BIGI POKU mix 50 JAAR SREFIDENSI 2025 PART 1
PART 2 – BIGI POKU 50 JAAR SREFIDENSI 2025
Anthem of Suriname Volkslied van Suriname (tekst)
Me Kondre Tru. Da lobi vo mi kondre.
The Twinkle Stars (ft. Oscar Harris) – oeng egi passie
Sonora Paramarera Djie ding sranangman Merengue from Suriname
Hendrik Chedi, If WW no ben de, ay brada sang ede yu bo gwe.
OPO – Jai Jai Sarnaam (originele versie)
Jai Jai Suriname Kries Ramkhelawan
Hoe recht op srefidenki door Srefidensi was gewaarborgd

Sranan omarmde ruim 50 jaar geleden Srefidensi, de poëtische creatie van Trefossa, als naam voor zijn onafhankelijkheid. Srefidensi betekende naast staatsrechtelijke en volkenrechtelijke soevereiniteit de nieuwgeboorte van een democratische rechtsstaat. In de grondwet, die unaniem door de gekozen volksvertegenwoordiging was aangenomen, waren verkiezingen, onafhankelijke rechtspraak, de scheiding der machten en grondrechten gewaarborgd. Op 25 november 1975 stoelde Srefidensi op de driepoot: soevereiniteit, democratische rechtsstaat en mensenrechten.
Srefidensi ondermijnd
Met de bloedige militaire staatsgreep van 25 februari 1980 werd de grondwet ernstig geschonden. Van de driepoot waren er twee doorgezaagd: de democratische rechtsstaat en de mensenrechten. Srefidensi was ondermijnd. De jonge republiek was haar belangrijkste fundament voor een betere toekomst kwijt: vreedzaam samenleven. Nu gold het recht van de sterkste. Met de introductie van moord en foltering als politieke instrumenten zouden ernstige mensenrechtenschendingen, misdrijven tegen de menselijkheid en burgeroorlog veel Surinamers tot slachtoffer maken.
Als we het aantal doden door dit soort geweld onder de militaire dictaturen van Suriname (1980–1987/1990–1991) en Brazilië (1964–1985) — gecorrigeerd naar omvang van de bevolking — vergelijken, dan lag dat van de republiek Suriname 230 keer zo hoog. En dat in veel kortere tijd.
Vocabulaire van historische ontkenning
In de Trefossa-documentaire Mi a no mi vertelt muziekpedagoge Mavis Noordwijk dat zij in het pre-Srefidensi kladblokje van de dichter het woord srefidenki las. Cultuurhistorisch kan srefidenki als emancipatoir worden opgevat: autonoom en onafhankelijk denken, ook tegen de stroom in. De eerste 50 jaren van de republiek waren daar vol van! Er was individuele durf tot denken in journalistiek, advocatuur, vakbondswezen, onderwijs, wetenschap, politiek, muziek, literatuur, de andere kunsten en, niet te vergeten, op straat. Kritisch denken over kolonialisme, patronage, dictatuur, ongelijkheid en discriminatie. Het was voedingsbodem voor veel van het goede, mooie en blije dat het licht zag.
De suggestie van de president dat na 50 jaar ‘staatkundige onafhankelijkheid’ de fase van srefidenki is aangevangen, maakt deel uit van de vocabulaire van historische ontkenning. Staatscoöptatie van het vrijheidswoord srefidenki wekt anti-autoritaire argwaan. Srefidenki is een kwaliteit van kritisch burgerschap.
Toekomst vraagt erkenning
In december 1982 werden door de militaire dictatuur twee radiostations, het grootste vakbondscentrum en een drukkerij van een krant in brand geschoten. De brandweer mocht niet blussen. Onafhankelijke media kregen verschijningsverboden. Elk toegestaan medium kwam onder censuur. Het vernietigen van de platforms van srefidenki kon echter de totalitaire machtshonger niet stillen. Vijftien voormannen van de Surinaamse democratie werden gemarteld en doodgeschoten. In de regeringsverklaring van 1 mei 1983 waren vrije verkiezingen definitief geschrapt. Nederland was: ‘Vijand nummer 1’.
Vandaag leggen Surinamers en vrienden van Suriname, nabestaanden en mensenrechtenactivisten bloemen bij het 8 December-gedenkteken in Amsterdam en het Nationaal Monument Bastion Veere – 8 December 1982 in Fort Zeelandia. Het is een eerbetoon aan hen die het hoogste offer brachten voor democratie en mensenrechten, inclusief het recht op srefidenki. In het veroordelende 8 December-vonnis in hoger beroep van 2023 werd korte metten gemaakt met de leugen van ‘op de vlucht neergeschoten’ en de ‘coup en invasie’-laster tegen de slachtoffers.
Een welvarende en rechtvaardigere toekomst vraagt erkenning van ontstaan, teloorgang en herstel van de driepoot van Srefidensi. Opdat wij allen doordrongen raken van de existentiële noodzaak tot consolidatie en versterking van de morele grondslag van Srefidensi.
7 dec 2025 Srefidensi is een feest van onafhankelijkheid, maar het vraagt ook om verantwoordelijkheid. Wat we dit jaar zagen, was geen incident, maar een structureel probleem: gebrek aan organisatie, gebrek aan planning en gebrek aan prioriteiten. Het draaiboek was vanaf het begin een puinhoop. De president kwam een uur te laat, terwijl het volk en de gewapende machten urenlang in de brandende zon stonden. Dit is mensonwaardig. En tot op heden heeft de organisatie niet eens excuses aangeboden.
Keerpunt
Shashi Roopram: ‘Critici durven zich binnen hun gemeenschap niet meer uit te spreken.’

