictie van de Krijgsraad erkend. Op vragen zegt de jurist dat de mobilisatie van massa geen invloed heeft op het proces. “Op de inhoud van de rechtszaak heeft het nul komma nul invloed.” De zaak is ordelijk verlopen. De behandeling van de zaak in verzet is officieel begonnen, ook al heeft er geen inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. “Wij zijn weer een stap verder,” stelt Essed vast. 
 
 

Bouterse in militair uniform voor de rechtbank, zitting in maart verder


22-01-2020

Bouterse bij de Krijgsraad in Paramaribo 

ANP

Bouterse verscheen vandaag, gekleed in militair uniform, voor de rechtbank in Paramaribo. Hij noemde zijn naam, geboortedatum en beroep.

Bouterse kwam onder luid gejuich van aanhangers aan bij de rechtbank. Toen hij naar buiten kwam, werd hij opgewacht door aanhangers van zijn Nationale Democratische Partij:

Na afloop van de zitting liep de Surinaamse president met zijn aanhang weer naar buiten. Hij werd vergezeld door zo’n honderd mensen, onder wie minister van Defensie Ronni Benschop. Het was voor het eerst in deze rechtszaak, die in 2007 begon, dat Bouterse persoonlijk voor de rechters verscheen.

Matige opkomst

Buiten de rechtbank hadden zich aanhangers van Bouterse verzameld. Zij waren vanuit het hele land met bussen naar Paramaribo gekomen. Bouterses partij NPD had leden opgeroepen massaal naar de rechtbank te komen om Bouterse te steunen. Een deel van hen bracht er ook de nacht door, maar in totaal viel de opkomst tegen.

profielfoto
Nina Jurna@NinaJurna

Aanhangers vd NDP verzamelen zich rondom het gerechtsgebouw om #Bouterse te ondersteunen. Vandaag verschijnt hij voor het eerst persoonlijk id rechtbank. Bouterse is veroordeeld tot 20 jr voor de #Decembermoorden maar tekende verzet aan. Vandaag dient zijn zaak.

De politie had een ruim gebied rondom de rechtbank afgezet om te voorkomen dat de aanhangers van Bouterses partij NDP dicht bij het gerechtsgebouw konden komen. Binnen de afzetting mochten alleen mensen komen die bij de rechtszitting aanwezig mogen zijn, onder wie juristen, nabestaanden van slachtoffers en journalisten. Er waren ook zwaarbewapende agenten.

Een menigte liep van de rechtbank naar het Onafhankelijkheidsplein. In een toespraak voor zijn achterban maakte Bouterse onder meer bekend dat hij de Krijgsraad erkent. Eerder zei hij nog dat hij de uitspraak van de Krijgsraad niet erkende omdat er sprake was van een politiek proces.

https://nos.nl/artikel/2319710-bouterse-in-militair-uniform-voor-de-rechtbank-zitting-in-maart-verder.html

GEVANGEN NEMEN EN 20 JAAR OPSLUITEN.BESTE MENSEN LEEST U HOE HET VROEGER WAS WAAR MEN GRETIG MISBRUIK MAAKTE VAN DEZE REGEL GEVING !! WAT ZAL HET NU WORDEN MET DIE GROTE BEK VAN ONZE SLOW WALKER ZIJNE HOOGHEID MOORDENAAR EN FOLTERAAR VAN 15 DAPPERE MANNEN DIE STRIJDEND TEN ONDER GINGEN VOOR ONZE DEMOCRATISCHE REPUBLIEK SURINAME WAAR NU EEN STELLETJE GEBRAINWASHTE SLAVEN VAN BOUTERSE ONZE RECHTSTAAT PROBEREN TE ONTREGELEN DOOR EEN OPROEP VAN EEN STELLETJE VEROORDEELDE CRIMINELEN !! STRAF DEZE HANDELING IN NAAM VAN ONZE DEMOCRATIE OP 25 MEI BEHOORLIJK AF !! LEVE ONZE RECHTSTAAT !!

* In het verleden kon elke beklaagde die bij verstek veroordeeld werd, binnen de wettelijke termijn, altijd verzet aantekenen tegen zijn veroordeling.
De reden van de afwezigheid van de beklaagde op de zitting was volstrekt irrelevant.
Dit gaf echter aanleiding tot zeer vele verzetten, zoals nu in het straf decemberproces
Om hieraan tegemoet te komen, heeft de wetgeving de regeling aangepast.
Thans dient een beklaagde die verzet wil aantekenen tegen een verstekvonnis in strafzaken niet enkel het verzet aan te tekenen binnen de wettelijke termijn, doch dient de beklaagde ook te motiveren waarom hij niet aanwezig was op de oorspronkelijke zittingen.

*1e zitting: IK VOELDE MIJ NIET LEKKER

*2e zitting: IK VOELDE MIJ NIET LEKKERDER.

*3e zitting: IK HAD EEN KLEINE GRIEP

*4e zitting: IK IK HAD EEN GROTE GRIEP

*5e zitting: IK WAS UITLANDIG

*6e zitting: IK HAD ME VERSLAPEN

*7e zitting: IK WAS OP DOORREIS VAN VENEZUELA NAAR CUBA

*8e zitting: DE FIRST LADY MOEST HAAR PERIODE DOORSTAAN

Slechts indien er sprake is van overmacht in zijn hoofde zal de rechtbank het verzet behandelen.
Als dit niet het geval is zal het verzet “ongedaan” worden gemaakt.
Gelet op deze nieuwe regeling, wordt er vaak getwijfeld of het wel zin heeft om verzet aan te tekenen en wordt er soms voor gekozen om zowel verzet als hoger beroep aan te tekenen.
Wanneer er tegelijk verzet en hoger beroep wordt aangetekend en het verzet ongedaan wordt verklaard door de oorspronkelijke rechtbank, wordt het hoger beroep ook onontvankelijk verklaard, Wat zal de uitslag op woensdag 22 januari 2020 zijn?.

Afbeelding kan het volgende bevatten: 3 mensen, zittende mensen

Bouterse beweert dat 8 decembermoorden een 'incident in de oorlog' was... - Opmerking is ongenuanceerde sneer naar nabestaanden

 

‘De Krijgsraad heeft mij met respect behandeld’

President Desi Bouterse noemde vanochtend, woensdag 22 januari 2020, in een toespraak op het Onafhankelijkheidsplein, na het uitstel van zijn verzetzaak bij de Krijgsraad, de 8 decembermoorden ‘een incident in de oorlog’. ‘We sari, omdat libisma dede en het moet nooit meer gebeuren.’ Maar, vervolgens vroeg hij zichzelf af waarom we spreken over nabestaanden van 15 slachtoffers. ‘Wat is gebeurd met de nabestaanden van de honderden binnenlandbewoners, militairen, van Maka, Tucajana, Moiwana…?’ Dit schrijft Starnieuws.

Bouterse zei, dat hij zijn handen uitstrekt om in eenheid te werken aan de opbouw van het land. Hij beweert, dat Suriname straks een ander land is. ‘Nu moeten wij Surinamers bijeen brengen en nadenken over hoe wij dit land samen kunnen opbouwen.’ We moeten nu al dromen waar de nieuwe stad zal komen, hoe we het land moeten ontsluiten. We moeten denken aan moderne steden en een moderne stad, want gado gi unu oli en gas, gas, gas…lai.’ 

De president wees erop, dat ‘we een gemeenschappelijke job te doen hebben’ en dat alle Surinamers bijeen moeten worden gebracht. Hij nodigde iedereen uit om daartoe bij te dragen.

‘Ik zal misschien niet meer vooraan staan, maar ik zal achterin staan om te duwen. God heeft ons zoveel rijkdommen gegeven…’

Aan de opgekomen sympathisanten heeft Bouterse voorgehouden, dat de Krijgsraad hem met respect heeft behandeld. Voor dezelfde Krijgsraad, die hij op verschillende podia had uitgespuugd, vroeg hij vandaag een applaus ‘voor het respect dat aan hem is betoond’.

https://suriname-mirror.blogspot.com

BOUTERSE ALS MILITAIR AANGEKOMEN BIJ KRIJGSRAAD

Jan 22, 2020

Desi Bouterse is tegen 8:04 woensdagochtend aangekomen bij de zitting van de krijgsraad aan de Mgr. Wulfingstraat. Hij werd begeleid door een menigte aan NDP-ers; de politieke partij waarvan hij ook de voorzitter is. De zitting begon om 9:00 uur.

Bouterse is ook president van het land, en dit werd duidelijk gemaakt door het aantal bewindslieden die met hem meeliepen naar het gerechtsgebouw. Ook vicepresident Ashwin Adhin was erbij. “De opkomst hier geeft aan wat de president betekent voor ons. Hij is niet alleen een staatshoofd, maar een leider van kaliber”, zegt Adhin.

Ook een paar ministers zijn gesignaleerd, waaronder minister Antoine Elias van Volksgezondheid, minister Gillmore Hoefdraad van Financiën en minister Stephen Tsang van Handel Industrie en Toerisme (HIT). Minister Stuart Getrouw van Justitie en Politie (JUSPOL) en minister Ronni Benschop van Defensie liepen naast hem.

De opkomst is redelijk, maar de verwachting is dat die gaandeweg de ochtend verder zal aanzwellen. De bedoeling is dat Bouterse de menigte zal toespreken nabij het oud vlaggenplein aan de Onafhankelijkheidsplein.

Tussen de mensenmassa zijn er enkele personen die met moeite hun emoties kunnen bedwingen en scherpe uitlatingen doen richting de politieke oppositie en de krijgsraad die hun leider zouden proberen uit te schakelen.

Er worden strijdvaardige leuzen door de mensen kenbaar gemaakt, maar tot zover houden die zich keurig. Minister Tsang verwacht ook niet dat het anders zal gaan. “Daarvoor staat de NDP niet”, zegt hij.

Intussen is ook Jennifer Geerlings-Simons aangekomen bij de rechtszaal. Tussen de menigte bevinden zich ook andere NDP-parlementariërs, waaronder William Waidoe.

https://unitednews.sr/bouterse-als-militair-aangekomen-bij-krijgsraad/

LIVE BLOG: BOUTERSE SPREEKT MENIGTE TOE OP VLAGGENPLEIN

22/01/2020 09:42 – Van onze redactie

Live blog: Bouterse spreekt menigte toe op Vlaggenplein

 

PARAMARIBO – Nu de zitting verdaagd is, loopt Desi Bouterse met duizenden aanhangers richting het Vlaggenplein, waar hij alle aanwezigen zal toespreken. Ook daar is de Ware Tijd aanwezig en zal verslag doen.

10:16 uur

De Ware Tijd sluit deze tweede blog af. Blijf de website (www.dwtonline.com) en de Facebookpagina volgen voor meer updates.

10:14 uur

Glenn Dest komt het podium op. Hij zegt dat de NDP op 24 februari de eerstvolgende massameeting heeft op het Revoplein.  De volgende dag wordt veertig jaar Dag van de Bevrijding en Vernieuwing herdacht. “Wan switi dey en tyari a boskopu go moro fara.”

10:13 uur

Desi Bouterse sluit af. “Power! One Love! Gado no wi fesiman. Mi e gi unu grantangi!

10:12 uur

Bouterse: “Wij staan aan een nieuw begin. Laten we niet denken dat de NDP al heeft gewonnen. Unu musu naki go doro, unu musu pompu go doro. So langa den sma no keba teri unu no wini.”

10:03 uur

Bouterse: “Het probleem is dat men niet wil dat Bouterse weer president wordt. 25 mei e kon, dan a volk e takiSan yu e forceer?” Volgens hem wil iedereen president worden. “Yu abi wan siki man in Assemblee … mi no sabi fa a nen“, zei hij verwijzend naar Edward Belfort. “Willempje van Oranje (Santokhi, … red.), a man e dren, sribi wiki a man mu tron president fu tyar a kondre baka gi a kolonisator. Over my dead body, over my dead body!”

09:58 uur

Bouterse over 8 december: “Wan dramatisch sani p’sa in 1982. Den sma no sabi a militaire cultuur. W’e sari omdat libisma dede a no musu gebeur nooit moro. Maar hebben jullie je afgevraagd saide w’e tan taki abra nabestaanden fu 15 sma. San p’sa nanga den honderden busikondre sma san dede. San sma nanga den nabestaanden fu Tucayana, Matta, Moiwana en den srudati?

09:57 uur

Bouterse: “Disi na a eerste lesi san mi gi na Hof en mi o taigi unu saide. Den man spreek wan verstekvonnis uit. Ef mi no go a vonnis o kisi krakti.” Hij beweert dat het hele proces van al die jaren opnieuw gaat beginnen nu er verzet is aangetekend.

09:53 uur

Bouterse: “A probleem fu a proces disi na dati yu abi wan zogenaamde verdachte, meneer Bouterse en a probleem e kon bigi omdat meneer Bouterse tegelijkertijd na president fu a kondre. Yu kan kari wan verdachte kon ma yu no kan kari wan president kon.”

09:51 uur

Desi Bouterse: Grantangi fu di unu libi have en goed fu kon gi mi a power. Hij dankte ook zijn echtgenote en kinderen “di e gi mi power all the way! Ma a moro bigi tangi mi wan gi a Papa san e luku a strey di wi e strey rechtvaardig.”

09:47 uur

Desi Bouterse wordt aangekonding. Hij zingt het ‘Ai Sranan’ van wijlen Max Nijman mee.

09:43 uur

Opnieuw wordt de draak gestoken met de VHP. “W’o sori fa unu e singi a volkslied … a Nederlands couplet nanga a Sranan wan.” De naam van de VHP noemt hij niet. Ravenberg houdt het op: Who the cap fits!”

09:42 uur

Guno Ravenberg zweept de aanwezigen op het plein behoorlijk op. De mensen zwaaien met hun vlaggen, terwijl er diverse strijdliederen worden afgedraaid. Net als Glenn Dest, die de mensen verwelkomde, stak Ravenberg flink de draak met de VHP. “Dit noemen we een massa. NDP bigi!”


http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/22/live-blog-bouterse-spreekt-menigte-toe-op-vlaggenplein/

Eerste zitting verzetzaak Bouterse super kort

22/01/2020 09:38 – Ivan Cairo

 

Eerste zitting verzetzaak Bouterse super kort

PARAMARIBO – De behandeling van de verzetzaak tegen ex-bevelhebber Desi Bouterse duurde woensdag amper zes minuten. Nadat de verdachte zijn naam had genoemd, werden hem door Krijgsraadpresident Cynthia Valstein-Montnor zijn rechten voorgehouden en werd hem meegedeeld dat de samenstelling van de kamer niet dezelfde is als die hem heeft gevonnist waardoor er geen inhoudelijke behandeling van de zaak kon plaatsvinden. Rechter Rewita Chatterpal was verhinderd. Haar plaats werd woensdag ingenomen door Anand Charan.

Bouterse verscheen evenals al zijn lijfwachten in militaire uniform. Toen hem naar zijn beroep werd gevraagd antwoordde hij: “Ambtsdrager in de functie van president van de republiek Suriname.” De zaak is verdaagd naar 31 maart.

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/22/eerste-zitting-verzetzaak-bouterse-super-kort/




Live blog: Bouterse voor de Krijgsraad

22/01/2020 07:41 – Van onze redactie

Live blog: Bouterse voor de Krijgsraad

PARAMARIBO – Woensdag 22 januari moet ex-bevelhebber en voorzitter van de NDP, Desi Bouterse, voor de krijgsraad verschijnen om verzet aan te tekenen tegen zijn veroordeling tot twintig jaar cel als hoofdverdachte van de Decembermoorden. De NDP heeft leden opgeroepen Bouterse massaal te komen ondersteunen. De Ware Tijd volgt de ontwikkelingen op de voet en brengt u een up to date verslag, zowel vanuit de rechtszaal als vanaf de straat.

09:26 uur

Deze blog wordt afgesloten. De Ware Tijd brengt zo meteen live verslag van de samenkomst op het Vlaggenplein.

09:22 uur

De grote mensenmassa verplaatst zich nu naar het Vlaggenplein, waar de NDP-voorzitter zijn aanhang zal toespreken.

09:18 uur

Desi Bouterse verlaat momenteel de Wulfinghstraat. De massa loopt met hem mee.

09:16 uur

Desi Bouterse komt het gerechtsgebouw uit.

09:13 uur

De zitting is verdaagd. Dat gebeurde binnen zes minuten, omdat de Krijgsraad niet voltallig is. Rechter Rewita Chatterpal en de auditeur militair Roy Elgin zijn afwezig. De zaak wordt inhoudelijk verder behandeld op 31 maart.

09:12 uur

Er is intussen een brassband met danseressen opgesteld bij theaterschool On Stage.

09:09 uur

Daniëlla Sumter: “We ondersteunen Desi Bouterse omdat dankzij hem Suriname een goede ontwikkeling kent. Dankzij hem hebben we Staatsolie en SZF. Dankzij deze voorzitter van ons.” Dat de meningen verdeeld zijn, vindt ze “heel erg jammer”. “Er zullen Surinamers zijn die hun eigen mening hebben en dat respecteer ik. Alleen ben ik de mening toegedaan dat wij dankzij de NDP, dankzij Desiré Delano Bouterse weten wat het is voor Suriname om huizen te hebben, om gezondheidszorg te hebben en ervoor te zorgen dat de Surinaamse samenleving en kinderen in alle veiligheid en ontwikkeling kunnen leven en dat we kunnen kijken naar een goede toekomst voor Suriname.”

09:02 uur

Vanuit Commewijne zijn er meer dan tweeduizend man gekomen. Remy Pollack: “Wij zijn de advocaten van de president. Deze ondersteuning omdat het onze volksleider is. Het is een unicum. Nergens in de wereld is ooit een zittende president voor het gerecht verschenen. Dat keuren we af. Kon er niet worden gewacht tot hij is afgetreden? Maar het recht moet zegevieren. We leven in een rechtsstaat en eerbiedigen dat.” Van intimidatie is geen sprake. “We willen alleen maar tonen dat hij mensen achter zich heeft.”

08:50 uur

Het ressort Blauwgrond, zetel van de president, is ook vertegenwoordigd. First Lady Ingrid Bouterse: “Het zal heel kort duren heb ik begrepen van zijn advocaat. Dan komt hij (Bouterse, … red.) naar buiten en dan zien we wel verder. Het is natuurlijk niet leuk, maar als je de mensen ziet die je ondersteunen dan ben je toch wel blij.” Op de vraag hoe haar echtgenoot met de zaak omgaat, zegt de presidentsvrouw dat haar man een “zeer kalme” man is. “Onder alle omstandigheden is hij kalm. Je zal nooit aan hem merken dat iets mis is. Absoluut geen stress. Mijn man is vreselijk stressbestendig. Dat is iets wat ik in hem bewonder. Hij geeft nooit op en is positief.” Ze heeft samen met Bouterse gelopen vanuit het paleis. Volgend maand zijn de first lady en de president dertig jaar getrouwd. “Hij heeft een goed hart!”

08:47 uur

Voorzitter Jennifer Geerlings-Simons van De Nationale Assemblee is aanwezig. “Ik ben komen kijken. Ik wil niet zeggen dat het een bijzondere dag is, eerder een jammerlijke dag dat we het als land zo ver hebben laten komen … we hebben de president veroordeeld. Voor of tegen je moet dat niet zo afhandelen. Maar eenmaal het zo ver is gekomen, moeten we kijken hoe het gaat.” De parlementsvoorzitter heeft nog geloof in de rechterlijke macht, “maar dit ding hebben we als land verkeerd laten aflopen”. Ook zij vindt niet dat er sprake is van intimidatie. “Dat is nonsens! Intimidatie waarom?”

08:43 uur

Minister Elias: “Ik sta met één gevoel hier; een gevoel van solidariteit naar onze voorzitter, onze president, onze leider toe.” De bewindsman ziet de oproep tot mobilisatie niet als intimidatie. “No man, iedereen mobiliseert. Ik was er dichtbij. Dit is een zeer low profile mobilisatie. Mensen zijn ook niet eens gemobiliseerd, maar toch hier. Als we echt hadden gemobiliseerd waren dan alle straten van Paramaribo vol.” Overigens, Elias ontkent dat ambtenaren van zijn ministerie instructies hebben ontvangen. “Iedereen mag vrije wil hebben. Je kan niemand dwingen om per se hier te zijn.”

08:37 uur

De menigte zwelt aan. Vanuit de westelijke districten Nickerie, Coronie, Saramacca en delen van Wanica zijn tientallen bussen tjokvol NDP’ers en aanhangers van Bouterse op weg naar de ondersteuningsmanifestatie op het Onafhankelijkheidsplein. De toch altijd al drukke Kwattaweg is hierdoor drukker dan normaal. Ook op andere aanvoerwegen naar het centrum loopt het verkeer behoorlijk vast. Zo staan weggebruikers van de Gonggrijpstraat al ter hoogte van de Schietbaanweg in de file.

08:27 uur

Sharmila Mansaram is ook present. Ze is gestoken in een paarse trui met de afbeelding van Bouterse. “We vinden dat de NDP-leider ondersteuning behoeft van de achterban. Het is niet iets dat hij heeft gevraagd. Het is spontaan gekomen uit de achterban.” Ze geeft aan dat de “tienduizenden of misschien is het honderdduizend mensen vinden dat ze er vandaag moeten zijn voor de president”. Mansaram erkent dat ze eerder aan de “andere zijde” heeft gestaan. “Dus ik weet wat er daar heeft gespeeld. Nu ik aan deze zijde ben, heb ik ook het verhaal van deze zijde gehoord en heb mijn mind opgemaakt van ‘ik ga deze persoon ondersteunen. De persoon van Bouterse.” Van “gemengde gevoelens” zijn volgens haar geen sprake. “Wanneer ik een besluit heb genomen is het uit een stukje overtuiging gedaan. Ik heb bewust gekozen voor de NDP van Bouterse! Hij is de persoon die de aantrekkingskracht uitoefent vanwege het baanbrekend werk dat hij verricht.”

08:25 uur

Op de Letitia Vriesdelaan is er intussen een enorme filevorming. Het André Kamperveen Stadion is een hotspot. LVV-minister Rabin Parmessar loopt voorin van een stoet die muzikaal wordt begeleid door een brassband.

08:20 uur

De aanhang zwelt aan. Enkele mensen scanderen onder drumgeroffel: “We dede gi Bouta! We want Bouta!”

08:14 uur

Intussen zijn er een aantal leden van de Raad van Ministers ter plekke. Aanwezig zijn vicepresident Ashwin Adhin en de ministers Yldiz Beighle (Buitenlandse Zaken), Antoine Elias (Volksgezondheid), Lalinie Gopal (Sport- en Jeugdzaken), Stephen Tsang (Handel, Industrie en Toerisme) en Gillmore Hoefdraad (Financiën), allen verzameld voor de ingang van het gerechtsgebouw

08:12 uur

Ramon Abrahams staat de pers te woord. Hij zegt dat Bouterse na afloop “het volk, de NDP’ers” zal toespreken en zal aangeven wat er binnen (in de rechtszaal, … red.) is gebeurd. “We willen geen sein geven. Het is wel verkiezingsperiode. We zitten vier maanden vóór de verkiezingen. Dit is ook onze organisatie op peil brengen naar 25 mei toe en kijken hoe onze mensen gemobiliseerd zijn en wat onze sterkte is.” Volgens hem zijn de mensen gemobiliseerd uit alle tien districten. “Je hebt mensen van Kwamalasamutu, Langatabbetje, Stoelmanseiland. Name it in Suriname, ze zijn hier.” Abrahams is duidelijk over de rechterlijke macht. “Ik heb geen geloof in de rechterlijke macht.” Meer wilde hij niet zeggen. “Ik ga er niet verder op in. Het is mijn democratisch recht dat ik geen geloof heb in de rechterlijke macht.”

08:10 uur

De poorten die toegang verschaffen tot het gerechtsgebouw worden gesloten. Niemand wordt meer toegelaten.

08:08 uur

Een aanhanger: “Hij (Bouterse, … red.) heeft verzet aangetekend, het is een verstekvonnis en conform de instructies is hij dus hier om gehoord te worden. Mijn aanwezigheid moet je zien als ondersteuning die we hem geven als president en voorzitter van de NDP. Onze aanwezigheid heeft niets te maken met intimidatie te maken.”

08:05 uur

Desi Bouterse is de rechtszaal binnengelopen, geflankeerd door enkele manschappen gekleed in militair tenue. Enkele vrouwen zingen daarbij stichtelijke liederen

08:01 uur

De nabestaanden komen aan bij het gerechtsgebouw. In de groep onder anderen Henk Kamperveen, advocaat Hugo Essed, Eddy Wijngaarde. Bij de poort worden hun persoonsgegevens gecontroleerd door een agent

07:59 uur

Desi Bouterse, gestoken in militair pak, begeeft zich naar het gerechtsgebouw. Met hem lopen ongeveer 100 man mee, onder wie ook Defensieminister Ronni Benschop

07:55 uur

President Bouterse is net gearriveerd en loopt nu naar het paleis.

07:52 uur

Waidoe: “Het is simpel. Onze leider, onze president moeten we ten alle tijde ondersteunen.” Hij is met “25 volle bussen” vanuit Nickerie afgereisd naar de stad. “En niet middels mobilisatie hè. Dit is allemaal spontaan, want niemand staat één uur in de ochtend op om in de bus te stappen om naar Paramaribo te komen.” Waidoe wil niet vooruitlopen op zaken. “Als echte democraten moeten we de rechtsstaat respecteren. Het is een juridische fight. Laten ze het uitvechten. Ik ben met Nickerie die man (Bouterse, … red.) komen ondersteunen.

07:42 uur

William Waidoe, die vorig jaar overstapte naar de NDP, heeft zich net bij de eerste groep mensen gevoegd

07:33 uur

De eerste vijf bussen met NDP’ers zijn aangekomen. Opvallend genoeg waren ze niet ‘vol’. De mensen zijn gedropt op de hoek van de Koninginne- en Julianastraat

07:31 uur

Er komen enkele trucks aangereden. “We zijn werkende Surinamers”, zegt Khedoe van de Vierde Rijweg, de woordvoerder van deze groep. De productiesector steunt de president ook, maakt hij duidelijk. “Hij is president van het land, niet mijn president, van jou, van iedereen. We moeten waardering hebben voor die meneer hebben. Hij verzorgt iedereen nu. Iedereen krijgt zijn salaris. Niemand klaagt. Hij is een dyadya president. In het vervolg zullen we zien wat er gebeurt, maar op dit moment is hij de dyadya president.” Opvallend is dat hij in oranjeshirt is gestoken. “Ik ben NDP’er. Anders zou ik niet hier vandaag zijn”, verzekert hij. “Ik heb geen NDP-shirt, maar mijn hart is NDP.”

5 / 5
 

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/22/live-blog-bouterse-voor-de-krijgsraad/

Bouterse: 8 december incident in de oorlog

22 Jan, 2020, 10:49

foto
 President Desi Bouterse spreekt de mensen op het Onafhankelijkheidsplein toe. Zijn aanhang is uit het hele land gekomen om hem te ondersteunen. (Foto’s: Raoul Lith) 
President Desi Bouterse noemt de 8 decembermoorden een incident in de oorlog. “We sari omdat libisma dede en het moet nooit meer gebeuren.” Maar vervolgens vroeg hij zichzelf af waarom we vragen over nabestaanden van 15 slachtoffers. “Waar is gebeurd met de nabestaanden van de honderden binnenlandbewoners, militairen, van Maka, Tucajana, Moiwana…?” Na de zitting van de Krijgsraad heeft Bouterse de massa toegesproken op het Onafhankelijkheidsplein. 
 
Bouterse zegt dat hij zijn handen uitstrekt om in eenheid te werken aan de opbouw van het land. Hij laat optekenen dat Suriname straks een ander land is. “Nu moeten wij Surinamers bijeen brengen en nadenken over hoe wij dit land samen kunnen opbouwen.” Tegen een volledig paars gekleurde menigte op het Onafhankelijkheidsplein zei hij dat we nu al moeten dromen waar de nieuwe stad zal komen, hoe we het land moeten ontsluiten. We moeten denken aan moderne steden en een moderne stad, want “Gado gi unu oli en gas, gas, gas…lai”.
 
De president wees erop dat “we een gemeenschappelijke job te doen hebben” en dat alle Surinamers bijeen moeten worden gebracht. Hij nodigde iedereen uit om daartoe bij te dragen. “Ik zal misschien niet meer vooraan staan, maar ik zal achterin staan om te duwen. God heeft ons zoveel rijkdommen gegeven…”
 
Aan de massaal opgekomen sympathisanten heeft Bouterse voorgehouden dat de Krijgsraad hem met respect heeft behandeld. Voor dezelfde Krijgsraad die hij op verschillende podia had uitgespuugd, heeft hij vandaag een applaus gevraagd “voor het respect dat aan hem is betoond.”
 

Onafhankelijkheidsplein paars gekleurd

22 Jan, 2020, 09:53

foto
 Een grote massa is op het Onafhankelijkheidsplein. President Desi Bouterse spreekt de menigte toe. (Foto: Raoul Lith) 
De menigte op het Onafhankelijkheidsplein zwelt aan. President Desi Bouterse is met aanhang vanuit de Wulfingstraat uit het Kantongebouw gegaan naar het Onafhankelijkheidsplein. De mensen worden opgezweept. Het is een complete paarse vertoning.
 
De mobilisatie van de NDP is landelijk geweest. Van heide en verre zijn mensen met bussen vervoerd om Bouterse te ondersteunen. Het hele leven in het centrum en daarom heen is ontregeld. In de kern van Paramaribo is er nauwelijks verkeer.
 
De verwachting is dat president Bouterse zijn aanhang zal aanspreken. Met soundtruck en al, wordt nu het volkslied gezongen. Bouterse wordt omringd door legerfunctionarissen op de soundtruck. Ook assembleevoorzitter Jennifer Geerlings-Simons is in de nabije omgeving van Bouterse te zien.
 
Bouterse is vanmorgen als verdachte verschenen voor de Krijgsraad. Na amper zes minuten nadat de zitting was geopend, is de zaak uitgesteld naar 31 maart.

Rechtszitting uitgesteld naar 31 maart

22 Jan, 2020,09:21

foto

 Enorme drukte bij het gerechtsgebouw. De grote massa juicht haar leider, Desi Bouterse, toe. (Foto’s: Raoul Lith) 
De zitting is inhoudelijk niet behandeld vandaag. Rechter Rewita Chatterpal was niet aanwezig.  De samenstelling van de Krijgsraad was niet hetzelfde. Rechter Anand Charan zat aan. De president van de Krijgsraad, Cynthia Valstein-Montnor, heeft de zitting geopend. Daarna is de verdachte Desi Bouterse voor de rechter verschenen. De zitting is uitgesteld naar 31 maart. 
 

President Desi Bouterse na het verlaten van de rechtszaal. 
 
De rechter vroeg Bouterse naar zijn naam, geboortedatum en beroep. Daar heeft hij antwoord op gegeven. Daarna heeft de president van de Krijgsraad meegedeeld dat de zaak niet behandeld kan worden omdat een lid van de Krijgsraad niet aanwezig is. Valstein-Montnor sloeg daarna de hamer en liep de zaal uit. 
 
In de zaal waren enkele NDP-toppers. De situatie in de zaal was rustig. De zitting heeft enkele minuten geduurd. Buiten is de massa flink aangezwollen. Bouterse wordt toegejuicht terwijl hij naar buiten loopt. De mensen scanderen leuzen en zijn door het dolle heen. Bouterse en gezelschap lopen richting Onafhankelijkheidsplein waar de massa wordt toegesproken. 
 
Irwin Kanhai, advocaat van Bouterse, zei aan journalisten dat alleen de verzetzaak in behandeling is genomen. De verzetprocedure is in gang gezet. Zijn cliënt hoeft niet op elke zitting te verschijnen, alleen wanneer de Krijgsraad het nodig acht. 
 

Bouterse in militair tenue naar zitting

22 Jan, 2020,08:13

 

foto
 President Desi Bouterse in militair tenue naar de Krijgsraad. Hij is begeleid door de vicepresident, ministers, Assembleeleden en NDP-toppers naar het gerechtsgebouw. (Foto’s: René Gompers) 
“We want Bouta, we want Bouta”. President Desi Bouterse is begeleid door de vicepresident, ministers, Assembleeleden, NDP-toppers en anderen aangekomen bij het gerechtsgebouw aan de Wulfinghstraat. Hij is gekleed in militair tenue. Hij mocht gelijk naar binnen lopen. 
 
Er is een drukte van belang. De massa stroomt binnen. Er worden liederen gezongen. De veiligheid is bijzonder streng. Een klein deel van de pers is intussen in het gebouw. Ook enkele nabestaanden zijn in het gebouw. 
 
De ministers en Assembleeleden zeggen dat zij daar zijn om de president te ondersteunen. Om 9.00 uur zal de zitting beginnen. Na afloop zal Bouterse zijn aanhang toespreken bij het Vlaggenplein. 
 
Een grote massa bij het gerechtsgebouw. Velen zijn nog onderweg. 

Veroordeelde president gevolg politieke cultuur Suriname

 

21/01/2020 15:39 – Euritha Tjan A Way

Het gerechtsgebouw aan de Monseigneur Wulfinghstraat waar de zitting van de Krijgsraad wordt gehouden.

Het gerechtsgebouw aan de Monseigneur Wulfinghstraat waar de zitting van de Krijgsraad wordt gehouden. Foto: dWT Archief  

PARAMARIBO – Woensdag is het zover. De president van de republiek Suriname, Desi Bouterse, heeft zelf aangekondigd dat hij voor het eerst sinds het 8 Decemberstrafproces in 2007 begon, voor de Krijgsraad zal verschijnen.

Dat we in Suriname een president hebben tegen wie een vonnis van twintig jaar is uitgesproken, is een “uitzonderlijke situatie”, vindt carrièrediplomaat Sonny Hira. “Uitzonderlijk, omdat het proces tegen de oud-commandant van het Nationaal Leger Bouterse is begonnen voordat hij president was. Nu zijn de veroordeelde Bouterse en de president één en dezelfde persoon en dat is een vrij unieke situatie in de wereld.”

Volgens Hira heeft dit kunnen gebeuren omdat een partijvoorzitter tegen wie een proces liep, kon participeren in de verkiezingen. “Dat zou in een goed geordende democratische rechtsstaat niet moeten kunnen. Wat nu is gebeurd, is dat onze instituten zoals het Openbaar Ministerie en het Centraal Hoofdstembureau, die moeten terugvallen op bestaande wetgeving, zwak zijn.”

De staat Suriname staat nu met de rug tegen de muur, aldus de diplomaat. “Het is grijs gebied, want er is geen wetgeving die vermeldt hoe te handelen in zo’n situatie”, stelt Hira. In andere landen zou, indien er een vermoeden bestaat dat de president zich aan onoorbare praktijken schuldig had gemaakt, het parlement hem afzetten, zodat het recht ongehinderd zijn beloop zou kunnen hebben. Dat heeft De Nationale Assemblee niet gedaan.”

Politicoloog Hans Breeveld bekijkt de zaak breder. “Dit is het gevolg van onze eigen politieke cultuur die door de jaren heen zo is gegroeid. Wanneer partijen er geen moeite mee hebben om mensen die geen schoon blazoen hebben op de kandidatenlijst te plaatsen en dan ook met deze mensen te gaan samenwerken, is er een grote kans dat dit kan gebeuren.”

Volgens Breeveld heeft niet alleen de NDP zich hieraan schuldig gemaakt. Ook de NPS heeft gewerkt met iemand als Paul Somohardjo die is gevonnist en in het verleden is er ook het één en ander te doen geweest rondom mensen die KTPI heeft voorgedragen voor sleutelposities.

“Waar andere landen juist hun best doen om mensen voor te dragen die zich ver houden van criminele daden, laat de Surinaamse situatie het tegenovergestelde zien”, stelt Breeveld. “Dit is een dieptepunt in onze politieke cultuur.”

Hira legt uit dat Bouterse als president functionele immuniteit heeft. Echter, zodra hij president af is, zou het vonnis van de Krijgsraad uitvoerbaar verklaard kunnen worden. “Dan kan hij opgepakt worden, ook al loopt er een hoger beroep in deze zaak.” Vandaar ook dat het winnen van de verkiezingen voor Bouterse en zijn NDP een noodzaak is.

Of de NDP dat streven zal halen, is volgens Breeveld Breeveld niet zo zeker. Tegen deze achtergrond laat hij een waarschuwend geluid horen. “Laten wij ons hoofd koel houden en excessen die ertoe zouden kunnen leiden dat de verkiezingen uitgesteld worden, voorkomen.” Hij doelt op de protestactie die de NDP woensdag houdt, wanneer Bouterse naar de Krijgsraad gaat. Hij wil geen voorbeeld geven van wat zou kunnen gebeuren. “Ik ga niemand op ideeën brengen.”

Hira ziet een andere mogelijkheid. “Het is in principe mogelijk dat het instituut president van Suriname amnestie verleent aan de persoon Desi Bouterse.” Hij heeft liever niet dat er excessen plaatsvinden morgen. “Persoonlijk zie ik na deze zaak liever dat er een proces van verzoening en vergeving wordt ingezet. Het pais en vree van het gehele volk is een veel hoger goed dan het laten insluiten van een politieke leider. Dat zou scheuring brengen in de samenleving.”

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/21/veroordeelde-president-gevolg-politieke-cultuur-suriname/



Constitutioneel Hof Suriname, speeltje van Bouterse

    21-01-2020

Constitutioneel Hof Suriname, speeltje van Bouterse

Constitutioneel Hof en de berechting van Bouterse voor de decembermoorden

Het Surinaamse Hof van justitie had reeds geoordeeld dat de Amnestiewet van 2013 geen obstakel vormt voor de berechting van Bouterse voor de decembermoorden. Op 29 November 2019 is Bouterse veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaren door de Krijgsraad en heeft zijn verdediging het rechtsmiddel van verzet en mogelijk het rechtsmiddel van hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. Bouterse heeft slechts één doel voor ogen met het Constitutioneel Hof Van Suriname te weten te voorkomen dat hij voor de december moordpartijen, waarvoor hij inmiddels is veroordeeld door de Krijsraad, onherroepelijk zal wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf. Dit zal hem niet lukken aangezien het Constitutioneel Hof (al dan niet op basis van de Amnestiewet) geen vonnis opzij kan zetten dan wel een reeds gewezen vonnis kracht van gewijsde kan ontnemen dan wel een verzetprocedure en hoger beroep procedure kan stopzetten.
In het navolgende behandel ik de volgende onderwerpen:
Wat is een Constitutioneel Hof ?
Heeft Suriname een Constitutioneel Hof nodig?
Constitutioneel Hof van Suriname
Vergelijking Constitutioneel Hof Suriname met dat van Sint Maarten en België
Amnestiewet toetsen aan de grondwet, hoe dan?
Amnestiewet 2013 toetsen aan Verdragen, hoe dan?
Ik sluit het artikel af met Conclusie en Slot.

Wat is een Constitutioneel Hof?
Een Constitutioneel Hof toets of wetten die het Parlement (DNA) heeft aangenomen in strijd zijn met de grondwet of Verdragen waartoe een land is toegetreden.
Artikel 144 van grondwet van Suriname voorziet in de mogelijkheid om een Constitutioneel Hof in te stellen. In artikel 144 lid 1 staat vermeld dat het Constitutioneel Hof een onafhankelijk orgaan is. Mijns inziens, gelet op de bevoegdheden van dit Hof, is hier wel sprake van een Rechterlijk College. Het gaat niet om het woord orgaan maar om de inhoudelijke werkzaamheden en bevoegdheden van het Constitutioneel Hof die veel kenmerken vertonen van een (bijzonder) rechtscollege. Zo kan dit Hof een wet onverbindend verklaren wat vergelijkbaar is met de (Burgerlijke of Straf) rechter die de wet toepast en soms de Staat of het OM in het ongelijk stelt. Het feit dat het Constitutioneel Hof in de Wet op Rechterlijke Organisatie niet wordt genoemd maakt nog niet dat dit Hof geen rechterlijk college zou zijn. Verder in mijn betoog zal u zien dat in andere landen die ook een Constitutioneel Hof hebben hun Hof als een rechtscollege wordt aangeduid.

Heeft Suriname een Constitutioneel Hof nodig?
De “grap” is dat dit Hof naar het voorbeeld van de Nederlandse grondwet (artikel 120 Ned. Grondwet) is opgenomen in de Surinaamse grondwet door de Nederlandse auteurs van de Surinaamse grondwet. Nederland echter heeft nooit artikel 120 van haar eigen grondwet uitgevoerd waardoor er in Nederland nog steeds geen Constitutioneel Hof bestaat. De redenen daarvoor is dat het Nederlandse Parlement (wetgevende macht) en de Nederlandse rechter betrouwbare en deskundige ” instituten “ zijn om te voorkomen dat wetten die in strijd zijn met de grondwet worden aangenomen c.q. worden toepast. Daarnaast toets de Nederlandse rechter reeds jarenlang wetten aan Internationale verdragen, zoals EVRM en BUPO. Ook de Surinaamse rechter wordt geacht voldoende kennis en kunde te bezitten, om te beletten dat wetten die in strijd zijn met de grondwet en verdragen worden toegepast. Kort en goed de grondwet van Suriname voorziet in de mogelijkheid om een Constitutioneel Hof op te richten, maar de noodzakelijkheid hiervan is op geen enkele (wetenschappelijke) wijze aangetoond.

Constitutioneel Hof van Suriname
Wie en op welke wijze lid van het Constitutioneel Hof van Suriname kan zijn, wordt geregeld in artikelen 1, 2 en 3 van de Wet Constitutioneel Hof. Artikel 1 bepaalt dat het Hof bestaat uit vijf leden en drie plaatsvervangende leden. De leden worden voordragen door de DNA en benoemd voor vijf jaren met een herbenoeming voor nog vijf jaren. Lid kunnen zijn personen die zijn afgestudeerd als meester in de rechten, mimimaal tien jaren in één of meerdere juridische beroepen werkzaam zijn of zijn geweest, dan wel een staatsrechtelijke functie hebben vervuld met voorkeur internationaal recht, publiek recht en administratief recht deskundigen. De voordracht door DNA geschied bij gewone meerderheid van stemmen.
In artikel 2 van het Wet op het Constitutioneel Hof staat dat de leden worden voorgedragen door de Nationale Assemblée. Dit betekent dat De Nationale Assemblée (DNA) in vergadering bijeen zou moeten komen en dat alle tot de DNA behorende partijen de mogelijkheid zouden moeten hebben gehad om kandidaten voor het Hof voor te dragen. Zo een vergadering is niet gehouden maar de DNA voorzitter heeft slechts genoegen genomen, met een lijst van kandidaten opgesteld door de NDP fractie (partij van Bouterse) die met stemmen van helft plus 1 is aangenomen. Deze voordracht is niet democratisch tot stand gebracht, maar bovenal in strijd met artikel 2. Ik citeer uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2: “De ratio van benoeming van de leden – (voor de kortheid worden onder “leden” de voorzitter en de vice-voorzitter medebegrepen)- en de plaatsvervangende leden op voordracht van De Nationale Assemblée, ligt de wenselijkheid het Hof- daar dit electoraal niet is gelegitimeerd, maar toch bevoegd is de wet (in formele zin) aan de Grondwet te toetsen- te doen bestaan uit personen die door de volksvertegenwoordiging zelf zijn voorgedragen”. Daarnaast schrijft artikel 54 van het Reglement van Orde van de Nationale Assemblée voor, dat voordat er wordt gestemd er dient te worden beraadslaagd door de Nationale Assemblée. En dergelijke beraadslaging heeft niet plaatsgevonden en dus is in strijd met dit artikel gehandeld. Voorts staat in artikel 55 lid 2 Grondwet: “De nationale Assemblée is het hoogste orgaan van de Staat” en artikel 90 lid 2 van de Grondwet verplicht de President dat deze verantwoording verschuldigd is aan de Nationale Assemblée. Deze artikelen zijn dan ook geschonden rondom de benoeming van de leden van het Hof.

Vergelijking Constitutioneel Hof van Suriname met dat van Sint Maarten en België
Wat direct opvalt is dat zowel het Hof van Sint Maarten als het Hof van België bestaan uit leden die worden voorgedragen door het Parlement met twee derde meerderheid en deels voorgedragen door de rechterlijke macht. Het Constitutioneel Hof van Suriname bestaat echter uitsluitend uit leden die zijn voorgedragen door de regerende NPD fractie van het Parlement met een meerderheid van de helft plus één. De benoeming van de leden van het Constitutioneel Hof Van Suriname geschiedt door de President van de Republiek Suriname, terwijl de benoeming van de leden van het Hof van Sint Maarten bij landsbesluit geschiedt en in België vindt de benoeming plaats door het Parlement.
Amnestiewet toetsen aan Grondwet, hoe dan?
De Amnestiewet is in strijd met artikel 9 van de grondwet (verbod op foltering) artikel 11 en 12 (recht op een rechter die de zaak behandelt en recht op bijstand van een advocaat) artikel 14 (recht op leven) en artikel 16 lid 3 (een ieder die van zijn vrijheid is beroofd heeft recht op menswaardige behandeling).
Amnestiewet toetsen aan Bupo verdrag, hoe dan?