SHASHI ROEPRAM ER ZIJN ZOVEEL OPHEFT OVER DE UITSPRAAK DIE IK HEB GEDAAN OVER SURINAME

CASE S.ROEPRAM SURINAMERS IN NED WERDEN GEÏNTERVIEWD OVER SLAVERNIJVERLEDEN DIE UIT DE HAND LIEP

HET DOET PIJN

‘Frans Pinas in gesprek met Laurens Neede’

27 jan 2025 Hindoestanen in Nederland voelen sterkere culturele band met India dan met Suriname
Stichting 5 juni 1873
Namens deze,
H. Biere
MET DURF EN VISIE EINDELIJK DE HAND IN EIGEN BOEZEM.! DE WERKELIJKE DISCUSSIE NAM EINDELIJK EEN AANVANG!!(founder/owner website)
(1) https://www.youtube.com/watch?v=7RDbrzTwu80
(2) https://www.youtube.com/watch?v=Isf3wyMp5yo
(3) https://www.youtube.com/watch?v=gonboLCZVtU
27 nov 2025 Interview Radio Awaaz met mevrouw Filia Kramp op woensdag 26 november 2025

Geplande viering 50 jaar Srefidensi in Boven-Suriname niet door gegaan

Tekst en beeld Samuel Wens
BOVEN-SURINAME — De viering van 50 jaar staatkundige onafhankelijkheid in het Boven-Surinamegebied is in het water gevallen. De activiteiten die door het commissariaat waren georganiseerd in de dorpen Abenaston, Goejaba, Pikin Slee, Tu Maripa, Semoisi, Solang en Deboo zijn niet doorgegaan. Districtscommissaris Humphrey Jeroe had de bestuursopzichters opdracht gegeven om de dorpelingen, inclusief het traditioneel gezag, uit te nodigen voor de activiteiten op 25 november in de zeven aangewezen dorpen. “Wij hebben de opdracht van de dc uitgevoerd, maar het is ons niet duidelijk waarom de viering niet is doorgegaan in het gebied. Het kan best zijn dat de overheid het toegezegde geld niet heeft overgemaakt aan het commissariaat,” beweren enkele bestuursopzichters.
“De burgervader heeft zijn best gedaan om het ook in het gebied te vieren, maar Paramaribo heeft hem in de kou gelaten”
De kapitein van Abenaston, Johan Zandveld, is ontevreden over het feit dat de activiteiten niet hebben plaatsgevonden in Boven-Suriname. “De burgervader heeft zijn best gedaan om het ook in het gebied te vieren, maar Paramaribo heeft hem in de kou gelaten,” vindt Zandveld. Harvey Amania, traditioneel gezagdrager van Botopasi, sluit zich daarbij aan. “Moeten alleen de mensen van het kustgebied 50 jaar Srefidensi vieren? We voelen ons buitengesloten door de overheid. Wij zijn toch ook Surinamers?”, vraagt Amania retorisch.” Jeroe wil tegenover de krant vooralsnog niet in details treden over de reden van de afgelasting. Hij volstaat met “de geplande activiteiten ter gelegenheid van 50 jaar Srefidensi zijn afgelast wegens onvoorziene omstandigheden”.
https://dwtonline.com/geplande-viering-50-jaar-srefidensi-in-boven-suriname-niet-door-gegaan/
Alles is beter in Suriname, maar in Nederland zijn er uitkeringen
Nederlandse verzorgingsstaat blijkt doorslaggevende factor voor het verblijf van veel Surinamers in Nederland

Veel Surinaamse Nederlanders koesteren een diepe heimwee naar Suriname. Foto: SBS6
Met de 50-jarige onafhankelijkheid van Suriname laait een oud dilemma opnieuw op: de onvoorwaardelijke liefde voor het geboorteland versus het leven in Nederland.
Veel Surinaamse Nederlanders koesteren een diepe heimwee en soms geromantiseerd beeld van Suriname. Maar waarom blijven ze dan in Nederland?
Een kritische stem durft de vinger op de zere plek te leggen en stelt dat de praktische voordelen en zekerheden van het leven in Nederland doorslaggevend zijn, zelfs voor degenen wiens hart in Suriname ligt.
Reportage uit de Bijlmer: scherpe uitspraken over ‘thuis’ en zekerheid
In Amsterdam-Zuidoost, beter bekend als de Bijlmer, spraken verschillende Surinaamse Nederlanders in een aflevering van het SBS6 programma Nieuws van de Dag met opvallend veel warmte over hun herkomst.
Ze omschreven Suriname als een “multicultureel paradijs” waar “alles beter is”: van de vrijheid en de saamhorigheid tot het eten, het ritme en de tropische warmte.

Maar wanneer verslaggever Pim Markering doorvroeg waarom ze tóch in Nederland bleven, kwam telkens hetzelfde antwoord terug: de zekerheid van het Nederlandse systeem.
Goede gezondheidszorg, degelijk onderwijs, stabiele uitkeringen en betaalbare huisvesting bleken voor velen de doorslaggevende factor.
Een oudere vrouw verwoordde het scherp:
“Hier hebben we de voorzieningen, hè? Ziekenhuis, uitkering als het nodig is.”Een andere geïnterviewde voegde daaraan toe:
“Suriname is mooi, maar hier kan ik tenminste op iets terugvallen.”En weer een ander sloot af met de praktische realiteit:
“Ik blijf hier voor de kinderen.”
Shashi Roopram’s scherpe kritiek
De Surinaams-Nederlandse Antropoloog Shashi Roopram reageerde fel op deze bevindingen.

Hij stelde de scherpe vraag: “Als zij zoveel eigenwaarde zouden hebben, waarom zitten ze dan in Nederland?”
De in de Hofstad woonachtige Roopram bekritiseerde het geromantiseerde beeld dat velen koesteren en dat volgens hem ook door de mainstream media wordt gevoed.
Hij wees erop dat bijna de helft van de Surinaamse bevolking in Nederland woont. “Waarom is dat, als het leven in Suriname zo geweldig is?” vroeg Roopram retorisch.
Hij betoogde dat de onafhankelijkheid in 1975 te snel kwam en Suriname tot op het bot etnisch verdeelde.
Roopram concludeerde dat de uitkeringen en de zekerheid van de Nederlandse verzorgingsstaat een doorslaggevende factor zijn voor het verblijf van veel Surinamers in Nederland, ondanks de uitgesproken heimwee naar een ‘paradijs’.
https://www.gfcnieuws.com/alles-is-beter-in-suriname-maar-in-nederland-zijn-er-uitkeringen/

Owen Venloo is verdrietig

Racistisch getint protest smet op werkbezoek Santokhi aan Nederland – ABC Online Nieuws

SURINAME IS TOT OP HET BOT (ETNISCH) VERDEELD!