Het Internationaal verdrag voor Burger en Politieke rechten, BUPO verdrag, is één van de belangrijkste mensenrechten verdragen waartoe Suriname is toegetreden op 28 december 1976. Mocht het Constitutioneel Hof van Suriname overgaan om de Amnestiewet te toetsen aan de grondwet dan moet dit Hof deze wet ook toetsen aan het BUPO verdrag. Deze toetsing zal ertoe leiden dat de Amnestiewet in strijd is met Bupo verdrag en reeds daarom niet mag worden uitgevoerd. Ik verwijs daarvoor naar de volgende artikelen van het Bupo verdrag. Artikel 6 recht op leven. Artikel 7 Verbod op folteringen, wrede en onmenselijke behandeling. Artikel 10 menselijke en waardige behandeling van gevangenen. Artikel 15 geen straf dan door wet voorzien. Het moge duidelijk zijn dat de Amnestiewet die Bouterse Amnestie verleend voor de decembermoorden kansloos is bij toetsing aan het Bupo verdrag, nog daargelaten dat verdragen van hogere rangorde zijn dan wetten.

Amnestiewet toetsen aan Inter Amerikaans verdrag, hoe dan?
Artikel 4 schrijft voor verbod op doodstraf. Artikel 5 legt een verbod op martelen. Artikel 7 schrijft voor dat gedetineerde moeten worden voorgeleid aan een rechter. Artikel 8 van dit verdrag schrijft voor dat ieder individu het recht heeft om te worden voorgeleid aan een competente, onafhankelijke, onpartijdige rechtbank.

Samenvatting en Slot
Het is bedroevend dat de Wet Constitutioneel Hof is aangenomen, aangezien elke noodzaak daarvoor ontbreekt. Nog bedroevender is de wijze waarop deze wet werd goedgekeurd en hoe de leden van dit Hof zijn voorgedragen en benoemd. Deze wet werd met een gewone meerderheid van stemmen (1/2 plus 1 stem) in plaats van met een gekwalificeerde meerderheid ( 2/3 van de stemmen) aangenomen wat gebruikelijk is bij dit soort bijzondere wetten. De leden van het Hof zijn niet door DNA voorgedragen maar door de NDP fractie ( in strijd met artikel 2 van de Wet Constitutioneel Hof). Er vond geen beraadslaging plaats in DNA m.b.t. de voor te dragen leden van dit Hof (schending artikel 54 reglement van orde van de DNA). De leden van het dit Hof zijn in strijd met artikel 38 lid 3 van deze Wet (en Memorie van Toelichting op dit artikel) te vroeg en dus onrechtsgeldig benoemd aangezien leden van het hof pas kunnen worden benoemd als de Wet Constitutioneel Hof kracht van wet heeft middels een brief van de President. Deze brief is er nog niet en zal in het Staatsblad moeten worden gepubliceerd. Beraadslaging over alsmede voordracht en benoeming van leden van dit Hof, dienen dan ook opnieuw plaatst te vinden na publicatie van deze brief. Hoewel in de Surinaamse grondwet het oprichten van een Constitutioneel Hof is vermeld, is dit geen verplichting laat staan dat het noodzakelijk is. Ook in de Nederlandse grondwet wordt een Constitutioneel Hof vermeld, maar het Nederlandse Parlement vindt de oprichting hiervan niet noodzakelijk.
Door de handelwijze van coalitie zoals boven beschreven ontstaat het gevaar dat de belangen van de coalitie voorrang krijgen boven de bescherming van de grondrechten terwijl de grondwet er juist voor is om burgers permanent te beschermen tegen een incidentele coalitie meerderheid. Uit het bovenstaande volgt dat het Constitutioneel Hof een verlengstuk is van het beleid van Bouterse met als doel om de amnestiewet “in ere te herstellen” en de verdere berechting van Bouterse stop te zetten. Zoals bovenstaand betoogd is dit doel juridisch niet haalbaar. De Amnestiewet is in strijd met de grondwet van Suriname en met genoemde verdragen. Ik ga er dan ook van uit dat na 25 mei 2020 het Parlement van Suriname zodanig zal zijn samengesteld, dat de Wet op het Constitutioneel Hof buiten werking wordt gesteld.

Stichting Herstel Democratie
Voorzitter,
Mr. Lionel Mahin Lalji,

Bron: Dagblad Suriname (FaceBook)

advocaat

Hof van JustitIe stelt andere rechtszaken uit in verband met zitting krijgsraad op 22 november

Hierdoor zal de Nederlandse Ambassade te Paramaribo slecht bereikbaar zijn. Zij hebben daarom besloten om de deuren die dag
Hierdoor zal de Nederlandse Ambassade te Paramaribo slecht bereikbaar zijn. Zij hebben daarom besloten om de deuren die dag te sluiten.
Nederlandse Ambassade Paramaribo

Nederlandse ambassade in Suriname schreef het volgende op haar Facebook pagina. In verband met de verwachte slechte bereikbaarheid als gevolg van het afsluiten van de Van Roseveltkade te Paramaribo en enkele omliggende straten, zal de Nederlandse ambassade op woensdag 22 januari de gehele dag gesloten zijn voor het publiek.

Geen inloopspreekuur

Ook het inloopspreekuur van de SVB komt die dag te vervallen. Geef het door aan belanghebbenden

Dit laat de Nederlandse Ambassade weten op haar Facebookpagina

Zoveelste paarse misleiding

Met veel instemming heb ik naderhand via de website van Radio ABC het vraaggesprek in het programma ABC actueel van 15 januari met mr. Edward Belfort beluisterd. Ongetwijfeld een gewaardeerde aanwinst in politiek Suriname en een moedige strijder tegen onrecht en misleiding. Mr. Belfort liet zich kritisch uit over de schaamteloze vertoning door de drie acteurs op het podium van het paarse hoofdkwartier Ocer op 10 januari. Lezers van dit artikel worden aangeraden dat vraaggesprek te beluisteren aan de inhoud waarvan niks toe te voegen valt en een applaus waard is.

De misleiding zat hem erin dat Bouterse, stomverbaasd voordoend, zich over het kale hoofd wrijft als juffrouw Afonsoewa (een monki monki jap japi) haar tirade besluit met de oproep aan de achterban om haar voorzitter te begeleiden naar de rechtbank (of beklaagdenbank). Men kan zich kennelijk niet losmaken van het feit dat niet de partijvoorzitter in die functie is veroordeeld, maar de voormalige dictator die op 8 december 1982 de beul uithing na influisteringen en instructies, allicht door burgers die al dan niet in de zogenoemde Bloedraad hun aandeel hadden.

Dus Bouterse deed voorkomen op die kadervergadering dat hij vooraf van niks afwist van de begeleiding naar de rechtbank. Volk fu Sranan, moeten we dàt geloven?! Hij zou vooraf van niks afweten. Feit is dat hij een massa joelende aanhangers nodig heeft om zichzelf te laten bemoedigen, om de gang naar de rechters totaal wakaman-styling te kunnen inzetten. Hij laat dan terstond een trailer fragment van zijn loopbeweging zien. En als hij vol frustratie bijna 18x “politiek politiek” uitroept, dan kon je zijn zwakte aflezen en zijn grote minachting voor de berechting weer eens proeven. Bouterse was op 8 december 1982 zelf de vonnissende rechter en legde de doodstraf op, voorafgegaan door vreselijke martelingen van de slachtoffers. Dat zijn bewezen feiten.

Aan de lezer de vraag in welke gemoedstoestand de slagers als toen hebben verkeerd om zo vergaand wreed de slachting uit te voeren. Doorgaans moet je harteloos zijn om een jankende hond bijna dood te trappen en daarna je pistool leegschieten op de gewonde hond. Misschien zal de veroordeelde Bouterse daarover wel aan de rechter vertellen en ook wie zitting hadden in de Bloedraad en wie de overige aanzetters waren. Het volk heeft recht om dàt te weten. Hij moet ophouden te blijven liegen dat de 15 burgers afslachten een puur militaire aangelegenheid was. Zelfs velen in de paarse partij weten dat, maar uit angst of dikke beloning houdt men de kaken op elkaar.

Welke acting gaat Baas straks opvoeren bij de rechtbank? De veroordeelde tevens president zegt herhalend: “na Gado nomo kan puru mi dya”. Te vaak heeft deze meneer het bijna opgegeven, Suriname een getergd land genoemd, en blijk gegeven vaak muurvast te zijn gelopen en riep hij te onpas de naam van “de Heer daarboven”, doelend op Jezus Christus. God zou Suriname onder zijn leiding gezegend hebben met extra goud en vooral de aardolie in onze kustwateren. Dat prediken de evangelisten van de veroordeelde hoofdverdachte. In herinnering roep ik dat Jezus Christus werd verraden door tal van opgeplakte leugens, vernederd, vreselijk gemarteld en gedood door kruisiging. Herkennen we dat? Wat vindt u daarvan, mevrouw de voorzitter? U gaat onverminderd en hardnekkig voort de beschermvrouwe van de veroordeelde uit te hangen?

Interessant is de polemiek tussen mevrouw M. Letterboom en de vaste schrijver uit de VHP de heer Idris Naipal. In zijn verweer op de reactie van de mevrouw Letterboom geeft de meneer Naipal een zeer juiste schets hoe de onderliggende verborgen cultuur in de paarse partij in elkaar zit en terecht wijst hij op de militante beschermers en of hardliners die opvallen omdat ze bedreigingen uiten omdat ze op hun wapens en geweldscultuur denken te kunnen voortbouwen. Maar dat kan een fatale fout betekenen. Sinds 1987 is de paarse partij die uit de zwaar corrupte, bloedige dictatuur is voortgekomen, totaal niet veranderd. Ze denken steeds de rest van het volk of politieke tegenstanders vrijelijk te kunnen vernederen, bedreigen en hanteren “het angstwapen” en hun ultiem middel de racistische polarisatie. Hoelang nog? Zijn we de ophitsingen van de bloedverraderlijke Sandew Hira voor burgeroorlog al vergeten?

Wie zich dus verder laat beangstigen, is echt dom! Want eenieder beseft dat gezien het feit dat Bouterse sinds jaren tot nu toe geen spaan berouw heeft betoond, cynisch maar ook laf is, en niet eens een millimeter ten goede is gekeerd, hij maar blijft intimideren of bedreigen. Hij heeft het volk, de rechters en de rest van de wereld totaal misleid, dus op het verkeerde spoor gezet om tijd te winnen, onder advies en bemoediging van zijn adviseurs, mevrouw de voorzitter, militanten en hardliners. Dezen houden Suriname gegijzeld en blijven de aanvallen richten op de rechterlijke macht, want ze willen boven wet en recht staan met de macht en beschikking over alle natuurlijke rijkdommen van ons Sranan om zich nog meer te verrijken en politieke en ambtelijke corruptelingen straffeloos te laten gedijen.

En we zingen wel in ons volkslied “Recht en Waarheid maken vrij”. Misleiding/ bedrog, corruptie op de hoogste niveaus en landverraad vieren evenwel hoogtij. Het is verraad aan ons volkslied. De leugen en systematisch bedrog neigen dominant te worden in ons Suriname.

Luzmila Kasanradji

https://www.srherald.com/ingezonden/2020/01/18/zoveelste-paarse-misleiding/

VIDEOS & RADIO INTERVIEUWS

  1. BORDO ROEPT BURGERS OP OM ZICH NIET TE LATEN MISLEIDENhttps://www.apintie.sr/v23542
  2. Uitspraken en houding tijdens NDP kadermeeting absoluut afkeuringswaardig vindt Carl Breeveldhttps://www.apintie.sr/v23541
  3. Afonsoewa te ver gegaan met uitspraken vindt Belforthttps://www.apintie.sr/v23540
  4. Intimidatie rechterlijke macht onkan vindt Santokhihttps://www.apintie.sr/v23550
  5. Niets te vrezen als NDPers Bouterse naar de Krijgsraad begeleiden 22 januari zegt DC Nerkusthttps://www.apintie.sr/v23545
  6. Men probeert de rechterlijke macht te intimideren vindt Marlon Budikehttps://www.apintie.sr/v23533
  7. Belfort keurt bedreiging en belediging van de krijgsraad door Afonsoewa afhttps://www.apintie.sr/v23539
  8. NDP moet Bouterse royeren https://www.youtube.com/watch?v=b9HU1I5P5A0&feature=youtu.be&fbclid=IwAR1AOE6R-6VIVoPV0r7U08PeI8DfKSVh8ZBrCiDAmzWj784FgLE_7lQLNUc
  9. Krijgsraad bevoegd om Bouterse te laten arresteren op 22 januari-ABC on line nieuwshttps://www.youtube.com/watch?v=nYYECkDOABE
  10. Rechtstaat dient gerespecteerd te worden-ABC on line Nieuwshttps://www.youtube.com/watch?v=XZChr6YXsMY
  11. Veel mogelijkheden voor rechter om zaak ter terechtzitting te onderzoeken-ABC on line Nieuwshttps://www.youtube.com/watch?v=7aDuMz1NQqw
  12. Bouterse gaat met achterban naar Krijgsraadhttps://www.youtube.com/watch?v=Ydpsiu6WqC8
  13. Mening van een burgerhttps://www.youtube.com/watch?v=6LG06svKY4c&feature=youtu.be&fbclid=IwAR1-XAYuHdMtKscVVGCKu7PaRoM20ADuyyEguOKKarDFKzAqtKCXA-cYxpI
  14. Jammer dat de President zelf chaos creerthttps://www.youtube.com/watch?v=bVszBPrTS44
  15. AKMOS praat niet met deze regering en presidenthttps://www.youtube.com/watch?v=epfWbNXVFyo
  16. Bundeling en eenheid op weg naar de verkiezing 2020https://www.apintie.sr/v23574
  17. Veel mogelijkheden voor rechter om zaak ter terechtzitting te onderzoeken https://www.youtube.com/watch?v=7aDuMz1NQqw&feature=youtu.be&fbclid=IwAR1oyB3G2chFQujOD2VmnMEMAzVpo-gTBcAc07R68bFINqoCLm1dJIzoJsM
  18. Reacties burgers op vlaggenplein 22 jan 2020https://www.youtube.com/watch?v=wGw4Ud0f0yQ
  19. Toespraak Bouterse na krijgsraad op vlaggenplein 22 jan 2020https://www.youtube.com/watch?v=D-bHJzzC5_0
  20. 8 december strafproces is zeer complex- ABC on line Nieuws 28-01-2020https://www.youtube.com/watch?v=M5w02SO4zwU
  21. Kanhai bevestigt boos te zijn op Van Der San; verwarring na verschijning Bouterse bij Krijgsraad 24-01-2020https://www.youtube.com/watch?v=6uMwVNq2Y-8

VHP roept partijen op niet te mobiliseren op 22 januari

De Vooruitstrevende Hervormingspartij (VHP) heeft andere politieke partijen opgeroepen, om niet te mobiliseren op 22 januari, als tegenreactie op de mobilisatie van de Nationale Democratische Partij (NDP). De partij deed dit gisteren tijdens een persconferentie over actuele onderwerpen.

VHP-voorzitter Chan Santokhi benadrukte dat voorkomen moet worden dat er chaos ontstaat en hij roept op tot rust. De NDP heeft besloten om haar partijvoorzitter, Desi Bouterse, te vergezellen naar de Krijgsraad. Bouterse heeft verzet aangetekend tegen zijn verstekvonnis van twintig jaar celstraf. Voor 22 januari is hij gedagvaard.

Santokhi riep individuen op om zich niet te laten misbruiken voor het belang van een persoon en een groepje. Hij merkte op dat het mobiliseren het rechtsproces bij de Krijgsraad op 22 januari zou kunnen verstoren. Hij doet een beroep op de minister van Justitie en Politie, Stuart Getrouw, om zoals bij elke zitting van de Krijgsraad, de veiligheidsmaatregelen te handhaven.

De VHP vindt het betreurenswaardig dat Bouterse, uitspraken gedaan door NDP-parlementariër Silvana Afonsoewa en NDP-ondervoorzitter Ramon Abrahams niet meteen heeft gecorrigeerd tijdens de kadermeeting in Ocer. “No wan p’tjing jap japi, no wang p’tjing kes kesi e kong tap a show,” zei Afonsoewa en volgens Abrahams zal men het merken op 22 januari. Santokhi beschreef de uitspraken als te zijn oproepen tot anarchie, chaos en verregaande intimidatie. Als president had Bouterse volgens hem de uitspraken van zijn partijgenoten moeten afkeuren.

Ook het verlenen van een vergunning, gaat hem het verstand te boven. “Dus je gaat de chaos, de intimidatie institutionaliseren? Waar zijn we beland als samenleving, als rechtsstaat?”, aldus de VHP-voorzitter.

Hij benadrukte dat eenieder zich dient te onderwerpen aan wet en recht, waaronder ook de president. Hij gaf aan dat de president het symbool van de natie en de rechtsstaat is. “Hij moet ervoor zorgen dat de rechterlijke macht te allen tijde beschermd wordt, beveiligd wordt, dat ze in alle onafhankelijkheid moet kunnen functioneren.”

Santokhi riep op om te gaan voor het grotere, nationaal belang: bescherming van de rechtsstaat en voor versterking en bescherming van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

https://www.srherald.com/suriname/2020/01/16/vhp-roept-partijen-op-niet-te-mobiliseren-op-22-januari/

COLUMN: MI SKIN E GRO

16/01/2020 14:00 – Pokay Tongo

COLUMN: Mi skin e gro

Stuart Rahan  

Een zeer eng gevoel neemt bezit van mij. Ik wil niet. I’m a peaceful man. Duw me niet naar de rand van de afgrond. Waar komt dit enge gevoel vandaan? Heb ik dit gevoel gecreëerd of is het slechts waan? Ik heb niks misdaan. Verantwoordelijkheid nemen is geen schuld bekennen. Zij hebben het gedaan. Zij willen de hand die zich over hen ontfermt, afhakken. Kijk, luister. Ze roepen luid, steeds luider: “Weg met Bouta, weg met de moordenaar.” Zie je, ze drukken mij in een hoek, ze dwingen mij tot handelen. Als ik de president was, wist ik precies wat te doen. Als!?

Michelle Obama zei ooit: when they go low, we go high. Dat was haar antwoord op de vuilsmijterij en het smerige onder-de-gordel-gedrag van Republikeinen. Vuil bestrijd je niet met vuil. Het wordt een puinhoop en daar wil je niet op leven. Ramon Abrahams, Silvana Afonsoewa, Cliff Limburg en de baas himself Desi Bouterse bloeien echter op bij puin en onrust. Ze bedreigen in hun geënsceneerde poppenkastspel. Vier markante Surinamers die zich in een hoek gedrukt voelen. Niemand duwde ze die hoek in. Dat deden zij zelf. Ze bouwden verder op de wankele basis van de piramide en nu er instortingsgevaar dreigt, schreeuwen zij moord en brand.

Ramon Abrahams, de grootste corruptiehypocriet, roept aanhangers op de straat op te gaan voor een veroordeelde moordenaar. Het kan Abrahams blijkbaar geen moer schelen dat Suriname internationaal als paria te kijk staat. Ramon Abrahams is beneveld door de geur van olie en stinkende dollars. Een voor moord veroordeelde president deert hem niet in zijn benevelde situatie. Arme mensen en mensenkinderen meesleuren in zijn ellende in plaats van ze te verheffen is zijn scenario. Ramon Abrahams, de man die huilde als een pikin boi om zijn moeder toen hij in 1980 opgesloten zat voor gezagsondermijnende activiteiten. Nu stoere taal uitslaan is gro skin.

Silvana Afonsoewa, ongehuwde alleenstaande moeder, stal de show in het poppenkastspel. Respect voor een alleenstaande moeder die de afwezige vader(s) bewijst dat zij hen niet nodig heeft behalve toen zij zorgden voor de vreugde van drie kinderen. Chapeau! Ik neem mijn hoed voor haar af maar leg die gauw weer op mijn hoofd om te voorkomen dat mijn hersenen nog meer in de war raken. Afonsoewa is DNA-lid en vertegenwoordigt niet het belang van haar gezin. Zij is nota bene belast met het goed functioneren van de onafhankelijke rechterlijke macht en uitgerekend zij maakt hen voor apen uit. Mi skin e gro moro. Wie geen respect geeft, kan het ook niet afdwingen.

En als het podium van Ocer niet groot genoeg is, biedt de staatszender Cliff Limburg alle ruimte die hij maar wil. U weet allemaal dat deze propagandist nooit mijn waardering als journalist zal krijgen. Elke middag neemt Limbo de kans te baat zijn gal te spugen. Persoonlijke aanvallen op personen doen hem opleven terwijl hij deze personen de ruimte ontzegt om vanuit hun maatschappelijke positie ook van de staatszender gebruik te maken. Zo iemand die gal te over heeft om te spugen laat overduidelijk blijken dat hij een belang te verdedigen heeft. Het is helaas niet het nationale belang. Gro skin.

Ik heb een dilemma. Het land zit opgescheept met een moordenaar die democratisch is gekozen tot president. Alleen in Suriname kunnen zoveel conflicten en tegenstrijdigheden zich verenigen in één persoon. Ik hoopte dat hij Ramon, Silvana en Cliff tot de orde zou roepen, helaas was dat wishful thinking. Als grote leider gooide hij juist meer olie op het vuur. Al verend en heupwiegend beschimpte hij de onafhankelijke rechterlijke macht. Nee president, de Krijgsraad heeft je niet uitgenodigd op de koffie. Het is een bevel tot verschijning. Verschijn je niet, dan geldt de wet tot gevangenneming ook voor jou. Hoe kan je jaloers zijn op een moordenaar die denkt deuren van het gevang met een uzi kapot te schieten. Het is eng, heel erg eng. Mi skin e gro moro nanga moro.

taknangami@live.nl

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/16/column-mi-skin-e-gro/




INGEZONDEN: MACHT NOCH GEWELD, MAAR GERECHTIGHEID VERHOOGT EEN VOLK!

16/01/2020 17:00

De redactie van DWT Publishing NV stelt lezers in de gelegenheid stukken in te zenden ter publicatie. In principe worden alle ingezonden artikelen opgenomen, tenzij de inhoud schadelijk, kwetsend of beledigend is voor derden. Stukken die geplaatst worden komen niet noodzakelijkerwijs overeen met de mening van DWT Publishing NV. De redactie behoudt zich het recht voor om stukken niet te plaatsen, in te korten of te redigeren zonder dat die uit hun context worden gehaald.

De redactie van DWT Publishing NV stelt lezers in de gelegenheid stukken in te zenden ter publicatie. In principe worden alle ingezonden artikelen opgenomen, tenzij de inhoud schadelijk, kwetsend of beledigend is voor derden. Stukken die geplaatst worden komen niet noodzakelijkerwijs overeen met de mening van DWT Publishing NV. De redactie behoudt zich het recht voor om stukken niet te plaatsen, in te korten of te redigeren zonder dat die uit hun context worden gehaald.  

Wat is er aan de hand in Suriname? Is een militair regiem aan het ontwaken? Het valt niet te ontkennen dat er iets broeit onder de burgers in onze gemeenschap. In verschillende groepen wordt er heftig gediscussieerd over de gebeurtenissen van de afgelopen weken.

Eerst betrof het de vondst van olie en gas voor de kust van Suriname! Het is ondenkbaar dat er één Surinamer zou zijn, die zich niet gelukkig zal voelen met deze gave van de natuur, die tot grotere welvaart van ons land kan leiden! Slechts door wijs beleid kan dit de burgers ten goede komen. De olievondst was het begin!

Grote aandacht van het publiek is geschonken aan het verloop van de kadervergadering van de politieke partij, de NDP, op vrijdag 10 januari jl. De nieuwsbladen, de radio en televisiestations en de sociale media hebben ruimschoots melding gemaakt van de ‘geruchtmakende’ uitspraken, gedaan door verantwoordelijke personen.

Het was geen nieuws meer dat de heer Desiré Delano Bouterse, de huidige president van de Republiek Suriname, op 22 januari 2020 voor de Krijgsraad zal moeten verschijnen, omdat hij verzet heeft aangetekend tegen zijn veroordeling tot 20 jaar gevangenisstraf in het proces rond de 8 december moorden.

Iedereen behoort te weten dat de Republiek Suriname een rechtstaat is en een Grondwet heeft. Iedere burger dient de grondwet te gehoorzamen! De president moet aan het begin van zijn ambtstermijn niet alleen een eed afleggen tot eerbiediging van de grondwet, maar hij zal alle burgers daarin tot voorbeeld moeten zijn.

De stoere taal van één van de ondervoorzitters van zijn partij en de oproep van een partijlid, tevens parlementslid namens de NDP, om de voorzitter op 22 januari a.s. te begeleiden naar de Krijgsraad, heeft bij vele burgers het gevoel gewekt van intimidatie en het onnodig uitlokken van confrontatie.

Er zijn in deze partij beslist ook juristen en bezadigde leden, die hier zeker corrigerend zouden kunnen optreden! Door het intimiderend gedrag van partijleden niet openlijk te corrigeren, wordt ons land internationaal te schande gezet! Velen uit onze gemeenschap vragen zich bevreesd af wat er zal gebeuren gedurende de dagen naar 22 januari toe en daarna. Wij denken bijvoorbeeld aan de ouders van kinderen die de scholen aan de Mgr. Wulfingstraat bezoeken.

Gods Woord heeft gelukkig een positieve bemoediging en troost voor allen die bevreesd of angstig zijn voor de komende dingen! Wij hebben een machtige God, de God van Abraham, Izaak en Israël. Soortgelijke situaties hebben zich vaker voorgedaan in de geschiedenis van de mensheid. Koning

Hizkia was koning over Jeruzalem. Sanherib was de machtige koning van Asur; hij had met zijn legers vele andere koningen verslagen en hun gebieden in bezit genomen. Sanherib wilde op een gewelddadige manier met koning Hizkia onderhandelen. Daarom zond hij een dreigbrief naar koning Hizkia, die op zijn beurt met de dreigbrief naar de tempel ging. Daar spreidde hij de brief voor God uit, dat Hij de brief lezen zou! Ook bad koning Hizkia ernstig tot God, nadat hij de profeet Jesaja over zijn benauwdheid had doen weten!

Hoe zag Gods reddingsplan eruit? De Here zond zijn Engel, die het machtige leger van Sanherib aanviel en neersloeg, waardoor hij onmiddellijk de terugtocht aanvaardde, langs dezelfde weg waar hij vandaan kwam. (Zie Jesaja 37) Al de negatieve gebeurtenissen mogen beschouwd worden als de dreigbrief van koning Sanherib! Alle gelovigen moeten daarom blijven bidden! God redt uit alle nood!

Ds. E.C. Ritfeld, Ep. Fr.

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/16/ingezonden-macht-noch-geweld-maar-gerechtigheid-verhoogt-een-volk/

NDP-ONDERVOORZITTER MISIEKABA HEEFT GEEN TIJD VOOR XAVIERA JESSURUN

16/01/2020 15:43 – Naomi Hoever

NDP-ondervoorzitter André Misiekaba heeft geen boodschap aan activiste Xaviera Jessurun.

NDP-ondervoorzitter André Misiekaba heeft geen boodschap aan activiste Xaviera Jessurun. Foto: dWT Archief  

PARAMARIBO – NDP-ondervoorzitter André Misiekaba zegt dat de statuten van de partij min of meer dezelfde zijn gebleven. Hij stelt dat de rechtszaak tegen voorzitter Desi Bouterse sinds 2007 loopt en lang nog niet is afgelopen. “We houden ons niet bezig met Xaviera Jessurun. Onze focus is op dit moment gericht op olie en op het protest van 22 januari.”

Dit zegt hij na opmerkingen van de activiste dat Bouterse als veroordeelde persoon handelt tegen de partijstatuten. Misiekaba wil niet uitweiden over dit onderwerp en zegt dat de statuten van alle partijen openbaar zijn voor een ieder. “Geen verder commentaar.”

Jessurun verwijst in gesprek met Radio ABC naar artikel 2 lid 8 van de statuten van de NDP waarin is aangegeven dat deze partij staat voor het geven van inhoud aan de rechtsstaat gebaseerd op de scheiding der machten en de beginselen van sociale rechtvaardigheid.

Volgens haar zou de NDP als huidige bestuurder achter de rechtsstaatgedachte moeten staan. Bij haar kan het daarom niet in dat ondervoorzitter Ramon Abrahams oproept om met de veroordeelde naar de rechtszaal te gaan.

Zij haalt aan dat artikel 6 lid 2 praat van royement. Dit is het geval als het lid de partij of een orgaan ervan naar het oordeel van het hoofdbestuur, na het Adviescollege te hebben gehoord, de partij in ernstige diskrediet brengt.

Volgens haar doet Bouterse dit met zijn status als veroordeelde. Zij zegt dat hij geroyeerd moet worden en geen achterban op straat moet brengen als hij voor de Krijgsraad zal verschijnen. Volgens haar is het protesteren tijdens de rechtszaak tegen de rechtsstaat

Lees meer: Misiekaba heeft geen tijd voor Xaviera Jessurun – DWTonline.com http://www.dwtonline.com/de-ware-tijd-online/laatste-nieuws/2020/01/16/ndp-ondervoorzitter-misiekaba-heeft-geen-tijd-voor-xaviera-jessurun/#ixzz6BDubjfkq

ZIE ONDERSTAAND DE VELE REACTIES IN DIT VERBAND

STREI! en respect voor (inter)nationale rechtsorde

 
16 Jan, 10:45

foto

Nadat de discussies over de veroordeling van de heer Bouterse wat naar de achtergrond zijn geëbd na het nieuws van de olievondst voor onze kust, is het weer gesprek van de dag door de gang naar de rechter voor het verzet tegen het vonnis van de krijgsraad, 22 januari aanstaande. Wie zou dat verzet moeten ondersteunen? Het Surinaamse volk?

 
Het lijkt STREI! goed om de burger aan enkele zaken te herinneren. Elk land heeft een nationale wetgeving, die door de burgers van dat land middels de volksvertegenwoordiging (DNA) is ingevoerd. De onafhankelijke Republiek Suriname heeft in 1975 een grondwet aangenomen, die in 1987 (na een referendum) en in 1992 werd geëvalueerd en aangepast. 
 
Echter is dit niet de enige wetgeving die geldt in ons land. Boven de nationale wetten staan internationale verdragen, ontwikkeld door de Verenigde Naties, om in de nasleep van de gruwelen van met name de Tweede Wereldoorlog, allerlei grondrechten en mensenrechten voor burgers te garanderen. Geen land kan het maken om deze grondrechten van de burgers te negeren, anders zou het zich buiten de internationale rechtsorde plaatsen. Dat lukt overigens (nog steeds) niet altijd, dat zien we aan huidige brandhaarden in de wereld. 
 
Daarnaast is het zo dat de soevereiniteit van een land gewaarborgd moet zijn, horen we de minister van Buitenlandse Zaken Beighly-Pollack regelmatig roepen op internationale fora. Echter, de Rechten van de Mens zijn wereldwijd door vele landen, ook Suriname, ondertekend en geratificeerd en bedoeld om de burgers bescherming te bieden tegen machthebbers die met geweld hun wil op proberen te leggen. Ook in de Surinaamse Grondwet zijn die rechten opgenomen. Suriname is onder meer aangesloten bij het Inter-Amerikaanse Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO).  
 
Geweldplegingen hebben ook in de Republiek Suriname plaatsgevonden, zoals in 1980 en 1982. Al vrij snel na de decembermoorden heeft de OAS na een veldbezoek in 1983 een rapport opgesteld, waarin ooggetuigenverslagen staan, en is in te zien op internet. Geen enkele persoon in Suriname kan zeggen dat ze niet van die decembermoorden hebben geweten. Of op Facebook de onzinnige uitroep doen dat je er niet bij was als getuige, dus dat het daarom niet waar zou zijn. Om onder een veroordeling voor schending van mensenrechten uit te komen, is er in 2012 een wijziging van een eerdere Amnestiewet aangenomen, ondanks vele protesten internationaal en in Suriname zelf. Maar is het niet zo dat er eerst schuld moet zijn vastgesteld, voordat amnestie verleend kan worden?  
 
Naast alle inhoudelijke en grammaticale discussies rondom die Amnestiewet, is er tevens het aspect van de invloed van internationale verdragen. Wat in relatieve stilte is gebleven, is de reactie van het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens op 21 november 2018 in het vervolgrapport van de Moiwanazaak (er worden twijfels geuit bij de geldigheid van de Amnestiewet en er wordt tevens nogmaals benadrukt dat er geen amnestie kan worden verleend voor mensenrechtenschendingen). En de reactie van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens (IAHRM) op de klacht van de nabestaanden van de decembermoorden. 
 
De commissie (IACRM) van de (OAS) heeft de klacht van de nabestaanden van de op 8 december 1982 vermoorde 15 mannen op 26 juni 2019 in behandeling genomen en onze regering gevraagd, om te antwoorden op het klaagschrift van de nabestaanden met verzoek om de Amnestiewet 2012 in te trekken en de verdachten te berechten en te bestraffen en de nabestaanden te compenseren. Tot 26 september 2019 had de regering de tijd om te reageren. De regering Bouterse kon verder nog tot 4 maart 2019 reageren op het vervolgrapport over Moiwana bij het IAHRM en voorbereidingen treffen voor een onderzoek van de organisatie in Suriname naar die case. Er is noch door assembleeleden, noch door journalisten aandacht besteed aan het uitblijven van deze verplichte rapportages. Slechts de jurist Ed van den Boogaard heeft hierover een opmerking gemaakt in zijn artikel van 6 december 2019 op Starnieuws en in zijn artikel in het Surinaams Juristenblad van september 2019.  
 
Inmiddels is wel bekend dat de Surinaamse regering het bezoek/onderzoek van de president van het Inter-Amerikaanse Hof telkens heeft tegengehouden (dWT van 31 oktober 2019). In de Grondwet van Suriname staat dat de republiek de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert en ook de participatie in internationale organisaties (art. 7 GW). Oók de president zou volgens art. 101 GW de ontwikkeling van de internationale rechtsorde moeten bevorderen. Zo heeft hij gezworen op de Grondwet. Het steeds negeren van beslissingen van het IAHRM roept de vraag op of de president niet in strijd handelt met de Grondwet. Het volk van Suriname heeft recht op verantwoording over dit (nalatige) overheidshandelen (art. 52 GW).
 
Naast de ‘Rule of law’, die respect voor de rechtsstaat in een samenleving omvat, zou ook de ‘Rule of decency’ een belangrijke rol moeten spelen. Deze betreft normen en waarden, de ongeschreven regels binnen een maatschappij. Bijvoorbeeld hoe we het gedrag van onze leiders beoordelen, zoals beledigende uitlatingen doen over de rechterlijke macht, of spreken van een politiek proces bij een onafhankelijke rechterlijke macht. Die fatsoensregels laten over het algemeen zien dat in een moderne rechtsstaat de burgers niet meer accepteren, dat hun leider als crimineel te boek staat. De protesten tegen alleenheersers die inkomsten van een land niet delen met het volk, nemen wereldwijd toe, ook in Zuid-Amerika. Met een veroordeling van 20 jaar gevangenisstraf kan de heer Bouterse in een fatsoenlijk land geen president zijn, of er een amnestiewet aangenomen is of niet. De OAS kijkt toe! 
STREI! vindt het wel te betreuren dat de processen zo lang duren, en dat de organisatie zich niet luider laat horen. Ook middels bekendmakingen hier, en meer berichten in de pers!

Geen werkende Amnestiewet 2012 voor Misiekaba

 
06 Dec, 16:01

foto

De heer Misiekaba weet reeds jaren dat de gewijzigde Amnestiewet van 1989/2012 door de onafhankelijke rechter buiten toepassing is verklaard en op basis van art. 137 Grondwet (GW) kan de rechter dit ook doen. De heer Misiekaba doet wel heel naïef wanneer hij zegt dat de rechter de wet niet kan toetsen en wanneer hij vraagt welke grondrechten genoemd in hoofdstuk V van de GW in de Amnestiewet geschonden worden. Als lid van de regering zal hij dit toch weten. 

 
Er geldt in de GW onder meer een verbod tot folteren, een recht op leven beschermd door de wet, recht op een eerlijke en openbare behandeling door een onafhankelijke rechter, binnen een redelijke termijn. De rechter kan een wet aan deze grondrechten en aan verbindende bepalingen in internationale verdragen toetsen (art.106 GW). De regering en Nationale Assemblee behoren wetten ook aan deze bepalingen te toetsen. Of is hier sprake van constitutionele anarchie?
In de MvT bij de gewijzigde Amnestiewet 2012 staat nog nadrukkelijk dat het Moiwanavonnis van het IAHRM niet valt onder de werkingssfeer van de Amnestiewet en dus onverkort behoort te worden uitgevoerd.
 
Wat zegt het Hof in dit vonnis in overweging 206: o.a. “Met name amnestiewetten, verjaringstermijnen en gerelateerde bepalingen die het onderzoek en de bestraffing van ernstige mensenrechtenschendingen verhinderen – zoals parate buitengerechtelijke executies als in deze zaak – zijn ontoelaatbaar, aangezien deze schendingen in strijd zijn met niet-derogeerbare rechten erkend in het internationale mensenrechten-recht”. 
 
Waarom heeft de regeringscoalitie dan toch die Amnestiewet van 1989 in 2012 gewijzigd? Is hier dan niet bewust sprake van constitutionele anarchie, terwijl ministers trouw aan de GW en aan andere wettelijke regelingen beloven? Er staat bovendien in art. 2 van die gewijzigde Amnestiewet niet dat amnestie niet geldt voor schendingen van mensenrechten? En zijn dan parate buitengerechtelijke executies na foltering als in december 1982 hebben plaatsgevonden geen schendingen van mensenrechten? Idem Theo Para in Parbode van oktober. 
 
En ook al om andere redenen heeft die gewijzigde Amnestiewet van 2012 geen werking. De gewijzigde Amnestiewet van 2012 luidt in artikel 1 lid 1 als volgt: 
Amnestie wordt verleend aan degenen die in het tijdvak aanvangende op  1 april 1980 en eindigend op 20 augustus 1992
a. Strafbare feiten hebben begaan en/of daarvan worden verdacht en/of zijn gedagvaard in het kader van de verdediging van de Staat en/of omverwerping van het wettig gezag;
g. Als verdachten zijn aangemerkt en als zodanig zijn gedagvaard in verband met feiten gepleegd op 7,8, en/of 9 december 1982 zoals omschreven in de dagvaarding in verband met de artikelen 347,348,349 cq artikel 72 lid 2 en artikel 360 e.v. van het Wetboek van Strafrecht. 
Het sub g gestelde inzake de decembermoorden levert sowieso geen amnestie op voor verdachten terzake de decembermoorden, omdat betrokkenen eerst op 31-10-2000 als verdachten zijn aangemerkt in de beschikking van het Hof van Justitie en pas in 2007 door het OM zijn gedagvaard en dus niet in de periode als bedoeld in het gewijzigde artikel 1 lid 1 van de Amnestiewet.
 
Om verschillende hiervoor genoemde redenen levert de Amnestiewet 2012 dus zelf al – naast de andere genoemde gronden- geen amnestie op voor de verdachten van de decembermoorden.
Het OM is verplicht om een (onherroepelijke) door de onafhankelijke rechter opgelegde straf zodra mogelijk ten uitvoer te leggen; het OM heeft geen discretionaire bevoegdheid om een eigen beslissing te nemen.
Artikel 2 lid 3 van het BUPO Verdrag legt een verplichting op aan staten om een opgelegde sanctie ook ten uitvoer te leggen.
 
Het zou goed zijn wanneer de regering de antwoorden op vragen van de IACRM over de klacht van de nabestaanden van de 15 geëxecuteerde personen op 8 december 1982 bekend maken.  Immers op 20-7-2019 werd bekend dat de IACRM van de OAS de klacht van de nabestaanden op 26 juni 2019 in behandeling genomen heeft. De Commissie heeft aan Suriname gevraagd, te antwoorden op het klaagschrift van de nabestaanden met verzoek om de Amnestiewet 2012 in te trekken en de verdachten te berechten en te bestraffen en de nabestaanden te compenseren. De regering heeft  tot 26 september 2019 de tijd gehad om te reageren.
 
Of is de heer Misiekaba niet zo voor openbaarheid van bestuur ten behoeve van de bevolking? Het jaarlijks verantwoording afleggen over de uitgaven van de regering in een Slotwet, verplicht op basis van art. 156 leden 5a en b van de GW heeft ook al jaren niet plaatsgevonden. Zie hierover reeds op 3-09-2015 Gregory Rijssen in Starnieuws. Is dat geen constitutionele anarchie?
 
Zie ook mijn uitgebreider artikel in het SJB, nr.2.2019.
 
Ed van den Boogaard

AFKONDIGEN NOODTOESTAND OP 22 JANUARI ‘TE VER GEZOCHT’

15/01/2020 15:43 – Merredith Bruce

Sam Polanen.

Sam Polanen. Foto: dWT  

PARAMARIBO – De gedachte bij sommigen dat de regering het erop aanstuurt om op 22 januari de noodtoestand af te kondigen, is volgens staatsrechtsgeleerde Sam Polanen “te ver gezocht.” Hij zegt op vragen van de Ware Tijd dat er zich een heel ernstige situatie zou moeten voordoen, voordat de noodtoestand kan worden uitgeroepen.

“Dat zou kunnen als er in het hele land opstootjes en rellen zouden ontstaan, maar niet slechts in een klein deel.” Hij verwijst hiermee naar de omgeving van het gerechtsgebouw waar NDP-voorzitter en president Desi Bouterse op 22 januari als verdachte moet verschijnen voor de Krijgsraad. Politieke toppers van de partij hebben de achterban opgeroepen om de voorzitter massaal te gaan ondersteunen wanneer hij naar de rechtszaal gaat.

Zowel politieke partijen als maatschappelijke groepen ervaren de oproep als een bedreiging van de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht. In een appbericht worden instituten die verantwoordelijk zijn voor het handhaven van de veiligheid opgeroepen om zich op die dag massaal ziek te melden.

‘Voorkom dat u ongewild wordt gebruikt in de aanleiding tot het afkondigen van de noodtoestand in Suriname, met als gevolg staat van beleg. Als scenario en doorgestoken kaart zult u bij het rumoer bij de Krijgsraad optreden, wat aanleiding zal zijn voor excessen’, wordt verder aangehaald in de oproep via Whatsapp.

Polanen legt uit dat bij het uitroepen van een noodtoestand het burgerlijk gezag kan worden overgenomen door het militair gezag voor zolang de noodtoestand duurt.”Dat gebeurt meestal bij een militaire opstand of een aanval van buiten of als er plotseling oorlogsschepen het land binnenkomen.”

De staatsrechtgeleerde legt verder uit dat er tijdens een periode waarbij de noodtoestand geldt, zaken die de Grondwet verbiedt, wel zijn toegestaan. Op de vraag of het mogelijk is het vonnis tegen Bouterse terug te draaien antwoordt hij ontkennend. “Je zou eventueel alleen over toekomstige handelingen van de rechter een besluit kunnen nemen, maar niet over handelingen die al zijn genomen, anders creëer je nog grotere problemen.”

Een andere zaak die speelt is volgens Polanen de noodzaak van een Nationale Veiligheidsraad voor het afkondigen van de noodtoestand. Die ontbreekt namelijk in Suriname. Hij verwijst hiermee naar artikel 128 van de Grondwet. “Bij het uitroepen van de noodtoestand neemt de Nationale Veiligheidsraad alle taken van de regering, DNA en nog net niet de rechterlijke macht over.

Zo wordt de staatsrechtelijke en constitutionele ordening opzij gezet en komt er een ander soort ordening in de plaats waarbij militairen de bestuursposten invullen.” Een noodtoestand uitroepen, terwijl zo een raad ontbreekt, is volgens hem lastig.

Districtscommissaris Mike Nerkust van Paramaribo-Noordoost heeft gisteren in het programma ‘Bakana Tori’ gezegd dat de NDP een vergunning heeft aangevraagd voor de manifestatie van haar achterban ter ondersteuning van de partijvoorzitter. Nerkust zegt dat de NDP bij alle manifestaties een vergunning aanvraagt. Hij stelt dat die partij zich altijd keurig gedraagt.