Shashi Roopram: ‘Suriname is GEEN multicultureel paradijs’

Ram Sardjoe (90): ‘We hebben alle reden om feest te vieren’

Gedocumenteerd vertelt Ram Sardjoe zijn verhaal over 25 november 1975.-. [Foto: Ivan Cairo]
Een historische terugblik op 50 jaar soevereiniteit
Suriname viert vandaag, 25 november 2025, vijftig jaar soevereiniteit. Vijftig jaar waarin een klein land in Zuid-Amerika zich ontwikkelde tot een zelfstandige, gerespecteerde natie. Ram Sardjoe (90), lid van de Staten van Suriname, zoals het parlement van Suriname destijds heette, heeft het allemaal van zeer nabij meegemaakt. Hij werd in 1964 voor het eerst als parlementariër gekozen en daarna bij elke verkiezing; de laatste keer in 2005. Bij dit jubileum blikt hij terug met de Ware Tijd. Bij de onafhankelijkheidsdsviering was hij al 11 jaar lid van het parlement.
Tekst Ivan Cairo
“We hebben alle reden van feest om 50 jaar onafhankelijkheid te vieren”, zegt hij met volle overtuiging. Sardjoe, van beroep Geschiedenisleraar, herinnert zich de cruciale momenten alsof ze gisteren plaatsvonden. Zijn verhaal is vlot, boeiend en doorspekt met historische kennis: een levende brug tussen verleden en heden. Met rustige stem maar zichtbare trots herinnert Sardjoe zich de historische nacht waarop Suriname zijn vleugels uitsloeg: de nieuwe vlag die langzaam werd gehesen in het Suriname Stadion, nu Andre Kamperveenstadion, het volkslied dat klonk en het publiek dat daarna in luid gejuich uitbarstte.
De wortels van onafhankelijkheid
“Met gevoelens van trots en voldoening gedenken we thans 50 jaar soevereiniteit van Suriname,” begint Sardjoe. “Een eigen staatkundige identiteit, een soeverein volk dat zijn bestuur thans en voor de toekomst zelf bepaalt. Vijftig jaar een waardige en gerespecteerde natie in de wereldgemeenschap van volkeren.”
Maar deze onafhankelijkheid kwam niet uit de lucht vallen. Het was het resultaat van eeuwenlange geschiedenis. In 1650 stichtte Francis Willoughby de nederzetting Suriname. Zeventien jaar later, in 1667, veroverde Abraham Crijnssen het gebied en werd Suriname voor bijna drie eeuwen een koloniaal bezit van Nederland. Pas in de 20ste eeuw begon het proces van autonomie en zelfbestuur echt vorm te krijgen.
Van kiesrecht tot autonomie
Sardjoe vertelt levendig over de eerste stappen richting democratie. Tijdens de Eerste Ronde Tafel Conferentie in 1948 pleitten Jagernath Lachmon voorzitter van de Verenigde Hindoestaanse Partij -nu Vooruitstrevende Hervormingspartij (VHP) en Pater Wijdman van de Progressieve Surinaamse Volkspartij (PSV) voor algemeen kiesrecht. Waar eerst slechts 1.200 mensen stemrecht hadden, kregen nu 90.000 mensen stemrecht. “Vanaf 1948 kreeg Suriname wat betreft het parlementair gebeuren het karakter van een echt parlement. Het parlement werd een instituut van het volk, een echte volksvertegenwoordiging,” zegt Sardjoe.
In 1949 werd een regeringsraad ingesteld, het College van Algemeen Bestuur. Ministers waren nu verantwoording verschuldigd aan het parlement, en Suriname kreeg volledige wetgevende en budgettaire zeggenschap over binnenlandse aangelegenheden. In 1954 volgde het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden. Suriname werd een gelijkwaardig deel van het Koninkrijk der Nederlanden en de koloniale periode van bijna drie eeuwen werd formeel afgesloten. Dit moment werd in Suriname gevierd met een optocht. “Ik heb deelgenomen aan die optocht. Ik was toen al twee jaar onderwijzer en in die tijd was het onderwijzer zijn een hoge status”, vertelt Sardjoe.
Nationale symbolen en politieke ontwikkeling