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/15/afkondigen-noodtoestand-op-22-januari-te-ver-gezocht/

Del Castilho: NDP is niet uit die drang van dictatuur gegroeid

Angelic del Castilho

De Nationale Democratische Partij (NDP) is niet uit de drang van dictatuur gegroeid. Dit zegt DA’91-voorzitter, Angelic del Castilho, in gesprek met Suriname Herald. Zij vindt dat deze partij uit geweld en dictatuur is geboren en niet uit democratie.

Del Castilho keurt de manier waarop de partij omgaat met gerespecteerde instituten in het land af. De intimidatiepogingen die afgelopen vrijdag zijn getoond, mogen niet geaccepteerd worden.

De oproep van de krijgsraad dat voormalige legerbevelhebber Desi Bouterse op 22 januari op de zitting verschijnt, is het bewijs van de kracht van onze rechtsstaat. Hieruit blijkt dat iedereen gelijk is voor de wet, ongeacht de functie die de persoon bekleedt. “Ook Desi Bouterse moet door de knieën gaan en voor de rechter verschijnen om verantwoording af te leggen,” zegt de politica.

Zij complimenteert de Surinaamse gemeenschap met de kracht van onze rechtsstaat en roept alle burgers op, om deze rechtsstaat steeds te beschermen tegen aanvallen van wie dan ook.

NDP-toppers Silvana Afonsoewa en Ramon Abrahams hebben NDP’ers opgeroepen om Bouterse te gaan ondersteunen. Afonsoewa zei dat Bouterse niet alleen gaat, maar dat de NDP met hem meegaat. “Niet de oppositie, niet de krijgsraad en geen enkele jap’ japi kan de show stoppen,” stelde Afonsoewa.

De partij zal op weg naar 22 januari haar achterban oproepen, om die dag aanwezig te zijn bij de zitting. Deze oproep volgde, nadat Bouterse, die als hoofdverdachte in de 8-decemberstrafzaak wordt aangemerkt, meedeelde dat hij lijfelijk aanwezig zal zijn op de zitting. Zijn advocaat Irvin Kanhai heeft na de veroordeling tot twintig jaar celstraf verzet aangetekend.

https://www.srherald.com/suriname/2020/01/15/del-castilho-ndp-is-niet-uit-die-drang-van-dictatuur-gegroeid/

NDP-volksvertegenwoordiger Silvana Afonsoewa. Foto: Suriname Herald

De Stichting A Marron Kompas i.o. (voorheen Commissie 10 Oktober 2018) heeft met verbazing kennisgenomen van de uitspraken gedaan door het DNA-lid Silvana Afonsoewa op 10 januari 2010 in OCER. Daarbij heeft dit DNA-lid zeer afkeurenswaardige opmerkingen gemaakt, welke niet geaccepteerd kunnen worden in een beschaafde samenleving. De stichting keurt zulke uitspraken resoluut met klem af en zal altijd afstand nemen van deze soorten afkeurenswaardige uitspattingen.

Dit DNA-lid heeft als Marron een zeer respectabele opvoeding gehad die haar in staat stelt de gemeenschap op waardige wijze dienstbaar te zijn. Zij moet vanuit haar positie ook zorgdragen voor een voorbeeldig gedrag naar de Marronvrouwen in het algemeen, maar meer nog de achtergestelde en ontspoorde Marronjeugdigen in het bijzonder. Het getoonde gedrag is ook een schande naar alle vrouwen die in de samenleving op strategische posities zitten ter dienste van land en volk.

De stichting biedt op de eerste plaats haar welgemeende en oprechte verontschuldiging aan de Marrongemeenschap voor het getoonde gedrag van dit DNA-lid, dat totaal buiten de Marrontradities en gewoontes valt. Verder biedt de stichting haar welgemeende en oprechte verontschuldiging aan, aan alle waardige, integere en sterke vrouwen, nationaal en internationaal, die zich beledigt en gekwetst voelen door het tentoongestelde gedrag van dit DNA-lid. De stichting verzoekt deze vrouwen om ter verheffing van land en volk hun werk naar eer en geweten te blijven voortzetten.

Ten slotte roept de stichting alle Surinamers op om een bijdrage te leveren aan het creëren en in stand houden van een zeer waardige Surinaamse natie, waar respect, waarden en normen hoog in het vaandel worden gehouden. Het accepteren en respecteren dat Suriname een onafhankelijk democratisch land is dat bestuurd wordt op basis van de ‘Trias Politica’, waarbij een onafhankelijke rechtspraak zorgt voor bevrediging van het rechtsgevoel van eenieder, is de verantwoordelijkheid van elke Surinamer, ongeacht interpretatieverschillen, maatschappelijke functie, politieke overtuiging, etniciteit en geloofsovertuiging.

De Stichting A Marron Kompas i.o.
Ing. L. Bunswijk, voorzitter
Dr. R. Ravenberg, secretaris

https://www.srherald.com/suriname/2020/01/15/stichting-a-marron-kompas-zwaar-teleurgesteld-in-afonsoewa/

‘Niet alle NDP-ers lijden aan verstandsverbijstering’

15 januari 2020

 
'Niet alle NDP-ers lijden aan verstandsverbijstering'
 

[INGEZONDEN] – Staat u mij toe een mening te geven over het vonnis van de heer Bouterse in relatie tot de NDP. Laat mij in het kader van transparantie vooropstellen dat ik al 8 jaar lid ben van de NDP. Maar dat neemt niet weg dat ik een mening vorm op grond van eigen moraal. Lid zijn van de NDP sluit verstand hebben niet uit. Ook al leeft helaas die perceptie bij velen in onze samenleving, zoals de heer With dat recent verwoordde (film onder). 

 

Ik maak een helder onderscheid tussen de persoon Bouterse en de partij de NDP. Dat de persoon Bouterse is gevonnist, wil niet zeggen dat NDP ook is gevonnist. Natuurlijk heeft het vonnis gevolgen voor de NDP. Maar de NDP is een beweging die meer is dan slechts één persoon. Ik ben samen met velen onder de indruk van het charisma van Bouterse. Hij heeft de NDP naar grote hoogtes gebracht. Maar ook ik besef dat het vonnis van de president naar elke burger afstraalt. Hoe kan ik mijn kinderen uitleggen dat hun president de moord van 15 mannen op zijn geweten heeft? Wat voor een voorbeeld geven wij ons nageslacht? 

Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik mij schaam. Niet over mijn partij, maar over mensen binnen de partij. Ik herken mijzelf niet in degenen die zaten te schreeuwen en te schelden op Zanderij. Blijkbaar vinden zij 20 jaar voor moord de gewoonste zaak van de wereld. Als zij willen delen in de schande van het vonnis, dan is dat hun goed recht. Maar laat dat niet ten koste gaan van de groep die niet verbijsterd is.

Als Bouterse aanblijft dan zullen de verkiezingen gaan over de vraag of een moordenaar president van Suriname mag blijven. Het gevolg zal zijn dat de NDP in de oppositie beland. De verbijsterden mogen veel lawaai maken, in het stemhokje spreekt de stem van de zwijgende massa. Ik roep daarom de heer Desi Bouterse op: De partij is met u begonnen, maar laat het niet met u eindigen. Wees een man en haal deze hebi op de NDP weg!

Serge Emanuels BSc.

https://www.waterkant.net/suriname/2020/01/15/niet-alle-ndp-ers-lijden-aan-verstandsverbijstering/

Jogi roept Bouterse op zijn partijgenoten in het gareel te houden

Mahinder Jogi. Foto: Suriname Herald

Het assembleelid Mahinder Jogi (VHP) roept Bouterse op, om zijn partijleden in het gareel te houden. Wat Jogi flink stoort, zijn de intimidatiepogingen van Bouterse en zijn aanhang aan het adres van de instituten en personen die naar eer en geweten hun grondwettelijke taken uitvoeren. Hij noemt het optreden van de NDP-toppers Ramon Abrahams en Silvana Afonsoewa afgelopen vrijdag in Ocer een pure vorm van machtsvertoon.

De politicus is van mening dat Bouterse die veroordeeld is voor de 8-decembermoorden naar de rechter moet gaan zoals elke burger dat zou moeten doen in een rechtsproces. Dat de president tevens partijleider het toelaat dat partijleden denigrerende uitspraken doen, past niet in een geciviliseerde samenleving. Hij vindt het niet verstandig om op deze manier de burgers op te trommelen de straat op te gaan. “Dit soort gedragingen zijn niet bevorderlijk voor onze rechtsstaat.”

Afonsoewa is jong en “groen” in de politiek en weet niet waarmee ze bezig is, aldus Jogi. Dat de NDP uit de revolutie is gekomen, begrijpt hij volkomen. Dat neemt niet weg dat we geen respect en eerbied voor elkaar moeten hebben. Hij vraagt de president om zulks achterwege te laten.

Bouterse die op 29 november van het vorige jaar tot twintig jaar celstraf is veroordeeld voor de 8-decembermoorden heeft verzet aangetekend. Hij liet tijdens een kadermeeting van zijn partij afgelopen vrijdag weten dat hij voor de krijgsraad zal verschijnen op 22 januari. Jogi vindt het niet vreemd dat Bouterse aanwezig zal zijn, omdat het zo hoort gezien niemand boven de wet staat.

https://www.srherald.com/suriname/2020/01/14/jogi-roept-bouterse-op-zijn-partijgenoten-in-het-gareel-te-houden/

.

Anti-Bouterse of anti-NDP?

 

14 Jan, 22:41

foto

Het behoren tot  één van de eerder genoemde groepen is geen vrijbrief om het verstand niet te gebruiken. Als de NDP haar leden wil oproepen om haar voorzitter te begeleiden/ondersteunen bij zijn gang naar de Krijgsraad is daar niets mis mee. Het is ook niet vreemd in de wereld dat politici of andere beroemdheden die voor de rechter moeten verschijnen support krijgen/ vragen van hun partijgenoten, leden of fans. Ik noem u  het geval in Turkije van de politica Canan Kaftancioglu, de zaak van popster R. Kelly en in Suriname Wilgo Valies die support van de leerkrachten kreeg toen de zaak van zijn vakbond diende bij de rechter.

 
Toen was het geen intimidatie van de rechterlijke macht. Het aanwezig zijn van aanhang of supporters is dus geen uitvinding van de NDP en kan niet betiteld worden als intimidatie van de rechters. Immers het aantal supporters in of  buiten de rechtszaal heeft geen enkele invloed op het proces.
 
Desire Delano Bouterse en zijn NDP maken genoeg fouten die door de oppositie gebruikt kunnen worden om zijn incompetentie aan te tonen en succesvol antipropaganda te voeren tegen hen. In plaats van die zaken te gebruiken moet men het hebben van incidentele uitspraken of zaken die op een massabijeenkomst worden gezegd. Velen nemen het dan ook klakkeloos over en gaan daarmee aan de haal, hoewel uit ethische overweging er wel iets over te zeggen valt, is er fundamenteel niets aan de hand.
 
Mijn advies aan de oppositie; zet u een degelijke en deugdelijke (multi-/massa-) mediaplan op waarbij u dagelijks minimaal een uur lang de incompetentie van negen jaren Bouterse als president bespreekt in woord en beeld. Gaat u op onderzoek en vertel ons de herkomst van de “goedkope dollars”, er komt een Wanica ziekenhuis, belicht u dat tegen de achtergrond van de slechte gezondheidszorg, betalingsachterstanden in de zorg, enz. Waar zal het medisch personeel vandaan komen, terwijl Suriname een tekort heeft aan goed opgeleide medici en verpleegkundigen, als ze uit Cuba of elders komen met welk geld worden ze betaald? Zaken waarop u kunt anticiperen, want de NDP heeft altijd een sluitend verhaal en het blijft bij het ‘verhaal’ want in de diepte is het leeg, hol, verzonnen of zwaar overtrokken.
 
Laat u de NDP dus vrij in haar oproep en gaat u zaken bedenken om het volk te overtuigen van de omvang van de ellende waarin dit regime ons en onze kinderen heeft gestort.
 
Kenrich Cairo

VHP DOET EEN BEROEP OP DE REGERING OM DE ONAFHANKELIJKHEID RECHTERLIJKE MACHT TE WAARBORGEN

 

Jan 13, 2020

Naar aanleiding van de uitspraak van de Krijgsraad op 29 november 2019 waarbij hoofdverdachte Desi Bouterse, tevens NDP-voorzitter en President, veroordeeld is tot 20 jaar straf voor zijn aandeel in de moord op vijftien burgers op 8 december 1982, en daarbij de oproep van de NDP aan haar aanhangers om op 22 januari a.s. massaal de straat op te gaan, wenst de VHP het volgende te verklaren.

De VHP verwijst naar het tot nog toe gevoerd beleid om de rechterlijke macht alle ruimte te geven  teneinde haar werk ongestoord, onbevreesd en in alle onafhankelijkheid haar werk goed te kunnen doen. De VHP verwijst eveneens naar de integriteit en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht als een van de pijlers in de Surinaamse samenleving.

De VHP roept daarom eenieder op om de rechtsstaat te eerbiedigen en om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te respecteren.

De VHP doet een beroep op de regering, om conform diverse VN-verdragen – waar Suriname partij bij is met betrekking tot regels voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, om ook die onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen en te garanderen door de principes van de rechtsstaat in acht te nemen.

De VHP roept alle burgers van Suriname op om in nationaal belang te handelen. De VHP doet een beroep op alle burgers om al hetgeen dat te maken heeft met partij en/of individueel belang om dat belang ondergeschikt te laten zijn vanwege de plicht die wij allen hebben om de rechtsstaat Suriname te blijven beschermen.

PERSBERICHT|VHP

https://unitednews.sr/vhp-doet-een-beroep-op-de-regering-om-de-onafhankelijkheid-rechterlijke-macht-te-waarborgen/

DOE verwerpt opruiing NDP tegen Rechterlijke Macht

 
13 Jan, 18:28

foto

   

 
Open brief aan de President en Voorzitter van de Nationale Assemblee van de Republiek Suriname
Betreft: Opruiing NDP tegen de Rechterlijke Macht.
 
Geachte President en Voorzitter van De Nationale Assemblee van de Republiek Suriname,
 
Met afschuw hebben wij kennis genomen van het, in onze beleving, opruiend gedrag van exponenten van de Nationale Democratische Partij (NDP). Dit gedrag, gepaard met grove beledigingen, is voornamelijk gericht tegen de Rechtelijke Macht.
 
De Nationale Assemblee, de Regering en de Rechtelijke Macht, zijn de fundamenten waarop onze rechtsstaat rusten. Aantasting of belediging van een (1) van deze betekent, het plegen van inbreuk op en ondergraving van onze rechtsstaat. Tevens betekent het, inbreuk op het gevoel van respect voor het recht, moraal en fatsoen binnen de samenleving. 
In dit specifiek geval, zijn het bovendien exponenten binnen de politieke partij waar u als persoon voorzitter, respectievelijk ondervoorzitter van bent.
 
Het kan ons inziens dan ook niet anders dat u zeer nadrukkelijk corrigerend optreedt en zich distantieert van de opruiing en gedane beledigingen als mede-verantwoordelijke voor de waarborging van de rechtstaat.
Wij wachten, net als de rest van de samenleving, uw corrigerende acties af.
 
U hoogachtend,
Het bestuur en DNA fractie van de partij Democratie en Ontwikkeling in Eenheid (DOE).
Partij Voorzitter, S. Alfaisi
Fractieleider, C. Breeveld

‘LEEGHOOFDEN DENKEN NIET NA’

14/01/2020 15:41 – Gilliamo Orban

Het gerechtsgebouw aan de Monseigneur Wulfinghstraat.

Het gerechtsgebouw aan de Monseigneur Wulfinghstraat. Foto: Stefano Tull  

PARAMARIBO – Het schijnt dat veel ouders van wie de kinderen de RKBO-scholen bezoeken nabij het gerechtsgebouw aan de Monseigneur Wulfinghstraat, de scholen liever gesloten zien op 22 januari vanwege veiligheidsreden. Op die dag zal oud-legerleider Desi Bouterse voor de Krijgsraad verschijnen voor de behandeling van het verzet dat hij tegen zijn veroordeling heeft aangetekend.

NDP-prominenten Ramon Abrahams en Silvana Afonsoewa hebben vrijdag tijdens een kadermeeting de aanhang opgeroepen om massaal met Bouterse naar de zitting te gaan. Afonsoewa, die voor een storm van kritiek zorgde met haar yap’yapi en keskesi-uitspraak’, wilde niet antwoorden op de vraag van de Ware Tijd wat de NDP zal doen als het op 22 januari uit de hand loopt.

Ouder Richard Suliman maakt zich zorgen. “Ik proef intimidatie en er kunnen zich heethoofden in de massa bevinden die het oneens zijn met de zaak, waardoor het uit de hand kan lopen. Ik zie liever dat de scholen worden gesloten zoals dat is gebeurd op 29 november”, zegt hij doelend op de vorige rechtszitting, waarbij de Krijgsraad vonnissen heeft uitgesproken in de spraakmakende Decembermoordenzaak.

Suliman is huiverig om zijn kind, dat op de St. Elisabethschool zit, op die dag naar school te sturen, als er toch wordt besloten om les te geven. Moeder Monique Amatredjo is hierover vastberaden. “Ik heb drie kinderen die op de St. Elisabeth- en St. Louiseschool zitten en ook al moeten ze normaal onderwijs op die dag volgen of ze moeten repetitie maken, ga ik ze thuis houden.” Amatredjo vreest voor escalatie, waardoor de kinderen hun veiligheid in gevaar kan komen.

Ook vader Ferdi Boons vindt het onverantwoordelijk om de scholen op 22 januari open te houden. “Dat wordt een risico, want er kunnen ongeschoolde krachten of leeghoofden tussen de mensen zijn die niet nadenken over hun handelingen. Ook zal het moeilijk zijn om een grote aanhang tegen te houden. De politie gaat niet overal ogen hebben”, stelt Boons. Hoewel de kinderen een achterstand in lessen zullen hebben als de scholen gesloten zullen zijn, hebben onderwijsinstellingen volgens hem geen keuze. “Wat doe je anders? Je zoekt naar de beste oplossing.”

Bij hem kan het er niet in, zoals ook bij de andere ouders, dat er een gerechtsgebouw is opgezet dicht bij de scholen. Er komen zware criminelen naar daar en dat kan een gevaar zijn voor de omgeving. “De scholen kunnen ook niet elke keer gesloten worden wanneer een belangrijke persoon of een zware crimineel voor de rechter moet verschijnen. Het kan ook gebeuren dat een crimineel ontvlucht uit het gebouw en een juffrouw onder schot houdt, waardoor de kinderen een trauma kunnen overhouden”, zegt de bezorgde moeder Nirusha Mokhamsing.

Ook zij is er voorstander van om de scholen op 22 januari dicht te houden. “Er zijn mensen die het hoofd niet koel kunnen houden en er kunnen uitspattingen plaatsvinden. Het is niet goed dat kinderen een drama meemaken, omdat ze getraumatiseerd kunnen raken”, zegt ze. Anders dan haar en andere ouders, vindt Jermain Winter dat de scholen hun deuren niet hoeven te sluiten. “De politie moet gewoon zijn werk doen, want we wonen in een rechtsstaat. Als iemand de orde wil verstoren, moet de politie optreden”, zegt hij. Er moeten voldoende politieagenten op de been zijn om de mensen in toom te houden.

Edith Lamsberg, directeur van de St. Louiseschool, wijst erop dat zij niet in haar eentje kan besluiten om de school te sluiten. Dat besluit moet komen van de leiding van RKBO. “Ik heb vanmorgen (maandag, … red.) gebeld met het secretariaat van de RKBO om te vragen wat de procedure wordt op 22 januari, want ik word plat gebeld door ouders.” De Ware Tijd heeft getracht om een reactie te krijgen van de leiding van het RKBO. Volgens een medewerker van het secretariaat zou er contact gemaakt worden met de krant, maar dat is niet gebeurd.

http://www.dwtonline.com/laatste-nieuws/2020/01/14/leeghoofden-denken-niet-na/

Reactie op: Bandeloosheid bij de NDP

 
14 Jan, 16:09

foto

De kadermeeting van de NDP op vrijdag 10 januari heeft velen op de heupen gewerkt. Dat was al goed te merken op social media vanaf vrijdagavond. Maar, dat het inhoudelijke van de kadermeeting zoveel belangstelling zou genieten van aanhangers van oppositionele partijen, dat zij zelfs zijn gestruikeld over de manier waarop de voorzitter van de partij zou hebben gelopen op die bewuste dag, maakt het alleen maar hilarischer.

 
Het effect van de meeting was dan ook vrij goed te merken door de snelheid waarmee Idris Naipal een ingezonden stuk heeft kunnen publiceren op Starnieuws. Opvallend is dat Naipal moeite heeft met uitspraken gedaan door de partijleden Abrahams en Afonsoewa. Die, let wel, op een politiek podium hebben gestaan om hetgeen waar zij heilig in geloven te verdedigen. Dat is zoals ik het heb geleerd, nog steeds het democratisch recht welke ook door Idris dient te worden gerespecteerd.
 
Opvallend was de woordkeuze van de schrijver om de NDPers te beschrijven. Dat hij ervoor kiest om hen te bestempelen als te zijn ‘militanten’. De schrijver probeert dus invloed uit te oefenen op het onderbewustzijn van de lezers en gelijk een graan van haat en angst te zaaien in de gedachtengang van de lezers. Meneer Naipal, u hebt volkomen gelijk wanneer u stelt dat wat u zaait u zult oogsten. De vraag is dan wel, als u zich heel erg bewust bent van wat het precies is, dat u zaait. En als u dat bent, dan bent u ronduit kwaadwillig bezig naar dit volk toe.
 
De schrijver roept op tot de eerbiediging van de democratie en de rechtsstaat en het garanderen van de veiligheid van de burgers. Ik vraag mij af waar de bezorgdheid omtrent de veiligheid was van de schrijver toen er diverse protestacties zijn gehouden in de straten van Paramaribo, waar ook de partij waar hij aan behoort, aan heeft deelgenomen. Toen werd de democratie dus wel geëerbiedigd en werd de veiligheid ook gegarandeerd?
 
Of wenst de schrijver te insinueren dat de opkomst van de achterban zodanig groot zal zijn op 22 januari, dat hij er nu al hoge koorts van krijgt? Deze dubbelzijdige benadering van de schrijver doet veel vraagtekens opwerpen.
Welk bewijs heeft de schrijver voor de beschuldiging aan het adres van de ‘militante NDPers’ dat het hun doel is, het ‘kapotmaken van de sociale structuur van het land’? Of is dit de zoveelste poging van hem om delen van het volk angst aan te jagen die totaal misplaatst is?
 
Het bevreemd mij, dat de schrijver zo bezorgd is over de beleving van de democratie en de rechtstaat en tegelijk oproept tot het indammen van de rechten van de burgers om vrijwillig aanwezig te zijn bij het gerechtsgebouw om de President te ondersteunen.
 
Het is ronduit lachwekkend dat vanuit de schrijver er gesteld wordt dat ‘ze angst en onderling wantrouwen willen zaaien’, zulks terwijl er geen enkel bewijs is voor zo een grove leugen en aantijging aan het adres van de NDP. Maar uit het heel artikel van de schrijver is duidelijk te halen, dat zijn doel is te zinspelen op verdeeldheid en onderlinge haat onder het volk. 
 
Insinuaties als dat ‘ze’ proberen te intimideren en ‘het volk’ moet zich niet laten intimideren en bedreigen. Is ‘het volk’ van de schrijver die en deze? Behoort de achterban van de NDP dan niet tot ‘het volk’. Is de schrijver bezig een wig te drijven tussen het Surinaamse volk en mensen bezig aan te zetten tegen elkaar?
 
Het is crimineel en misleidend, dat de schrijver incompetent is om de rechten van de burgers te respecteren. En dat volgens de schrijver er alleen sprake is van een rechtstaat en democratie wanneer mensen de straat op komen om te protesteren tegen de zittende regering en niet wanneer burgers uit sympathie en eensgezind zich wensen te begeven naar het gerechtsgebouw ter ondersteuning van de President.
 
Mariam Letterboom

Bouterse tegen OM Nederland: “Yu kan hor’ a sigaret moni”

Kadermeeting van de NDP in Ocer. Foto: Suriname Herald

President Desi Bouterse heeft zijn blijdschap over de positieve ontwikkeling die Suriname op dit moment doormaakt niet onder stoelen of banken gestoken, tijdens de kadermeeting in NDP-partijcentrum Ocer. Hij noemde enkele positieve ontwikkelingen van de afgelopen dagen zoals de overname van de Afobakastuwdam, de aardolievondst en de overwinning in de zaak van de 19,5 miljoen euro.

Volgens de rechtbank in Nederland moet het geld aan Suriname worden teruggeven. “Ondanks de rechterlijke uitspraak probeert men door te gaan. Bijna mi bing wan taki ie kan hor’ a sigaret moni,” zei Bouterse. Suriname zal met de eerder door de president genoemde ontwikkelingen meer kunnen verdienen. Het staatshoofd gaf verder aan, dat het jaar 2020 een bijzonder jaar is. Het baggeren van de Surinamerivier is naar zijn zeggen een van de successen voor dit jaar. Dit is ook het jaar van verandering. Verder legde hij uit dat Suriname in vergelijking met buurland Guyana, al veertig jaar in de olie-industrie zit.

Op het Surinaamse volk deed het staatshoofd een beroep, om de handen in elkaar te slaan en ervoor te zorgen dat deze successen niet misgaan. De vondst van olie en gas is volgens de president geen NDP-aangelegenheid, maar een nationale zaak.

Bouterse zei verder dat er op dit moment, voor het totale volk, veel werk aan de winkel is. “Samenwerking is van groot belang. Het is tijd dat alle ter zake deskundigen samen gaan kijken hoe we met deze ontwikkelingen gegeven door God zullen omgaan.”

Hij riep op om te blijven geloven in de missie die de revolutie voor staat. Een van de barrières waaraan er gewerkt moet worden, zijn de eigen ego’s. Door samen te werken, kunnen gezamenlijke doelen gerealiseerd worden. Ten aanzien van de stembusgang zei Bouterse, dat het winnen van de komende verkiezingen in handen ligt van de NDP’ers zelf.

https://www.srherald.com/suriname/2020/01/12/bouterse-tegen-om-nederland-yu-kan-hor-a-sigaret-moni/

Abrahams: strijd is losgebarsten; Bouterse staat niet alleen

 

Kadermeeting van de NDP in Ocer. Foto: Suriname Herald

Politieke tegenstanders mogen weten dat de strijd naar de verkiezingen van 25 mei 2020 toe, nu voor de Nationale Democratische Partij (NDP) is losgebarsten. Zo sprak Ramon Abrahams, ondervoorzitter van de NDP, de aanwezigen op een drukbezochte kadermeeting in Ocer toe.

De partij zal haar kracht op 22 januari tonen en de voorzitter massaal begeleiden naar de zitting van de krijgsraad. “Bouterse staat niet alleen,” benadrukte Abrahams.

Hij gaf te kennen dat de NDP-voorzitter niet klein te krijgen is. Bij de verkiezingen van mei 2015 heeft de NDP in het kiesdistrict Paramaribo 56.000 stemmen behaald, waarvan 35.000 waren uitgebracht op Bouterse. Landelijk hebben meer dan 125.000 kiezers gestemd op de NDP. Deze partij is de enige nationale en grootste partij in Suriname. Daar kun je niet aan komen, aldus de NDP-ondervoorzitter.

Abrahams gaf te kennen dat de NDP nooit ervoor heeft gekozen om de straat op te gaan, maar als politieke tegenstanders dat willen dan zal de paarse partij dat ook bewijzen. De partij weet wel hoe dat te doen. De eerste actie zal op 22 januari zijn, vervolgde Abrahams.

Volgens hem zal de partij na 22 januari direct beginnen met haar vlaggencampagne. Suriname zal paars gekleurd worden. De NDP heeft van alles in huis om het politieke werk in de komende maanden te doen. Sympathisanten zullen in de komende weken alle instructies ontvangen via hun politieke coördinatoren, voerde de politicus aan.

Carolyn Heilbron, Faizel Abdoelgafoer, Etienne Boerenveen en Ramon Abrahams zullen de verkiezingskar trekken.

Abrahams gaf verder te kennen, dat de NDP bekend staat als een organisatie met discipline en stootkracht. Binnenkort zullen alle politieke coördinatoren opgeroepen worden voor de eerste meeting in verband met de politieke mobilisatie naar 22 januari toe, wanneer president Bouterse voor de krijgsraad moet verschijnen.

Bouterse is op 29 november van het vorige jaar tot twintig jaar celstraf veroordeeld voor de moorden op 8 december 1982. Het zal de eerste keer zijn dat de voormalige legerbevelhebber persoonlijk voor de rechter zal verschijnen, sinds de start van deze zaak in 2007.

https://www.srherald.com/suriname/2020/01/12/abrahams-strijd-is-losgebarsten-bouterse-staat-niet-alleen/

Bandeloosheid bij de NDP

 
 

11 Jan, 2020,22:39

foto

   
Het is weer raak, de zoveelste intimidatie en dreigement van militante NDP’ers, die niet kunnen verkroppen dat hun partijvoorzitter tevens president van het land veroordeeld is tot 20 jaar celstraf. Tijdens de kadermeeting van de NDP op vrijdagvond 10 januari, hebben Ramon Abrahams en Silvana Afonsoea, flink uitgehaald naar de Krijgsraad en de oppositie.
 
Bij deze militante NDP’ers gaat het om gevoelens van angst, frustratie en gemis aan gerustheid, ze zijn bang dat hun leider de dans niet meer kan ontspringen. Ze zijn in paniek. Silvana Afonsoea werd op een gegeven moment erg hysterisch en begon te schreeuwen: “Oppositie noch de Krijgsraad zal de show stoppen. No wan p’tjin japjapi no wan p’tjin kes kesi o stop a show”. Dit is puur bandeloosheid! De uitspraken van haar waren zeer beschamend, maar wij zijn gewend van bepaalde NDP’ers, om zulke aantijgingen aan te horen, er zijn genoeg voorbeelden te over. In het verleden hebben president Bouterse, Ashwin Adhin, Misiekaba en andere NDP’ers, zeer beledigende uitspraken gedaan. Het heeft enkel tot doel angst en paniek te zaaien onder de bevolking.
 
Ramon Abrahams heeft aangekondigd dat op 22 januari de straat zal worden opgegaan. Volgens Ramon Abrahams gaat de NDP haar kracht laten zien. Hij zei: “If un wani dat NDP e teki strati, wi o tek a strati. Te we teki strati dan wi teki strati. Wat heeft de veroordeling van Bouterse te maken met straatacties? We moeten de krijgsraad respecteren en daarmee de rechtsstaat. Abrahams zei: “We weten waarom wij dat moeten doen, gelooft u mij, en ze gaan het merken op 22 januari”. Abrahams moet zijn grote mond dichthouden en rustig wachten wat de Krijgsraad verder beslist. Wat en wie gaat het merken? Zulke afspraken zijn niet anders dan intimidatie en dreigement. Ik vraag me af waarom er geen respect is voor de wetten en de grondwet? Wij moeten de democratie en de rechtsstaat eerbiedigen, we moeten de veiligheid van onze burgers garanderen.
 
Zulke handelingen verenigen zich niet met het fundamentele principe van de rechtsstaat. Deze militante NDP’ers willen de sociale structuur van het land kapotmaken. Ze proberen bewust zo veel mogelijk angst en onderling wantrouwen te zaaien, ze willen de veroordeelde Bouterse vrij krijgen met dreigementen en intimidatie. Wij kunnen als volk dergelijke intimidaties en dreigementen niet tolereren.
 
Een zwakke tegenstander kan soms gevaarlijk worden als hij geen uitweg meer ziet, niet zomaar zegt men: “Een kat in het nauw gedreven maakt rare sprongen”. Maar laten we hopen dat deze grote kat (Tigri) geen rare sprongen maakt. De wijze waarop Bouterse een demonstratie gaf hoe hij naar de krijgsraad gaat, is geen blijk van respect naar de Krijgsraad toe, onbehoorlijk gedrag van de president.
 
De NDP wil de rechterlijke macht naar haar hand zetten, maar dat kan niet toegestaan worden. Een rechtsstaat is ondenkbaar zonder een onafhankelijke rechterlijke macht. Heel jammer dat dreigementen en intimidatie onder regering Bouterse/Adhin, steeds meer worden gelegitimeerd. De militante NDP’ers moeten niet vergeten dat wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen. Wie wind zaait zal storm oogsten! Ik ben ervan overtuigd dat het volk op 25 mei 2020, met de NDP gaat afrekenen.
Idris Naipal

NDP MOBILISEERT MASSA OM BOUTERSE NAAR KRIJGSRAAD TE BEGELEIDEN

 

Jan 11, 2020

Breaking News: President gaat op 22 januari naar zitting Krijgsraad

 

President Bouterse tijdens zijn staatsbezoek in China. Foto: Ranu Abhelakh/Reuters

President Desi Bouterse heeft zojuist tijdens de NDP-kadermeeting in Ocer bekendgemaakt, dat hij aanwezig zal zijn op de zitting van de krijgsraad op 22 januari. De mededeling van de president werd met veel gejuich ontvangen.

Bouterse hield zijn structuren voor dat hij lijfelijk aanwezig zal zijn op de zitting van de krijgsraad. Zijn raadsman Irvin Kanhai heeft na de uitspraak van de krijgsraad op 29 november 2019 verzet aangetekend tegen het vonnis.

NDP-assembleelid Silvana Afonsoewa deelde mee dat de president niet alleen gaat naar de zitting, maar dat de totale NDP daar aanwezig zal zijn. Zij riep haar gehoor op om ook anderen mee te nemen. 

“Oppositie noch Krijgsraad ne tap a show. No wan kes kesi ne tap a show,” zei Afonsoewa.

Bouterse is op 29 november 2019 veroordeeld voor het op 8 december 1982 medeplegen van moord op vijftien critici van het toenmalige militaire regime. Volgens de krijgsraad was Bouterse op 8 december 1982 in Fort Zeelandia aanwezig toen de moorden werden gepleegd. Bouterse verscheen nooit op de zitting die in 2007 aanving.

https://www.srherald.com/suriname/2020/01/10/breaking-news-president-gaat-op-22-januari-naar-zitting-krijgsraad/

VONNIS KRIJGSRAAD VAN 29 NOVEMBER 2019

DE KRIJGSRAAD IN NAAM VAN DE REPUBLIEK Parketnummer : 3975 Vonnisnummer : 46 Datum uitspraak : 29 november 2019 Verstek Raadsman : I.D. Kanhai, BSc., advocaat, VONNIS van de Krijgsraad, zitting houdende te Paramaribo, in zaak van de auditeur-militair tegen: BOUTERSE, DESIRÉ DELANO, geboren op [datum] in [district], voorheen van beroep militair in de rang van Luitenant-Kolonel, thans President van de Republiek Suriname, wonende aan [adres] te [woonplaats], verdachte, en defaillant. 1. Het onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de diverse data gehouden terechtzittingen en gerechtelijke plaatswaarnemingen. De Krijgsraad heeft kennis genomen van de vordering van de auditeur-militair, hierna afgekort AM en van hetgeen de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht. De AM heeft het volgende gevorderd: – veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren voor het tenlastegelegde feit onder A, te weten medeplegen aan moord, welk feit de AM wettig en overtuigend bewezen acht op grond van de door hem in zijn requisitoir opgesomde bewijsmiddelen. De verdediging heeft onder meer gevorderd: A.primair: integrale vrijspraak. Daartoe heeft hij betoogd dat de getuigenverklaringen die de vervolging als bewijsmiddel heeft gebezigd onbetrouwbaar zijn. Volgens het betoog van de verdediging is in deze strafzaak vanaf het begin via de media veel campagne gevoerd, waardoor de Krijgsraad is beïnvloed en kan de Krijgsraad dus niet onbevangen over deze strafzaak oordelen; B.subsidiair: niet – ontvankelijkheid van de AM op basis van de Amnestiewet; C.meer subsidiair: onbevoegdverklaring van de Krijgsraad eveneens op basis van de Amnestiewet. 2 2. De tenlastelegging Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding bij de Krijgsraad, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 3. De geldigheid van de dagvaarding Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 4. De bevoegdheid van de Krijgsraad De Krijgsraad verwerpt het meer subsidiair opgeworpen (onbevoegdheids)-verweer van de verdediging inhoudende dat de Krijgsraad zich onbevoegd dient te verklaren in de onderhavige strafzaak, en wel op grond van de hierna volgende overweging. Onbevoegdverklaring heeft betrekking op de plaats alwaar het misdrijf is gepleegd. Indien een strafbaar feit op Surinaams grondgebied heeft plaatsgevonden, dan is de Surinaamse rechter, in casu de Krijgsraad, bevoegd van de onderhavige strafzaak kennis te nemen. In casu heeft het strafbaar feit, zoals hierna uit de bewijsmiddelen blijkt, op Surinaams grondgebied plaatsgevonden. Mitsdien is de Krijgsraad bevoegd van de onderhavige strafzaak kennis te nemen. 5. De ontvankelijkheid van de vervolging De Krijgsraad volhardt bij al hetgeen zij terzake de gewijzigde Amnestiewet in het door haar gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 09 juni 2016 heeft overwogen, in welk vonnis de Krijgsraad heel breedvoerig is ingegaan op de standpunten van partijen met betrekking tot de gewijzigde Amnestiewet van 05 april 2012 (S.B. 2012, no. 49) en bij welk vonnis de Krijgsraad het bepaalde in artikel 1 van de gewijzigde Amnestiewet wegens strijdigheid met één der in hoofdstuk V van de Grondwet Republiek Suriname genoemde grondrechten, als ongeoorloofd en buiten toepassing heeft verklaard. Op grond hiervan verwerpt de Krijgsraad het subsidiair verweer dat de verdediging heeft opgeworpen, inhoudende het niet – ontvankelijk verklaren van de AM. Bovendien zijn bij het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de vervolging in de weg staan. 6. Schorsing der vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 7.De gebezigde bewijsmiddelen De Krijgsraad acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder A heeft begaan, en wel op grond van de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de hierna opgesomde bewijsmiddelen, in onderling samenhang beschouwd. 3 Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. A. Ten aanzien van het DRAAIBOEK 1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte Bouterse, Desiré Delano, afgenomen door de Rechter-Commissaris in het kader van het GVO d.d. 28 juni 2001, (ordner I, blz. 342-349), hetwelk de verdachte heeft gelezen en getekend en waarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “(…) Op 25 februari 1980 vond er een staatsgreep plaats, welke door mijn persoon en vijftien anderen werd gepleegd. De TRIS onderging een naamsverandering in Nationaal Leger. De groep werd later bekend als de groep van zestien. Ook na de staatsgreep bleef ik de leiding behouden van deze groep. (…) Als u mij vraagt een begrenzing te maken van personen van de groep van zestien die zich duidelijk politiek profileerden, kan ik beamen dat dit de persoon van HORB en mijn persoon betrof. Het is juist dat de rest van de groep van zestien erbij gehaald werd, wanneer zich in die periode bepaalde zaken voordeden. (…) Op uw vraag een toelichting te geven op de militaire operatie in 1982 kan ik u alsvolgt antwoorden. In die periode was het bekend en hadden wij de harde informatie dat subversieve krachten doende waren een omwenteling teweeg te brengen. Met wij bedoel ik het leger. De informaties hadden wij vóór december 1982.(…) De omwenteling zou in ieder geval gewapender hand worden uitgevoerd. Op uw vraag of er een bepaalde strategie was uiteengezet om de operatie uit te voeren, antwoord ik u bevestigend. Nadrukkelijk wil ik verklaren dat deze strategie een aangelegenheid was van militairen. Burgers zijn er als zodanig niet bij betrokken geweest. (…) Op uw vraag of er bij het uitvoeren van de strategie gewerkt is met een bepaald draaiboek moet ik u bevestigend beantwoorden. Het draaiboek was bij mij in ieder geval bekend. Als u mij vraagt wie de samenstellers waren van dit draaiboek verklaar ik u de militaire top en de militaire deskundigen. Als u mij specifiek vraagt naar namen van de militaire top en de deskundigen die ik bedoel, antwoord ik u, dat ik dat niet zo direct weet, doch namen van mijn persoon, HORB en BHAGWANDAS zijn zo een beetje bekend. (…) Ik wil u verklaren dat er in feite drie diensten opereerden n.l. de inlichtingendienst, een contra-inlichtingendienst en een burgerinlichtingendienst.(ordner I, blz.344) Ik geef u te kennen dat het draaiboek zoals het militair past zorgvuldig is voorbereid. Wij zijn niet over één nacht ijs gegaan om het zo uit te drukken.(ordner I, blz.345) Op uw vraag of de persoon in kwestie wordt geëlimineerd of een kopje kleiner wordt gemaakt, geef ik u te kennen dat dit geheel afhankelijk is van de fase waarin de operatie zich bevindt. Op een vraag waar de bijeenkomsten van de militaire top plaatsvonden geef ik u te kennen, dat deze plaatsvonden in het gebouw naast de VOS aan de Gemenelandsweg, bekend als het gebouw van de Chef Staf. (…) Over de werkwijze van de vergaderingen en/of bijeenkomsten met betrekking tot de operatie, kan ik u verklaren dat de besluitvorming plaatsvond op basis van consensus. Ik leidde veelal de vergaderingen en bij mijn afwezigheid deed mijn vervanger dat. Er werd weliswaar niet gestemd. Het was meer een vorm van overeenstemming bereiken. Het is juist dat de uitkomsten van deze vergaderingen en/of bijeenkomsten bekend waren bij een zeer beperkt aantal mensen dat tot strikte geheimhouding verplicht waren. Ook de Minister van Leger en Politie werd niet geïnformeerd. De Minister moet meer gezien worden als de persoon die de administratieve en logistieke zaken moet bewaken. Combatieve taken zijn meer toebedeeld aan de Opperbevelhebber en de Bevelhebber van het Leger. (ordner I, blz.346) (…) U vraagt mij naar een uiteenzetting voorafgaande aan 7,8 en 9 december 1982. 4 Met betrekking tot het voorgaande kan ik u zeggen dat het draaiboek verder is afgewerkt en dat op 7 op 8 december 1982 verschillende mensen zijn opgehaald. Met het ophalen werd beoogd verdere militaire stappen van de tegenpartij blind te maken, zoals ik eerder heb uiteengezet. De verdere bedoeling was om deze mensen het land uit te zetten om te voorkomen dat zij verder zouden gaan met hun subversieve activiteiten. U moet weten dat er meer mensen op de lijst stonden dan de zestien die zijn opgehaald. Ik denk dat een stuk of zeven niet zijn gevonden. (…) U vraagt mij waarom de mensen persé naar het Fort Zeelandia moesten worden gebracht en verklaar ik u, dat de zaak technisch goed voorbereid moest worden omdat het de bedoeling was de mensen ‘persona non grata’ te verklaren en het land uit te zetten. U vraagt mij welke procedure is gevolgd bij het ophalen en overbrengen van de mensen naar het Fort Zeelandia en geef ik u te kennen dat de mensen zijn overgedragen aan de commandanten van de operaties, waarna ze in hechtenis zijn genomen. Op uw vraag of de mensen ook bij mij zijn voorgeleid verklaar ik u dat ofschoon ik mij daarmee niet bezig hield heb ik wel gesproken met de heer DERBY. U moet weten dat ik mij niet permanent in het Fort Zeelandia heb opgehouden op 7 en 8 december 1982. Ik verplaatste mij n.l. naar verschillende locaties. Ik meen mij te herinneren dat ik mij op 8 december 1982 overdag voor het grootste gedeelte in het Fort Zeelandia bevond. U moet weten dat ik de persoon van DERBY die een belangrijke informant was, heb heengezonden. (…) Ik wil verduidelijken dat ik mij verantwoordelijk voel voor deze levensberovingen en alles wat daaromheen heeft plaatsgevonden, doch ik wil benadrukken dat ik daarmee bedoel politieke verantwoordelijkheid. (ordner I, blz. 347) Het is juist dat ik op de televisie kort na het gebeurde in het Fort Zeelandia verklaard heb dat de vijftien personen die in het Fort Zeelandia waren tijdens een vluchtpoging waren doodgeschoten. Ik heb dit gedaan naar aanleiding van de rapportage welke ik ontvangen had. De rapportage had ik gekregen van de heer BHAGWANDAS. Ik geloofde dit inderdaad ook niet en heb ik ook aan de autoriteiten gevraagd of zij ook een onderzoek zouden instellen. Ik heb zelf geen opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen omdat de situatie in het leger erg gevaarlijk was. (…) U vraagt mij op welke wijze de vijftien personen het land zouden worden uitgezet en waar ze naartoe gebracht zouden worden. Hierop verklaar ik u dat dit gedeelte nog niet helemaal was verwerkt. Er was geen enkel verzoek ingediend bij één of ander land om de mensen op te vangen”.(ordner I, blz.. 348). 2) Proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte Bouterse, Desiré Delano, afgenomen door de Rechter-Commissaris in het kader van het GVO d.d. 30 november 2004, (ordner I, blz.. 349-353), welke proces-verbaal de verdachte heeft gelezen en getekend enwaarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “(…) Uit informaties die ons bereikten uit de inlichtingendienst wisten wij dat personen, althans een groep van personen doende waren een coup voor te bereiden. Aangezien de heer DERBY de vertrouwensman was van de militairen kreeg hij van ons de opdracht in de groep te infiltreren. DERBY heeft gevolg gegeven aan deze opdracht en kregen wij van hem de informaties door, zoals de plaatsen waar er vergaderd werd en de plannen die allemaal werden uitgewerkt.DERBY noemde daarbij ook namen. Ik kan mij nu geen concrete namen herinneren. U zult begrijpen dat deze rol van DERBY enige maanden heeft voortgeduurd. Het was overigens bekend dat DERBY vanaf de staatsgreep één van de belangrijkste adviseurs van de militairen was. Het is verder ook juist dat DERBY tot twee malen toe bij mij werd gebracht. U moet de hele entourage omtrent het binnenkomen van BHAGWANDAS en HORB in de kamer zien als een scenario welke wij opgezet hadden. Er werd zodanig gesproken dat dit hoorbaar was voor de andere personen die zich in de door DERBY bedoelde ruimte bevonden. Op uw vraag wat wij 5 hiermee hebben beoogd geef ik u te kennen dat wij wilden voorkomen wie de “mol” zou zijn. Met “mol” bedoel ik infiltrant.(ordner I, blz.349) (…) Op uw vraag of er helemaal geen sprake is geweest van het bijhouden van lijsten moet ik zeggen dat er inderdaad lijsten met namen werden opgemaakt en ook verslagen van de groep die bezig was met het voorbereiden van een coup.(ordner I, blz. 349) (…) Het is juist dat ik indertijd een schrijven heb gericht naar het Openbaar Ministerie met het verzoek om onderzoek. Ik sta nog altijd hier achter, omdat ik van oordeel ben dat er politiek te pas en te onpas gebruik wordt gemaakt van hetgeen heeft plaatsgevonden in december 1982. Antwoord gevend op de vraagstelling wat de reden was dat RAMBOCUS en SHEOMBAR, die intussen door de Krijgsraad, vanwege de zogenaamde RAMBOCUS-coup waren veroordeeld, wederom moesten worden opgehaald, dat kennelijk uit informatie uit die periode deze personen hoewel niet lijfelijk, maar in ieder geval op een andere wijze betrokken waren bij de plannen voor een coup. Ik wil nog de opmerking maken dat deze coupplannen door ons in die tijd werden bestempeld als CIA-coup. Dit zeg ik omdat het ons bekend was dat er buitenlandse krachten hier achter zaten. U vraagt mij een nadere precisering van wat bedoeld wordt met buitenlandse krachten. Voor het moment kan ik daarop niet gedetailleerd op ingaan, doch ik ben wel bereid te zijner tijd daarop nadere bijzonderheden te geven.(ordner I, blz.. 351). (…) Het is inderdaad juist dat ik indertijd de mededeling heb gedaan via de televisie dat de mensen die waren opgebracht in het Fort Zeelandia in een vluchtpoging waren neergeschoten. Het is naderhand gebleken dat deze informatie die mij ter hand was gesteld niet juist was. Ik had ook mijn twijfels vandaar dat ik gevraagd had naar een onderzoek. Dat onderzoek heeft inderdaad plaatsgevonden en ik meen te weten dat de resultaten indertijd ter bewaring zijn afgegeven aan de Surinaamsche Bank.(ordner I, blz.. 352) 3) De verklaring van [getuige 1] afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 08 juli 2011, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft verklaard: “(…)Tegenover mevrouw Rozenblad heb ik een schriftelijke verklaring afgelegd. In de jaren 2000 of eerder had ze mij opgeroepen. Ze vroeg me om de inhoud van een gesprek op papier te zetten. Dat heb ik ook gedaan. Ze heeft mij daarna gebeld en gezegd dat ze tevreden is. Ze was destijds PG.Neen, ik heb nooit een gesprek met Reeder gehad. Van Inspecteur Doorson heb ik stukken in bewaring gehad. Ik was bankdirecteur. Ik vroeg of ik de stukken in officiële bewaring moest nemen. Hij zei van niet. Het was alleen een vriendendienst. (…) Het was geen officiële bewaring. (…) Het enige gesprek met een officieel orgaan was met mevrouw Rozenblad, toenmalig PG. Ik moest de kwestie dat Doorson bij mij was geweest schriftelijk vastleggen. Ik moest dus vastleggen dat Doorson mij gevraagd heeft om het dossier in bewaring te nemen en dat ik niets afwist van de verdwijning.” 4) De verklaring van [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 08 juli 2011, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft verklaard: “(…)Ja, het was in opdracht van de PG. Ik was toegevoegd aan de PG. Ik kreeg de opdracht van de PG om alle relevante informatie te verzamelen. (…) Ik heb de PG zijn exemplaar gegeven en hij zei doe met de jouwe wat jij wil. Het dossier was verzegeld. Ik heb wel gezien dat meneer Brahim het dossier zelf in de kluis heeft gezet. Voor mij was het veilig in de kluis van de DSB. (…)Ja, mijn bron was Horb. Neen, ik heb Derby niet geconfronteerd met de informatie die ik had, omdat ik geen opdracht had om te onderzoeken. Ik had mijn informatie van een bron, een militair. Ik heb ook in mijn aantekeningen gesteld, dat wat Horb mij verteld heeft had hij van horen zeggen.” 6 5) Verklaring van [getuige 3], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 14 augustus 2009, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard: “(…) Ik stond rechtstreeks onder leiding van de Bataljonscommandant. Ik moest hem rapporteren over de veiligheid van het object. In die tijd was het bij de inlichtingendienst niet het geval dat het meer werk inhield. Ik heb geen instructies gehad om onderzoek te doen naar te plegen coups. Ik heb ook geen initiatief genomen om te onderzoeken of er coups zouden worden gepleegd. We hadden ook geen infrastructuur om dat te doen. Wij moesten inlichtingen verzamelen met betrekking tot personeelsveiligheid, brandveiligheid, antecedentenonderzoek. Ik ben niet op de hoogte van een derde inlichtingendienst, die inlichtingen verzamelde voor de Legerleiding. (…) Op 8 december 1982 waren wij in de Memre Boekoekazerne. We hebben ons verzameld. We waren toen geconsigneerd door de Bataljonscommandant Kolonel Boerenveen. De Bevelhebber had in de ochtenduren, rond 8.00 uur – 09.00 uur een vergadering met de Officieren. Het gezag kwam enige uitleg geven over hetgeen zich had voltrokken. Vanwege de hiërarchie wilden zij de officieren informeren. Bouterse en Horb waren er. Bouterse en Horb verklaarden dat er moeilijkheden waren in het land en dat men de macht omver wilde werpen. Er waren activiteiten van personen die door buitenlandse mogendheden werden ondersteund. Ze waren opgebracht en gevangen gehouden te Fort Zeelandia. Tijdens een vluchtpoging zijn deze mensen doodgeschoten. De Officieren waren zeer verontwaardigd. Collega’s barstten in tranen uit. (…) Niemand heeft mij verteld waarom wij geconsigneerd waren. Er waren activiteiten die te maken hadden met de Staatsveiligheid en dat we geconsigneerd waren. (…) u noemt het spionagewerkzaamheden, maar in ieder geval was daar geen sprake van toen ik hoofd van de S2 was. Het was een kleine dienst. Het betrof de veiligheid van het object. Vaak genoeg nam de Legerleiding zelf de touwtjes in handen. Ik had het gevoel dat je daar zat, maar dat je niet veel kon verrichten. De structuur en infrastructuur hadden we niet. Aan mij werd niets gemeld. Er waren heel wat onduidelijkheden. Van een deel van de groep van zestien vroeg ik mij wel af of zij de verhevenen waren in het Leger. ‘(…) De groep van zestien had veel meer contact met de Legerleiding. Ik had wel contact met de Bataljonscommandant, maar niet zozeer met de Legerleiding. We konden niet bevroeden dat zoiets zou gebeuren. Vanuit mijn positie was het geen militaire actie. Een militaire actie zou in een breder kader moeten zijn; de hoofdlijnen van de consignes waren niet aanwezig. Er is zo vaak vergaderd. Maar waarover er werd vergaderd, weten wij niet. Ik weet niet wat er zich precies heeft voltrokken en wie opgebracht werd. Ik denk niet dat dit past in een militair plan of in een militair draaiboek. Als bepaalde zaken zich voltrekken, dan moeten instituten in place worden gebracht om de zaken te onderzoeken. Het zou eventueel in een militair plan moeten passen, maar dan zou het moeten worden aangegeven. Ik weet niet wie welke persoon heeft opgehaald. (…) Ik was er niet van op de hoogte dat er een contra Inlichtingendienst was, een Burgerinlichtingendienst en een Inlichtingendienst. (…) De Inlichtingendienst moest zorgen dat de veiligheid van het Nationaal Leger gewaarborgd was.” B. Ten aanzien van de militaire top en de ingezette diensten 1) De verklaring van [getuige 4], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 23 maart 2012, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft verklaard: “(…)Op 7 december 1982 na de schietoefening moesten wij naar Pad van Wanica om te eten. Daarna gingen wij rond half 7 naar het Fort. We zijn toen samen gekomen en er is aan ons gezegd dat er een coup op komst is. Daarna zijn wij uit elkaar gegaan. Ik moest dan in opdracht van Bhagwandas, Derby en Kamperveen ophalen. Bij Kamperveen aangekomen vroeg hij mij of hij zich kon verkleden. Er was geen vrees. Hij ging 7 naar binnen om zich te verkleden. Er kwam toen een groep aan en die vroegen “waar gaat die man”. Er waren meer dan 12 man. Kamperveen liet de honden los. De 2 honden zijn toen neergeschoten. Ik zei toen: “wat doen jullie?”. Ik hoorde een knal en zag ruiten sneuvelen. Kamperveen vroeg wat er aan de hand was. Het was vòòr of na 12 uur ’s avonds. Ik heb hem toen afgeleverd aan Bhagwandas. Ik deed toen mijn beklag bij hen. Hij zei tegen mij: “maak je niet druk, ik zorg ervoor dat er geen heibel komt.”. Ik ging toen naar Derby en hij vroeg aan mij of hij zich kon verkleden. Ik wist niet dat er nog meer mensen werden opgehaald. Ik had de vrije toegang. In die kamer zaten Horb, Naarendorp, Alibux, Graanoogst. Ik moest toen achter de deur wachten. Ik hoorde dat Bouterse zei dat de werkende klasse rustig moest worden gehouden. Derby is ongeveer 20 minuten binnen gebleven. (…) Ik kreeg hierna de opdracht om Radika, ABC en Vrije Stem te controleren. De opdracht om Moederbond op te blazen kreeg ik van Bhagwandas. Ik ben zeker dat hij de opdracht had gehad van Bouterse. Hij zat niet in de leiding, hij moest ook opdrachten uitvoeren. Na Bouterse en Horb was hij de oudste. “(…) Bij de Moederbond was ik met Esajas en Dijksteel. Ik heb met een bazooka de Moederbond opgeblazen. Ik ben toen controle gaan uitoefenen op de andere plaatsen. Ik probeerde toen Bhagwandas te bereiken en het lukte niet. Ik besloot mij toen terug te trekken. Ik ging naar het Fort. Toen ik daar aankwam zei een officier aan mij “ga boven kijken.”. Boven aangekomen zag ik lijken verspreid liggen. Ik weet niet precies om hoeveel lijken het ging. Op uw vraag wijs ik u op een plattegrond aan dat het gaat om de driehoek Middelburg. Ik heb Horb en Dendoe gezien. Het was niet helder, het was schemerig. Leeflang was er ook. Het zijn dingen die snel zijn gebeurd. Ik moest het verwerken. Ik ging zitten en er werd fluisterend gesproken. Op een bepaald moment zijn wij geconsigneerd. Ik moest nog naar het mortuarium. Ik moest daar de mensen op een afstand houden. Er waren een aantal mensen daar. Ik kende alleen Johnny Kamperveen als zoon van Kamperveen. De legerleiding gaf toen de opdrachten. Bouterse was bevelhebber, regeringsleider.(…) Bij de schietoefening was een groot deel van de groep aanwezig, nl. Tolud, Leeflang, Brondenstein, Mohammedsaiden er waren jongens van de Echo Compagnie. De aanvulling was meer van de jongens van de beveiliging. (…) Bouterse maakte deel uit van het militair gezag. De groep van 16 werd misbruikt. Zij wisten van een draaiboek. Er is ons voorgelogen dat er een coup naderde. (…) Het militair gezag bestond uit Bouterse, Horb en Graanoogst. (…)De leiding was bezig in de kamer, Bouterse en Horb. Bhagwandas ging op en neer. Bouterse was aanwezig in het Fort. Ik ben als eerste weggestuurd om mensen op te halen. Na 2 tot 3 uren ben ik geroepen en ben ik vertrokken met Dijksteel en Esajas.” 2) Verklaring van [getuige 5], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 07 maart 2011, op welke terechtzitting hij voor zover relevant hij het volgende heeft verklaard: “(…) In 1982 was ik minister van Leger en Politie. Ik was ook verbindingsman. (…) In 1982 werd het beleid mede door de Legerleiding uitgemaakt. Het was de Legerleiding die het beleid uitmaakte en de Regering voerde uit. Na het gebeuren van 8 december 1982 had de Bevelhebber de Raad van Ministers geïnformeerd. We hebben toen onze portefeuille ter beschikking gesteld, omdat we ons niet konden verenigen met de dood van die vijftien mensen. De vijftien mensen waren bezig met ondermijnende activiteiten werd ons medegedeeld. (…) Vóór december 1982 was er de Legerleiding. Bouterse was toen de hoogste man en daarnaast Horb en Fernandes. (…) Het bevel voorziet nergens dat je zonder een vorm van proces mensen van het leven kan beroven. Als commandant moet je ervoor zorgen dat wet en recht prevaleren. De legerleiding had een dubbele functie. Aan de ene kant was er de Bevelhebber en de leden en aan de 8 andere kant de dienst die uitmaakte waar het land naartoe ging. Sommige Inlichtingendiensten waren niet op de hoogte van bepaalde informaties. Bouterse had wel zijn diensten die hem die informatie verschaften. Hij heeft een groep mensen verzameld waarin hij het vertrouwen had om een operatiebevel uit te voeren als zaken niet liepen. De reden waarom Derby de plaats nog heeft kunnen verlaten is, omdat Bouterse als hoogste man er een stokje voor heeft kunnen steken.” 3) Verklaring van [getuige 6], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 19 november 2010, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “(…) Op 8 en 9 december 1982 was ik niet in het Fort. Ik was op de boot. Bouterse heeft mij geen wapens gegeven om strafbare feiten te plegen. Ik was de tweede man na de kapitein op de Marine. Vóór of op 8 december 1982 is er geen schot afgelegd. Ik was met werkzaamheden bezig, waaronder het uitvaren. Ik heb verder aangegeven dat ik in mijn kajuit was. Mijn opdracht was het uitvaren. (…) Bij ’s Lands veiligheden was ik er niet bij. Indien er een opdracht is, dan wordt het uitgevoerd. Als lid van de groep van 16, kreeg ik een opdracht. Ik was militair en tevens lid van de groep van 16. Bepaalde zaken werden alleen binnen de legertop besproken. Op 6,7, 8 december 1982 behoorde ik niet tot die groep. Ik heb gehoord dat mensen zijn opgepakt.” 4) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de ex-directeur van Telesur [persoon 1], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 17 maart 2001 door de onder inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (ordner VII, blz. 221-224), in welk procesverbaal voor zover van belang (m.b.t. faciliterende rol die Telesur de militaire machthebbers had toebedeeld waarbij deze de mogelijkheid hadden tot het plegen van telefooninterceptie) het volgende is vermeld: “(…) Met betrekking tot de aanwezigheid van de militairen in de centrale moet ik u verklaren, dat bij mij bekend is dat slechts een militair, die SIMSON heet op elk moment van de dag en nacht te zien was in de telefooncentrale en andere afdelingen van Telesur. In het heel bedrijf was het bekend dat hij binnen het heel bedrijf telefonische gesprekken mocht afluisteren, hetgeen echt niet leuk was voor de personeelsleden van het telecommunicatiebedrijf. (…) Vlak naast de afdeling Transmissiedienst, was de afdeling die belast was met de service voor het voeren van buitenlandse gesprekken. (…)Vanuit de afdeling Transmissiedienst, alwaar ik werkzaam was kon ik via de glazendeur naar binnen kijken en zien wat daar gaande was. Interne regels verboden het overige personeel, dat niet op deze service afdeling werkzaam was, dit gedeelte te betreden. Voor SIMSON was deze regel echter uitzondering, omdat hij op elk moment deze ruimte mocht betreden. (…) Simson was vrijwel dagelijks op deze afdeling, waar verbindingen met buitenlandse abonnee’s totstand werden gebracht. Ik zag ook, dat op momenten, waarop SIMSON op de afdeling was hij aandachtig met een koptelefoon aan zijn oor zat. Overigens moet ik verklaren, dat indien de medewerkster op de service-afdeling tussen het gesprek van abonnee’s kwam, een tweede persoon ook de mogelijkheid had om samen met deze medewerker het gesprek te volgen. Op andere momenten zag ik hem tussen de opgemaakte documenten ten behoeve van aangevraagde telefonische gesprekken tussen personen, graaien. (ordner VII, blz. 222). (…) Ik kan mij nog heugen, dat in de ochtend van 7 of 8 december 1982 ik na opdracht te hebben ontvangen van de directeur van het telecommunicatiebedrijf, ingenieur Neede, ik omstreeks vier uur in de ochtend naar het telecommunicatiebedrijf liep, om alle buitenlandse inkomende en uitgaande verbindingen te blokkeren. Het was toen een vrij woelige periode. Ik neem aan, dat de directeur NEEDE de opdracht daartoe had gehad van de Legerleiding. In een 9 normale situatie, zou hij de opdracht gehad hebben van de Procureur Generaal, of een andere justitiële autoriteit. Bij de hoofdingang bij het bedrijf aangekomen trof ik een groot aantal militairen op het terrein aan, die mij toen begeleidden naar mijn werklocatie en erop toezagen, dat de inkomende en uitgaande telefonische verbinding met het buitenland geblokkeerd werd.” (ordner VII, blz. 223) 5) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de ex-directeur van Telesur [persoon 2], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 15 maart 2001 door de onder inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (ordner VII, blz. 225-229), in welk procesverbaal voor zover van belang (m.b.t. faciliterende rol die Telesur de militaire machthebbers had toebedeeld waarbij deze de mogelijkheid hadden tot het plegen van telefooninterceptie) het volgende is vermeld: “ (…) Vanaf Sergeant SIMSON deze aanstelling kreeg, was hij elk moment van de dag en nacht, in het gebouw van het bedrijf Telesur. Een belangrijk deel van de aanwezigheid van Sergeant SIMSON binnen het telecommunicatiebedrijf was, dat hij vanaf de directeur tot de eenvoudigste medewerker in de gaten moest houden.Verder was het belangrijk om vooral de centrale in de gaten te houden en erop toe te zien, dat de telefoonlijnen van het [lees: de]Militaire Kazerne niet werden afgeluisterd. Hij, Sergeant Simson had ongevraagd toegang tot alle vertrekken op elk moment van de dag en nacht en kon door niemand tegengehouden worden. Nogmaals verklaar ik, dat ik niet weet van wie deze Simson persoonlijk opdrachten kreeg en aan wie hij persoonlijk bijzonderheden rapporteerde. Ik kreeg de mededeling met betrekking tot zijn aanwezigheid in het bedrijf te horen bij een meeting met de Nationale Militaire Raad, waarvan de militair Horb de woordvoerder was.(ordner VII, blz.. 227) (…) Ten aanzien van de handelingen van Simson, die betrekking hebben gehad op het aftappen van telefonische gesprekken verklaar ik, dat zijn aanwezigheid ook te maken had met de veiligheid van de staat in het algemeen. Alszodanig moest hij binnen het bedrijf functioneren en er op toezien dat vanuit het bedrijf Telesur en stukje garantie was voor de veiligheid in Suriname. Alszodanig ben ik nimmer in verzet gekomen toen ik begreep dat er gesprekken door hem werden afgeluisterd.”(ordner VII, blz. 228). 6) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 7], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 22 mei 2001 door de eerste luitenant der Militaire Politie, Ristie Tjark Eugene (ordner VII, blz. 205-209), in welk proces-verbaal voor zover van belanghet volgende is vermeld: “ (…) Op 7 december 1982 beëindigde ik mijn werkzaamheden binnen het bedrijf om 15.00 uur. (…) Het bedrijf had toen al een rondombeveiliging van militairen. Deze militairen kwamen echter niet in het gebouw. Het moet op 8 of 9 december 1982 zijn geweest, de exacte dag kan ik mij thans niet meer heugen, dat ik naar de Kazerne belde om te informeren wat er was gebeurd. Ik kreeg van iemand wiens naam mij niet meer te binnen kan schieten te horen dat er zich wat calamiteiten hadden voorgedaan in het land. (ordner VII, blz. 208).” C. Ten aanzien van handelingen vlak vóór het ophalen van de latere slachtoffers 1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 3], d.d. 24 oktober 2002, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner II, blz. 130-136), waarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “ (…)Vanwege vrees waren wij beneden in de woning gebleven en hoorden salvo’s uit zware wapens. Ik moet U zeggen dat men ontelbare schoten heeft gelost op het Moederbondsgebouw. Toen deze schoten gelost zijn kan het tussen 02.00 en 03.00 uur van 08 december 1982 zijn geweest. Ik moet U wel zeggen dat men behoorlijk lang heeft geschoten op 10 het Moederbondsgebouw. Men moet zeker meer dan een uur bezig zijn geweest. Het gebouw was totaal vernield. Je zag duidelijk gaten in de wand, shutterglazen en ramen waren totaal vernield door de schoten die gelost waren op het gebouw. (…) Op dit moment hadden zich veel mensen verzameld op de Openbare weg alsook op het terrein van de Moederbond. Er waren veel hulzen hier en daar verspreid op het terrein die men niet mocht oprapen. De militairen waren op dat moment niet op het terrein. (…) Naderhand zijn er een paar militairen ter plaatse verschenen om een kijkje te nemen. Ik denk dat zij waren komen controleren of dat gebouw al afgebrand was. Met dezelfde gele auto waarmee zij DAAL thuis bij mij waren komen opzoeken, waren de militairen ter plaatse gekomen. Toen zij zagen dat het gebouw niet afgebrand was of niet in brand stond werd een gele jerrycan vermoedelijk met brandstof, gesjouwd vanuit de auto naar het Moederbondsgebouw. De Militair die de jerrycan sjouwde naar het gebouw heb ik herkend als ROZENDAAL. Hij was vergezeld van nog andere militairen die ik niet herkend heb. In elk geval moesten de mensen die zich op het terrein bevonden zich verwijderen. Nadat de mensen die zich op het terrein bevonden zich verwijderd hadden, werd het gebouw overgoten met vermoedelijk de brandstof die in de jerrycan was meegenomen. Vervolgens is het gebouw in brand gestoken door ROZENDAAL zelf. (…) De Brandweer werd ook door hun tegengehouden om dat vuur van het Moederbondsgebouw te blussen. De bestuurder van de brandweer auto moest de auto in een inham parkeren en mocht geen actie ondernemen. Er waren ook Politieauto’s verschenen. Deze zijn ook teruggestuurd door de Militairen.” 2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de brandweerman [persoon 4], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 03 november 2000 door de onder inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (ordner VII, blz. 231-234), in welk procesverbaal voor zover van belang het volgende is vermeld: “In de vroege ochtenduren van 8 december 1982 kreeg de hoofd kazerne aan de Gemenelandsweg de melding binnen van een uitgebroken brand in het pand van radio “Radika” aan de Indira Ghandiweg. (…) Ik moet u verklaren, dat gezien de situatie van die tijd, de in dienst zijnde brandweermannen alert waren en standby waren voor het moment, waarop plotseling het brandalarm zou overgaan, om uit te rukken. De centrale van de politie was parallel aangesloten met de centrale van de brandweer, waardoor het in dienst zijnde personeel de berichten van de politie kon volgen. Zo kon ik de communicatie tussen de prowagen van post Latour en het politie bureau van Latour volgen. Ik had al begrepen, dat er ergens wat gaande was en dat de politie naar die locatie was uitgereden om na te gaan wat er gaande was. (ordner VII, blz. 231) Niet lang daarna hoorde ik weer de politieman Linkers via de zender zeggen: “ER WORDT HIER GESCHOTEN. IK GA ER ALS EEN HAAS ER VANDOOR.” (…) Op het moment, waarop de brandmelding van radio “Radika” binnenkwam via de politie centrale “Pro I”, was de hele groep al paraat om uit te rukken. Van de politie van Latour zou de nodige bescherming geboden worden bij het blussen van deze brand, hetgeen echter vanwege onverklaarbare redenen niet is geschied. Ter plaatse aangekomen, onder leiding van de toentertijd Hoofd Brandwacht, Breeveld, bleek dat het geheel pand al in lichter laaie stond. (ordner VII, blz. 232) Alles werd in stelling gebracht door de brandweermannen en terwijl wij al ongeveer een half uur bezig waren met de bluswerkzaamheden, zag ik een blauwgelakte drie ton pick-up van het merk Isuzu, voor de inrit van radio Radika stoppen. Uit dit voertuig zag ik de militairen ROZENDAAL EN ESAJAS uitstappen en het terrein opkomen. Er was nog een derde militair erbij, een dogla type man, die ik niet bij name ken. Dit drietal dat met de pick-up was gekomen, was in burgerkleding gekleed. Ik kan mij niet heugen of Rozendaal en Esajas gewapend waren. Van de dogla type man weet ik zeker, dat die een uzi in zijn hand vasthield. Hiermee had hij namelijk op een ander moment mijn collega PINAS, die ook bezig was met bluswerkzaamheden achter zijn hoofd geduwd. 11 Nadat dit drietal op het terrein stond, gaf de dogla type man aan ons te kennen dat wij in opdracht van hogere hand moesten stoppen met het blussen van de brand. Hij voegde eraan toe of wij niet wisten dat wij dood konden gaan, omdat er mortieren in het gebouw waren, die nog niet tot ontploffing waren overgegaan. Op een gegeven ogenblik was hij naar enkele omgevallen zinkplaten gelopen en van daaronder een mortier vandaan gehaald. Dit stopte hij vervolgens onder een hoop schelpzand en plaatste zand daarop. Mijn collega Pinas, was toen druk bezig met blussen aan de achterkant van het pand en had kennelijk niet in de gaten dat de drie militairen ons verboden om verder te blussen. Dit viel de dogla type man op, waardoor hij naar hem, Pinas, toeliep en hem de loop van de Uzi tegen zijn achterhoofd of rug duwde. Pinas reageerde hierop terstond en nadat hij aan de dogla man verbaasd vroeg wat er aan de hand was, kreeg Pinas van die te horen, dat de brand vanwege hoger hand niet verder geblust mocht worden en terstond naar de straat moest gaan. Nadat het gebouw in haar geheel was ingestort, kregen wij toen de opdracht dat wij toen weer mochten voortgaan met het blussen, hetgeen echter niet meer van belang was.” (ordner VII, blz. 232) 3) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 5], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 31 oktober 2000 door de onder inspecteur van politie, Fernand, Glenn Gustaaf (ordner VII, blz.. 220-221), in welk proces-verbaal voor zover van belang het volgende is vermeld: “ (…) Vervolgens werd er naar de vermelde locatie gereden en bleek dat er inderdaad brand was uitgebroken bij vermeld radio station (Radika), in ieder geval stond het pand in brand. Op uw vraag moet ik u verklaren dat toen ik samen met mijn collega’s op de plaats van de brand arriveerde ik geen in uniform geklede militairen ter plaatse zag dan wel militaire voertuigen. Er waren wel omstanders aanwezig. Ter plaatse aangekomen werd er een aanvang gemaakt met het blussen van de brand. Na ongeveer een uur blussen was het station, althans het vuur geblust. Ik bedoel hiermede dat uitbreiding vanuit het radiostation niet meer mogelijk was. Wel stond het huis, in deze een huis op neuten nog in brand. Op een gegeven moment verschenen de militairen ESAJAS, ROY; ROZENDAAL en MAHADEW op de plaats van de brand. Zij vervoegden zich bij mij en mijn collega’s. ESAJAS en ROZENDAAL vroegen toen aan mij en mijn collega wie de opdracht tot blussen had gegeven. Wij kregen toen de opdracht om alles te laten liggen en moesten wij ons op straat begeven. Er werd nog gezegd dat alles plat moest branden. Ik gaf samen met mijn collega’s gehoor. (…) Ik moet erbij verklaren dat toen de militairen ter plaatse waren verschenen ik op een zinkplaat stond. Toen ik mij op straat had begeven zag ik dat de militair ESAJAS de zinkplaat verschoof en haalde hij een mortier te voorschijn welke naar zijn zeggen niet was afgegaan. Hij maakte het onschadelijk door het met de neus in een ter plaatse aanwezige berg(hoop) zand te stoppen. Hij zei dat ook dat er zich nog twee mortieren in het pand(huis) achter het radiostation bevonden welke ook niet waren afgegaan.(ordner VII, blz.221) 4) Referte proces-verbaal inhoudende het beluisteren en vervolgens in geschrifte stellen van een cassettebandje, beschikbaar gesteld door het Hoofd van het Documentatieteam van het Korps Politie Suriname, Hoofd Inspecteur van politie GAYADHAR, R. en gecoördineerd door de Commissaris van politie SANTOKHI, Ch. in opdracht van de Rechter-Commissaris, mr. A. Ramnewash, d.d. 10 juni 2001, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de Brigadier vanPolitie, Jacott, Orlando Ernest en agent van politie eerste klasse, Kolf, Guno Delano (Ordner VIII, XI, XII, blz. 209 – 215), met daarin vermeld onder andere de volgende berichten: “(…) Centralist: Kunt U dit bericht voor mij doorgeven aan de Brandweer die naar ABC zijn gegaan dat ze de brand daar niet moeten blussen namens de Bevelhebber, Over.. (…) Centralist: Het Moederbondsgebouw staat weer in brand. 12 BW-Kazerne: Dat is correct ontvangen, maar hetzelfde wat voor ABC geldt, geldt ook voor het Moederbondsgebouw “niet blussen”. (blz.. 210) (…) De brandweercommandant herhaalt dat blussen nog steeds niet mogelijk is, omdat militairen dat beletten. De Brandweer te Radika waar inmiddels ook brand is meldt zich.”(blz.. 214.) D. Ten aanzien van schietoefeningen op 7 december 1982 1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 8], in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris, d.d. 16 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F.Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier, (Ordner IV, blz. 204 -206),waarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “(…) Op 7 december 1982 heb ik van 06.30 tot ongeveer 10.30 uur getraind met de atleten. Toen kwam de chauffeur ons ophalen, omdat wij ons moesten melden. Ik heb mij in de kazerne gemeld bij mijn directe baas, Bhagwandas. Hij zei dat de toestand in het land alarmerend was. Overigens merkte ik niet veel onrust in de kazerne. Wij hielden in die tijd voortdurend rekening met een dreigende inval van vreemde mogendheden. Het bleek dat er een schietoefening werd gehouden op de schietbaan achter Zanderij. Ik ben met Bhagwandas en anderen in mijn Volkswagen Kever daarheen gereden. We zijn er ongeveer twee uur gebleven. Bij de schietoefening was nagenoeg de hele groep van 16 aanwezig en ook lijfwachten, en mensen van de inlichtingendiensten. Zo’n schietoefening was niet ongebruikelijk. Er waren nu nieuwe wapens. Het was wel voor het eerst dat ik zo’n bijeenkomst had waar ook de groep van 16 bij was. (…) Na de schietoefening is iedereen naar het Fort Zeelandia gegaan. Onderweg zijn nog een paar mensen gestopt bij de woning van Bouterse, waar Rozendaal verbleef” 2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 9] in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde rechter-commissaris en mr. J.S. Mohammedamin, Hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de Procureur-Generaal te Paramaribo, respectievelijk d.d. 2 en 10 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F. Hoogendijk, rechter-commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, blz. 170-183). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover van belang – bij de rechter-commissaris het volgende verklaard: “ (…) Op de ochtend van de 30e zat ik aan mijn speech voor Daal te werken voor op de meeting. Er werd toen op het raam getikt door Atta Mungra. (…) Hij zei me dat er iets vreemds was gebeurd. Er was namelijk buiten alle regels om, in het geheim, in een civiel vliegtuig, van de SLM, een hoeveelheid wapens van Miami naar Paramaribo gebracht. Daar zaten ook nachtkijkers bij. Hij zei, dat ik uit moest kijken. Hij noemde geen namen. Hij zei dat hij was gebeld door de gezagvoerder. Het transport zou plaatsvinden in opdracht van de militaire leiding. Officieel waren dat Bouterse en Horb en ook Boerenveen. Die wapens zijn daadwerkelijk naar Suriname gekomen. Zo was ik binnen korte tijd twee keer gewaarschuwd dat er iets geweldigs te gebeuren stond.