Het bewustzijn van nationale identiteit groeide verder in de jaren vijftig. In 1958 won de combinatie NPS, VHP, PSV de verkiezingen en kwam het kabinet-Emanuels aan de macht. Johan Adolf Pengel en Lachmon werden respectievelijk fractievoorzitter van de NPS en VHP in het parlement. In 1959 werden twee beslissingen genomen: er werd een nationaal volkslied aangenomen en een eigen Surinaamse vlag werd officieel aangenomen ter vervanging van de Nederlandse vlag. Het volkslied, met een tweede couplet in Sranan van dichter Trefossa, benadrukte verbondenheid en eenheid. De vlag symboliseerde de diversiteit van de bevolking, met vijf sterren verbonden door een band die Suriname voorstelde.
In 1967 benadrukte de VHP in een verklaring dat zij voorstander was van een geleidelijke ontwikkeling naar volledig zelfstandig bestuur. Deze stap markeerde een belangrijke politieke koers: onafhankelijkheid moest weloverwogen en in goed overleg met Nederland worden bereikt.
Naar onafhankelijkheid
De jaren zeventig waren cruciaal. Op 5 januari 1972 stelde premier Biesheuvel van Nederland stelde een Koninkrijkscommissie in ter voorbereiding van de nationale zelfstandigheid. Daarna kwam de PvdA aan de macht met Joop den Uyl als premier. Tijdens een partijcongres van de PvdA werd toen verklaard dat Suriname uiterlijk eind 1976 onafhankelijk moest zijn. In maart 1972 werd de Surinaamse sectie in voornoemde commissie benoemd. Voormalig hoofdacteur van de Ware Tijd Leo Morpurgo werd toen aangewezen als voorzitter.
Intussen was het kabinet-Arron na de verkiezingen van 1973 aan de macht gekomen. Op 15 februari 1974 verraste premier Arron bij de behandeling van de regeringsverklaring zowel de samenleving als de politieke arena met de mededeling dat Suriname uiterlijk eind 1975 een onafhankelijke status zou verwerven.
Sardjoe herinnert zich de discussies in de Staten van Suriname die daarna volgden: “Lachmon stelde zich op het standpunt dat bij zo een ingrijpend besluit, het volk van Suriname betrokken zou moeten worden. En nu deze kwestie geen issue was tijdens de verkiezingscampagne van de NPK en het volk zich daarover dus niet heeft kunnen uitspreken, wilde Lachmon dat de beslissing over de datum van de onafhankelijkheid bij referendum moest gebeuren, waardoor het volk de gelegenheid kreeg om zich uit te spreken”. Andere belangrijke voorwaarden waren afgebakende grenzen, een gunstige regeling ten aanzien van de nationaliteit, een onafhankelijke rechterlijke macht, een democratisch leger en respect voor mensenrechten.
Spanningen
Op 15 september 1975 vond een gesprek plaats tussen Arron en Lachmon en presenteerde in het parlement een proclamatie waarin hij aangaf dat de VHP wilde meewerken aan de onafhankelijkheid, maar zou Nederland het grensvraagstuk met Guyana eerst moest oplossen en het onafhankelijke Suriname niet daarmee moest opzadelen. Er volgden toen enorme spanningen in het land of de onafhankelijkheid onmiddellijk zou moeten komen of goed voorbereid moest worden. Lachmon was voorstander van een goed voorbereide onafhankelijkheidswording. “Dit was een controverse tussen oppositie en coalitie, die helaas etnische grenslijnen begon te krijgen. De VHP, meer ondersteund door de hindostanen, aan de ene kant en de NPS die meer creools gericht was aan de andere zijde”. De politieke spanningen tussen oppositie en coalitie liepen dusdanig hoog op dat in de hoofdstad branden gesticht door personen die tegen de onafhankelijkheid waren. Dit was een minpunt in de geschiedenis van Suriname”, stelt de oud-parlementariër. Sardjoe hoopt dat wetenschappers onderzoek doen naar deze incidenten en momenten van de Surinaamse geschiedenis en daar goed verslag over doen. Hij vervolgt: “Maar dan zien we iets, dat wanneer zich moeilijke situaties voordoen Surinaamse leiders hun eigen principes en belangen op de tweede plaats stellen en een keuze maken, zich verheffen boven die belangen tot het nationaal belang”.