(ordner IV, blz.. 175) (…) De gezagvoerder van het vliegtuig waarin de wapens naar Suriname werden vervoerd, belde de directeur van de SLM, Atta Mungra, toen de wapens al waren ingeladen. Hij dacht dat 13 het niet mogelijk was om zich tegen dat transport te verzetten. Het was echter verboden om wapens per burgervliegtuig te vervoeren. Atta Mungra waarschuwde me, omdat er ook nachtkijkers bij zaten. Het was toen oktober 1982. Ik had toen geen officiële functie, maar iedereen kwam op mijn terras. Het was niet mogelijk om de Amerikaanse ambassade over dit transport in te lichten, omdat wij als vakbond zoveel mogelijk afstand wilden van de Amerikaanse, en ook overigens van de Nederlandse ambassade. (ordner IV, blz. 182).” E. Ten aanzien van het ophalen van de latere slachtoffers Het ophalen van het slachtoffer Baboeram, John 1) Verklaring van [getuige 10] (weduwe van het slachtoffer Baboeram, John), afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 01 december 2009, op welke terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: (…)Toen men hem (lees Baboeram) is komen halen, sliepen wij. Hij is als eerste opgestaan. Ik had twee honden. Alleen met een lange broek aan, is hij weggegaan. We hadden een baby van acht maanden oud. De militair heeft de deur opengedaan. Er werd geschoten en ik was binnen. Ik hoorde de hond niet meer, dus dacht ik dat hij dood was. De volgende dag zag ik dat hij nog in leven was. Ik heb wel kogelinslagen in de muur gezien.” Het ophalen van het slachtoffer Behr, Abraham ( verder te noemen Bram) 2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 6], (zwageres van de overleden Behr, Bram) d.d. 14 augustus 2002, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Vermeer, Letitia Marlene (Ordner III, blz. 150-153), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “(…) Op woensdag 08 december 1982 werd ik omstreeks 04.00 uur door een geklop aan de shutterglazen van mijn slaapkamer gewekt. Toen ik mijn slaapkamer verliet zag ik dat Bram en mijn zus Asha inmiddels ook door het aanhoudend geklop waren gewekt en de voordeur voor twee mannen die in het uniform van de militaire politie gekleed waren hadden geopend. Zij vroegen naar Bram Behr en de andere bewoners die op dat moment thuis waren. Op dat moment waren Bram, zijn vrouw, hun twee kinderen en mijn persoon thuis. Zij gaven aan ons door dat Bram voor zijn eigen veiligheid met hun mee moest. Alvorens hij door beide militairen in een crème gelakte bus werd afgevoerd lieten zij twee andere militairen in het huis achter. Dit ter voorkoming dat wij het huis verlieten. Omstreeks 06.00 uur stopte dezelfde bus voor de deur waarna de twee achter gebleven militairen vertrokken.” 3) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 11] (weduwe van het slachtoffer Behr, Bram) d.d. 22 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz.. 456 – 460), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “(…) In het blad Mokro werd kritiek geuit op de regering. Bram Behr kon niet tegen onrecht en tegen de heersende vriendjespolitiek. Hij nam het altijd op voor de arbeiders. Hij zat zelf niet actief in de politiek. (…)U vraagt mij of Bram Behr andere slachtoffers persoonlijk kende. Volgens mij was de enige die hij persoonlijk kende Lesly Rahman. Lesly was ook een journalist en Bram Behr was getrouwd met de zus van Lesly, genaamd Rita Rahman. Dat was zijn eerste huwelijk.”(Ordner IV blz.. 457) 14 (…) Op dinsdagmiddag 7 december 1982 zijn we naar een begrafenis van zijn tante gegaan. Hij is met de brommer ik ben met de bus gegaan. Na de begrafenis hebben wij elkaar nog even gesproken en ik ben naar huis gegaan. Bram is doorgegaan naar zijn werk. Hij kwam ’s avonds laat thuis. Hij heeft nog wat gegeten en is naar bed gegaan. (…) Ik denk dat tussen drie en vier uur ’s nachts (het was inmiddels 8 december) werd er geklopt op de luiken. Ik ben het bed uitgegaan en keek door de gordijnen. Ik zag twee bewapende militairen staan. Ik heb opengedaan en de militairen vroegen of Bram Behr thuis was. Ik vertelde dat hij sliep. Zij vroegen of ik hem wakker wilde maken, wat ik ook heb gedaan. De militairen waren meegelopen, Bram werd wakker heeft zich aangekleed en zijn gezicht gewassen. Terwijl hij bezig was zei Bram dat ik de anderen moest waarschuwen. Met die anderen bedoelde hij zijn familie en vriendenkring. Vervolgens namen twee militairen Bram mee naar een gereedstaand militair voertuig. Een groen busje. Alles ging eigenlijk heel rustig, Bram liep gewoon met ze mee. Ondertussen waren mijn dochter en mijn broer ook wakker geworden. Er waren twee andere militairen de woning in gekomen en wij werden verzocht niet weg te gaan. Ook vroeg één van hen of wij telefoon hadden. Dat hadden wij niet. Het idee was dat wij niemand konden waarschuwen. Zelfs als mijn broer naar het toilet moest liepen zij mee. We hebben de militairen nog gevraagd wat er aan de hand was. Maar ze zeiden dat ze de opdracht hadden gekregen Behr mee te nemen en wisten er verder ook niet wat er aan de hand was. Omstreeks zes uur in de ochtend, het werd al licht, werden de militairen opgeroepen via de radio dat ze weg konden. Ze hebben hierop de woning verlaten en hebben niks aan mij medegedeeld.”(Ordner IV blz.. 458) 4) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 11] (was gehuwd met het slachtoffer Behr, Bram) bij de Rechter-Commissaris d.d. 2 september 2002 in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een proces-verbaal door de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV, blz. 188-189). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende verklaard: “(…) In augustus 1982 is hij (lees Behr, Abraham) weer opgepakt. Ik ben hem toen kleren gaan brengen op het Fort Zeelandia. Ik heb die kleren afgegeven bij de balie. Dat was in het gebouw naar de rivier toe. Ik was daar nooit eerder geweest. Daar was toen ook Marcel Zeeuw. Hij zei tegen mij dat Bram moest stoppen met zo kritisch te schrijven, want dat hij hem anders zou doodschieten. Letterlijk zei hij: “Horeng anders mi o soetem”. Hij zei dus dat hij hem zou doodschieten. Ik moest dat aan Bram doorgeven. Ik zei dat hij niet naar mij zou luisteren. Ik heb het doorgegeven, maar Bram luisterde niet en reageerde koel. (…) Toen Bram werd opgehaald was ik thuis met mijn twee kleine kinderen. Mijn broertje was ook thuis. Hij woonde al 7 jaar bij ons in huis. Hij werkte bij de Vrije Stem, bij Lionarons. Wij woonden toen aan [adres]. Bram en ik sliepen toen er geklopt werd. Ik ging opendoen. Er stond een meneer in een uniform. Die vroeg naar Bram. Er stonden twee mannen in uniform bij de voordeur en één bij de achterdeur. Ik weet niet hoeveel mensen er zaten in het busje dat voor de deur stond. Het was daar donker. Het was in de vroege ochtend van 8 december 1982. De bovenbuurvrouw, een oude vrouw die nu is overleden, heeft uit het raam gekeken, maar is niet naar beneden gekomen. Verder hadden wij geen buren. Toen Bram was meegenomen, zijn twee mannen in uniform bij mij thuis gebleven. Zij waren rustig. Ik heb gevraagd wat er aan de hand was. Ze zeiden dat er niks aan de hand was. In die tijd bleef ook een man in uniform bij de achterdeur staan.” Het ophalen van het slachtoffer Daal, Cyril 5) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 7] d.d. 19 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de Onder Inspecteur van Politie, 15 Fernand, Glenn Gustaaf (Ordner II, blz. 123-126), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “(…) In de ochtend van zeven op acht december 1982 werd ik omstreeks 01.00uur wakker door een geklop aan de glazen ruiten van mijn slaapkamer. (…) Toen ik de shutters had opengedaan zei TOLUD tegen mij “OPO A KA DORO”. Ik zei toen tegen mijn vrouw VENLO, MAUREEN om de deur open te doen. Ik trok toen een broek aan en begaf mij naar buiten. Ik vroeg toen aan TOLUD of ik in de gelegenheid kon worden gesteld om een overhemd aan te trekken. Hij zei toen tegen mij “JONGOE GO SIDONG INIE A KA OTO”. Aangezien ik bang was begaf ik mij in de personen auto (…) Ik mocht nieteens mijn slipper aantrekken en moest blootvoets meegaan. Op het moment toen ik samen met de mannen in de auto zat vroeg TOLUD aan mij waar mijn vader DAAL, CYRIL was. (…) TOLUD bracht mij op dat moment weer met de achterzijde van de kolf van het vuurwapen waarmede hij gewapend was, opzettelijk en met kracht meerdere slagen toe aan mijn borststreek tengevolge waarvan ik veel pijn heb gevoeld en deed hij de uitlating ORIE JOE KA BEK. De mannen namen toen weer plaats in de auto en zei JEFFERY tegen mij “WIE E GO SOETOE JOE MARS TROWE DALIK’. TOLUD zie toen “IF A KA OTO NO DE MORO NA MOEDERBOND JOE E GO SIE FA OENOE E GO SOETOE JOE TROWE”. 6) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 8] d.d. 19 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Vermeer, Letitia Marlene (Ordner II, blz. 116-122), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “(…) In de nacht van 07 op 08 december 1982, omstreeks 04.00 uur begon het probleem. Omstreeks 03.00 uur werd ik wakker, door het aankloppen van meneer Hermelijn, bestuurslid van de Luchtverkeersleiders bond waar Cyril voorzitter van was. Op zijn vraag waar Cyril is gaf ik als antwoord: “ik weet het niet”. Toen ik hem vroeg wat er aan de hand was antwoordde hij dat hij het niet precies wist, maar dat men naar Cyril zocht. Op mijn vraag wie hij met men bedoelde antwoordde hij, volgens mij Bouterse. Hij uitte verder het vermoeden dat het vermoedelijk met de acties te maken had aangezien zij Derby en Kamperveen reeds hadden opgepakt. (…) Ongeveer een kwartier na het vertrek van meneer Hermelijn, was ik in mijn huis toen ik buiten mannenstemmen hoorde. Er was één stem die zei: “Jij daar, jij daar, etc.”. Toen ik dat hoorde liep ik naar mijn keukenraam dat aan de straatzijde is. Op het moment dat ik het gordijn op een kiertje openmaakte, zag ik een loop van een geweer tegen mijn shutterglazen en die persoon zei tegen mij: “OPO A KAOLO GARDENG DA JE WAKA LANGA LANGA NA A DORO DA JE OPO A KAOLO DORO. IF JU WIJK AF WIE E SUTU JU KAOLO’”. Op dat moment was ik haast dolgedraaid van angst en had geen andere keus dan regelrecht naar de deur te lopen en die te openen. Op dat moment kwamen vier zwaar gewapende militairen in mijn woning. Twee van hun kende ik heel goed en dat waren Tolud en Jeffrey. (…) Mijn echtgenote Margo, die inmiddels eveneens wakker was geworden en zich beneden bevond, hield de militairen voor dat zij slapende kinderen boven had. Als antwoord kreeg zij van de militair: “WIJ HEBBEN GEEN KAOLO DAARMEE TE MAKEN EN ALS JE TEVEEL LULT GAAN WIJ JOU IN JE KAOLO SCHOPPEN.”Op een gegeven moment zei Jeffrey dat zij op zoek waren naar mijn broer Cyril. Toen ik hem zei dat ik niet wist waar hij zich op dat moment bevond zeiden zij dat zij mij dan in de plaats zouden meenemen naar de autoriteiten. Margo die dit niet rechtvaardig vond en informeerde om welke autoriteiten het ging kreeg als antwoord te horen: “JE HEBT DAAR GEEN KAOLO MEE TE MAKEN.”. Ik moest tegen mijn wil instappen in een personenauto die door Tolud bestuurd werd en naast hem zitten terwijl Jeffrey en de boslandcreoolse man achter ons plaatsnamen. Op mijn vraag waar ik naartoe gebracht werd zei Tolud dat de opdracht luidt dat ik hun moest brengen waar Cyril was. Van angst rookte ik een sigaret. Tolud die dat constateerde vroeg: “SUMA E SMOKO A SIGARET DRAPE?”, waarop 16 één als antwoord gaf: Na DAAL E SMOKO”. TOLUD op zijn beurt vroeg: “SUMA TEIGIE JU DAT IE MAG SMOKO? Hij pakte de sigaret uit mijn hand en zei: “OPO JU KAOLO MOFO” waarop hij de brandende sigaret opzettelijk op mijn tong uitdoofde. (…) Kort hierna reden zij naar de [straat] te Paramaribo, naar de woning van drs. Chin A Sen de toenmalige president, die de woning aan Andre Haakmat had verhuurd. Ter plaatse aangekomen moest ik uitstappen en mij eveneens naar eerder vermelde woning begeven. Gekomen aan de voorzijde van de woning moest ik samen met de twee militairen op de stoep wachten waarna Tolud en Jeffrey de voordeur terstond intrapten. Kort daarna kwamen zij weer buiten met de woorden: “A MAN HAR A DANG KBA”. Wij moesten weer instappen en reden zij naar het Fort Zeelandia. Daar aangekomen zag ik zalig HORB, Roy met beide handen op zijn hoofd op en neer lopen. De vier militairen brachten mij naar het kantoor van de mij welbekende GORRE, Artie die mij zei: “JA, DAAL JE BENT HIER, MAAR IK WEET VAN NIKS AF. IK ZIT HIER, MAAR IK VOER OPDRACHTEN UIT.” Op een gegeven moment stapte Paul Bagwandas binnen met de woorden: “ZO, NA JU NANGA JU BRADA E VERSTOOR A REVOLUTIE. Met die woorden begon hij mij opzettelijk en met kracht te schoppen. Vervolgens klapte hij mij opzettelijk en met kracht met beide handen tegelijk aan mijn linker en rechteroor tengevolge waarvan ik erge pijn heb geleden. Thans heb ik nog steeds last van mijn linkeroor. Toen zei hij aan de militairen:”TJAR A KAOLO MANG GWE, MEK A MAN GO SUKU DAAL WANT NA DAAL OENG AB FANODO.” Zij namen mij weer mee en onderweg in de auto zei Jeffrey: “IE JERE SANG A MAN TAKI TOCH, WIE E GO SUKU JU BRADA EN TE JU NO SOR UNU PE A MAN DE DANG JU O KA.” We reden weer in de richting van de [straat] en gekomen ter hoogte van [peuterschool] zei Jeffrey: “EI STOP A WAGI A NO A OTO FU ANDRE HAAKMAT DJA? Op dat moment doelde hij op de woning aan [adres], alwaar Cyril woonde. (…) Tolud haalde een zakboekje uit zijn hemdzak en vergeleek het volgnummer dat op de kentekenplaat was met dat van zijn zakboekje en zei: “JA NA A OTO FU HAAKMAT DJA.”. Tolud en Jeffrey stapten uit de auto en klopten aan. De Stiefdochter van Cyril, genaamd Lucia die antwoordde, werd gevraagd of Cyril zich daar bevond. Toen zij bevestigend antwoordde, zeiden, zij, militairen, laat Cyril komen want wij hebben hem nodig. Ongeveer tien minuten daarna kwam hij, Cyril buiten waarna hij tegen zijn wil door Tolud en Jeffrey naar de auto waarin ik zat werd gesleept. Zijn laatste woorden aan mij waren: “ ZO EDDY MIE KA.”. Vervolgens lieten Tolud en Jeffrey mij uitstappen met de woorden: “ZO DAN JU KAN SAKA FU A WAGI, DAN JU E LONG GEWE LANGA LANGA SONDRO FU DRAI LUKU NA BAKA, NOSO MIE E SUTU JU MARS TROWE.” Gelijk hierna voerde ik hun opdracht uit en rende al schreeuwend naar mijn woning.” 7) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 12] d.d. 02 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de onder inspecteur van politie te Suriname, Ruben B. Dijks, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagenten/rechercheurs van politie, Jerome Oscar Linger,(Ordner IV), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “(…)Op 7 december 1982 werd er een stille tocht door de studenten georganiseerd. De studenten wilden een petitie aan het Militair Gezag aanbieden. Aan deze stille tocht namen ook andere groeperingen deel. De petitie werd aan de poort van Fort Zeelandia aan Etienne Boerenveen afgegeven. Na deze stille tocht ben ik naar huis gegaan. Toen ik thuis kwam zag ik dat Cyril ook al thuis was. Cyril lag reeds te slapen daar het al in de avond was. Cyril werd wakker en vertelde mij dat hij een vergadering had bijgewoond waar onder andere Fred Derby aanwezig was. Tijdens deze vergadering werd Derby weggeroepen omdat hij zich bij Bouterse moest melden. Ik ben toen ook gaan slapen. In de vroege ochtenduren werd ik wakker van geweerschoten. Ik maakte Cyril wakker en vertelde dat ik schoten hoorde. Ik merkte dat Cyril niet erg onder de 17 indruk was van de schoten. Ik hoorde dat de geweerschoten steeds dichterbij kwamen. Ik maakte Cyril wederom wakker. Hij zei mij dat ik moest gaan slapen want er kan niets tegen hem zijn. Ik hoorde dat de schoten vanuit de buurt van het gebouw van de Moederbond kwamen. Wij woonden namelijk vlak bij het gebouw van de Moederbond. Op dat moment hoorde ik auto’s voor het huis stoppen. Ik ben toen naar het raam gelopen. Op dat moment hoorde ik één van hen zeggen: “ Loekoe a wagie foe Haakmat dja.”. (…) Ik hoorde militairen vragen of Daal in het huis was. Ik zei hen dat dit klopte en ben vervolgens naar Cyril gelopen en heb hem gezegd dat de militairen naar hem vroegen. Cyril is vervolgens naar het raam gelopen en groette de militairen en vroeg hen of ze hem moesten hebben. Ik hoorde de militairen zeggen dat dit klopte. Cyril heeft zich aangekleed en wij zijn toen met de familie naar beneden gelopen. Vervolgens heeft Cyril zijn ringen, ketting en polshorloge afgedaan en mij overhandigd. Cyril is vervolgens in de auto bij de militairen gestapt. Op het moment dat de militairen met Cyril wegreden zag ik dat het gebouw van de Moederbond in brand stond. Omstreeks 08.00 uur kwam mijn zus Vera langs. Vera woont aan de overkant van het gebouw van de Moederbond. Vera woonde aan de [straat]. Vera vertelde mij dat zij de militairen die bij haar thuis geweest waren, deze waren op zoek naar Cyril geweest. Vera herkende enkele militairen. Zij herkende de militairen Tolud en Burke en Swedo van de volksmilitie. ” 8) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 12] (partner van het slachtoffer Daal, Cyril) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst- genoemde Rechter-Commissaris, d.d. 17 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F. Hoogendijk, RechterCommissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, blz.. 207-206). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende verklaard: “ (…) Op 7 december 1982 lag Cyril te slapen toen ik thuis kwam. Mijn dochter en schoonzoon waren ook thuis. (…) Cyril werd thuis in de ochtend opgehaald. Ik weet niet door wie. Ik kende hen niet. Ik hoorde van mijn zusje, Vera, dat erbij waren Swedo, Tolud en een donkere boslandcreool, volgens mijn zusje bodyguard van Bouterse. Het huis was omsingeld. Het erf was vol militairen. Ze hadden machinegeweren. Cyril toonde zich verbaasd dat er militairen voor de deur stonden en dat die voor hem kwamen. Hij heeft zich aangekleed. Hij heeft zijn ring, horloge en ketting uitgedaan en hij is meegegaan.” Deze verklaring van [getuige 12] die bij de Rechter-Commissaris is afgelegd is op de terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 09 juni 2010 als voorgelezen beschouwd. 9) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 3] d.d. 24 oktober 2002, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner II, blz. 130-136), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “(…)In de avonduren van 07-08 december 1982 kwamen drie mannen gekleed in militair uniform thuis bij mij aan. Ik was al naar bed geweest doch sliep niet. Bij aankomst bij mijn woning werd op de ijzeren poort van mijn schutting geslagen middels een hard voorwerp. Via een raam keek ik naar buiten en zag drie mannen gekleed in Militair tenue. (…) Toen ik zag dat het om militairen ging heb ik gevraagd wat zij nodig hadden. Eén van hun beantwoordde mijn vraag door te zeggen dat zij op zoek waren naar meneer DAAL en dat zij hem zijn komen halen. Hierop reagerend vroeg ik aan hun, hoe zij erbij komen om meneer DAAL bij mij te komen zoeken. Ik heb geen reactie van hun gehad. Eén van de Militairen liep 18 toen terug naar de auto en zei in het Surinaams “MOPO MOPO UIT A WAGIE’. (…) Op een daarop volgend moment zag ik de zoon van meneer DAAL die MAIKEL is genaamd uit de auto komen. Hij was slechts gekleed in een zwarte short en zei aan mij dat hij door de Militairen vanuit zijn bed is gehaald en dat hij hun moest brengen naar plaatsen waar DAAL zich mogelijk zou kunnen ophouden. Ik zei aan hem dat zijn vader dus DAAL niet in de nachtelijke uren bij mij op bezoek komt en dat hij niet bij mij was. Eén van de Militairen zei vervolgens dat hij zelf wilde gaan onderzoeken in de woning. Ik ben vervolgens op de benedenverdieping gekomen en heb vervolgens de deur voor hun opengemaakt. (…) Aangezien DAAL niet in mijn woning was heeft hij hem ook niet aangetroffen. Na dit onderzoek hebben zij mijn woning verlaten. Na ongeveer anderhalf uur hebben zij MAIKEL bij mijn woning laten uitstappen en zijn zij weggereden. Toen zij van mijn woning waren vertrokken ben ik niet meer naar bed geweest. Ik bleef op en keek via mijn raam naar de straat. Bij deze gelegenheid heb heel wat Militairen op straat alsook op het terrein van het Moederbondsgebouw gezien. Al deze militairen hadden wapens in hun bezit en waren ook in uniform gestoken. Toen MAIKEL bij mijn woning werd afgezet heeft hij mijn schoonzoon gevraagd om hem naar huis te droppen aangezien hij slechts in een zwarte short gekleed was. Mijn schoonzoon heeft hem vervolgens thuis afgezet en is gelijk teruggekeerd. Ik heb het idee dat mijn schoonzoon achtervolgd was door de Militairen want op het moment dat hij binnen de woning was gestapt heb ik gelijk schoten gehoord. Vanwege vrees waren wij beneden in de woning gebleven en hoorden salvo’s uit zware wapens. Ik moet U zegen dat men ontelbare schoten heeft gelost op het Moederbondsgebouw. Toen deze schoten gelost zijn kan het tussen 02.00 en 03.0 uur van 08 december 1982 zijn geweest. Ik moet U wel zeggen dat men behoorlijk lang heeft geschoten op het Moederbondsgebouw. Men moet zeker meer dan een uur bezig zijn geweest. Het gebouw was totaal vernield. Je zag duidelijk gaten in de wand, shutterglazen en ramen waren totaal vernield door de schoten die gelost waren op het gebouw. Toen het daglicht begon te worden waren de militairen reeds vertrokken en zag ik dat slechts de gordijnen van het gebouw in vlammen waren. (…) Nadat de Militairen vertrokken waren liep ik naar de woning van mijn zus JOHANNA om te weten of de Militairen ook bij hun waren geweest om DAAL te zoeken. Mijn telefoonverbinding was doorgesneden door de Militairen waardoor ik niet naar buiten kon bellen dus was ik genoodzaakt om naar de woning van mijn zus te lopen. Bij Johanna aangekomen heb ik van haar vernomen dat DAAL door de militairen opgehaald was. Zij zei dat aan mij dat de Militairen op aanwijzing van een jongere broer van DAAL haar woning hebben bereikt.”. 10) Verklaring van [getuige 13] (weduwe van het slachtoffer Daal, Cyril), afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 01 december 2009, op welke terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “Mijn relatie met Cyril is in het jaar 1970 begonnen. (…) In de nacht van 7 op 8 december zijn de mannen thuis bij ons gekomen. Eén van ze sprak met een boze stem. Ik heb Roy Tolud herkend. Hij had een uzi-achtig wapen bij zich. Ik weigerde de deur open te doen. Hij heeft het wapen in mijn neus gestoken. Ik stond bij de shutters in de keuken. Daar heeft hij de loop van het wapen in mijn neus gedaan. Ik heb de onbekende man nooit kunnen plaatsen. Die vroeg: “a mang no de?” en Tolud antwoordde bevestigend. (…) Horb had ons voorgehouden dat het plan om de Moederbond op te blazen al lang bestond.” 11) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 14] (een stiefdochter van het slachtoffer Daal, Cyril) d.d. 02 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de eerste luitenant van de militaire politie te Suriname, Tjark Ristie, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door 19 laatstgenoemde en de hoofdagent van politie, Lambertus Henzen,(Ordner IV, blz. 382 – 386), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “ (…) Ik woonde destijds 8 december 1982 in Paramaribo enwel in de [straat]. Ik woonde samen met mijn man dhr. Kapel, mijn moeder en stiefvader. Mijn vader, genaamd Cyril Daal was vakbondsleider van de vakbond genaamd de Moederbond in Suriname. Het hoofdkantoor van deze vakbond was gevestigd aan de Coppenamestraat, dit was ongeveer 200 meter van ons huis. (…) Ik wil nu memoreren aan de avond van 07 december 1982. Mijn stiefvader was vroeger dan normaal thuis. Hij was rond 19.00 uur à 19.30 uur thuis. Er was een studenten- bijeenkomst waar hij soms wel sprak alleen deze avond niet. Mijn moeder was er wel naar toe. Mijn vader heeft eenmaal thuis aangekomen gedoucht en we hebben een bokswedstrijd zitten kijken. Met wij bedoel ik, ik en mijn man. Mijn moeder is thuisgekomen. We hebben nog even met zijn vieren bij elkaar gezeten en zijn toen naar bed gegaan. (Ordner IV blz. 384) Omstreeks 2 uur in de ochtend hoorde ik schoten en heb ik mijn man wakker gemaakt. Het klonk heel dichtbij en we zijn uit bed gestapt en voor de ramen gaan kijken. We keken aan de achterkant van het huis en van hieruit hadden we zicht op de Moederbond. We zagen lichtflitsen en het gebouw van Lallarookh stond in brand. We hebben toen mijn moeder en stiefvader wakker gemaakt. We hebben toen samen, met zijn vieren, naar buiten gekeken. (…) Vrij kort nadat we stonden te kijken, na ongeveer een kwartiertje, hoorden we een auto de straat inrijden met piepende remmen. Het was een vrij grote auto van een Amerikaans model. Ik weet geen merk of iets dergelijks meer. Er was geen straatverlichting en waar wij woonden was een smalle straat. Er kwamen vijf militairen met geweren. Ze waren gekleed in gevechtsuniform. (…) Ze riepen allemaal de naam van mijn stiefvader. Ze riepen letterlijk “Is meneer Daal hier, we weten dat hij er is”. Mijn stiefvader reed destijds in de auto van André Haakmat en deze stond in de garage. Dit konden de militairen wel zien. (Ordner IV blz.. 384) Toen heeft mijn stiefvader zich rustig aangekleed en ik riep naar beneden dat hij eraan kwam. Ze zijn blijven wachten en zijn niet in het huis geweest. Mijn stiefvader heeft al zijn sieraden afgedaan. Dat was vreemd want hij deed nooit zijn ringen of kettingen af. Hij is rustig naar beneden gelopen en zei “Mijn God ik ben erbij”. Het was op dat moment of die voelde dat hij niet terug zou komen. We zijn toen met hem mee naar beneden gelopen om aan de militairen te laten zien dat wij wisten dat ze hem zouden nemen. Mijn stiefvader werd, beneden aangekomen, door de twee genoemde militairen meegenomen naar de auto en achterin deze auto gezet. Naast hem links en rechts zijn deze militairen gaan zitten. Op dat moment stonden er nog twee militairen buiten die hun wapen op ons richtten. Wij stonden binnen voor het raam te kijken. Toen hoorden en zagen we dat ze hun wapen doorlaadden.” Het ophalen van het slachtoffer Gonçalves, Kenneth 12) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 15] (weduwe van het slachtoffer Gonçalves, Kenneth) d.d. 19 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de onder inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (Ordner III, blz. 31- 38), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: (…) Tevens was wijlen mijn man ook deken van de Orde van Advocaten in Suriname. (…) Op 7 december 1982 viel de telefoonverbinding op ons Advocatenkantoor aan de Heerenstraat nummer 48 te Paramaribo, plotseling uit. Wij konden daardoor niet optimaal werken en zijn wij eerder dan normaal naar huis gegaan, nadat het Advocatenkantoor werd afgesloten. In de nacht van 7- op 8 december 1982, omstreeks twee uur in de ochtend hoorde ik iemand, een mannenstem, luidop roepen aan de voordeur van ons huis, dat opengemaakt 20 moest worden. Ik had al begrepen, dat er al iemand op het erf was, die vlak voor de voordeur stond. Wij hadden een wachter, die de persoon die riep dus ook al voorbij was gelopen. Aangezien ik al eerder dan mijn man wakker werd, liep ik naar het venster om te zien wie daar riep. Ik hoorde tegelijkertijd voetstappen op het erf, waardoor ik begreep, dat er meerdere personen waren. Ik deed de shutters open en vroeg toen wie daar was. Een mannenstem zei toen: “MILITAIRE POLITIE. DOE METEEN DE DEUR OPEN.”. Ik begaf mij naar beneden en daar aangekomen zag ik drie personen vlak voor een venster van de benedenverdieping staan. Nog voordat ik de deur opendeed, vroeg ik of zij zich konden legitimeren.(…) Terwijl ik enige moeite maakte om na te gaan of het inderdaad om een Militaire-Politie legitimatiebewijs ging en welke naam erop stond, werd aan mij op groffe toon medegedeeld, dat meneer Goncalves direct met hun mee moest. (…) Op zeer bedreigende toon zei de man, die mij het pasje had gegeven, dat indien ik moeilijk zou doen, hij andere maatregelen zou treffen. (…)Nadat ik met mijn man en dit drietal naar een gereedstaande auto langs de straat liep, bemerkte ik toen, dat deze drie mannen zwaar gewapend waren met grote wapens.(…) Bij het verlaten van mijn woning met medeneming van mijn man, zei de Hindoestaanse man tegen mij, dat ik huisarrest had en dat ik het huis niet mocht verlaten. Om hieraan kracht bij te zetten, werd een Militair, gekleed in uniform en gewapend met een groot verweer thuis op het erf bij mij achtergelaten. (…) In huis gekomen probeerde ik te bellen, doch bleek, dat de telefoonverbinding was verbroken. Later op de dag, toen ik mij buiten op het erf bevond, zag ik, dat de telefoonkabel, die naar binnen leidde, was doorgeknipt. Ik kon ook duidelijk zien, dat schoenafdrukken in het zand waren, hetgeen erop duidde, dat iemand daar had gestaan om deze snoer door te snijden. Die nacht hoorde ik geluiden van vermoedelijk schoten die werden afgevuurd door vuurwapens, doch kon ik mij niet oriënteren vanwaar die afkomstig waren. Naar aanleiding hiervan begaf ik mij naar buiten en vroeg ik aan de Militair die thuis bij mij op post was, wat er gaande was. Het enige wat hij mij toen zei: “MEVROUW GAAT U NAAR BINNEN.”. Later op de morgen zag ik bij de poort één van onze secretaresses staan. Ik ben toen toch naar beneden gegaan bij de poort bij haar, omdat zij de sleutels van het kantoor wilde hebben om dit te openen. Omstreeks datzelfde ogenblik zag ik een Militair voertuig komen aanrijden en bij de poort stoppen. Ik herkende hem als de vermoedelijke MP man, die in de vroege ochtend al thuis bij mij was geweest om mijn man op te halen. Hij sprak en gaf mij te kennen, dat ik het huis niet uit mocht en wilde weten waarom ik toch buiten was gekomen. (…) gebruikmakend van deze gelegenheid vroeg ik aan hem waar mijn man was, waarop hij aan mij zei: “IN FORT ZEELANDIA”. Hierop vroeg ik aan hem, waarom hij hem had meegenomen, waarop hij mij als antwoord gaf: “HET IS VOOR ZIJN EIGEN VEILIGHEID.”. In de loop van deze dag en wel op een ander moment werd de militair die daar op post was opgehaald en denk ik dat aan mij de mededeling werd gedaan, dat mijn huisarrest was opgeheven.” 13) Verklaring van [getuige 15] (weduwe van het slachtoffer Gonçalves, Kenneth, afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 15 februari 2010, op welke terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “ (…) Op 7 december 1982 heel vroeg in de middag rond 1 uur viel de telefoon uit. Ik vond het niet vreemd, in het heel kantoor was het uitgevallen. Naderhand heb ik begrepen dat de hele toevoer naar ons kantoor van buitenaf was afgesneden. Alleen ons kantoor was afgesneden. (…)Er werd niet vriendelijk gezegd dat de deur open moest worden gemaakt. Het was een gebiedende toon. Er werd gezegd “doe onmiddellijk de deur open”. Ik kon de naam niet lezen op het pasje dat werd getoond. Op dat moment heb ik geen van de personen die aan de deur waren herkend. Het was een verschrikking de hele nacht. De telefoon was afgesloten en ik was alleen in huis met mijn 3½ jaar oude dochter. De wachter kon ik niet naar toe. Ik mocht de deuren niet open doen. De volgende dag herkende ik die militair omdat ik even naar buiten 21 gelopen was naar een medewerkster van het kantoor, die langs kwam om te vragen naar de sleutel. We waren er niet dus kon ze het kantoor niet binnen. Ik liep naar de bewaking toe en zei dat ik even moest uitleggen dat ik niets kan doen. Ik liep naar de deur en er ging een grote wagen voorbij. Daarop meen ik de man die in de nacht geweest was te herkennen. Ik kende de militairen niet, maar er was een boek met grote foto’s met de groep van 16 en die ging ik bekijken en denk ik dat het Mahadew was.”. Het ophalen van het slachtoffer Hoost, Edmund Alexander 14) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 16] (weduwe van het slachtoffer Hoost, Edmund) d.d. 23 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz.. 480 – 484), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “(…)Kunt u ons vertellen over 07 december 1982. Die dag was mijn dochter Owinje 20 jaar geworden. Wij hadden die dag geen feestje gegeven. (…) Eddy deed zijn normale bezigheden die dag. (Ordner IV blz. 482) Eddy was die avond thuis. Ik sliep en op een gegeven moment kwam mijn dochter Owinje mij wakker maken. Zij vertelde mij dat er militairen in het huis waren. Ik ben opgestaan en zag ik dat er een aantal militairen in het huis stonden. Eddy lag in bed. Ik riep Eddy en zei dat er militairen in het huis stonden. Eddy is opgestaan, plots stonden er militairen in de slaapkamer, ik weet echter niet hoeveel dat waren. Ik stond aan de grond genageld en heb niets aan de militairen gevraagd. Eddy vroeg nog of hij zich mocht opfrissen. De militairen hebben Eddy meegenomen. Ik zag nog dat Eddy in een luxe auto die voor de poort stond werd meegenomen. Eddy riep mij toen, ik ben naar beneden gelopen en Eddy vroeg mij een zakdoek te brengen. Ik werd door de militairen in de gelegenheid gesteld. Toen ik de zakdoek bracht zag ik dat zijn handen voor zijn buik geboeid waren. Ik zag dat Eddy toen in de auto weggevoerd werd. In de woning bemerkte ik dat de telefoonlijn was doorgesneden. Ik zag dat één van de militairen bij mijn huis achterbleef. Dit duurde voor mijn gevoel tot 07.00 uur. De militair is toen vertrokken.”(Ordner IV blz. 483) 15) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 17], (dochter van het slachtoffer Hoost) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris en J.S. Mohammedamin, hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de ProcureurGeneraal te Paramaribo, d.d. 29 augustus 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, blz.161-162). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de RechterCommissaris het volgende verklaard: “ (…) Op 7 december 1982, mijn verjaardag, is hij (lees mijn vader) wel thuis geweest, maar hij is ook weg geweest. Ik hoorde ’s nachts op een gegeven moment zijn auto thuiskomen. Daarna ben ik ingedompeld. Een tijdje later hoorde ik een andere auto aankomen. Mijn vader sliep vast. Hij hoorde niet dat er hard op de deur werd gebonkt. Ik was te bang om de deur open te maken. Zodoende weet ik zeker dat mijn moeder het heeft open gedaan. Ik hoorde vanaf buiten roepen: “Ik ben sergeant Nelom; de bevelhebber wil de heer Hoost spreken.” Hij zei dat toen hij op het balkon stond. Ik blijf erbij dat ik dat zo heb gehoord. Mijn slaapkamer is aan de straatzijde van het huis. 22 (…)Er waren drie militairen in uniform. Ik heb geen idee wat voor soort militairen. Een had een baret. Hij had de leiding. Dat was Nelom: een korte man, een Creool. Ik heb er niet op gelet of de militairen onderscheidingen hadden of de letters MP. Ze waren alle drie gewapend met een groot kort wapen. Ik weet dat niet meer zeker door verloop van tijd. (…)Hem werd gezegd: “De bevelhebber wil de heer Hoost spreken.” Ik kan me die woorden heel goed herinneren. Hij heeft dat op het balkon gezegd en later nog een keer binnen. (…) Toen mijn vader de auto inging, had hij de handen op zijn rug. Ik dacht dat hij geboeid was, maar ik weet het niet zeker. Een militair bleef achter. Het was nooit eerder voorgekomen dat mijn vader van huis was gehaald.” 16) Verklaring van [getuige 17], (dochter van het slachtoffer Hoost, Edmund), afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 15 februari 2010, bij welk verhoor zij het volgende heeft verklaard: “ In 1982 was ik 20 jaar oud. (…) Het was voor december 1982 toen er een hond van ons werd vergiftigd. Op een gegeven moment is de hond overleden. De dierenarts zei dat de hond was vergiftigd. We hadden geen vijanden in de buurt. Mijn vader had contact met familie in Nederland. (…) Mijn vader ging vòòr middernacht wel even weg. Ik kon zonder reden niet goed slapen. Ze gingen met hun beiden naar boven, ik hoorde toen voetstappen naar boven gaan op de trap. Bij de deur begon men heel hard te bonken. Ik hoorde de woorden “doe nu open anders breken wij de deur open”. Ik ben nu wel zeker dat hij Nelom zei. Ik ben naar mijn ouderlijk huis gegaan. De herinneringen zijn gewoon terug. We hadden een poort en er was een trap naar boven. Er was een balkon aan de voorkant. Als je dus het balkon opliepen doorliep kwam je bij een slaapkamerdeur. Dat was een houten deur. Aan de rechterkant waren er schuifdeuren daar werd er gebonsd. Mijn kamer was tegenover van mijn ouders. Ik ben door de woonkamer gelopen. In de woonkamer waren er aan weerszijden deuren. Ze liepen meteen de slaapkamer in. Ik ken de onderscheidingstekens niet. Nelom had wel heel wat onderscheidingen. (…) Eén van de militairen was ook thuis gebleven. (…) Mijn vader had een shirt aan en hij mocht zijn lange broek aandoen. Hij vroeg om zijn tanden te poetsen dat kon nog even, maar hij moest heel snel meegaan. Hij had slippers aan. Nelom zei dat de bevelhebber mijn vader moest spreken. Mijn vader zei dat ik Baboeram moest bellen om te vragen wat er aan de hand was. Mijn vader wilde weten wat er aan de hand was en niet om hem te waarschuwen. Mijn vader had die bril wel nodig om te lezen. Hij heeft niet de kans gehad om te groeten. “Haal niets in je hoofd want ik schiet je neer” waren de woorden die de militair uitte toen ik langs het wapen liep. Het gaat om Nelom, ze hadden een foto van hem laten zien. Ik weet zeker dat het Nelom was. (…) Op 7 december 1982 was mijn verjaardag.” Het ophalen van het slachtoffer Kamperveen, André 17) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 18] (weduwe van het slachtoffer Kamperveen, André) respectievelijk d.d. 14 mei 2002 en d.d. 21 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de Commissaris van politie, C. Santhoki, inspecteur van politie, Pierau en de 1e luitenant van de militaire politie te Suriname, Ristie, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemden en de brigadier-rechercheur van politie, Patrick René Marcel Bol,(Ordner IV, blz. 440 – 448), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “Ik ben getrouwd geweest met André KAMPERVEEN, wij zijn op 10 juni 1980 getrouwd in New York.(Ordner IV blz.(Ordner IV blz. 440) (…) Op de 7e december 1982 was Andre naar een bijeenkomst van de Moederbond. Daar waren veel mensen, de bijeenkomst was georganiseerd door DAAL. Omstreeks 22.00/23.00 uur komt André thuis. Ik had een vriendin Irmgard SCHUSTER op bezoek. Toen André binnen 23 kwam zou Irmgard net weg gaan. Irmgard vroeg nog naar de meeting, André zei dat het geweldig was, het was heel druk en het ging er heftig aan toe. Verder is er niet veel over gezegd. Irmgard is toen weggegaan. Ik heb vervolgens samen met André nog wat gedronken en toen zijn we naar bed gegaan. Omstreeks 02.00 uur, het was inmiddels 8 december 1982, kwam vervolgens het telefoontje van Chin A Sen vanuit Amerika. Dit heb ik net ook al verteld. Chin A Sen vroeg aan André of hij terug kon komen. André zei toen dat hij dat beter niet kon doen omdat het te onrustig was. Het gesprek was volgens mij heel kort. Er is niet gesproken over de meeting slechts over het wel of niet terugkomen van Chin A Sen. (Ordner IV blz. 442) (…) Kort daarop,misschien een half uur of drie kwartier maar het kan ook twee uur later zijn, hoorden we iemand roepen achter de heg rondom ons huis. Wij hadden toentertijd ongeveer zeven honden rondom het huis lopen. De man achter de heg riep “meneer Kamperveen”. André sprong toen op en trok een short aan. André zei toen iets in de trant van: “er is iets met Johnnie, ik had nog gezegd dat hij rustig aan moeten doen”. Ik zal eerst even uitleggen wie Johnnie is. Johnnie is een zoon van André uit zijn eerste huwelijk. Hij woonde zelfstandig maar hij werkte ook bij ABC en hij was heel erg kritisch tegen het regime. Andre is vervolgens naar buiten gelopen, we sliepen op de 1e verdieping, en ik liep naar het balkon. Ik riep toen naar André dat ik twee mannen zag staan achter een pilaar. André ging toch naar buiten en zag dat hij vastgepakt werd. Ik hoorde één van de mannen zeggen: “U moet nu meekomen”. Ik zag dat André vastgepakt werd en zich vervolgens losrukte. Hierop viel één van onze honden, een Fila Brasiliero, één van de twee mannen aan. Eén van de mannen heeft vervolgens de hond geschoten, ik weet niet meer wie van de twee gebeten werd en wie geschoten heeft. Ik hoorde twee knallen van een vuurwapen, ik kan me niet meer herinneren hoe het vuurwapen eruit zag. De hond is vervolgens jankend weggerend, het bos in of ergens tussen de huizen, deze hond hebben we later met schotwonden dood gevonden. André heeft vervolgens van de situatie gebruik gemaakt om de woning weer in te gaan. De mannen die André vast hadden gepakt durfden vervolgens niet naar binnen te gaan, ik denk omdat de mannen de andere honden hadden gezien. Nadat André de woning binnen was gegaan zijn de mannen begonnen om het huis van ons te bestoken met zwaar geschut. Het huis werd beschoten met bazooka’s. Vrijwel meteen is er geschoten met bazooka’s heel veel knallen. Ik weet niet meer hoeveel maar het was voor mij een oorlogsgevoel. Ik ben op de grond in de gang boven aan de trap gaan liggen en Andre heeft zich over mij heen geworpen. Ik heb gegild en geschreeuwd. André is toen uiteindelijk opgestaan en heeft zich overgegeven. André liep de trap af naar beneden en toen hield het schieten op. Ik heb vervolgens gezien dat André wederom werd vastgepakt en mee werd genomen door vier mannen. De vier mannen vertrokken met André in een personenauto, het was in ieder geval geen legervoertuig. André was nog steeds in zijn short gekleed. Nadat André weg was zijn er twee mannen in mijn woning achter gebleven. Dit waren beiden militairen. Ze waren in een groen uniform gekleed. De mannen hadden geen hoofddeksel op, beiden hadden geen strepen of sterren op hun schouders, ze hadden beiden een kort dik wapen aan een schouderband, ik geloof dat het wapen een UZI genoemd wordt. De mannen hebben vervolgens de telefoonlijnen in huis kapot getrokken en zeiden dat ik het huis niet uitmocht. Ze zeiden dat André bezig was met een coup tegen het militaire regime. Ik vroeg toen waarom ze dan het huis aan flarden schoten en waarom ze geen huiszoeking deden. Ze zeiden vervolgens dat ik mijn mond moest houden en moest stoppen met janken. Ik 24 hoorde dat ze onder andere tegen elkaar zeiden dat ik nog jong was en wel een andere man zou vinden. (Ordner IV blz. 443) (…) Buiten hoorde ik op dat moment knallen van explosieven, dit geluid kwam uit de omgeving. Toen ik er naar vroeg zeiden ze dat “men” bezig was met een tegencoup. Omstreeks 5 uur reed een werknemer van ABC genaamd Roue HUPSEL langs het huis en gilde dat ABC was plat geschoten. Ik kon er niet op reageren want de militairen waren in huis. De militairen zeiden niets op dat moment, ik probeerde Hupsel vanaf het balkon een wenk te geven maar Hupsel zag het niet en is uiteindelijk weggegaan. Omstreeks zes uur, het werd net licht, zijn de twee mannen opgehaald door een militair die ik ken als MAHADEW. Mahadew is één van de zestien militairen die de coup gepleegd hadden. Ik heb toen aan Mahadew, hij was sergeant, gevraagd of ik weg mocht van het huis. Het huis was namelijk helemaal stuk, de ramen waren kapot, het dak was stuk en het water spoot uit de leidingen. Mahadew gaf mij toen toestemming om weg te gaan, Mahadew was in burgerkleding gekleed. Ik heb thuis nog foto’s van de inslagen van de projectielen in de woning en het kantoor van ABC. Ik zal jullie later deze foto’s geven.”(Ordner IV blz. 444) 18) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 18] (weduwe van het slachtoffer Kamperveen, André), in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde RechterCommissaris, d.d. 25 september 2003 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en M.A.C. Boudewijn, griffier, (Ordner IV, blz. 298 -300),waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “(…) Toen Ampi werd opgepakt sliepen wij niet omdat Chin A Sen net had gebeld. Eerst werd hij buiten geroepen: “Meneer Kamperveen!”. Ampi liep naar de auto die buiten stond. Hij dacht eerst dat er iets was met Johnny, zijn zoon. Het was geen legervoertuig. Ik weet niet meer hoe die auto eruit zag. Hij is alleen in zijn short gekleed naar buiten gegaan. Er waren twee mannen bij de auto en twee, die naast het huis zijn komen roepen. Ik heb niemand herkend. De naam Rozendaal zegt mij niets. Ze zeiden dat hij moest worden meegenomen. Ampi wilde naar binnen om kleren aan te trekken. Daarom rukte hij zich los. Hij ging naar binnen. Eén van de honden viel de mannen aan. Ze hebben op die hond geschoten. Ze schoten ook op het huis met zwaar geschut. Het was oorlog. Ik heb later nog foto’s gemaakt van de gaten in het huis en van de achtergebleven munitie. Ik heb de negatieven van die foto’s aan de Nederlandse politie afgestaan. Ik gilde dat hij eraan kwam om ze te laten stoppen met schieten. Toen Ampi naar buiten kwam stopten ze ermee. Hij ging in de auto achterin zitten met twee mannen naast hem. Twee andere mannen bleven bij het huis. Zij waren in uniform en gewapend. (…) Toen Ampi werd meegenomen had hij alleen een short aan. Ik heb de videoband gezien waarop de verklaring die Ampi heeft voorgelezen staat. Hij had die kleren die hij toen droeg niet aan toen hij wegging. Mogelijk heeft hij ze zelf meegenomen. Hij had soortgelijke kleren aan. Ik heb hem die kleren gebracht. Toen hij werd afgevoerd stond ik op het balkon. ”(Ordner IV blz. 300) 19) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 mei 2002 afkomstig van, mr. F. Hoogendijk, de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de 25 arrondissementsrechtbank te Amsterdam(ordner IX, blz.43). Die heeft in het proces-verbaal voor zover relevant het volgende vermeld: “Heden heb ik uit handen van A.C.H.von Wintersdorf, inspecteur van politie AmsterdamAmstelland, foto’s ontvangen. Hij verklaarde mij dat het afdrukken waren van de negatieven, welke mevrouw E.C. Kamperveen-Van Leuvenum hem ter hand heeft gesteld, met de mededeling dat het foto’s betrof die zij van haar woning te Suriname heeft gemaakt nadat haar man in december 1982 was opgehaald, alsmede foto’s die zij in december 1982 van het radiostation ABC te Suriname heeft gemaakt. De foto’s zijn aan het proces-verbaal aangehecht (ordner IX blz.44 tot en met 60: een 27 tal foto’s)” Het ophalen van het slachtoffer Leckie, Glenn 20) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 19] (weduwe van het slachtoffer Leckie) d.d. 15 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz. 449 – 455), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “(…) Op 7 december 1982 kwam mijn man omstreeks 14.00 uur 14.30 uur thuis van de universiteit. Ik kan mij niet herinneren dat mijn man het huis was uitgeweest. Omstreeks 23.00 uur ben ik naar bed gegaan. Mijn man, mijn dochters en ik waren de enigen in het huis. Op 8 december 1982 omstreeks 02.30 uur hoorde ik de honden luid blaffen. Op dat zelfde moment hoorde ik de bel van de buitenpoort rinkelen. Mijn man en ik zijn opgestaan en zagen dat aan de poort van het huis een militair staan.(lees: stond) (…) Ik heb vervolgens de honden geroepen. Ik zag dat er rondom het huis overal militairen stonden. De militair die aan de poort stond en vervolgens het terras opkwam, zei dat mijn man meemoest. Mijn man en ik, vroegen hem waarom. Ik hoorde de militair zeggen dat het een opdracht was. Wij vroegen hem van wie deze opdracht kwam. Dat wilde de militair niet zeggen. Dit heeft hij meerdere malen herhaald. Vervolgens zag ik dat er meerdere militairen binnenkwamen. Ik zag dat de militairen gewapend waren. Ik wilde ook meegaan, dat werd mij verboden door de militair. Mijn man heeft zich toen aangekleed en is onder begeleiding van een aantal militairen in een militair voertuig gestapt. Dit voertuig stond voor de poort geparkeerd. In mijn woning zijn er vervolgens een aantal militairen achtergebleven. Ik zag dat er drie militairen in de woning waren achtergebleven. Eén van de militairen zat in de woonkamer,één op het balkon en één bevond zich aan de eettafel. Ik heb hen wederom gevraagd waarom mijn man meemoest. Dat wilden of konden zij niet vertellen. Ook mocht ik de telefoon, welke constant rinkelde niet opnemen. Op een gegeven moment mocht ik van de militair aan de eettafel de telefoon opnemen, het was mijn broer. Ik zei tegen mijn broer dat Gerard was meegenomen. Ik kon nog net zeggen dat hij een advocaat moest bellen. Toen werd het toestel door deze militair uit mijn hand getrokken. (Ordner IV blz. 452) De militair zei dat ik niet weg mocht of telefoneren. Vervolgens heeft hij de stekker van de telefoon uit de muur getrokken. Ik heb nog een aantal maal aan de militair gevraagd van wie deze opdracht kwam en waarom mijn man mee moest. De militair zei wederom dat hij dat niet wist. Ik heb mij toen teruggetrokken bij mijn kinderen. Ik moest van de militair de deur openhouden zodat hij ons kon zien. (Ordner IV blz.453) (…) U vraagt mij naar de gebeurtenissen op 8 december. Ik kan mij herinneren dat er tussen 06.00 uur en 07.30 uur een militair voertuig aan de poort verscheen. De 3 militairen die in de woning waren zijn zonder wat te zeggen ingestapt en weggereden. Ik ben toen met mijn kinderen in de auto gestapt en ben naar een vriendin gereden. Ik heb de kinderen bij mijn vriendin achtergelaten en ben met Dhr. Veira naar fort 26 Zeelandia gereden. Aan de militair die aan de poort stond heb ik gevraagd waar mijn man was. De militair wist dat niet” (Ordner IV blz.454) 21) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 19] (was gehuwd met het slachtoffer Leckie) bij de Rechter-Commissaris d.d. 3 september 2002 in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een proces-verbaal door de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV, blz. 193-194). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover van belang – bij de Rechter-commissaris het volgende verklaard: “(…) Over 7 december 1982 kan ik het volgende zeggen. Wij lagen in bed toen om 03.00 uur de honden begonnen te blaffen. Ik stond op en mijn man ook. De kinderen werden wakker. Er stonden militairen om het huis. Wij woonden toen op Uitvlucht 44 A. Het was een huis op neuten, op palen. Ik heb de honden opgesloten. Er kwamen toen militairen binnen. Ik kan niet zeggen of zij MP waren. Ik zag alleen uniformen. Eén militair voerde het woord. Het was een jonge man, in uniform, langer dan ik. Hij zei dat meneer Leckie mee moest. Ik vroeg steeds waarom, maar dat zei hij niet. Mijn man zei dat hij wel mee zou gaan en dat het niet lang zou duren. Die militair zei dat het een opdracht was. Hij zei niet van wie. Hij heeft ook niet gezegd waarheen mijn man werd gebracht. Mijn man ging de auto in. Hij was niet geboeid. Hij werd niet geboeid. Een aantal militairen bleven in huis achter. Ik mocht niet telefoneren. Ik heb uiteindelijk wel één keer de telefoon mogen opnemen, omdat die bleef rinkelen. Het was mijn broer. Ik heb alleen gezegd dat ze Gerard hadden meegenomen. Daarna werd de telefoon afgesloten. (…) Toen op 8 december 1982 rond 07.00 uur de militairen waren vertrokken, ben ik met Neville Veira naar het Fort Zeelandia gegaan. Voorin stond een militair, die zei dat hij niet wist of mijn man daar was.” Het ophalen van het slachtoffer Oemrawsingh, Sugrim, 22) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 20] (weduwe van de het slachtoffer Oemrawsingh, Sugrim) d.d. 07 februari 2002, welk proces-verbaalop ambtseed is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Vermeer, Letitia Marlene (Ordner II, blz. 108-110), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “(…) In de vroege ochtend van 08 december 1982, dat was omstreeks 01.30 uur, werd er heel hard op de schuifdeuren aangeklopt. Sugrim en ik stonden op om te kijken wie zo hard aanklopte. Voor zover ik mij nog kan herinneren stonden drie militairen voor de deur. De militairen waren mij van gezicht niet bekend en zij stelden zich niet voor. Eén van hen zei dat mijn man mee moest. Ik vroeg nog waarom en de militair zei dat hij een opdracht uitvoerde. Ik heb verder geen vragen gesteld maar uit ervaring begrepen Sugrim en ik dat hij een opdracht van het Nationaal Leger uitvoerde. Sugrim werd in de gelegenheid gesteld om zich om te kleden waarna hij door twee van de militairen in een Jeep werd meegenomen terwijl de derde achterbleef. Ter voorkoming dat ik vermoedelijk alarm sloeg werd onder andere mijn telefoon onklaar gemaakt en bleef hij( lees: toevoegen de militair)tot het daglicht werd en werd toen opgehaald. Kort na het vertrek reed ik naar de woning van de advocaat van Sugrim. Ter plaatse aangekomen bleek dat de advocaat genaamd Baboeram, John in de ochtenduren met geweld was meegenomen door de militairen. ” 23) Verklaring van [getuige 20] (weduwe van hetslachtoffer Oemrawsingh, Sugrim), afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 01 december 2009, op welke terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: 27 “(…) Mijn man heeft van maart tot oktober 1982 in de gevangenis gezeten. Hij werd verdacht van medeplichtigheid aan de coup van Rambocus. (…) Dat geklop in de nacht waarop hij is opgepakt, was een absolute schok. De uitspraak zou op 08 december 1982 plaatsvinden. (…) De militairen zijn naar binnen gekomen en ze moesten Sugrim meenemen. Ik heb gevraagd waarom. Ze zeiden dat het een opdracht van hoger hand is. Ik wilde onze advocaat bellen, maar dat mocht niet. Ze hebben onze telefoonkabel doorgesneden. Hij is zich gaan aankleden en hij heeft mij gegroet. We hadden geen honden. Ik protesteerde en zei hij: “laat maar, ik ga mee.”. Toen ik bij het huis van John aankwam, zag ik kogelinslagen in het huis. Mijn zus zat apathisch daar. John was hardhandig meegepakt. Hij had geen gelegenheid gekregen zich aan te kleden.” Het ophalen van het slachtoffer Rahman, Leslie 24)Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 21], (moeder van de het slachtoffer Rahman, Leslie) d.d. 16 mei 2002, in het kader van een rechtshulpverzoek van Suriname aan Nederland, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt in Nederland door Peter van den Wijngaard, hoofdagent-rechercheur van politie, de Hoofd Commissaris Justitiële Dienst, Santoki en de eerste Luitenant der Militaire Politie van Paramaribo, Ristie (Ordner III, blz. 119-123), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “ (…) Op maandagavond 6 of 7 december 1982 ging mijn zoon naar de mensen van C-47. Ik was zelf niet thuis maar hoorde dat van mijn dochter Joyce. Ik kwam thuis die avond en Lesly was er nog niet. De enige die thuis was, was mijn dochter Joyce. Zij was toen ongeveer 24 jaar. Ik ben naar bed gegaan en omstreeks 2 uur s’ nachts werd ik wakker door een hoop lawaai. Er werd op alle vensters geslagen. Ik ben naar de buitendeur gelopen om te vragen wat er is. Ik zag dat er een groep militairen buiten stond. Ik denk ongeveer vijf mannen. Ze hadden een legergroen busje bij zich. De militairen waren bewapend met Uzi’s. Nadat ik de deur opendeed, drongen de militairen zich naar binnen en vroegen of Lesly ( lees: Leslie)thuis was. Ik had hem nog niet gezien en zei dat hij niet thuis was. De militairen reageerden daar niet op en liepen verder. Ze kwamen bij de kamer van Lesly en Lesly zat half aangekleed op bed wat te eten. Vervolgens moest Lesly meelopen met ze naar het busje. Hij keerde zich nog om naar me en zei dat ik me geen zorgen hoefde te maken, hij had niets gedaan en zou de volgende dag weer thuis zijn. Ik heb gevraagd aan de militairen waarom Lesly mee moest. Ze vertelden mij dat het in opdracht was van de luitenant en voor een verhoor. (…) Nadat de militairen met Lesly verdwenen waren bleven er twee militairen bij ons in huis. Eén bleef voor mijn deur en de ander bleef voor Joyce haar deur zitten. De twee militairen hebben niets gezegd of gedaan en werden omstreeks half zeven in de ochtend weer opgehaald.” 25) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 21], (moeder van het slachtoffer Rahman) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst- genoemde Rechter-Commissaris en J.S. Mohammedamin, hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de ProcureurGeneraal te Paramaribo, d.d. 29 augustus 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, 28 blz. 161-162). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de RechterCommissaris het volgende verklaard: “Ik volhard bij de verklaring die ik op 16 mei 2002 heb afgelegd tegenover de politie. (…) De militairen kwamen in een legergroen busje, zoals ik op 16 mei 2002 heb verklaard. Vijf militairen kwamen binnen. Eén stond in de deuropening met een Uzi in de aanslag, de anderen hadden ook wapens, maar die hadden zij op de schouder of in het holster. Eén van hen was in pyamabroek met daarboven een legerhemd, de anderen waren in uniform. Ik heb niet verschillende soorten uniform onderscheiden. (…) Ik vroeg waarom mijn zoon Lesley Rahman mee moest. Mij werd gezegd dat het een opdracht van de luitenant was. Daar werd geen naam bij genoemd. Mij werd gezegd dat het was voor ondervraging. Ik geloof niet dat Lesley iets tegen de militairen had gezegd. Ik vroeg hem waarom hij mee moest. Hij zei dat ik mij niet ongerust moest maken. Hij is zonder verzet meegegaan. Hij was gekleed, want hij was net thuis gekomen. Hij is niet geboeid. Alleen een beetje omringd. Die ene militair had wel zijn Uzi in de aanslag.” 26) Verklaring van [getuige 21], (moeder van het slachtoffer Rahman, Leslie), afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 29 oktober 2009, op welke terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “ (…) De avond waarop hij is opgehaald, was ik reeds in bed. Ik ga normaliter 23.00 uur naar bed. Op een gegeven moment ben ik wakker geworden. Er was een busje voor de deur met een vijftal militairen. Eén van ze was zelfs gekleed in een pyamabroek met een militair jasje. Die militair was van het gemengd type. De andere vier waren volledig geüniformeerd. Het leken creolen. Toen ik de deur opendeed heeft één van ze, mij opzij gestoten. Ze zijn direct binnen gekomen. Lesley was nog in de slaapkamer. Ze zeiden dat ze mijn zoon zijn komen halen. Ik dacht dat hij nog niet thuis was. Hij zat in zijn kamer op bed. (…) Hij was waarschijnlijk niet lang terug thuis aangekomen. Ik weet niet precies wat ze tegen hem gezegd hebben. Hij heeft zijn schoenen en een jasje aangetrokken. Ik heb het op een gegeven moment wel gevraagd waarom hij mee moest en ze hebben gezegd dat de luitenant hem wil verhoren. Ze hebben geen naam genoemd. Lesley heeft mij nog gerustgesteld. Hij zei nog: “ik heb niets verkeerds gedaan.” Alle militairen waren jonge mannen. Ze zijn op stoelen voor onze slaapkamerdeuren blijven zitten. De volgende dag zijn ze opgehaald door andere militairen in een groengelakt busje.” 27) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 22], (jongere zus van de overleden Rahman, Leslie) d.d. 15 mei 2002, in het kader van een rechtshulpverzoek van Suriname aan Nederland, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt in Nederland door Oscar Jerome Linger, hoofdagent-rechercheur van politie, de Inspecteur van politie, I. Pierau (Ordner III, blz. 124-129), waarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “ (…) Toen ik op 08 december 1982 omstreeks 00:10 uur thuis kwam, zag ik Leslie (lees: Lesley) zijn auto net voor de deur staan. Ik denk dat Leslie omstreeks 02.00 uur thuiskwam. Ik zag dat Leslie op zijn bed zat. Niet lang nadat hij was thuis gekomen, hoorde ik een luid gebons op de shutters. Mijn moeder heeft de deur opengedaan. Ik zag dat mijn moeder aan de kant werd geduwd door ongeveer 8 militairen. Ik zag twee in burger geklede mannen buiten staan. De mannen die binnen waren gestormd liepen Leslie zijn kamer binnen. Degene die vermoedelijk de leiding had zei tegen mijn broer dat hij zich moest aankleden. De leidinggevende zei dat hij mee moest naar het Fort naar de bevelhebber. Ik heb hem gevraagd wat de bedoeling hiervan was. Mijn broer stelde ons gerust en zei ons dat hij zo weer thuis zou zijn. Ik ben naar de telefoon gerend maar wist eigenlijk niet wie ik moest bellen. Ik hoorde de leidinggevende de opdracht geven om de telefoonkabel door 29 te snijden. Mijn broer stelde hem echter gerust en toen werd dit niet gedaan. Vervolgens is mijn broer door een aantal militairen afgevoerd. Dit gebeurde met een militair voertuig. In ons huis bleven 2 gewapende militairen achter. De militairen hadden in de woning postgevat. Ongeveer 30 a 40 minuten later hoorde ik beschietingen, ik dacht dat het omstreeks 03.00 uur en 03.30 uur was.” 28) Verklaring van [getuige 22], (jongere zus van het slachtoffer Rahman, Lesley), afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 29 oktober 2009, op welke terechtzitting zij het volgende heeft verklaard: “ (…) Ten aanzien van de avond waarop hij is opgehaald kan ik u het volgende verklaren. Ik ben die avond uit geweest met een paar mensen die op vakantie in Suriname waren. De sfeer was op dat moment heel grimmig in Suriname. Ik ben rond 12.05 uur naar huis gegaan. Lesley was er toen nog niet. Hij is tegen 02.00 uur thuis aangekomen. Iets over 02.00 uur werd er gebonkt op alle deuren en ramen van het huis. Mijn moeder heeft toen opengedaan. Vijf mannen zijn naar binnen gestormd in legeruniform. Twee van ze waren buiten op wacht en één was in burger. Eén van ze vroeg waar Lesley was. Mijn moeder dacht dat hij nog niet thuis was. Ik wist wel dat hij thuis was, omdat ik hem op het bed heb zien zitten. Hij was bezig iets te eten. Ze zeiden dat hij naar de luitenant of de bevelhebber moest. Beide titels zijn gebruikt. Ik heb later één van de soldaten gesproken. Deze hield mij voor dat hij niets wist, omdat zij ook zelf opgetrommeld waren. Een andere soldaat zei tegen hem om zijn mond te houden. Ze zijn gelijk doorgelopen naar de kamer. Mijn moeder heeft het licht uitgedaan, maar Lesley heeft het weer aangedaan. Ik rende naar de telefoon. De soldaten wilden de draad toen doorknippen, maar Lesley heeft het kunnen voorkomen door aan te geven dat hij vrijwillig zou meegaan. Hij stelde ons gerust. Hij zei: “ik ben mij van geen kwaad bewust. Ik ben zo terug.”. Ze zijn gekomen in een groen militair busje. Twee militairen zijn met uzi’s in ons huis gebleven voor onze deuren. Ik wilde nog even in Lesleys kamer gaan kijken, maar dat mocht niet. De soldaten zijn tot 05.45 uur gebleven. Toen is het busje ze weer komen ophalen. Lesley was er toen niet bij.” Het ophalen van het slachtoffer Riedewald, Cornelis Harold 29) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 23] (levenspartner van het slachtoffer Riedewald, Harold) d.d. 01 november 2000, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de onder inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (Ordner III, blz. 108-112), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “(…)Toen ik Riedewald leerde kennen, was hij Advocaat, strafpleiter. Hij had zijn eigen kantoor. (…) In de nacht van zeven op acht december 1982, terwijl Riedewald lag te slapen, was ik bezig mijn baby te voeden. Zoals ik al eerder verklaarde, woonden wij aan [adres] te Combe. Het was tussen twee uur of half drie in de ochtend, toen ik plotseling voetstappen op het erf hoorde. Mijn erf had namelijk schelpen, die kraakten tijdens het lopen daarop. Ik sloeg echter geen acht hierop, maar op een gegeven ogenblik hoorde ik een zwaar gebons op de voordeur. Van schrik vroeg ik wie daar was, waarop ik een mannenstem hoorde zeggen: “MILITAIREN – MILITAIREN DOE OPEN.”. Ik ging niet direct hierop in, maar wekte Riedewald eerst en zei tegen hem, dat er militairen aan de voordeur stonden te bonzen en te schreeuwen, dat ik de deur moet openen. Samen gingen wij de trap af en deden toen het raam open. (…) Wij vroegen toen wat er was, waarop de mulatachtige, die naderhand LEEFLAND bleek te zijn vroeg: “BENT U MEESTER HAROLD RIEDEWALD. IN OPDRACHT VAN DE BEVELHEBBER MOET U MEE.”. Terwijl Harold aan hem vroeg of hij dit mocht verifiëren, werd hij opgedragen de deur meteen te openen, omdat die anders ingetrapt zou worden. 30 Op het moment, waarop de voordeur open was, stormde de militair MAHADEW het huis binnen en begon net een gek tekeer te gaan. Ik zag, dat hij al de deuren opende en de kamers doorzocht, terwijl al de telefoonkabels door hem doorgesneden werden. (…)Intussen waren mijn familieleden, die vlak naast mij op het ander perceel wonen, gealarmeerd, omdat zij het gestommel in het huis hadden gehoord. Terwijl Riedewald de trap afging, keerde hij zich nog eenmaal om, keek naar mij en zei toen: “JENNY – JENNY, ZORG GOED VOOR JEZELF.”. Toen hij zijn gezicht van mij had afgewend en weer vooruit keek, zei hij op een vrij rustige toon aan de militairen, dat de personen, die uit het venster van het huis naast het onze stonden te kijken, familieleden waren. Terwijl er naar de straat werd gelopen, zag ik een witte Toyota stationauto langzaam aankomen rijden.(…) Riedewald kreeg de opdracht voorin in de auto plaats te nemen naast de bestuurder. Ik hoorde LEEFLAND nog aan hem zeggen: “MEESTER U KUNT VOORIN ZITTEN.” Ik denk, dat LEEFLAND achter in de auto had plaatsgenomen, waarna zij wegreden. (…) Ik begreep korte tijd later, dat een militair, met name SIMSON, die samen met LEEFLAND en MAHADEW Riedewald waren komen ophalen, was achtergebleven. Van hem kreeg ik de opdracht, dat ik met niemand mocht praten, ook niet met mijn eigen moeder, die vlak naast mij woonde. Dat ik de hond, die alsmaar bleef blaffen in huis moest houden en dat ik in elk geval nergens mocht gaan. Dit betekende voor mij huisarrest. (…) De volgende morgen, het was dus 8 december 1982, ik meen tussen zes en zeven uur in de morgen, stopte een bruine Toyota station auto voor mijn huis en zag ik een lange slanke man met een lichtbruine huidskleur uitstappen. Deze man had een bruine hemd met opgerolde mouwen aan, en droeg ook een machinegeweer dat hij op zijn borst vasthield. Tijdens het gesprek met de militair SIMSON, die op post bij mijn huis had gestaan, hoorde ik deze aan de man, die uit de auto was gestapt zeggen, dat de mevrouw wilde weten waar haar man was. Ik hoorde de man toen zeggen, “GA IN DE AUTO ZITTEN EN LAAT DE REST VOOR MIJ.”. Toen hij op de brug kwam staan, keek hij mij recht in de ogen en zei toen tegen mij: “MEVROUW DE OPDRACHT LUIDT. U MAG ZICH NIET VERPLAATSEN. UW MAN IS OPGEBRACHT VOOR VERHOOR IN HET FORT. Hierna maakte hij rechtsomkeer, nam plaats in de auto en reed toen weg.” Het ophalen vanhet slachtoffer Sheombar, Djiewansing 30) De verklaring van [getuige 24], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 23 februari 2011, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft verklaard: “(…) in 1982 was ik directeur maar ook directeur van de Strafinrichting Santo Boma. Ik was uitgeleend aan het Ministerie van Justitie en Politie om de functie van Directeur van Santo Boma te vervullen. Ik viel onder de Militaire hiërarchie. Ik meen mij te herinneren dat Bhagwandas en ik gelijk waren in rang. Ik kreeg de opdracht van Bhagwandas om mensen uit de strafinrichting te halen. Zijn woorden waren als volgt: “Stolk wil je ene Sheombar afhalen van de strafinrichting en afgeven te Fort Zeelandia. Ik ben tezamen met de twee Militaire Polities gereden naar Santo Boma. Bij de grote poort die toegang biedt tot het Fort Zeelandia heb ik Sheombar afgestaan aan een militair. Bij aankomst aan de poort, kwam een militair naar buiten. Ik zei dat ik Sheombar bij mij heb en dat ik hem moest afleveren. Ik dacht dat het Tolud was die hem naar binnen sleurde. Sheombar was veroordeeld wegens het omverwerpen van het wettig gezag.” 31) Proces-verbaal d.d. 05 september 2002, betreffende het nader verhoor van [persoon 9] door de Rogatoire Commissie in het kader van het GVO (ordner I, blz.. 468 – 470), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “(…) Ik ben met Stolk en Carbièrre iemand gaan ophalen in Santo Boma in de nacht van 7 op 8 december 1982. Wij hebben toen Mahadew opgehaald. (ordner I, blz. 468) (…) Toen wij naar 31 Santo Boma gingen, was ik in militaire uitrusting, Carbièrre ook. We waren allemaal gewapend. Ik weet niet meer wie wat deed of zei toen wij in Santo Boma waren. (…)Ik geloof wel dat Sheombar geboeid was, maar ik weet niet door wie. Hij was gekleed, maar ik weet niet meer of het burgerkleding of een uniform betrof. (…) Toen wij weer bij het Fort Zeelandia kwamen, is hij via de poort naar binnen gebracht. Ik weet niet aan wie hij is overgedragen. Het ging heel snel. De deur ging open en meteen weer dicht. Ik kon maar een klein blikje opvangen. Ik zag dat hij een trap kreeg van iemand van wie ik alleen een legerboots kon zien.” 32) De verklaring van de [getuige 25], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 20 februari 2009, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft verklaard: “(…)In de vooravond van 7 december 1982 was ik in dienst te Fort Zeelandia. Ik was er van 19.00 uur tot de volgende dag. Ik heb de opdracht van de persoon gehad. (…) Ik kreeg de opdracht om tezamen met Heidanus en Stolk, Sheombar op te halen. In mijn bijzijn heeft Sheombar geen uitspraak gedaan. Volgens mij zat ik naast Stolk en Sheombar naast Heidanus. (…) Nadat we de man hebben opgehaald, zijn we naar het Fort Zeelandia complex gereden, alwaar de MP was.”. 33) De verklaring van [getuige 26], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 23 januari 2009, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft verklaard: “(…)Rond 8 december 1982 was ik penitentiair ambtenaar. Ik was in de nachtdienst. Ik had op die avond de leiding. Stolk was directeur van de inrichting.Hij zei dat hij de gedetineerde Sheombar nodig had en is met hem weggegaan.”. Het ophalen van het slachtoffer Slagveer, Jozef Hubertus 34) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 27] (weduwe van het slachtoffer Slagveer, Jozef) d.d. 22 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz. 468 – 475), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “(…) U vraagt mij wat er op 07 december 1982 is voorgevallen. Ik herinner mij dat Jozef in de vooravond het huis had verlaten. Dat was een normale gang van zaken voor Jozef. Ik weet echter niet waar hij heen is gegaan. Ik was die avond alleen thuis. Op een zeker moment hoorde ik dat er op de deur werd gebonsd. Ik vond dit vreemd. Nadat er voor de tweede keer gebonsd werd, ben ik vanachter het gordijn gaan kijken. Dit gebeurde na 24.00 uur daar de televisie -uitzending voor die dag afgelopen was. Ik wilde toen naar bed gaan. Ik zag 4 militairen voor de deur staan. Ik zag dat 3 van de militairen gewapend met karabijnen waren. Ik hoorde de militair welke niet gewapend was, aan mij vragen of de heer Slagveer thuis was. Ik zei dat Slagveer niet thuis was. Ik zag en hoorde dat de militairen met elkaar begonnen te overleggen. Vervolgens zei de niet gewapende militair op een dwingende toon dat zij binnen wilden komen. Ik heb vervolgens de deur voor hen geopend. Eén van de militairen kwam vervolgens binnen, deze zei dat ik niet de telefoon mocht gebruiken. Ik kreeg de indruk dat ik mij niet vrij in mijn huis kon bewegen. Eén van de militairen ging voor mij zitten. Ik weet niet waar de andere twee militairen waren gebleven. Wel hoorde ik kort daarop een auto wegrijden. Eén van de twee militairen welke in mijn woning waren achtergebleven, liep met mij mee naar elke ruimte in het huis, waaronder het toilet. Ik moest ook de deur van het toilet openlaten. Op 32 mijn vraag wat zij hier deden antwoordden zij dat zij de opdracht hadden gehad om op Slagveer te wachten. Ruim een uur nadat de militairen zich in mijn woning bevonden, kwam Jozef thuis.(Ordner IV blz. 472) Op het moment dat ik de auto van Jozef het erf hoorde oprijden, zag ik dat één van de militairen direct naar beneden liep. Na enkele ogenblikken zag ik dat Jozef en de militair het huis binnenkwamen. Jozef moest naast mij op de bank plaatsnemen. Ik zag dat één van de militairen vanaf een briefje een telefoonnummer probeerde te bellen. Dit was hem echter niet gelukt. Ik ben op een gegeven moment gaan liggen. Ik denk dat het omstreeks 04.00 uur was geweest. Na 10 à 15 minuten hoorde ik in de nabije omgeving van ons huis geweerschoten. Ik hoorde uit de kant van de Prinsessenstraat mensen gillen. Plots zag en hoorde ik Jozef de kamer binnen rennen. Ik zag dat Jozef door de slaapkamer naar achter rende. Ik hoorde Jozef van het balkon springen. Ik hoorde namelijk het omvallen van lege blikken verf. Zo wist ik dat Jozef van het balkon was gesprongen. Direct daarop rende één van de militairen door de slaapkamer achter Jozef aan. Ik hoorde dat er uit de richting van het erf werd geschoten. Ik hoorde direct daarop iemand roepen: “Blijf staan” of woorden van gelijke strekking. Ik hoorde op een gegeven moment Jozef zeggen: “Waarom slaat u mij”. Ik kon echter niet horen of zien tegen wie Jozef dit heeft gezegd.Ik zag dat de militair die achter Jozef was aangerend weer binnenkwam en naar de voorkamer liep. Ik wilde naar de woonkamer lopen maar hoorde plots gestommel in het huis. Ik had het idee dat er meerdere mensen in het huis waren. Toen ik niets meer hoorde ben ik naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat de buitendeur openstond. Ik zag dat er 2 personenauto’s voor de poort stonden. Ook zag ik een aantal militairen en 2 mannen in burgerkleding staan. Deze twee mannen in burgerkleding waren ook gewapend met lange geweren. Ik zag ook dat er in de auto zich nog mensen bevonden. Ik zag dat Jozef geboeid op zijn buik op straat lag. Ik zag dat Jozef op een gegeven moment werd opgetild en in de kofferbak van één van de auto’s werd gesmeten. Vervolgens zijn alle aanwezigen in de twee auto’s gestapt. Ik zag dat de auto’s vervolgens wegreden. Ik ben vervolgens gaan zitten, ik was als verdoofd.” 35) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 27] (weduwe van het slachtoffer Slagveer, Jozef), in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, rechter-commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde rechter-commissaris, d.d. 23 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door MR. F. Hoogendijk, rechter-commissaris en G.V. van der Vlucht, griffier, (Ordner IV, blz. 306- 308), waarbij zij hetzelfde als hiervoor heeft verklaard. Het ophalen van het slachtoffer Sohansingh, Somradj Robby 36) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 28] (een jongere broer van het slachtoffer Sohansingh, Somradj Robby) d.d. 21 oktober 2000, welk proces-verbaalop ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner III, blz. 198-202), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “ (…) In de nacht van 7 december 1982, omstreeks half drie – drie uur in de ochtend terwijl wij allen lagen te slapen, werd ik plotseling wakker van de schel die thuis afging. Ik werd wakker en ben toen de deur gaan open doen om te zien wie op dat tijdstip op bezoek was gekomen. Ik zag toen op een paar meters op de oprit op het erf een militair voertuig. Ik herkende één van de vele militairen die daar waren als de sergeant CLIFF GANPAT, die mij vroeg of Robby daar woonde. 33 Nog voordat ik hem het antwoord gaf zei hij, GANPAT op vrij ruwe toon: “WIJ ZIJN OP ZOEK NAAR ROBBY.” Niet bewust van enig kwaad gaf ik aan sergeant CLIFF GANPAT te kennen, dat Robby, niet op dat adres woonachtig was, maar aan de [straat]. Nog voordat de militairen vertrokken, gaf Ganpat met een vingerwijzing de opdracht aan mij en mijn vader, dat niet gebeld mocht worden naar Robby om hem ervan te verwittigen, dat hij gezocht werd door de Militaire-Politie. Mijn vader, die ook even dit bezoek van de militairen had meegemaakt, pakte toch de telefoon en belde naar Robby aan wie hij toen voorhield, dat de militairen naar hem zoeken en dat zij nu naar hem toegingen.” 37) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 29] (een broer van het slachtoffer Sohansingh,Somradj Robby) d.d. 05 September 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de onder inspecteur van het Korps Politie te Suriname, Ruben B. Dijks en eerste luitenant van de militaire politie te Suriname, Ristie, Tjark , welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemden, de hoofdagent-rechercheur van politie, Oscar Jerome Linger en de rechercheur van politie, L. Henzen, (Ordner IV, blz. 429 – 433), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “(…) In de nacht van 7 op 8 december 1982 was ik thuis bij mijn ouderlijk huis. Rond middernacht stonden er plots een aantal militairen aan de poort. De militairen waren met een jeep gekomen en het huis was omsingeld. Wederom herkende ik de militair Ganpat. Deze vroeg of Robby thuis was. Wij zeiden dat Robby in zijn eigen woning in de [straat] was. Ik zag dat één van de militairen dit direct middels een portofoon doorgaf. Ik heb deze en de andere militairen die samen met Ganpat waren niet herkend. Zij waren allen in uniform gekleed en waren gewapend met uzi’s en karabijnen. De militairen zijn vervolgens weggegaan. Ik heb toen direct Robby gebeld en hem verteld dat de militairen hem zochten.(Ordner IV blz.431) Robby zei dat hij niet wist waarom zij hem zochten. Mijn vader heeft ook nog met Robby gesproken en hem gevraagd of hij wat had gedaan. Robby zei dat hij niets gedaan had en hij zou zich gaan aankleden in afwachting van de militairen. (…)Op 8 december 1982 zijn mijn familie en ik de gehele dag in het ongewisse gebleven over het lot van Robby.” 38) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 30] (weduwe van het slachtoffer, Sohansingh, Somradj Robby) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde RechterCommissaris, d.d. 23 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, blz. 309-310). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende verklaard: “(…) Robby is in de vroege ochtend van 8 december 1982 opgehaald. Hij werd rond 02.00 uur uit bed gebeld door zijn vader, die vertelde dat hij werd gezocht. Robby was niet ongerust. Hij dacht dat het met de zaak te maken had, anders was hij wel gevlucht. Toen kwamen er militairen aan de deur. Het ging heel snel. Ik kan me geen gezichten herinneren. Ik weet niet of Cliff Ganpat erbij was. Ik kende hem niet. Ik hoor u zeggen dat hij medeverdachte is in deze zaak. Mij wordt voorgehouden dat de broer van mijn man, Denny, bij de politie verklaard heeft dat Cliff Ganpat samen met andere militairen bij hem aan de deur is geweest in de nacht van 7 op 8 december 1982 en daarbij gezegd heeft dat hij op zoek was naar Robby. Volgens Denny heeft hij, zich niet van enig kwaad bewust, Ganpat verwezen naar ons adres in de [straat]. Zij 34 kwamen tussen 02.00 en 02.30 uur. Ik stond hen te woord. Het waren 5 of 6 militairen in uniform, ik weet niet wat voor uniform, met Uzi’s. Twee kwamen er binnen. Ze zeiden dat ze mijn man kwamen ophalen, dat het een opdracht was, en dat er (lees “geen”) vragen gesteld moesten worden. Ik heb mijn man zich eerst laten aankleden. Hij is rustig meegegaan. Ze waren niet ruw. Een militair, een Hindoestaan, is mij bijgebleven. Ik mocht geen contact maken met de buitenwereld. Nadat hij ’s ochtends was vertrokken, is mijn vader mij en de kinderen komen ophalen. Ik weet niet hoe hij wist wat er gebeurd was.” 39) Verklaring van [getuige 30] (weduwe van het slachtoffer Sohansingh), afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 02 december 2009, bij welk verhoor zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “(…) Mijn man werkte in 1982 voor het bedrijf van mijn schoonvader. Het was een Transport/constructiebedrijf. (…)In de nacht van 07 op 08 december 1982 zijn ze hem komen halen. Robby deed zijn eigen zaken. Hij vertrok rond 08.00 uur en hij kwam weer thuis rond 17.00 of 18.00 uur. Die bewuste dag was hij naar een feest gegaan. Ik ben niet meegegaan. Ik had gewoon geen zin. Hij kwam tegen middernacht thuis. Mijn man is dus middernacht thuis aangekomen en is naast mij komen liggen in bed. Mijn schoonvader belde hem rond 02.00 uur op en zei: “de militairen zijn hier. Ze zoeken naar jou. Ik heb je adres aan hun doorgegeven.”. Ik luisterde mee naar het gesprek. (…) Nadat Robby had neergelegd vroeg ik aan hem waarom er naar hem werd gezocht en hij zei dat het waarschijnlijk met de uitspraak te maken had. Hij hield mij nog voor, mij geen zorgen te maken. Zijn vader had hem gewaarschuwd. Hij had dus kunnen onderduiken. Als wij het hadden geweten, was dit nooit gebeurd. Na de vraag waren de militairen gelijk thuis bij ons. Ze schoten met losse flodders, ze sloegen op de poort, ze waren heel ruw. Ik zei tegen Robby ga je aankleden, ze zijn je komen halen. Twee van ze zijn op het erf gekomen. Ik vroeg wat er is en ze zeiden: “mevrouw we zijn meneer Sohansingh komen halen om hem te verhoren.”. Ze kwamen in het huis en wilden de telefoonkabels doorsnijden. Ik heb ze beloofd dat ik niet zou bellen. Ze hebben de kabels niet doorgesneden en ik heb ook niet gebeld. Hij heeft zich netjes omgekleed en hij is niets vermoedend meegegaan. Er zijn twee militairen achtergebleven. Eén boven en één beneden. Mijn dochter hoorde geschreeuw beneden. Ze hebben de wachter beneden flink geschopt. Robby is dus meegegaan met de militairen. In de ochtend zijn de twee weggegaan, die waren achtergebleven. Ik heb toen meerdere malen naar het Fort gebeld. Aan mij werd gezegd dat Robby niet daar was en dat ik later zou horen. Ik wilde kleding voor hem brengen. Mijn vader is mij en de kinderen komen halen in de ochtenduren. Ik ben naar mijn ouders toe gegaan en ben daar gebleven aan de [laan]. Dat was in de ochtend van 08 op 09 december 1982.” F. Ten aanzien van de handelingen in Fort Zeelandia 1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 31], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 28 oktober 2000 door de inspecteur van politie 2e klasse, Pierau, Irving Edward (ordner VII, blz. 167-177), in welk proces-verbaal voor zover relevant het volgende is vermeld: “ (…)In de ochtend van 7 op 8 december 1982 ging ik naar bed. Op/of omstreeks 02.30 uur werd mijn slaap ruw onderbroken door iemand die aan de poort ramde. Ik overtuigde me en zag iemand bij de poort staan die kort daarop het erf opliep. Deze persoon herkende ik als de militair RUBEN ROZENDAAL. Ik stond hem vanuit het balkon te woord en vroeg naar de reden van zijn aanwezigheid ter plaatse op dat moment. Zijn reactie was dat de Bevelhebber, BOUTERSE, mij wilde spreken. Ik maakte hem duidelijk dat het moment zeer ongelegen en 35 ongebruikelijk was en ik niet van plan was daaraan gevolg te geven. Hoewel beleefd, maar zeer nadrukkelijk, liet hij mij merken dat ik weinig keus had dan mee te gaan. Ik merkte dat andere militairen zich met zware wapens in hun bezit, op mijn terrein bevonden. Eén hunner zag ik duidelijk de telefoonkabels doorknippen. Mij werd geen toestemming gegeven mij behoorlijk te kleden. Gegeven de dreiging op dat moment, ben ik mee gelopen naar ROZENDAAL naar de auto die daar geparkeerd stond. Van vrijwillig meegaan is er absoluut geen sprake geweest. In de auto trof ik verder aan, de mij eveneens bekende militairen ROY ESAJAS en DIJKSTEEL, terwijl een lichtkleurige militair thuis bij mijn gezin achterbleef. (ordner IIV, blz. 170) In het voertuig was de spanning te snijden. DIJKSTEEL die mij bekend is, zat naast mij en hijgde. Elke poging van mij om te achterhalen wat er gaande was, werd afgedaan met een verwijzing naar hun opdrachtgever BOUTERSE. Ik probeerde bij herhaling de inzittenden aan de praat te krijgen, maar kreeg steeds nul op het request. In het Fort Zeelandia gekomen, trof ik de militairen BHAGWANDAS en BRONDENSTEIN in uniform gekleed. BHAGWANDAS droeg mij op met uitzondering van mijn ondergoed, mijn kledingstukken uit te doen. Ik werd geleid naar een ruimte, open van boven niet voorzien van banken en/of bedden, die mij niet de indruk gaf een cel te zijn. Ik trof verder daar aan de vier advocaten te weten: RIEDEWALD, HOOST, BABOERAM en GONCALVES alsmede de heer KAMPERVEEN. Uitwendig bekeken op dat moment, leek het mij niet dat deze heren waren mishandeld. Wij kregen vanuit het balkon boven, waar er zich een behoorlijk aantal militairen bevond, dat achteraf lijfwachten van BOUTERSE bleek te zijn, op vrij agressieve manier te horen op welke manier wij ons dienden te gedragen, bijvoorbeeld het verbod tot onderlinge communicatie; niet leunen tegen de muur; niet zitten. Naarmate de tijd vorderde, kwamen erbij: CYRIL DAAL, RAMBOCUS, SHEOMBAR, SLAGVEER en later op de middag WIJNGAARDE. Het gelukte mij op een bepaald moment, te fluisteren met CYRIL DAAL die zeer bang was. Dat deden wij door tegen de muur aan voorover gebogen te leunen. Van hem kreeg ik op fluisterende toon het relaas van de wijze waarop hij werd opgehaald en binnengebracht. Hij had deze ervaring nooit eerder opgedaan, hetgeen mij reden gaf hem steeds weer moed in te spreken en hem aan te moedigen tot bidden. Hij voorzag dat wij zouden worden vermoord. Op een gegeven moment werd RAMBOCUS letterlijk naar binnen gegooid. Door zijn aanwezigheid werd het zwijgen verbroken. Hij gaf ons instructies hoe te handelen indien er hand- danwel luchtdruk granaten naar binnen zouden worden gegooid.(ordner VII, blz.. 171). Hij noemde BOUTERSE een lafaard die hij in staat achtte op een laffe manier ons te vermoorden. Hij communiceerde met enkele van de militairen (lijfwachten van BOUTERSE) en maakte de opmerking bereid te zijn het op te nemen tegen BOUTERSE, indien hij, BOUTERSE de moed kon opbrengen om hem een wapen ter hand te stellen en hij zelf er één kon hebben, terwijl de onschuldige burgers naar huis konden worden gestuurd. Een soort tweegevecht met gelijke bewapening. In de loop van de vroege ochtend van 8 december 1982 was het mogelijk BOUTERSE te zien vanuit de ruimte waarin wij ons bevonden. Hij zat namelijk achter zijn bureau met zijn rug naar ons toegekeerd. Omstreeks 06.00 uur hoorde ik een trompet signaal, ik begreep daardoor dat men bezig was de vlag te hijsen. De dag hebben wij in die ruimte zonder voeding en in grote onzekerheid doorgebracht. Een poos na het hijsen van de vlag, werd de deur met kracht opengegooid, waarna enkele zwaargewapende militairen op een hardhandige wijze ertoe overgingen, vijf personenmee te nemen te weten: RAMBOCUS, SHEOMBAR, DAAL, KAMPERVEEN en SLAGVEER. Deze mensen werden gebracht naar de ruimte waar BOUTERSE zich ophield. Wat zich daar voordeed weet ik niet, maar niet lang nadat ze waren meegenomen, hoorde ik duidelijk van dichtbij meerdere repeteer- wapens overgaan. Er werd dus van dichtbij geschoten. (…) De situatie die ontstond, in de ruimte waarin ik mij met de andere overgeblevenen nog steeds bevond, is niet te beschrijven. Het gevoel dat ik kreeg en waarschijnlijk ook de anderen, was te zoeken naar een veilig heenkomen. Niemand had tijd voor een ander. Iedereen gilde en rende 36 in wanhoop. Ik heb wel kunnen registreren, dat BABOERAM met zijn hoofd bonste tot bloedens toe, in een situatie van devotie en bad. Op een gegeven moment werd ik alleen meegenomen naar boven door twee militairen. Dat gebeurde via de binnen trap die leidt naar het vertrek van BOUTERSE, op dezelfde manier waarop (ordner VII, blz. 172) de anderen eerder waren meegenomen. Ik kwam boven aan en trof BOUTERSE aan achter zijn bureau. Hij stond op en ontving mij met de woorden “ZIE JE WAT ER GEBEURT IN HET LAND, RADIOSTATIONS; GEBOUWEN WORDEN IN BRAND GESTOKEN”. Ik had daar niet bepaald aandacht voor en vroeg hem naar het waarom van mijn aanwezigheid ter plaatse onder deze erbarmelijke omstandigheden. Terwijl wij over en weer spraken, hoorde ik iemand de trap op rennen. Dat bleek naderhand BHAGWANDAS te zijn. De discussie had te maken met een afspraak volgens BHAGWANDAS, dat alle aangehoudenen, DERBY inbegrepen, afgemaakt zouden worden. BOUTERSE liet op dat moment zijn gezag gelden en zond BHAGWANDAS resoluut terug naar zijn post. Ik verzocht BOUTERSE mij duidelijk te maken wat ik had misdaan. Een duidelijk antwoord bleef hij mij schuldig. Gedurende dit onderhoud verscheen ROY HORB vanuit een kamer pal tegenover die van BOUTERSE. Ik rende op hem af in een poging om hulp te zoeken. Zijn houding was meer één van verwijten alsof ik om deze behandeling gevraagd had. Van BOUTERSE moesten wij gaan zitten in zijn werkkamer waarbij hij ondermeer duidelijk maakte dat de totale situatie uit de hand was gelopen, radiostations werden in brand gestoken terwijl de brandweer niet mocht optreden. Na enkele andere mededelingen over de totale situatie, werd ik via HORB door twee van zijn medewerkers weer naar beneden gebracht naar de ruimte waar ik vandaan kwam. Op weg naar deze ruimte, zag ik mevr. GEER die toen secretaresse was van BOUTERSE en DICK DE BIE aan de voet van de trap staan. In de loop van de ochtend verdween BOUTERSE uit ons gezichtsveld. Hoe de dag zich verder ontwikkelde in detail is moeilijk aan te geven, maar ik kan mij goed herinneren dat HOOST, die last had van droge lippen naar boven toe riep en vroeg om wat water om zijn dorst te lessen. De reactie die van boven kwam was “WIJ GEVEN GEEN WATER AAN MENSEN DIE WIJ STRAKS DOOD GAAN SCHIETEN, DAT IS VERMORSEN VAN HET WATER.” (ordner VII, blz.. 173). (…) Later op de dag merkten wij dat BOUTERSE terug was in het Fort en plaats nam achter zijn bureau. Dat viel direct op, omdat hij langs de ruimte moest gaan waarin wij ons bevonden. Na terugkeer van BOUTERSE werden BABOERAM en GONCALVES meegenomen en keerden niet terug. Daarna werd HOOST gehaald, maar die keerde wel terug. Hij kon mij influisteren dat hij had aangevoerd bij BOUTERSE plannen te hebben om op heel kort termijn naar het buitenland te gaan, bij zijn zoon die zou afstuderen en des gewenst zijn vertrek kon bespoedigen. Hij had geen bezwaar om zich blijvend in het buitenland te vestigen. (…) In de middag uren, omstreeks 15.00 uur, werd WIJNGAARDE naar binnen gebracht. Daarna, het was in elk geval donker, werd ik weer naar boven gehaald en moest wederom verschijnen voor BOUTERSE. Na, omstreeks 20.00 uur, wederom te zijn geleid voor BOUTERSE gaf hij opdracht om HORB erbij te halen, die zich ook in het Fort bevond. Toen HORB erbij kwam, maakte BOUTERSE hem duidelijk dat hij besloten had om DERBY weg te sturen. Hij vroeg mij naar mijn kledingstukken, waarop ik als antwoord gaf dat ik ze eerder had afgestaan in opdracht van BHAGWANDAS. Hij, BOUTERSE, wees mij een balkon aan achter zijn werkkamer, waar mijn kleding stukken zich zouden bevinden. Op het balkon zag ik de figuren van KAMPERVEEN en SLAGVEER tegen een muur half zittend en half liggend. Ik weet u niet te verklaren of ze in leven waren toen, wij hebben geen woorden met mekaar gewisseld. De situatie was er één van zo gauw mogelijk mijn kleding stukken pakken en vertrekken. Na mijn kleding stukken te hebben gepakt, moest ik terug naar BOUTERSE die met HORB zat. Ik vroeg aan BOUTERSE wat er te doen was met de heren KAMPERVEEN en SLAGVEER. (ordner VII, blz.. 174) Ik wilde weten of ze dood waren. Zijn reactie was dat ik daar geen vragen moest stellen. Hij herhaalde het eerder verhaal, met betrekking tot het gedrag van burgers en de reactie van de militairen. Ik veroorloofde mij om op de valreep nog het verzoek te doen waarbij ik ondermeer aanvoerde dat ik vanwege mijn achtergrond geen mensen in de steek 37 moest laten op kritieke momenten. Ik bedoelde voor vrijlating van het drietal WIJNGAARDE, HOOST en RIEDEWALD, te pleiten dat zich nog in de veel door mij besproken ruimte bevond. BOUTERSE haalde uit zijn borstzak een papiertje waarop kennelijk zich enkele namen bevonden. Hij reageerde door te zeggen “JE BEDOELT WAARSCHIJNLIJK HOOST.” en nog voordat BOUTERSE verder kon lezen, onderbrak HORB hem door de naam HOOST heel nadrukkelijk te herhalen, waaraan hij toevoegde “HOOST, DIE HEBBEN WIJ TOCHAL AFGEWERKT”. BOUTERSE reageerde hierop door het verhaal van HOOST summierlijk aan HORB te vertellen. Daarna werd na onderling overleg tussen het tweetal besloten, dat veiligheidsmannen van HORB, mij thuis zouden afzetten. Nabij de hoofduitgang, kwamen wij tegen DIJKSTEEL, die eerder betrokken was bij mijn aanhouding en LEWIS, beide heel nauwe medewerkers van BOUTERSE. Tegelijkertijd kwamen de heren KROLIS en ALIBUX het Fort binnen. Hun reactie tegenover mij was, dat zij gebeden hadden voor mijn vrijlating en daarover met BOUTERSE hadden gesproken. Het drietal veiligheidsmannen, van Javaanse komaf, dat hoorde bij HORB, vergezelde mij naar huis. In de auto werd er geen woord gewisseld. Thuis aangekomen, omstreeks 21.00 uur, werd ik opgevangen door mijn gezin. (ordner VII, blz. 175)” 2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 31], bij de Rechter-Commissaris d.d. 20 december 2000 in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een proces-verbaal door de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV pag.4). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de RechterCommissaris het volgende verklaard: “(…) Zoals ook uit mijn verklaring blijkt ben ik op een goed moment en wel op 7 december 1982 thuis opgehaald. Ik heb gedetailleerd bij de politie aangegeven hoe het één en ander zich heeft afgespeeld. Om precies te zijn ben ik in de vroege ochtend van 8 december 1982 opgehaald geworden. (…) In de auto heb ik weinig vragen kunnen stellen en de enkele vragen die ik wel gesteld heb kreeg ik kort en bondig te horen dat ik deze moest voorleggen aan de bevelhebber. In het Fort Zeelandia aangekomen werd ik opgehaald door BHAGWANDAS en BRONDENSTEIN. In opdracht van BHAGWANDAS moest ik mijn kleren uittrekken met uitzondering van mijn jocky. Hierna werd ik geleid naar een ruimte. Om U een beeld te geven van hetgeen plaatsvond verklaar ik U dat de auto waarin ik zat naar binnen is gereden en stilgehouden werd in de ruimte binnen het Fort. Aldaar werd ik overgedragen aan BHAGWANDAS en BRONDENSTEIN. (…) Ik denk dat ik tussen drie uur in de ochtend en half vier mij in de ruimte aldaar bevond. Na enige tijd heb ik kunnen merken dat er meerdere personen daar waren. Ik noem U de namen van RIEDEWALD, HOOST, BABOERAM, GONCALVES en KAMPERVEEN. Die waren ook allemaal schaars gekleed. Er werd niet gesproken omdat het verboden was. (…) Na mij zijn er nog vijf mensen binnengebracht. Ik noem U de namen van CYRIL DAAL, SLAGVEER, RAMBOCUS, SHEOMBAR, later op de middag werd de persoon van WIJNGAARDE binnengebracht. Naderhand heb ik begrepen dat er nog vijf andere personen elders waren ingesloten. Ik noem U de namen van RAHMAN, BEHR, OEMRAWSINGH, SOHANSINGH en LECKIE. Deze mensen heb ik niet in het Fort gezien. Naarmate het daglicht werd op 8 december kon ik vanuit de positie waar ik mij bevond de persoon van BOUTERSE, die ik overigens goed kende waarnemen. Hij zat boven en wel met zijn rug naar de richting waar ik mij bevond. Af en toe stond hij op van zijn stoel en kon ik hem ook beter zien. (…) In mijn verklaring bij de politie heb ik aangegeven dat op een goed moment vijf personen hardhandig werden meegenomen naar de ruimte waar BOUTERSE zich bevond. Ik heb zelf kunnen waarnemen op welke wijze dit heeft plaatsgevonden, waarbij ik de mannen hoorde schreeuwen, gillen en huilen. 38 Op Uw uitdrukkelijke vraag of de schoten, die ik hoorde onmiddellijk na het brengen van de vijf mannen naar BOUTERSE toe gehoord heb, wil ik U verklaren dat ik deze schoten gehoord heb na ongeveer een half uur. Op uw vraag hoeveel keren ik naar boven ben gebracht naar de heer BOUTERSE, antwoord ik tweemaal. Op Uw verdere vraag of ik behalve de mannen ook vrouwen ter plaatse heb gezien, antwoord ik U dat ik naar mijn weten mevrouw GEER ter plaatse heb gezien samen met de heer DE BIE. Beide personen waren mij toen ook bekend. Op Uw vraag hoelaat ik op 8 december 1982 voor de eerste keer bij de heer BOUTERSE werd gebracht verklaar ik U zo omstreeks negen of half tien in de morgen. Door BOUTERSE werd mij voorgehouden wat er allemaal gebeurde namelijk dat branden werden gesticht en dat burgers militairen bedreigden. (…) U zult uit mijn verklaring bij de politie hebben gemerkt dat op een goed moment de persoon van BHAGWANDAS in de kamer verscheen en dat hij en BOUTERSE het kennelijk niet eens waren met de procedure die gevolgd moest worden. In ieder geval begreep ik dat afgesproken was, dat iedereen die daar gebracht was afgemaakt zou worden. Nadat BHAGWANDAS uit de kamer was gegaan kwam de persoon van HORB binnen. Ik zocht smekend mijn toevlucht tot de persoon van HORB. Door hem werd ik afgesnauwd. (…) Op Uw vraag of ik heb kunnen merken, dat er in de kamer bij BOUTERSE sprake zou kunnen zijn van een soort raad of tribunaal moet ik U ontkennend antwoorden. Voor mij stond vast dat BOUTERSE de persoon was, die beslissingen nam. Trouwens dit heb ik naderhand ook zelf meegemaakt toen ik voor de tweede keer bij hem moest verschijnen en hij aan HORB die hij liet komen de mededeling deed, dat hij beslist had dat ik wegkon gaan. Ik heb niet gemerkt dat HORB zich verzet heeft tegen deze beslissing. (…) In feite mocht dat niet, doch heb ik toch kenbaar gemaakt dat ik afkomstig ben van plantage Berlijn en dat ik in de ruimte waar ik mij bevond onder andere de persoon van HOOST had achtergelaten. Bij het horen van de naam HOOST maakte HORB de opmerking, dat naar zijn weten HOOST reeds was afgewerkt. In feite vroeg hij of HOOST niet reeds was afgewerkt. Waarop BOUTERSE een stuk papier uit zijn hemdzak tevoorschijn haalde, waarbij hij de opmerking maakte dat hij HOOST had teruggestuurd. Hieruit heb ik aangenomen dat er sprake moet zijn van een lijst waarop verschillende namen stonden opgeschreven. Voor een juist beeld moet U begrijpen dat ik de ene keer ’s morgens bij BOUTERSE ben gebracht en de tweede keer zo omstreeks acht uur half negen ’s avonds. Na zijn mededeling dat ik weg kon gaan, mocht ik van hem ook mijn kleren halen, welke op de gang voor de kamer van BOUTERSE zouden zijn. Tijdens het zoeken van mijn kleren ontdekte ik twee personen die ik herkende als KAMPERVEEN en SLAGVEER. Uit de wijze waarop ik ze daar zag had ik niet de indruk dat zij in leven waren. (…) Ze bevonden zich in ieder geval niet ver van de plaats waar BOUTERSE zat. Ik heb niet horen kermen en nog minder heb ik ze een geluid horen voortbrengen. Nadat ik mijn kleren had gevonden ging ik terug naar de kamer van de heer BOUTERSE, waarbij ik hem de vraag stelde of de twee personen die ik gezien had dood waren. De reactie van BOUTERSE was: je moet geen vragen stellen. Op Uw vraag hoe ik de persoon van BOUTERSE ervaren heb op 8 december 1982, moet ik U zeggen dat hij beheerst en koelbloedig was. Ik kende hem en heb dus niet kunnen merken dat hij onder invloed van alcohol verkeerde. Wat ik wel heb meegemaakt is dat toen ik voor de tweede keer bij hem was en ik weg mocht gaan er whisky is gebracht waarbij hij mij vroeg om iets te drinken. Ik heb kenbaar gemaakt dat ik onder die omstandigheden absoluut geen trek heb ik drank. Hij heeftvoor zichzelf en HORB ingeschonken. Bij het verlaten van het Fort ben ik de personen van KROLIS en ALIBUX tegengekomen nabij de ingang (..) Toen ik het Fort verliet in de avond van 8 december 1982 heb ik de personen van HOOST, RIEDEWALD en WIJNGAARDE achtergelaten. 39 (…) Voordat ik voor de tweede keer naar boven werd gebracht waren BABOERAM en GONCALVES afgevoerd en hoorde ik na enige tijd soortgelijke schoten als wat ik eerder had gehoord. (…) Ik heb absoluut niet meegemaakt dat door de mensen die daar opgesloten waren pogingen ondernomen werden om te vluchten. Alles dat daar gebeurde bestond uit het huilen, jammeren, smeken en bidden.”. 3) Verklaring van [getuige 32], afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 13 mei 2010, op welke terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “(…) Ik was ongeveer 17 jaar oud, omstreeks de 8 december gebeurtenissen. Ik kan mij bepaalde details nog heugen. Ik zat destijds in een examenklas. (…) Ik zat omstreeks 01.00 uur in de nacht te studeren toen mijn vader thuis kwam. Ik heb de deur voor hem opengedaan. Hij zou warm eten. Voor de hele dag was hij nu pas thuis. Mijn moeder is omstreeks 22.30-23.00 uur gaan slapen. Plotseling hoorde ik dat iemand met de handle van de poort hard sloeg erop. Ik heb toen het gordijn op een kiertje gedaan en zei: “ja!”. Iemand vroeg of meneer Derby er was. Ik zei: “Hij slaapt” Het was een creoolse man, niet al te donker, lichter dan mij, robuust en in burger gekleed. Ik zag ook een donker groene militaire jeep. Ik heb zelf gehoord toen de man zei: “Oom Fred, na mie Rozie; Bevelhebber ab ie fanodoe.”. Er was nog een andere man aanwezig, maar ik kan hem niet beschrijven. Hij was in militair tenue. Zijn uiterlijk kan ik niet beschrijven, maar hij was degene die de telefoonkabel doorknipte. De naam Rozendaal had ik voor het eerst gehoord. Mijn vader had toen geprotesteerd. Hij vond het niet gepast. Die man Rozendaal noemde mijn vader oom Fred. Mijn vader vroeg hem nog waarom het op zo een tijdstip moest en of het niet de volgende dag kon. Rozendaal zei dat het een bevel was. Mijn vader had een bruine broek en een bruine trui aan. Ik zocht de slipper van mijn vader. Rozendaal zei dat mijn vader op blote voeten mee kon gaan. Ik gooide op een gegeven moment mijn badslippers voor mijn vader. Ik weet nog dat het groene badslippers waren. Mijn vader had maat 41 en ik maat 39. Mijn vader had grote voeten. Die twee andere militairen heb ik wel gezien, maar hun uiterlijk kan ik niet beschrijven. Mijn vader heeft helemaal niets meer tegen ons gezegd. De militair die bij ons gebleven was, was van een gemengd type. Onze telefoon was onbruikbaar. Mijn moeder werd op een ruwe manier door die militair aangesproken. We moesten in de woonkamer in het donker blijven. Op een gegeven moment kwam Eddy Daal bij ons thuis. De militair zei nog tegen hem: “je bent zeker gekomen om Derby een tip te geven, maar hij is al weg.”. Wij mochten niet naar het toilet. Mijn moeder had een aantal keren gevraagd, maar de militair heeft steeds geweigerd. Ook meneer Adema was aan de poort, maar hij werd gesommeerd weg te gaan. (…) Via de televisie werd militaire marsmuziek vertoond. Op de STVS werd dat vertoond. Op een gegeven ogenblik verscheen het bericht dat Bouterse een verklaring zou afleggen met betrekking tot hetgeen had plaatsgevonden in de avonduren met de aangehouden personen. Mijn vader hoorde daar ook bij. Bouterse had verklaard dat de aangehouden personen een vluchtpoging hadden ondernomen en dat zij bij die gelegenheid waren neergeschoten en dat ze waren overleden. Toen wij als familieleden dat hoorden ontstond er paniek. Mijn moeder begon te gillen, alsook mijn zusjes. Kort hierna hoorden wij een auto stoppen. Mijn vader kwam op blote voeten terug. Hierna was mijn vader totaal veranderd. Kapot en gebroken zat hij op de vloer naar ons te staren. Het leek alsof hij dwars door iedereen keek. Hij was in een shock toestand. Het was de eerste keer dat ik mijn vader heb zien huilen. Het klopt, hij zei: “ze hebben mensen dood geschoten en ik heb gevraagd om mensen die ik daar heb achtergelaten, waaronder Hoost, vrij te laten.”. 40 4) Proces-verbaal d.d. 07 augustus 2001, betreffende het nader verhoor van [persoon 10] door de Rechter-Commissaris in het kader van het GVO (ordner I, blz. 412 – 415), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: (…)Op 8 december 1982 omstreeks 11.00 uur in de morgen kregen wij het bericht om ons te begeven naar het Fort Zeelandia met een cameraploeg. Ik weet niet precies van wie de opdracht gekomen is. Ik vermoed wel dat deze opdracht van BOUTERSE afkomstig moet zijn. Nadat ik contact had gemaakt met de heer PINAS, die ook bij de NVD werkte, zijn wij samen met een televisieploeg naar het Fort Zeelandia gegaan. In het Fort aangekomen hebben wij enige tijd op het pleintje staan wachten. Naderhand werd ik door de secretaresse van de heer BOUTERSE, mevrouw GEER naar binnen geroepen en zat ik enige tijd bij het bureau van mevrouw GEER. Ik wist dat het kantoor van de heer BOUTERSE zich boven bevond, omdat zoals eerder verklaard ik uit hoofde van mijn functie vaker daar kwam. Op een goed moment zag ik de heer DERBY gekleed in een onderbroek de trap afkomen. In de kamer van BOUTERSE aangekomen kan ik mij thans niet herinneren of de heer BOUTERSE in de kamer was. Wat ik wel zeker weet is dat zowel HORB als BOUTERSE zich op een goed moment in de ruimte bevonden. Voorzover ik mij kan herinneren zijn de heer BOUTERSE, HORB, KAMPERVEEN en SLAGVEER één voor één de kamer binnengekomen. Ik weet niet of de heer BOUTERSE en de heer HORB één voor één binnen zijn gekomen. Ik heb aan de kleding van KAMPERVEEN en SLAGVEER niets bijzonders kunnen merken.” 5) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 11] d.d. 04 juni 2001, welk proces-verbaalop ambtseed is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Vermeer, Letitia Marlene (Ordner III, blz. 77-80), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld: “(…)Ik kan mij nog heel goed herinneren dat mijn directe chef, meneer Blik, op 08 december 1982, omstreeks 08.00 uur, telefonisch de opdracht kreeg om een filmploeg naar het kantoor van meneer Bouterse in het Fort Zeelandia te dirigeren. Mijn chef, meneer Blik en ik gingen ter plaatse. Op Fort Zeelandia aangekomen meldden wij ons bij de wacht aan, die een militair aanwees om ons naar het kantoor van de bevelhebber Desi Bouterse te begeleiden. Wie de militair was, weet ik thans niet meer. Wij werden gebracht naar een kantoorruimte, die zich bevond in het eerste gebouw aan de rechterkant bekeken vanuit de richting van de hoofdingang naast de Militaire Politie. De kantoorruimte bevond zich op de bovenverdieping van dit gebouw. Wij moesten via de stenentrap naar boven lopen. Terwijl wij de camera’s op de door Bouterse aangewezen plaats opstelden, liep Bouterse heen en weer. Op een gegeven moment stapte majoor Horb binnen en kreeg hij van Bouterse de opdracht: “HAAL DE MAN”. Na een poosje kwam majoor Horb terug met meneer Kamperveen die op een sofa moest plaatsnemen. Vervolgens pakte majoor Horb een vel papier van het bureau van meneer Bouterse en terwijl hij het woord “lees” zei gaf hij het vel papier aan meneer Kamperveen. Hierna zei Horb: “S.T.V.S. filmen.”. Nadat meneer Blik, meneer Kamperveen de juiste leeshouding had laten aannemen, moest ik de filmopname maken. Nadat meneer Kamperveen de verklaring had voorgelezen vroeg Horb aan ons of wij een goede filmopname hadden gemaakt. Ondanks onze positieve reactie, gaf Horb het stuk wederom aan meneer Kamperveen om het opnieuw te lezen zodat ik de filmopname opnieuw moest maken. Na afloop zei Bouterse aan majoor Horb, dat hij meneer Kamperveen moest afvoeren en die andere man moest halen. Ook toen duurde het geruime tijd voordat hij met de andere man terugkwam die de journalist Slagveer bleek te zijn. Ook hij moest deze zelfde verklaring voorlezen waarin hij verklaarde, dat hij samen met anderen van plan was om een tegencoup tegen de militaire machthebbers te plegen. Zijn verklaring werd een keer opgenomen en hoefde niet opnieuw 41 gefilmd te worden, omdat hij vlotter was dan meneer Kamperveen en vermoedde ik dat Bouterse en Horb tevreden waren met de manier waarop Slagveer de verklaring had voorgelezen. Op uw vraag verklaar ik, dat Bouterse aan Horb de opdracht gaf om Kamperveen en Slagveer naar zijn kantoor te brengen, terwijl Horb aan hun de opdracht gaf om de verklaring te lezen terwijl wij ons met de filmopname moesten bezighouden. Deze opnamen werden op een tijdstip tussen 08.30 uur en 10.00 uur opgenomen.” 6) Verklaring van [getuige 33], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 01 december 2009, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “Ik herken dit beeldmateriaal. Ik was samen met Kioe A Sen, een geluidsman genaamd Robby Kanhai en een andere man van wie ik mij de naam niet kan herinneren. (…) De Bie is met de opdracht gekomen. Hij zei: “Blik, de bevelhebber vraagt naar een ploeg om naar het Fort te gaan.”. Ik ben zelf meegegaan, want ik had een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Ik had een heel benauwd gevoel. Ik vond dat ik zelf de verantwoordelijkheid moest nemen. De opname is tussen 08.00 en 12.00 uur geweest. Het was op 08 december 1982, de dag nadat de mensen waren opgepakt. Je hoorde ervan op straat, in het nieuws etcetera. Ik ben er geweest met Kioe A Sen en twee assistenten. Bhagwandas heeft de poort opengedaan. We waren op het kantoor van Bouterse. Tijdens het opstellen van de camera’s bespraken Bouterse en Horb iets met elkaar. Er was een tweezitsbankstel in de kamer, geloof ik. Ik heb het zelf meegemaakt dat Horb met Kamperveen kwam. We hebben onze camera’s gefixeerd op de sofa. Er waren meerdere mensen daar, maar ik weet niet wie dat waren. Ik weet ook niet of ze gewapend waren. Bouterse gaf de brief aan Kamperveen en zei: “lees”.” 7) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de (mede)verdachte [getuige 34], d.d. 13 november 2000, van welk verhoor het proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door de eerste luitenant der Militaire Politie, Ristie Tjark Eugene (Ordner I, blz. 218-224), waarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “(…) In het jaar 1982 was ik ingedeeld bij de Veiligheidsdienst en was mijn functie chef van de veiligheidsunit van de heer Bouterse, die toen bevelhebber van het Nationaal Leger was. Mijn werkzaamheden bestonden eruit dat ik belast was met de coördinatie van de beveiliging van de heer Bouterse. In de maand december 1982, de juiste dag en datum kan ik mij thans niet meer heugen, in ieder geval moet het voor 7 december 1982 zijn geweest werd het leger in staat van paraatheid gebracht. Dit geschiedde naar aanleiding van de situatie in het land. Mijn unit werd toen tezamen met andere diensten ondergebracht in het Fort Zeelandia. Wij werden toen geconsigneerd, hetgeen betekent dat iedereen binnensliep. Niemand mocht meer naar huis. De totale legerleiding had ook zijn intrek genomen in het Fort Zeelandia van waaruit het heel leger toen werd geredigeerd. Als algemeen commandant van de Veiligheidsdienst fungeerde toen de luitenant Bhagwandas. De opdrachten die in die periode werden gegeven kwamen van Bhagwandas. Hij gaf zijn opdrachten aan de onderofficieren van de veiligheidsdienst waaronder de heer Rozendaal, hij was toen militair. (..) (…)De opdrachten die werden uitgevoerd kwamen van de militaire leiding. Nagenoeg iedereen uit de groep van zestien bevond zich in deze periode in het Fort Zeelandia. In de nacht van 8 december 1982 bevond ik mij in het Fort Zeelandia. Om precies te zijn bevond ik mij in één van de ruimtes op de begane grond. Ik lag daar tezamen met anderen te slapen. Ik kan u thans geen exacte tijdstippen doorgeven doch plotseling schrok ik wakker omdat er in het Fort werd geschoten. Het betrof in deze automatische wapens. Aan de hand 42 van mijn ervaring kon ik opmaken dat er met Uzi’s werd geschoten. Ik hoorde ook mensen gillen. De schoten en het gegil kwamen van één van de kamers op de bovenste verdieping bastions, open ruimtes, zijn en als ik het goed heb kwamen de schoten vandaar. (…) Samen met de andere militairen ben ik beneden gebleven. Het schieten duurde met tussenpozen ongeveer een uur. Wat er exact daarboven gebeurde wist ik niet.(…) In de vroege ochtend, de zon kwam al op, begaf ik mij vergezeld van enkele andere militairen naar boven en op de grond van één van de bastions zag ik enkele personen dwars door elkaar liggen. Deze mensen vertoonden op dat moment geen tekenen meer van leven. Dit was het moment dat ik mij ontstemd voelde omdat het geen leuk gezicht is om mensen zo dood te zien liggen. De lijken van deze personen vertoonden schotverwondingen. Zij lagen over elkaar. Ik heb niet veel bloed op de grond zien liggen. De meeste van de mensen die daar lagen kende ik niet. Op de grond zag ik ook heel wat hulzen liggen van het kaliber 9mm. Tentijde ik daar boven was, was er niemand van de Legerleiding daar boven. (…) Voorheen droeg ik er geen kennis van dat deze mensen in koelen bloede zouden worden neergeschoten. Als ik dit had geweten had ik misschien niet geparticipeerd in deze actie. Ik kan niet zeggen dat ik niet was meegegaan omdat mijn leven dan misschien in gevaar was gekomen. De Legerleiding van toen accepteerde geen weigering van dienstbevelen. Later op de dag werden de lijken in lijkzakken geplaatst en uit het Fort gereden. De personen die hiermee belast werden waren van de Militaire Geneeskundige Dienst.” 8) Proces-verbaal d.d. 12 juni 2001, betreffende het verhoor van de (mede)verdachte [getuige 34], door de Rechter-Commissaris in het kader van het GVO (ordner I, blz.. 319- 323),waarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “Mijn taak bestond specifiek in het beschermen van de persoon van BOUTERSE. Vanwege mijn functie is het begrijpelijk dat ik zijn vertrouwensman was. Op uw vraag wie ik aanduid als legerleiding van toen noem ik u de namen van BOUTERSE, HORB, BHAGWANDAS, SITAL en nog anderen van wie ik de namen niet meer weet. Het is mij inderdaad bekend dat in het jaar 1982 er sprake was van sociale onrust in het land. Er waren duidelijke spanningen binnen bepaalde maatschappelijke groeperingen. Het is begrijpelijk dat de toenmalige legerleiding zich voorbereidde op een aantal mogelijke gebeurtenissen. (ordner I, blz. 320) (…) Ik weet niet wat de reden is geweest van het ophalen van bepaalde personen. Op uw vraag of de heer KAMPERVEEN nog vragen gesteld heeft toen hij in de auto plaatsgenomen heeft, moet ik antwoorden dat hij wel wilde weten wat het allemaal te betekenen had. In het Fort Zeelandia aangekomen zijn wij naar binnen gereden en is de heer KAMPERVEEN overgedragen aan de heer BHAGWANDAS. Ik kan u niet exact aangeven op welk tijdstip en op welke dag de heer KAMPERVEEN is opgehaald. Wat ik wel weet is dat hij door de heer BHAGWANDAS naar boven is geleid, alwaar vrijwel de totale legerleiding zich bevond. Nadat de heren KAMPERVEEN en DERBY waren binnengebracht heb ik het Fort Zeelandia niet meer verlaten. Op uw vraag wat ik allemaal heb meegemaakt verklaar ik dat ik gezien heb dat de heer KAMPERVEEN en DERBY na enige tijd naar beneden zijn gebracht en in een cel zijn opgesloten. Deze procedure heeft ook plaatsgevonden bij andere personen die binnen werden gebracht. Op uw vraag wat ik verder heb meegemaakt terwijl ik mij daar bevond. Ten aanzien hiervan kan ik u verklaren dat ik mij op een goed moment ter ruste heb begeven en wakker ben geschrokken van schoten die ik hoorde. De schoten waren van boven afkomstig. Een collega van mij die ter plaatse was deelde mij mede dat ik niet naar boven moest gaan omdat BAKKI doelende op BHAGWANDAS bezig zou zijn op de mensen die binnen waren gebracht te schieten. (…) Het schieten heeft geduurd tot de ochtend. Weliswaar met tussenpozen. 43 Voorzover ik heb kunnen uitmaken werd er uit automatische vuurwapens geschoten.(ordner I, blz.. 321). Op uw vraag wat ik nog meer heb meegemaakt, behalve de schoten, verklaar ik u, dat ik duidelijk kon uitmaken dat er meerdere personen boven waren en hoorde ik o.a. “ Joengo me begi, oen no keri mi”. Ik heb de stem niet kunnen herkennen. In feite hoorde ik de mensen steeds jammeren en verzoeken. U vraagt mij wie allemaal in het Fort Zeelandia van de groep van 16 in die periode aanwezig waren. Hierop verklaar ik u dat naar mijn weten de hele groep van 16 daar aanwezig was. Ik weet vrijwel zeker dat DENDOE er ook bij was, evenals BRONDENSTEIN, HARDJOPRAJITNO en GEFFERIE. Het was in feite een komen en gaan van leden van de groep van 16. Ze onderhielden zich respectievelijk met BHAGWANDAS en BOUTERSE. (…) Op uw vraag of ik na het schieten nog contact heb gehad met de heer BOUTERSE antwoord ik bevestigend, doch heb ik hem echter niets gevraagd. Ik heb ook geen andere instructies gehad. Zoals in mijn verklaring bij de militaire politie tot uitdrukking is gebracht heb ik de lijken gezien.(ordner I, blz. 322) (…) Ik moet beamen dat ik ook heb deelgenomen aan het ophalen van personen die naderhand van het leven zijn beroofd. Ik wil wel eraantoevoegen dat ook al zou ik niet hebben meegedaan, zij toch zouden worden opgehaald.(ordner I, blz. 323) 9) Verklaring van [getuige 34], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 19 november 2010, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard: “(…) De mensen werden twee aan twee begeleid naar boven. Ik denk dat ze voor Bhagwandas, Bouterse of Majoor Horb moesten verschijnen. Ja, Bouterse was overdag wel in het Fort. Kamperveen en Derby werden naar boven gebracht. Ik dacht wel dat Bouterse toen in het Fort was. (…) Ik ben wel verplicht te gaan en opdrachten uit te voeren voor degenen voor wie ik werkte, namelijk Bouterse. (…) Ik heb die drie personen die trap zien opgaan. Ze gingen via het kantoor van Geer naar boven. De Bevelhebber hield kantoor daarboven. Op die bewuste dag waren ze samen, namelijk Bouterse, Bhagwandas en Horb. Uiteindelijk heb ik de lijken gezien op 15 tot 20 meters afstand van het kantoor van de Bevelhebber. Indien de Bevelhebber op die dag op kantoor zou zijn, zou hij zeker de schoten gehoord moeten hebben. (…) Ik moest in het Fort zijn, dat was de opdracht. Mijn baas ging naar het Fort en ik moest hem begeleiden. Daarna was er alarm. Alarm hield in dat we standby moesten zijn voor wat er komen moest. Ik was in het Fort Zeelandia standby. Ik heb hem vrijwel de hele dag gezien, van ’s morgens tot de vooravond 19.00 uur. Overdag was de taak ondermeer object en subject beveiligen. In die tijd kon Bhagwandas zelf opdrachten geven en naderhand hoorde de Bevelhebber dat. (…) Ik was de coördinator van de veiligheidsmannen en ook veiligheidsman van Bouterse zelf. Op 7 en 8 december 1982 was de hele groep in het Fort. De Echo Compagnie, de Beveiliging en de Wapenkamer waren geconsigneerd. (…) Rozendaal wees aan wie mee moest. Er waren meerdere militairen die de burgers gingen ophalen. Ik denk dat het op 7 december 1982 moet zijn geweest omstreeks 18.00 uur of 19.00 uur. Ik heb gegrepen dat er andere groepen waren die andere mensen moesten ophalen. Toen we aankwamen waren er nog geen andere burgers in het Fort. We hebben Kamperveen en Derby overgedragen aan Bhagwandas op de begane grond in de buurt waar de secretaresse mevrouw Geer zat. Ik zat in dat gedeelte waar de beveiligingswerkzaamheden plaatsvonden. 44 (…) Op 9 december 1982 was Bouterse overdag wel in het Fort. Op 9 december 1982 heb ik contact gehad met Bouterse. Die lijken heb ik op 9 december 1982 omstreeks 07.00 – 07.30 uur in de morgen gezien. Ik had Bouterse toen niet gezien. Ik was coördinator van de Beveiliging. (…) Ik heb ‘s morgens lijken zien afvoeren. Het was toen nog schemerig. Ik vroeg mij af wat de drijfveer was. Ik heb een pick-up gezien. De lijken waren in bodybags. Een tenthelft is een dekzeil voor iemand. Dat gebruiken wij in de jungle. Bodybags hebben een rits. Ik heb niet gezien wie de pick-up heeft weggereden.” 10) Verklaring van [getuige 35] afgelegd bij de Rechter-Commissaris d.d. 15 december 2002, van welke verklaring een proces-verbaal is opgemaakt. Daarin staat voor zover relevant het volgende vermeld: “ (…) Zoals ik heb verklaard ben ik op 8 december 1982 normaal aan het werk gegaan. Op een goed moment op 8 december 1982 in de morgenuren moest ik mij in opdracht van Rozendaal aanmelden bij Bhagwandas. Ik vond dat iedereen een agressieve houding uitstraalde. Zoals ik in mijn verklaring heb aangegeven had ik tegen 9.30 uur in de ochtend toen ik mij samen met anderen bij de put van het Fort Zeelandia bevond schoten gehoord. Ik ben niet lang gebleven in het kantoor van Bouterse. Ik moest mij van Horb begeven naar de zolder. De getuige geeft een beschrijving van de houten verhoging. (..) Ik heb in mijn verklaring gezegd dat het ging om lijken van Rambocus en Sheombar. Beide lagen met hun hoofd naar de rivierzijde. De twee mensen lagen op hun rug. De lijken waren bebloed. (…) Voor zover ik weet heeft iedereen geschoten. Van de zestien personen die zich daar bevonden hebben allemaal geschoten op de twee personen. Ik maakte deel uit van de staande groep. …”. 11) Verklaring van [getuige 35] afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 23 januari 2009, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “(…)Ik was op 8 december 1982 wel aanwezig in het Fort Zeelandia en wel van 07.00 uur ’s morgens tot 18.00 uur. Ik was de veiligheidsagent van Majoor Horb. Bij het ochtendappel was ik er niet. Ik was werkzaam bij het Garnizoenscommando. Ik moest me aanmelden bij majoor Horb. Op die bewuste dag gaf Rozendaal mij door dat ik mij moest aanmelden bij Bhagwandas. Bhagwandas verwees mij door naar de zolder. (…) Bouterse was in zijn kabinet. Op dat moment waren er leden van de groep van 16 in die ruimte. De namen waren: Bouterse, Horb, Dendoe, Geffery, Bhagwandas, Rozendaal, Zeeuw, Sital, Hardjoprajitno. Die negen mensen waren in die ruimte. Tegen 09.30 uur hoorde ik schoten aan de rivierzijde. Ik vroeg aan de commandant Naim wat er gaande was. Hij zei toen: “Hou je rustig”. Ik kan mij eigenlijk niet meer herinneren of de hele groep van 16 er was. (…) Ik maakte het venster open, omdat het te donker was op die zolder. Ik zag toen twee lijken. Het waren die van Sheombar en Rambocus. Ik zag schotverwondingen aan de onderbenen. Horb en Kamperveen kwamen naar boven. Kamperveen moest een verklaring afleggen. Hij was bevreesd. Hij huilde en maakte een gebroken indruk. Kamperveen had geen bril op. Hij had een korte broek aan en had een bloot bovenlijf. Horb zei: “begin te schrijven.”. Hij schreef iets over een coup vanuit de Franse kant. Hierna zijn wij samen naar beneden gegaan. Ik kreeg de opdracht van Bhagwandas om buiten te wachten. Daarna zag ik Baboeram. Maar het moest Hoost of Riedewald zijn die ik ook zag. Bhagwandas zei: “ding man disie ow njang ai.”. Soema no soetoe ow ka”. Derby was er toen ook bij. Baboeram en Riedewald of Hoost zijn ook geëxecuteerd. (…) Alle 16 mannen hebben geschoten op Riedewald en Baboeram. Ik heb de opdracht om te schieten van Bhagwandas gehad. 45 Goedhart was de veiligheidsman van Bouterse. Hij alleen heeft op Daal geschoten. Bouterse was de bevelhebber. De opdrachten kwamen toen van hem. (…)Over periode 8 december 1982 kan ik het volgende zeggen. Horb woonde op het complex dichtbij het park. Ik ben gearriveerd in die morgen op mijn bromfiets. Ik moest mij aanmelden. Dat was de procedure. Horb was reeds in het Fort. Ik ben naar het Fort gereden. Er waren alleen militairen van de Echo Compagnie. Ik moest mij aanmelden bij de wacht. Ik ging direct naar binnen. Ik kreeg die morgen het idee alsof er iets niet in orde was. Collega’s hebben mij gezegd wat er zoal gaande was. We hoorden schoten. Iedereen vroeg mekaar “san psa”. We moesten ons rustig houden. Ik heb leden van de groep van 16 gezien. Er was geen andere kamer waar Bouterse en Bhagwandas waren. Dat was het kabinet. Het was vòòr half tien ’s morgens. Ik kreeg de opdracht van Bhagwandas. Ik mocht opdrachten krijgen van Bhagwandas alhoewel Horb mijn chef was. Bouterse, Horb en Bhagwandas waren verspreid in die kamer. Het was het kantoor van Bouterse. Ik heb Bouterse ook daar gezien. Ik heb Bouterse, Bhagwandas en Horb niet samen gezien na die schoten. Toen Bhagwandas mij zei dat ik mij moest opstellen, was Bouterse nog in zijn kabinet. Die twee lijken lagen nog daar op de grond. We waren met zestien personen opgesteld. Hierna moesten wij terug naar het huis van Horb. Het was in opdracht van Horb. We moesten wachten op zijn orders tot voor zes uur. We moesten toen terug naar het Fort. Ik was samen met Chotkan en Tanoesemito. We moesten Derby terug naar huis brengen. Ik hoorde Derby praten. Hij was blij. Hij wilde ons een drankje aanbieden, maar wij hebben het niet aangenomen. We waren toen geconsigneerd, dus moesten we teug naar het Fort. We moesten onze wapens inleveren. Ons werd gezegd dat er een oefening gehouden zou worden in de nachtelijke uren. Er zouden schoten gelost worden. We wisten niet of de oefeningen met scherp waren of als het losse flodders waren. Hij zei dat we moesten blijven liggen op de grond uit veiligheid, we mochten niet op de bedden liggen. Tegen 02.00 uur hoorden we schoten. (…) Ik hoorde omstreeks 02.00 uur ’s nachts een half uur lang schoten vanuit de richting van het Fort. Er werd geschoten in het Fort. Het waren angstige momenten. ’s Morgens zag ik een Isuzu pick-up met een dekzeil. (…) Ik maakte op zolder het raam open en ik zag de twee lijken. Horb is toen met Kamperveen naar boven gekomen. Daarna ben ik naar beneden gegaan. Bouterse was er toen nog. Ik heb toen meegedaan aan de executies van Riedewald en Baboeram. Ik had het over Daal. Toen waren het vijf mensen die om het leven werden gebracht. Toen ik wegging naar het huis van Horb was Bouterse nog in het Fort. (…) Ik was in het Fort tussen 09.30 uur en 18.00 uur. Tussen 09.15 en 15.00 uur was Bouterse wel daar. Tegen 15.00 of 16.00 uur ben ik weggegaan. Toen was Bouterse nog daar. Toen zijn vijf personen om het leven gebracht. Die vijftien mannen die waren opgesloten in een driehoek. Er moest een deur zijn geweest in die driehoek. Bij de trap moest er een deur zijn geweest naar kamer no. 4 en via de trap kon je naar boven. Ik zag toen dat Daal van de zuilen trap naar boven kwam. Uit de kamer van Bouterse heb ik ze niet zien gaan naar het bastion. Toen Bhagwandas de opdracht gaf om te schieten was er een vuurpeleton. Iedereen moest tegelijk vuren. Toen de opdracht van vuren kwam, was Bouterse in zijn kamer. De afstand tussen Bhagwandas en die kamer was 10 tot 15 meters.” 12) Proces-verbaal van de gerechtelijke plaatswaarneming in het Fort Zeelandia d.d. 23 maart 2012, waarbij [getuige 35], ter plekke de volgende verklaring heeft afgelegd: “Ik kwam op die ochtend van 8 december 1982 in het fort aan. Ik ging naar de ruimte waar de telefooncentrale van de Echo compagnie was. De militair Rozendaal kwam naar beneden via de 46 trap en gaf aan dat ik mij moest aanmelden. (…) Toen ik naar boven ging trof ik Kamperveen aan in de ruimte. Hij zat hier met Horb. Ik maakte het raam open en ging op de balustrade zitten. Toen ik naar buiten keek had ik een overzicht op Bastion Veere en zag daar 2 lijken. Het waren de lijken van Sheombar en Rambocus ( [getuige 35] wijst de plek aan waar Kamperveen op zijn buik lag.) Hij was bezig te schrijven. Het schrijven ging moeizaam omdat hij zijn bril niet bij zich had. Toen ik boven kwam in de ruimte en de lijken zag, had ik al de schoten gehoord. Het was op 8 december 1982 in de ochtend uren. Ik moest toen niet schieten. De lijken lagen met kogelgaten en bloed op Bastion Veere. Ik was bij de waterput beneden toen ik de schoten hoorde. Er is met een uzi geschoten. Toen ik in het vuurpeleton was toen heb ik wel geschoten. Bhagwandas en Dendoe waren buiten voor het vuurpeleton. Dendoe stond achter het vuurpeleton. Langs de muur van het Fort was er een talud waarop de wacht kon lopen. De mensen zaten op de talud toen ze werden beschoten. Ik moest op Baboeram schieten. Dijksteel stond achter mij. Goedhart schoot op Daal. Daal liep om te gaan zitten en voordat hij ging zitten werd er op hem geschoten. (…) De mensen zaten met hun rug naar de rivier op de talud. Ik dacht aan mezelf, als ik het niet doe ga ik eraan. Ik heb geschoten op Baboeram en Riedewald. De rest van de personen is waarschijnlijk in de nacht doodgeschoten. Toen er werd geschoten hebben de anderen gegild. Ik was boven en Horb ook. Ik moest mij aanmelden bij Bhagwandas. Bouterse was er ook bij. Hij zat nog in zijn kabinet. (…) Het schieten heeft ongeveer 5 minuten geduurd. Het was ongeveer tussen half 10 en 10 uur. (…) Bij het afschieten gaan de hulzen omhoog. Ik heb mij niet vergist. Hij was erbij. (…)Ik heb die pick up op 9 december 1982 gezien.” [getuige 35] wijst aan waar de uitgang is en waar hij de pick-up heeft gezien. [getuige 35] wijst aan de driehoek waar hij Derby en anderen heeft gezien bij Bastion Zierikzee. 12) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 36] d.d. 06 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de 1e luitenant van de Militaire Politie te Suriname, Tjark Ristie, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de rechercheurs van politie, Oscar Jerome Linger en Lambertus Henzen, (Ordner IV, blz.. 415 – 419), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “(…)Onno FLOHR kwam toen in de ochtend bij mij en huilde. Hij vertelde mij dat hij iemand heeft moeten schieten. Ik had de indruk dat het absoluut niet vrijwillig was. Hij was nogal overstuur. Hij vertelde mij dat de man wie hij had neergeschoten om zijn leven had gesmeekt. Hij heeft hem neergeschoten met een UZI. Een Israëlisch pistoolmitrailleur. Hij wist dat de man die hij neergeschoten heeft een Hindoestaan was. Het wapen, de UZI, was van één van de mensen van Bouterse. Verder heeft hij niets verteld, ook niet in wiens opdracht. (…) Horb heeft mij toen uitgelegd dat alle opgepakte mensen zijn doodgeschoten. Hij heeft geen namen genoemd en heeft verder niet verteld waarom. Hij vertelde me wel dat hij het er niet mee eens was, hij was boos op Bouterse. Hij gaf duidelijk aan dat Bouterse de opdracht had gegeven om de mensen dood te schieten. Hij wilde wel dat de mensen opgepakt werden maar niet dat ze doodgeschoten werden. Ik ben ’s avonds 8 december 1982 bij Horb gebleven. Ik was geconsigneerd. Ik weet me te herinneren dat Horb de hele avond is thuis gebleven. Horb 47 vertelde me ook dat hij niets had kunnen zeggen tegen Bouterse omdat hij anders ook was doodgeschoten. (Ordner IV blz. 417) (…) U toont mij nu de foto’s van een aantal lijfwachten van Bouterse. Ik herken hiervan de volgende personen: LEWIS DIJKSTEEL KEMPES Hofmeester MOESLIKHAN (Ordner IV blz.417) (…) Van de mannen die ik u net genoemd heb weet ik zeker dat ik ze ten tijde van de 8e december 1982 in en rondom het Fort Zeelandia heb gezien. (Ordner IV blz. 418)”(Ordner IV blz. 418) 13) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 37] d.d. 10 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de onder inspecteur van politie te Suriname, Ruben B. Dijks, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagenten/rechercheurs van politie, Lambertus Henzen en Jerome Oscar Linger,(Ordner IV, blz. 421 – 425), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen: “(…) In de periode voor december 1982 merkte ik wel dat er spanningen waren in Suriname. De sfeer was gespannen. Op een gegeven moment, ik weet geen datum meer, was ik aan het werk in de woning van Horb. De woning van Horb lag tegen het Fort Zeelandia aan. Op een gegeven moment werd Horb gebeld door Bouterse, dit zal in de ochtend voor twaalf uur, zijn geweest. Ik stond op dat moment vlak bij Horb in de buurt en ik kon merken dat het Bouterse moet zijn geweest. Ik hoorde dat aan de manier van praten van Horb. Er werd gesproken dat Horb zich meteen moest melden bij Bouterse. Ik kon merken dat Horb kwaad was, hij was aan het schelden. Na dit gesprek zei Horb ons dat we ons klaar moesten maken om naar het Fort te gaan. Dit hebben we gedaan en we zijn met iedereen die aanwezig was naar het Fort Zeelandia gegaan. Daar aangekomen zag ik dat er, voor mij onbekenden, in een put zaten. Deze put zat in het Fort zelf. Je kon er vanaf boven in kijken, het was een open ruimte. Op dat moment zaten er ongeveer zes a zeven mensen opgesloten. Ze waren allemaal in hun ondergoed gekleed en vertoonden geen sporen van mishandeling en anderzins. Ze waren op dat moment gaaf. De gevangenen waren op dat moment bang maar verder waren ze rustig en gelaten. Er was geen paniek of zo. De enige die ik van deze mensen herkende was Derby. (Ornder IV, blz.. 421) Horb ging vervolgens een kamer naar binnen om met “de baas” te praten. Hiermee bedoelde hij Bouterse. Ik hield buiten de wacht. Dit duurde ongeveer 15 à 20 minuten. Ik zag op dat moment dat er veel militairen van Bouterse rondliepen. Deze mannen liepen zwaar bewapend heen en weer. De wapens waren onder andere: AK 47, Uzi, FAL en karabijnen. Alle mannen van de groep van 16 waren er ook. De namen van de mannen die ik heb gezien waren: BHAGWANDAS LEEFLANG TOLUD BRONDENDSTEIN NELOM MAHADEW GORRE ROZENDAAL JEFFRY 48 HARDJOPRAJITNO Verder schieten me geen namen te binnen. Maar ik weet wel dat iedereen van Bouterse zijn groep compleet was. U toont mij nu een aantal foto’s waarvan ik de volgende herken: KEMPES DIJKSTEEL. Dit waren de mensen die de leiding gaven aan de groep van Bouterse. Verder ken ik er niet één. Op een gegeven moment zag ik de gevangen mensen zitten. Dit waren er drie. Ik ken ze niet bij naam. U toont mij de foto’s van de slachtoffers. Er was een lichtgetinte man met een dikke bril. (hierbij wijst getuige de foto van BEHR aan) Er was een Hindoestaan bij (waarbij getuige de foto’s van Rambocus en Sohansingh aanwijst) En er was een zwarte magere man bij. (waarbij getuige de foto van Rahman aanwijst). (…)Deze mensen zaten op een soort verhoging. Dit is op de eerste verdieping links gezien. De rivier loopt erachter. Op een gegeven moment werd er gewoon geschoten. Er werd niet gewaarschuwd. Er werd gewoon, als het ware, gemaaid met alle soorten wapens, op deze mensen. Ik zag dat de mensen dodelijk werden getroffen. Het moet ergens in de middag zijn geweest. Ik weet niet meer hoe laat. Ik weet nog dat Leeflang en Bhagwandas een UZI hadden. Ze hebben beiden geschoten. (ordner IV, blz. 422) Vlak hierna kwam Horb naar buiten. Hij was kwaad en zei tegen mij dat ik de mannen moest verzamelen. Hierna gingen we naar een kamer waar Horb alleen naar binnen ging. Ik moest buiten op wacht staan. Vervolgens werd Slagveer naar binnen gebracht door de militairen van Fort Zeelandia. Horb (lees Slagveer) was gekleed in zijn ondergoed. Het moet ongeveer tussen 14.00 en 15.00 uur zijn geweest. Het verhoor ging op een normale manier,niet ruw. Ik weet niet meer wie dit geweest zijn. Ik kreeg toen van Horb de opdracht om mee naar binnen te gaan. Horb ondervroeg Slagveer over een op handen zijnde coup. Hij las Slagveer een verklaring voor en vroeg hem of dit allemaal klopte. Het was een verklaring die al klaar was en alleen nog getekend moest worden. Slagveer antwoordde overal ja op, maar je kon merken dat hij bang was. Horb praatte normaal tegen Slagveer, hij zette hem niet onder druk. Hierna moest Slagveer zijn verklaring tekenen en werd die afgevoerd door de militairen van het Fort. Tijdens het verhoor hoorde ik trouwens dat er nog steeds geschoten werd, op dezelfde plek als waar ik daarvoor had gestaan in de buurt van de executies. (…) Nadat Slagveer was verhoord en afgevoerd gingen Horb en ik ook weg. Horb gaf mij toen de opdracht om alle mannen te verzamelen en ik moest samen met TANOSEMITO dhr. Derby naar huis brengen. (…) Nadat we Derby hadden afgezet gingen we terug naar het huis van Horb. Nadat we ons met zijn allen hadden aangemeld bij Horb, althans degenen die dienst hadden, hebben we de nacht doorgebracht bij Horb. (…)Ik hoorde zelfs punt 50 schieten. Er werd in het wilde weg geschoten. Er werd gedaan alsof er een aanval van buitenaf plaatsvond. Dit duurde zeker tot elf uur in de avond.”(ordner IV, blz. 423) 49 14) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 37] (destijds beveiligingsman van Horb) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris en mr. J.S. Mohammedamin, Hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de Procureur-Generaal te Paramaribo, d.d. 10 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en E. de Jong, griffier (ordner IV, blz.. 195- 197). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de RechterCommissaris het volgende verklaard: “(…)Bij de decembermoorden waren wij eerst thuis, in het huis van Horb. Hij werd gebeld door Bouterse. Ik hoorde Bouterse aan de andere kant van de lijn tekeer gaan. Horb was kwaad. Hij gebruikte vulgaire termen. Wij zijn toen met ons allen naar de overkant gegaan, naar het Fort Zeelandia. Daar is Horb naar Bouterse gegaan. Hij zei tegen mij dat hij naar Bouterse ging. Ik heb Bouterse zelf niet gezien. Daar waar hij zich moest aanmelden waren alleen militairen. Er waren overal erg veel militairen. Ik heb geen burgers gezien. Ik heb ook geen dames gezien. De hofmeester van Bouterse ken ik niet. Ik weet niet of hij er was. Ik stond buiten terwijl Horb bij Bouterse binnen was. Ik zag toen op een afstand van ongeveer 10 meter het platform met daarop Bhagwandas, Mahadew en Ewoud Leefland. Zij schoten alle drie met uzi’s op drie burgers die met hun rug tegen de wand zaten. De drie schutters keken in de richting van de rivier. (ordner IV, blz.. 196). De drie anderen keken in mijn richting. Ik zag en hoorde dat zij schoten. Zij maaiden met hun uzi’s heen en weer. Ik zag de drie burgers schokken en voorover hangen. Nog toen wij thuis waren had ik horen schieten. Daarom denk ik dat de executies al waren begonnen toen wij op het Fort kwamen. Dit gebeurde allemaal overdag. Ik weet niet meer op welke dag van de week en op welke datum het was. Het schieten is tot in de avonduren doorgegaan. (…) Toen wij naar boven gingen, gebruikten wij de buitentrap. Ik zag toen in een diepe put burgers in ondergoed. Dat was heel ongewoon. Ik heb daar in elk geval Derby herkend. Toen Horb na 15 a 20 minuten uit het kantoor van Bouterse kwam was hij ook kwaad. Hij zei toen: ik kan niet meer met deze man. “mie no mangnangamang dies moro; a mang dies e weriemieede.”. Hij gebruikte ook vulgaire termen. Hij had een brief of een verklaring in zijn hand. Toen ging hij in een ander vertrek. Slagveer kwam. Hij werd gebracht door militairen. Horb heeft hem ondervraagd. Ik stond erbij. (…) Ik heb eerder geen verklaringen over de decembermoorden afgelegd omdat ik daarvoor te bang was.” (ordner IV, blz.. 197). Deze verklaring van [getuige 37] bij de RC is als voorgelezen beschouwd op de terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 09 juni 2010 15) Proces-verbaal van [getuige 38], inhoudende de verklaring die hij bij de RechterCommissaris onder ede heeft afgelegd d.d. 15 juni 2001, waarbij hij – voor zover relevant, het volgende heeft verklaard: “(…) Ik behoorde in feite tot de Echo- Compagnie waarvan Gorré de commandant was. Op die bewuste dag viel het mij op dat er een verhoogde staat van paraatheid binnen het Fort te bespeuren was. Vrijwel iedereen was zwaar bewapend. U moet weten dat het kantoor waar ik mijn werkzaamheden verrichtte rechts boven was. Ik ben gewoon achter mijn bureau gaan zitten totdat ene soldaat Sabajo bij mij kwam. Zijn voornamen zijn mij thans ontgaan. (…) U moet weten dat ik schoten had gehoord voordat Sabajo bij mij kwam in de kamer. Ik denk dat het zo omstreeks negen of tien uur in de morgen kon zijn. Sabajo deed de uitlating zoals in mijn verklaring bij de M.P. opgenomen en vroeg mij of ik niet wilde gaan kijken. 50 Ik gaf hem te kennen dat ik nog bezig was en later zou gaan kijken. Op uw vraag vanuit welke richting ik de schoten hoorde verklaar ik u van achteren. In feite van de rivierzijde. Ik zat n.l. aan de voorkant van het gebouw. Eigenlijk zijn Sabajo en ik niet normaal gaan kijken, doch wij hebben vanuit de barakken naar buiten gepiept en zag ik drie personen, die volgens mij dood waren. De mannen waren gekleed in een korte onderbroek, met bloot bovenlijf en ongeschoeid. Ze lagen allemaal op hun rug en was het duidelijk te zien dat zij niet meer leefden. U moet begrijpen dat ik vanuit een afstand heb gekeken. Ik heb van ongeveer 7 tot 8 meter afstand mannen die daar lagen waargenomen. Ik heb duidelijk schotwonden kunnen waarnemen. De schotwonden waren voornamelijk te zien op het bovenlichaam. De mannen lagen met hun hoofd naar de rivierzijde. (…) Zoals uit mijn verklaring bij de M.P blijkt zat ik tegen één uur ’s middags samen met de anderen in de keuken te eten en hoorde ik weer schoten. De schoten die ik hoorde typeer ik als vuurschoten en wel kort na elkaar. De schoten hebben slechts enkele seconden geduurd. Het is juist dat de keukenruimte zich bevond op de begane grond en wel schuin tegenover de plaats waar ik de drie mannen zag liggen. (…) Tegen één uur in de nacht van 8 op 9 december 1982 moest ik de wacht kloppen op de plaats waar ik eerder de mannen had zien liggen. Het bleek mij toen dat er 8 lichamen aldaar waren die in groene bodybags waren geplaatst. In feite heb ik 8 bodybags gezien en heb ik aangenomen dat daarin lijken waren verpakt. Op uw vraag wat ik nog meer heb waargenomen tijdens het kloppen van de wacht moet ik u zeggen dat ik op een afstand vier tot vijf meters van de bodybags in de gang een manspersoon zag zitten. Ik kende de man niet.(…) Voorzover ik weet was de man gekleed in een shirt jack en had schoenen aan. De man zat op de vloer. Na ongeveer een uur op wacht te hebben gestaan mochten wij de plaats verlaten. Ik zag de manspersoon nog altijd daar zitten. (…) Het is wel juist dat de personen van Gorré, Mohammedsaid, Djojoatmo en Burger op die bewuste nacht de leiding hadden. Na één uur in de nacht hoorde ik wederom schoten. U moet weten dat ook bij de ingang van het Fort geschoten werd. Om duidelijk te zijn hoorde ik schoten vanuit de achterzijde en tegelijkertijd aan de voorzijde van het Fort. Naar mijn mening waren de schoten bij de ingang meer een afleidingsmanoeuvre. De schoten hoorde ik in feite tussen één uur en twee uur in de nacht. Ik heb mij daarna te ruste begeven. Bij daglicht zag ik dat een blauwe pick-up de binnenplaats van het Fort werd opgereden tot naar achteren, waarna de groene bodybags in de laadbak werden geplaatst. Ik heb hieraan niet deelgenomen. Ik weet niet hoeveel bodybags zijn ingeladen.” 16) Verklaring van [getuige 38], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 25 juli 2008, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “Ik persisteer bij de verklaring afgelegd bij de Rechter- Commissaris. Ik was op 8 december 1982 wel aanwezig in het Fort. Ik hoorde tegen 9.30 uur in de morgen schoten en ik dacht dat men bezig was met het uittesten van wapens. Er was gewoonlijk appel om 07.00 uur ‘s morgens. Op 8 december 1982 was er alarm geslagen. Er was geen appel. Alarm was geslagen, dus de mannen waren paraat. (…) Ik was administrateur in het Fort. Op die dag waren mannen in hun gevechtstenue. Normaal waren zij zonder een wapen. Op die bewuste dag waren zij zwaar gewapend. Mijn kantoor was rechtsboven. Op de plattegrond van het Fort is dat te zien boven op de kaart halverwege nummer 1. 51 Sabajo was degene die zei: “Ding man klaar wan toe man drape”. Na een half uur ben ik samen met hem gaan kijken, achterop bij de rivierzijde. Ik zag drie lijken in een onderbroek. Ze lagen op hun rug. Ik had die personen voor het eerst gezien. Ik had Sheombar herkend. Die andere twee mensen waren licht van kleur en van het gemengd ras. Ze hadden schotwonden in de buikstreek. Ik heb geen bloed gezien. Ik heb geen vragen gesteld, ondanks we dat gezien hadden. Ik heb gewoon niets gevraagd. Tegen 13.00 uur heb ik weer schoten gehoord. Daartussen heb ik niets gemerkt. Ik wilde niet meer kijken. In de ochtenduren wilde ik wederom gaan kijken, maar Sabajo zei dat liever niet te doen. (…) Gorré was in het Fort. We waren geconsigneerd door één van de kaderleden. Van 8 op 9 december 1982 moest ik tegen 01.00 uur in de nacht wacht houden. Ik zag 8 licht groen/blauwe bodybags. Vermoedelijk waren er lijken daarin. De bodybags waren niet besmeurd met bloed. Ik zag op 4 of 5 meter afstand Kamperveen zitten. Kamperveen zat in de gang aan de oostelijke zijde op een afstand van ongeveer 3 m. Hij zag er bleek uit. Hij zat op de vloer. Plat, met zijn voeten op de vloer. Ik heb Kamperveen af en toe op en neer in de gang zien lopen. Hij heeft mij niets gezegd. Ik heb niet met Kamperveen gesproken. De Onder-officieren, waaronder Mohamedsaid, die daar aanwezig waren hadden de leiding. Voorts waren in het Fort aanwezig: Sabajo, Kabalafodi, Tjaitsingh, De Graav, Boldewijn, Thym, Van Ravenswaay, Ansoe, Jankipersadsingh, Jagmohan en nog een paar anderen. Ik hoorde schoten zowel aan de achterzijde als aan de voorzijde van het Fort. Die mannen waren achter bezig te schieten, dus de schoten voorin waren volgens mij een afleidingsmanoeuvre. Ik ben gaan slapen in 1 van de barakken in de linkervleugel, boven op de kaart met nummertje 4 vermeld. In een barak sliepen er ongeveer 18 tot 20 mannen, namelijk de jongens die ik eerder noemde. Pas na een poos ben ik in slaap gevallen. Bij daglicht heb ik een blauwe pick-up waargenomen. Een paar jongens, waaronder Kabalafodi, waren bezig met inladen van de bodybags. Pas nadat ik de lijken had gezien, begreep ik dat er op mensen geschoten werd. Ik was wel heel erg somber hieromtrent. (…) Ik mocht alleen in de voorvleugel zijn. Op de plattegrond was dat het gebied genummerd met het gedeelte voor 4,5 en 1. Tot de trap bij nummer 1 mocht ik zijn. Ik bevond mij bij de hoofdingang. Bij de hoofdingang heb je Bastion Veere. De lijken waren op de grond bij Bastion Veere.” 17) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 8], in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris, d.d. 16 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F.Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier, (Ordner IV, blz.. 204 -206),waarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “(…) Op 7 december 1982 heb ik van 06.30 tot ongeveer 10.30 uur getraind met de atleten. Toen kwam de chauffeur ons ophalen, omdat wij ons moesten aanmelden. Ik heb mij in de kazerne gemeld bij mijn directe baas, Bhagwandas. Hij zei dat de toestand in het land alarmerend was. (…)Op het Fort Zeelandia werd ons medegedeeld dat er een verhoogde staat van paraatheid was. Ik heb daar toen geen abnormale bewegingen waargenomen. Ik wist dat de Echo-Compagnie daar ook was gehuisvest. Ik heb Bouterse daarbinnen gezien. (…) Er werd een briefing gehouden voor de groep van 16. Ik weet niet meer wie dat deed. Ik meen Bhagwandas. Gewoonlijk had Bouterse eerst het woord en droeg hij het woord over aan Bhagwandas voor de uitvoering van een operatie. Nu werden ons namen genoemd van mensen die gearresteerd moesten worden. Daartoe werden wij in groepen verdeeld. Ik heb met Dindoe(lees verder: Dendoe) en nog een soldaat, en een burger (dogla type) eenman van Hindoestaanse afkomst opgehaald. Hij was jong en slank. Hij woonde in Paramaribo-Noord. (…) Ik denk dat het Baboeram was. Dindoe 52 ( Lees: Dendoe)had de leiding. De burger had de woning aangewezen. Wij waren naar het huis gereden, in mijn Volkswagen-kever. De soldaat heeft direct de hond doodgeschoten toen die blafte. Ik heb hem verder uit de woning gehouden. Dindoe is de man uit zijn kamer gaan halen. Ik bleef in de woonkamer. De vrouw vroeg waarom dit allemaal was. Dindoe zei dat ze dat wel zou horen. Ik heb niets gezegd. Het was niet nodig. De man is rustig meegegaan. Ons was gezegd dat de mensen die gearresteerd moesten worden, gevaarlijk waren, maar ik dacht niet dat deze persoon enig gevaar voor ons betekende. (…) Het klopt dat de telefoon onklaar is gemaakt. Dat heeft die soldaat gedaan. Het kan inderdaad kloppen dat hij in de woning is achtergelaten. (…) De arrestaties vonden plaats na middernacht, voorzover mij bekend. Wij hebben de arrestanten overgedragen in het Fort. Ik weet niet aan wie. Daarna had ik niets meer te doen. Ik ben met anderen op het pleintje gebleven om te zien wie er binnen kwamen. Ik kan me herinneren dat de lijfwachten van Bouterse van beneden naar boven heen en weer liepen. Ik heb in elk geval Lewis gezien en Roozendaal, en Dijksteel. (…) Bouterse was boven. Bhagwandas was daar ook. De verdachten waren ook aan die kant. Ik verkeerde in de veronderstelling dat na de arrestaties een proces zou volgen en dat dan zou blijken hoezeer die personen de samenleving aan het ontwrichten waren geweest. Op een gegeven moment hoorde ik mensen gillen. Ik hoorde ook geweer- en pistoolsalvo’s. Ik weet niet hoe laat het was. Het was nog nacht. Iedereen vroeg zich af wat er aan de hand was. Wij dachten: “dit is een zwaar verkorte procedure.” Wij konden ons zoiets niet voorstellen. Gorré kwam naar mij toe en zei: “Dit is toch zinloos!”. Ik was verbaasd,omdat ik dacht dat hij als één van de hoogste bazen op de hoogte was. Als tweede kwam Tolud naar mij toe, die precies hetzelfde zei. Ook daarover was ik verbaasd, omdat ik dacht dat als er zoiets gebeurde, hij er welbij betrokken zou zijn. Hij stond namelijk bekend als dom en wreed. Voor mij stond wel vast dat ze bezig waren de gearresteerde personen om te brengen. Ik weet dat Bouterse daar op het Fort aanwezig was. Zijn lijfwachten waren er en ik heb hem zelf minstens één keer van beneden naar boven zien gaan. (…) De volgende dag zijn de lijken in vrachtwagens naar het mortuarium gebracht. Ik was op één van de vrachtwagens. Ik weet niet wie de leiding had. Ruimveld was erbij.” 18) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 39] (in december 1982 verbindingsman bij de Echo-Compagnie) Rechter-Commissaris d.d.19 augustus 2002 in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een proces-verbaal door de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende verklaard: “(…) Ik kan mij herinneren dat op 7 december 1982 ik na een oproep gemeld heb in het Fort Zeelandia. Vanaf die dag tot 9 december 1982 bevond ik mij in het Fort Zeelandia. In feite waren wij als militair in die periode geconsigneerd. Het viel mij op dat er een ongewone situatie heerste. Binnen het Fort zelf viel het mij op dat er meer beweging was dan normaal. (…) Als ik mij niet vergis heb ik de persoon van FRANK WIJNGAARDE, die naderhand om het leven is gebracht op het binnenplein van het Fort Zeelandia gezien. (…) Aan de toon van BHAGWANDAS kon ik uitmaken dat WIJNGAARDE niet vrijwillig daar stond. (…) In de nacht van 7 naar 8 december 1982 heb ik wel horen schieten. Schoten bleken afkomstig te zijn uit de omgeving van het Fort Zeelandia. Op wie en waarop er geschoten werd kon ik niet uitmaken. Op dat moment was wel een beetje bekend geworden dat bepaalde burgers waren opgehaald en binnengebracht in het Fort Zeelandia. (…) Ik heb gezien dat lijken in tentzeilzakken naar beneden werden gebracht. Dit vond plaats in de ochtenduren. Ik kan mij nog herinneren dat de persoon van ASEDOEBA daar ook bezig was. Wat hij precies deed kan ik mij niet meer herinneren. 53 (…) De lijken werden getransporteerd in een blauwe pick-up. Ik heb ook bloed waargenomen aan de verschillende tentzeilzakken. Alleen de persoon van GORRE was toen aanwezig als één van de groep van zestien.” 19) Verklaring van [getuige 40], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 20 maart 2009, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “(…) In juni 1982 was ik ingedeeld bij de Echo- Compagnie. (…) De Bermuda driehoek is op de plattegrond aangegeven met nummer D. Dat gedeelte met nummer 3 aangegeven, daar zou de secretaresse van de Bevelhebber zitten. Ik ben nooit in het kantoor van de secretaresse geweest. Ik was niet bevoegd om daar te zijn. Dat had Gorré ons medegedeeld. Gorré was niet van de marine. De boot S402 was onder operationeel bevel van de Echo- Compagnie van Luitenant Gorré. De boot was ter plaatse. De twee commandanten, Gorré en Brondenstein spraken af. Ik heb gezegd dat de Echo Compagnie niet bij betrokken was, omdat we daarvoor geen waarschuwingsbevel en er geen operatiebevel was. Ik zou niet weten of bepaalde leden van de Echo Compagnie ook betrokken waren bij het gebeuren op 8 december 1982. (…) Na 8-9 december 1982 heb ik begrepen via de media dat er mensen waren omgebracht. Op 8 december 1982 was ik omstreeks 6.30 – 6.15 uur in het Fort. Ik zag mensen op hun post. Normaliter werd het Fort binnen beveiligd. Je had voor de ingang van het Fort een post. Bij de Marinetrap, buiten het Fort, was fase 2. De collega’s waren buiten. De eerste fase was binnen het Fort. Bhagwandas kwam er wel, maar het tijdstip, zo vroeg ’s morgens was vreemd. Waar de ingang was zag ik Bhagwandas op en neer lopen van het kantoor van Bouterse naar het kantoor van Gorrè. (..) Bhagwandas of de wachtcommandant had de mededeling gedaan dat wapens zouden worden uitgetest. Bhagwandas had de mededeling gedaan. De lijfwachten hielden zich achter in het Fort bezig. Het klopt, in de nacht van 8 december 1982 was het stiller dan normaal. Normaal was er een ontspannen sfeer. Het leek van wel dat er een spanning was die nacht. (…) De Echo-Compagnie werd ingezet om nutsbedrijven te beveiligen. Normaliter moet er een operatiebevel zijn. Eerst moet er een waarschuwingsbevel zijn. Het is onmogelijk eerst te opereren en daarna achteraf een waarschuwingsbevel en operatiebevel op te maken. Vóór 8 december 1982 heb ik nooit een operatiebevel noch een waarschuwingsbevel gehad. Zo’n een bevel gaat uit van de Commandant. De Commandant geeft een waarschuwingsbevel aan de manschappen. Ik heb geen waarschuwingsbevel van Bhagwandas of Gorrè gehad. Op 8 december 1982 was ik geconsigneerd. Op 7 december 1982 was alles normaal op het werk(…) Vóór 8 december 1982 waren we van niets op de hoogte. Er was geen waarschuwingsbevel. Je hoort dat je bent geconsigneerd. Later hoor je dat burgers zijn binnengebracht. Ik weet van niets. Een alarmsituatie wil zeggen dat er geen normale situatie was. Er is een dreiging naar ons toe, dus moest er extra beveiliging zijn. Het is logisch dat tijdens een alarmsituatie wapens worden uitgetest. Normaal kon je misschien een persoon van de groep van 16 zien, maar voor het eerst waren er zoveel tegelijk daar aanwezig. Daarom is het mij bijgebleven. Op 8 december 1982 kon je bepaalde plaatsen niet betreden. Overal, behalve de ruimte van de Bevelhebber, kon je voor 8 december 1982 betreden. Als lid van de Echo-Compagnie kon je voor of na 8 december 1982 de kantoorruimte van Bouterse niet betreden.” 20) Verklaring van [getuige 40], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 19 maart 2010, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het volgende heeft verklaard: “De Echo- Compagnie was gehuisvest in het Fort Zeelandia. (…) Er waren instructies waar wij niet mochten gaan. We mochten niet bij het kantoor van de bevelhebber. We mochten vanaf het begin niet bij het kantoor van de bevelhebber. 54 (…) Op 8 december 1982 heb ik Bhagwandas in het Fort gezien. Het Fort was niet zijn werkplek. Ik kan mij herinneren dat ik Mahadew heb gezien in het Fort op 8 december 1982. (…) Bhagwandas was op dat moment, dus op 8 december 1982, mijn militaire meerdere. Hij kon mij dus de opdracht geven om bepaalde delen van het Fort niet te betreden ongeacht het feit dat het Fort niet zijn werkplek was. Op 8 december 1982 mocht ik links boven, rechts boven en rechts onder van het Fort niet betreden. Die instructie had ik op 8 december 1982 van Bhagwandas gehad. Voor 8 december was het normaal om de plekken te betreden. Bij het kantoor van de bevelhebber mochten wij niet gaan. Ik was de persoon aan wie de instructie was gegeven. Er was een mededeling gedaan dat er wapens zouden worden uitgetest. Ik weet niet wie de mededeling aan ons had doorgegeven. Wij waren voorin en er werd ons gezegd dat wij niet moesten schrikken als wij schoten hoorden. ” 21) Verklaring van [getuige 41] afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 07 januari 2010, op welke terechtzitting hij voor zover relevanthet volgende heeft verklaard: “Bij de Echo- Compagnie kwam ik rond 1981. (…)Op 8 december 1982 kwam ik omstreeks 07.00 uur ’s morgens binnen. Ik heb mij aangemeld bij Martowidjojo. Ik kreeg gelijk de instructie om te checken hoe het zit met de wapens. De mensen gingen op posten met hun wapens. De alarmsituatie destijds kan ik mij niet meer herinneren. Ik heb Commandant Gorré zelf gezien die dag. We waren geconsigneerd. Ik heb Bhagwandas, Mahadew en Horb ook gezien die dag. Ik kan mij niet heugen hoeveel burgers ik gezien heb die dag in het Fort. (…) Ik was soms in de wapenkamer. Ik hielp Jagmohan ook. We waren beiden geconsigneerd in de wapenkamer. Ik moest af en toe checken of de wapens in het complex niet in een gespannen toestand waren achtergelaten. We moesten paraat zijn want we zouden aangevallen worden. Als de informatie kwam dan moest je paraat zijn. Je wist niet wie de mensen waren. Door wie de burgers werden binnengebracht, kan ik mij niet meer heugen. Om 19.00 uur zou ik verzameld zijn door commandant Gorré. Ik moest naar de barakken. Ik was geconsigneerd. (…) Als je in confrontatie kwam met Bhagwandas had je problemen. Bhagwandas was een heel fanatieke jongeman. Hij was heel moeilijk. Hij was belast met het binnenbrengen van mensen. Ik heb Bouterse op die dag niet gezien. Ik zag mensen wel naar zijn kamer gaan. (…) Ik weet niet wie geschoten heeft. Als de opdracht is gegeven dat jij je niet mag verplaatsen, moet jij je eraan houden. Ik wijs u aan dat de barakken bij 2e waren. Het was de ruimte links achter op de bovenverdieping boven Bastion Veere. Het gedeelte bij Bastion Veere was gebarricadeerd. Aan alle deuren waren er grote sloten. Ik bedoel een aantal uren daarna. Ik kan mij niet heugen. Ik zag bloedsporen. Het gaat niet om meters. De oppervlakten kan ik mij niet heugen. Het was een situatie waarbij ik dacht dat er mensen verongelukt waren. (…)Tijdens mijn periode heb ik niet meegemaakt dat het Fort Zeelandia werd aangevallen door derden.” 22) Verklaring van [getuige 42], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 17 april 2009, op welke terechtzitting hij – voor zover relevant – het volgende heeft verklaard: “(…) De ruimte van het kabinet van de Bevelhebber is op de plattegrond aangeven met het nummer 3 en daarboven was zijn kantoor. Het klopt. De verdachte kwam naar binnen. Hij ging naar het kabinet. Hij was in zijn uniform gekleed. Ik kan mij niet herinneren of ik door de dag heen schoten heb gehoord. Ik hoorde schoten voorin, waar de vlaggenmast is. Voorbij de wacht was er een punt vijftig. Bij de vlaggenmast was er een vierling. Ik bevond mij in kamer 2 toen ik de schoten hoorde. Daar was de Legeringskamer. Ik hoorde de schoten aan de voorkant en 55 waar de vlaggenmast was. Martowidjojo was buiten. Hij schreeuwde van buiten naar ons binnen, dat we niet naar buiten moeten gaan. Ik was geconsigneerd op 7 december 1982 vanaf 06.15 uur. Ik denk dat Luitenant Gorré ons had geconsigneerd. Bouterse, Gorré en Bhagwandas waren er wel ook. We moesten binnen zijn en mochten het Fort niet verlaten. Ik ben met de bus naar het Fort gegaan en binnen aangekomen kreeg ik te horen dat ik geconsigneerd was. (…) Nadat ik Bouterse heb zien lopen naar zijn kabinet, heb ik hem niet meer gezien. Op die dag was het licht uit tijdens het alarm. (…) Ik was in de ruimte van de Echo Compagnie. In de ruimte was de legering van de soldaten. Er waren wel ramen, maar ze waren dichtgemaakt. Het waren houten ramen, die normaal wel open stonden. Op die dag van 8 december 1982 stonden de ramen wel open, maar die nacht waren ze gesloten. Onderling spraken we niet met elkaar. Die avond na 02.00 uur in de ochtend hoorde ik schoten. We zijn in dekking gegaan in de kamer. Als soldaat moet je “ja en amen” zeggen (…) We hebben op die bewuste dag van 8 december 1982 geen informatie gehad. Als soldaat moet je wachten op instructies, namelijk totdat de Sergeant aangeeft dat je moet verzamelen, anders krijg je straf. (…) Ik heb ruim een kwartier constant schoten gehoord met een punt 50 en met de vierling. Ik heb geen mitrailleur gehoord. Een uzi zou ik wel kunnen herkennen. (…) Ik heb geen opdrachten van Gorré gehad. Indien er een aanval gepleegd wordt op een militair object, is het normaal dat de lichten worden uitgeschakeld. Om 02.00 uur in de nacht waren de lichten uit. Het was normaal. Ik heb Bouterse omstreeks 06.15 uur gezien. Daarna heb ik hem niet meer gezien.” 23) Proces-verbaal van [getuige 43], inhoudende de verklaring die hij bij de RechterCommissaris onder ede heeft afgelegd d.d. 22 januari 2002, waarbij hij – voor zover relevant, het volgende heeft verklaard: “(…)Toen ik op 8 december omstreeks 7 uur ’s morgens in dienst kwam, viel het mij op dat een aantal burgers opgesloten stonden op de binnenplaats van het Fort Zeelandia. In de onmiddellijke nabijheid zag ik de lijfwachten van de toenmalige bevelhebber Bouterse. Op uw vraag of ik mij de namen nog kan herinneren, geef ik u te kennen dat Lewis en Clydesdaal op dat moment deel uitmaakten van de groep lijfwachten. (…) Op uw vraag of de lijfwachten, die in de onmiddellijke nabijheid van de burgers stonden gewapend waren, moet ik u verklaren dat enkele wel wapens bij zich hadden. Enkele hadden uzi’s en andere pistolen bij zich. De situatie die ik had waargenomen was in ieder geval een grimmige. Bij de overname van de dienst op 8 december, d.w.z. bij het voortzetten de dienst op 8 december heb ik begrepen, dat de commandant Gorré de instructie had gegeven, dat er geen familieleden van de burgers en/of andere burgers en de pers toegelaten moeten worden in het Fort. Uitgaande van mijn waarneming, dat de lijfwachten van Bouterse daar aanwezig waren moet worden aangenomen dat de persoon van Bouterse zich in zijn kantoor zou moeten bevinden, althans in het Fort. Ik heb hem echter niet gezien. U moet weten dat wij geen toegang hadden tot dat gedeelte van het Fort Zeelandia waar het kantoor van de heer Bouterse was ondergebracht. (…) Op een goed moment toen ik mij weer op het binnenplein van het Fort bevond, merkte ik op dat de burgers door de lijfwachten werden gedirigeerd naar de richting van het kantoor van de heer Bouterse. U moet weten, dat er door de commandant Gorré alsook door de lijfwachten was doorgegeven, dat wapens zouden worden uitgetest en dat wij niet in paniek moesten raken. Inderdaad werd er de hele dag door met tussenpozen geschoten. De schoten waren meer afkomstig van de achterzijde van het Fort zeelandia, d.w.z. de zijde van de Surinamerivier. Op uw vraag of ik daarbij mensen heb horen schreeuwen of gillen moet ik u ontkennend antwoorden. Wel was het zo, dat andere burgers in en uit kwamen. Ik meen te weten dat deze burgers bij de bevelhebber gingen. 56 Ook in de avonduren is er geschoten. (…) In de nacht van 8 op 9 december 1982 waren de lichten van het Fort Zeelandia uitgemaakt. Dit was overigens normaal wanneer er alarm was. Voorzover ik mij kan herinneren is er alleen binnen het Fort geschoten. Op uw uitdrukkelijke vraag of manschappen van de Echo compagnie aanwezig waren in het Fort op 8- en 9 december, moet ik u bevestigend beantwoorden. Van de personen van Rozendaal en Zeeuw weet ik ook zeker dat zij in die periode ook aanwezig waren in het Fort Zeelandia. Van anderen weet ik dat niet zo zeker.” 24) Verklaring van [getuige 43], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 20 februari 2009, op welke terechtzitting hij – voor zover relevant – hij onder meer het volgende heeft verklaard: “(…) Op 8 december 1982 kwam ik om 07.00 uur aan in het Fort. Ik zag burgers opgesteld. Ik zag de lijfwachten van Bouterse in de onmiddellijke nabijheid. Dat waren onder andere, Dijksteel, Kempers, Lewis misschien ook. Klopt, Clydesdaal ook. De burgers heb ik gezien. Het waren meer dan tien burgers. Bekenden waren: Kamperveen en Slagveer. De rest kende ik niet. (…). Mijn kantoor was pal tegenover het kantoor van Bouterse. Op de plattegrond is dat aangeduid met nummer 7, waar ook Gorré zijn kantoor had. (…) Het was een open ruimte met drie bureau’s. In geval Martowidjojo er niet was, volgde ik in rang. Ik heb geen vragen gesteld over de burgers die ik gezien had. Ik kon de Commandant niet vragen over het gebeurde. Iedereen was gewapend. Anderen droegen een uzi, anderen een vuistvuurwapen. De situatie was grimmig. Als mens en een militair voelde je aan dat het geen normale situatie was. Er was een alarmplan. Dat hield in dat bij calamiteiten in opdracht van de Commandant, het plan in werking trad. Dat was op die dag gedaan door mijn voorganger. Je komt, neemt over en aan de hand van de bijzonderheden is gebleken dat het alarm in werking was. Er waren meer militairen op de been dan normaal. De militairen waren geconsigneerd. We praten in militaire termen over graden van paraatheid.Bij consignatie en een alarmwerkschema is iedereen aanwezig. Dat was toen het geval. Het was tot nader orde. Ik heb de dienst van iemand anders overgenomen. Ik was belast met de beveiliging van het Fort. Gorré had instructies gegeven aan Martowidjojo en Martowidjojo aan mij. Ik heb geen familieleden van de burgers in het Fort Zeelandia gezien. Ik heb Bouterse op 8 december 1982 niet zelf gezien in het Fort. Zijn lijfwachten waren er wel. In die tijd was Geer secretaresse van Bouterse. Ze was iemand die niet tolereerde dat militairen op haar kantoor kwamen, laat staan bij Bouterse. Bouterse kwam niet altijd via dezelfde ingang. Hij woonde naast het Fort. Als hij er eerder was, zag je hem niet. Als je aankomt, neem je de bijzonderheden van de dag door. Voor die dag moest ik de wacht overnemen en instructies geven. Op een goed moment was ik op het binnenplein van het Fort. Burgers werden gedirigeerd naar het kantoor van Bouterse. De instructies dat er wapens getest zouden worden in de vooravond van 8 december 1982 kwamen van Martowidjojo. Een paar keer in de avond, namelijk drie tot vier keer zijn er schoten gehoord. Ik dacht dat er met uzi’s geschoten werd. In ieder geval semi-automatische wapens. Het waren geen schoten na elkaar, maar met tussenpozen van seconden. Vanuit de achterzijde bij Bastion Veere hoorde ik schoten. Ik heb niemand horen schreeuwen en gillen. Ik heb burgers in en uit zien gaan naar het kantoor van Bouterse. Overdag is er 1 of 2 keer geschoten. In de late middag waren er weer schoten, nadat de instructies waren gegeven dat er wapens uitgetest zouden worden. Ik dacht dat zaken niet normaal waren. Het probleem was dat je bij niemand terecht kon. Je had wel je vragen, maar daarover kon je niet uitwijden. Er waren instructies die hoorden bij de intreding van alarm. De lichten werden bijvoorbeeld uitgemaakt. Rozendaal en Zeeuw waren er ook. (…) Ik heb een blauwgelakte pick-up rond 06.30-07.00 uur gezien. Ik zag voorwerpen die met witte lakens bedekt waren. We mochten daar niet komen. Ik heb die lakens en het voertuig gezien. 57 Er is een keuken en dan een weggetje langs de rivier, daar zag ik de pick-up. (…) Je komt binnen, ziet mensen staan, ik richting kantoor. Gorré bevond zich op kantoor. De woning van Bouterse was rechts van het Fort. Er waren twee gebouwen. De ene was pal naar het Fort Zeelandia in de richting van Bastion Zierikzee. Hij woonde daar met zijn vrouw en kinderen. Er was een boot aangemeerd bij de Marinetrap of achter het Fort Zeelandia op 8 december 1982. De vierling was in de garage aan de achterzijde van het Fort. De echte reden waarom het daar opgesteld was, weet ik niet. Op 8 december 1982 was de vierling niet meer op het pleintje zoals gewoonlijk. Ik meen te weten dat Bhagwandas op 8 december 1982 in het Fort was. Het was niet gebruikelijk dat hij daar was. Dat hij de machtigste man was toen, misschien niet. In elk geval was Bouterse toen voor ons de machtigste man. De macht was toen in handen van de militairen. (…) De open ruimte is de kleine driehoek op de plattegrond aangegeven met D. Op een gegeven moment zijn alle mensen begeleid naar dat deel door de lijfwachten van Bouterse en Horb. Of er lijfwachten van Bhagwandas waren, weet ik niet. Die ruimte werd “Devil” genoemd. In die periode kwamen de pers, fotografen en mensen met camera’s richting het Fort. Dat was in de late middag van 8 december 1982, na 15.00 uur. Rondom het Fort was afgezet in opdracht van de Commandant. Rondom de Marinetrap voorin en waar de Militaire Politie was, werd afgezet. Het doodschieten van de burgers heb ik persoonlijk niet meegemaakt. De volgende dag ben ik zo snel mogelijk naar huis gegaan. Ik heb Martowidjojo gebeld. Hij zei: “we kunnen ons liever erbuiten houden, het gaat ons niets aan.”. (…) De groep van 16 was te herleiden naar de coupplegers van 1980. De meesten waren in het Fort aanwezig. Ze kwamen niet vaker vergaderen in het Fort. Het klopt. Geer had niet graag dat militairen daar kwamen. De groep van 16 had wel vrije toegang. Geer was geen militair. Militairen van de Echo-Compagnie mochten niet bij Geer op kantoor. Voor ons was het verboden terrein. Leden van de groep van 16 gingen wel vrijelijk bij Geer. Militairen konden niet naar dat gedeelte, dat wilde ze niet. Mevrouw Geer was op de begane grond. Bouterse was op de bovenverdieping. (…) Op dat moment was Bouterse de Bevelhebber. Bij de groep van 16 had Bouterse de leiding, ook bij de NMR. De heer Bouterse zat al die instituten voor. Een militaire actie zou niet ondernomen kunnen worden, zonder dat de machtigste man dat wist. (…) Bij militaire acties wordt alles tot in de details uitgewerkt. Hetgeen gebeurd was, was geen normale actie. Het was ook geen militaire actie. Militaire acties zijn omschreven. We kennen geen draaiboek, maar een operatiebevel. Het is dan helemaal omschreven. Een draaiboek komt niet voor bij de militairen. Er waren drie inlichtingendiensten. In het leger zijn er stafunctionarissen belast met bepaalde werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Er was de Sectie 2, S2, Sedney had toen de leiding. De infodienst viel onder Linscheer en wijlen Christopher. Die rapporteerden rechtstreeks aan de Bevelhebber. De burgerinlichtingendienst was niet bekend bij ons. (…) Ik was wachtcommandant op die dag. (…) Op een gegeven moment heb ik Lewis, Dijksteel en Kempes gezien. Althans, die heb ik herkend. Ik neem aan dat zoals ze daar stonden, dat ze een taak hadden. (…) Ik weet niets van voorbereidingen van een coup. De lichten waren reeds uit toen ik het Fort binnenkwam. In de nacht van 8 december 1982, het kan tegen 22.00 uur ‘savonds, heb ik schoten gehoord. Om 15.00 uur ’s middags heb ik ook schoten gehoord. Die burgers waren op kantoor bij Bouterse. Ik heb Bouterse op die dag niet gezien. Ik had sterk het vermoeden dat Bouterse er was. Tussen 15.00 en 22.00 uur ’s avonds heb ik de gearresteerden niet meer gezien. Ik weet niet of de mensen na 22.00 uur nog leefden. Na 22.00 uur heb ik ook schoten gehoord. (…) 58 De machtigste man in de militaire hiërarchie was de Bevelhebber Bouterse. Hij was de hoogste man in de organisatie. Alles draaide om het Bataljon. “ 25) Verklaring van [getuige 43], afgelegd bij zijn verhoor bij de gerechtelijke plaatswaarneming in het Fort Zeelandia van de Krijgsraad d.d. 15 november 2010, bij welke gerechtelijke plaatswaarneming hij – voor zover relevant – het volgende heeft verklaard: “Op 8 december 1982 kwam ik rond 7.00 uur ’s morgens aan in het Fort Zeelandia. Je passeerde de wacht. De wacht was voorin en bestond uit één of twee mannen. Binnen, voorin, was de wachtcommandant. Aan de linkerkant was de ruimte van Commandant Gorré. De Plaatsvervangend Commandant was Martowidjojo en de derde man was ik. Het was een open ruimte met drie bureaus. Het viel mij op dat er mensen stonden op de binnenplaats. Ze waren opgepakt. Het waren 13 of 14 mensen, in ieder geval meer dan tien burgers. De burgers werden door de veiligheidsmannen geleid naar het kantoor van Bouterse. Martowidjojo ging aan de overkant, bij de officiersmess. Aldaar werden de bijzonderheden doorgegeven. De schoten kwamen vanuit de kant van Bastion Veere. Ik heb een paar keer burgers in en uit het kantoor van Bouterse zien komen. Wij hielden ons bezig met de beveiliging in het Fort. De beveiliging van de Bevelhebber hield zich met dat andere bezig. Een deel van de burgers werd gebracht naar de ruimte van de secretaresse, de kleine driehoek. Deze ruimte werd Devil genoemd. Waar de trap naar boven leidt, is Bastion Middelburg. (…) Ik was er om 07.00 uur ’s morgens. Ik heb mij bij Gorré aangemeld. Ik heb hem toen gezien en hij was er tot laat in de avond. In de vooravond of laat in de avond heb ik schoten gehoord. (…) Op die dag vond ik het vreemd dat er burgers op het binnenplein waren. Je doet vervolgens je werk vanuit je kantoor. Het complex heeft drie gebouwen. Wij waren naar de Bevelhebber. Ik was in de Bevelslijn. De Bevelhebber is de hoogste militaire autoriteit. Ik zat met mijn directe Commandant Gorré. Het was niet normaal om vragen te stellen over wat er gaande was. Ik concludeerde dat het een aangelegenheid van de Bevelhebber was. Mensen kwamen constant binnen. (…)Op die dag waren er extra veiligheidsmannen in het Fort. Commandant Gorré heeft instructies aan mij gegeven. Er was geen operatiebevel. Op die bewuste ochtend was het een verrassing. Dat bleek reeds voorin, bij de ingang. De wacht was verdubbeld. Ik weet niet of de actie goed voorbereid was of gepland was. Het was een actie van de Bevelhebber.” 26) Verklaring van [getuige 44], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 22 juni 2009, op welke terechtzitting hij – voor zover relevant – het volgende heeft verklaard: “ (…) Op uw vraag waarom ik de situatie op 8 december 1982 abnormaal vond, moet ik u zeggen dat de heren met geweren liepen. Normaliter waren de heren bezig met werkzaamheden. Er waren op 8 december extra lijfwachten. De hele groep van zestien met uitzondering van Hawker, was aanwezig. De Echo Compagnie was meer een familie. Er werd onder andere onderling verteld: “ding mang tja wan toe mang iensey”. Ik was er bij daglicht omstreeks 06.30 uur. Die ochtend was er geen appel. Als je in consignatie bent, wil dat zeggen dat er een verhoogde staat van paraatheid is. (…) Het was tegen 07.00 uur – 07.30 uur toen ik genoemde personen zag. Het was bij Bastion Zierikzee op de kaart te zien als de driehoek tussen 3 en 4. Ze keken af en toe naar boven en spraken mopperend tegen elkaar. Ze fluisterden links en rechts. De groep van lijfwachten van 59 de Bevelhebber Bouterse bestond onder andere uit Dijksteel, Lewis, Kempis. Bij de Echo Compagnie zag ik jongens als Kopro, Menig, Pika, van Ommeren. De leiding van de Echo Compagnie was in handen van Luitenant Gorré. Martowidjojo was Compagnies Sergeant Majoor. Er werd gepatrouilleerd. Er was niet persé wacht bij die driehoek. Er was geen klauter of houvast in die ruimte, vooral gelet op de hoogte van die muren. Er was geen mogelijkheid om van daaruit te vluchten. Praktisch konden die mensen niet uit de ruimte. Er is een gevel opgetrokken van baksteen. De andere gevel was ook opgetrokken. Het was een hoge wand. Twee gebouwen die verbonden zijn middels een lang looppad. De muren waren ongeveer 3,5 tot 4m. De muren van de driehoek waren ongeveer 3,5m. Twee wanden hadden een kant van 4 m. De korte zijde was ongeveer 2,5 tot 3m. Het was in ieder geval een situatie waarbij je heel voorzichtig moet zijn. Nadat er geschoten was ben ik even gaan kijken. Je mocht niet opvallen. Je doet alsof je langs loopt en je keert gelijk daar. Ik heb gelopen met al mijn tijd. Ik heb goed gekeken, maar niet opvallend. Sheombar heeft mij met gebogen hoofd gezegd: “Ken, ik zou je een glas water vragen, maar ik weet dat je me het niet gaat kunnen geven en als ik er niet meer ben dan weet je dat er een echte militair is weggegaan.”. Ik kon in die situatie niet reageren. Ik kon het water niet geven aan hem. Tussen gevel 3 en 4 was er een looppad en er is een ruimte voorzien van een spiegel en dan zag je die heren praten. Beneden van het kantoor van Bouterse bij nummer 3 zat de secretaresse, daarboven was het kantoor van Bouterse. Kamperveen en Slagveer hadden een hemd aan. Ik heb deze mensen hun namen genoemd, omdat ik hen kende. Die andere mannen zag ik, maar ik kende hun namen niet. Behalve Hawker heb ik de hele groep van zestien in het Fort Zeelandia gezien. Sommigen waren gekleed in een lange groene broek en een hemd of trui. (…) Tussen de verbindingsdienst en het