Verzoening
Op 18 november 1975 liep premier Arron in het parlement met uitgestrekte hand naar Lachmon die dat ook aanvaardde. Er kwam een verzoening tot stand tussen de twee partijen: voorstanders en tegenstander in het parlement.
De symbolische ‘brasa dey’ van 18 november markeerde de aanvaarding van de onafhankelijkheid uiteindelijk door Jagernath Lachmon en kwamen de ontwikkelingen in een stroomversnelling terecht. Sardjoe memoreert ook de rol van George Hindori, die de fractie van de VHP verliet en zich aansloot bij de coalitie, die daardoor ook de meerderheid kreeg in het parlement. De volgende dagen volgden de laatste wettelijke stappen. Op 19 november werd in het Surinaamse parlement de nieuwe Grondwet en de wet ter beëindiging van het Statuut van het Koninkrijk aangenomen. Op 24 november werd de nieuwe Surinaamse vlag goedgekeurd, met kleuren en symboliek die de vruchtbaarheid, gerechtigheid, liefde voor het vaderland en eensgezindheid uitdrukten. Op dezelfde dag vond in Suriname, Nederland en de Nederlandse Antillen de afkondiging plaats van de beëindiging van het Statuut.
De nacht van de vlag en de dag van de soevereiniteit
De overgang naar zelfstandigheid was een emotioneel moment. Op de nacht van 24 op 25 november 1975 werd de Surinaamse vlag bij het spelen van het volkslied langzaam gehesen in het Suriname Stadion, terwijl de Nederlandse vlag werd neergehaald. “Het was een groots en ontroerend moment. Het publiek barstte los in feeststemming. Het was een bijzonder moment. Velen huilden van blijdschap Wij waren blij dat dit moment vredig heeft kunnen plaatsvinden,” herinnert Sardjoe zich.
De volgende ochtend, 25 november 1975, vond een plechtige buitengewone vergadering van het parlement plaats. Premier Henck Arron ondertekende de Akte van Soevereiniteit in de Grote Stadskerk, terwijl in Nederland koningin Juliana de erkenning van de Republiek Suriname tekende. Gouverneur Johan Ferrier werd benoemd tot eerste president van de nieuwe republiek, en op 4 december 1975 werd Suriname toegelaten tot de Verenigde Naties als de 144ste staat.
Schaduwzijde en herstel
Sardjoe erkent ook de moeilijkere periodes. Het kabinet-Arron kwam in conflict met militairen die opkwamen voor vakbondsrechten. Op 25 februari 1980 namen 16 onderofficieren onder leiding van sergeant-majoor Desi Bouterse de regeermacht tijdens een gewapende staatsgreep waarbij doden vielen over, wat leidde tot een militaire dictatuur van zeven jaar. Op 13 augustus 1980 werd de Grondwet buiten werking gesteld. Sardjoe memoreert dat in januari 1981 een gesprek plaatsvond tussen de leider van de VHP en het militair gezag vertegenwoordigd door Bouterse en Roy Horb. Lachmon eiste toen dat de NPS bij de vervolgbesprekingen betrokken diende te worden en moesten de NPS=toppers die in de gevangenis zaten onmiddellijk in vrijheid gesteld worden, wat ook gebeurde.

Op 26 februari 1981 vond thuis bij Sardjoe een bespreking plaats waarbij de VHP’ers Lachmon, Alwin Mungra, Sardjoe en de NPS’ers Arron, Otmar Rodgers en Rufus Nooitmeer aanwezig waren De NPS heeft toen ingestemd om deel te nemen aan de dialoog met het Militair Gezag. De geruchtmakende moorden van 8 december 1982 brachten echter een kink in de kabel bij die dialoog. De politieke partijen werden vanaf dat moment niet meer uitgenodigd voor gesprekken. Dat zou duren tot september 1983 toen die weer op gang werden gebracht. In 1984 werd de KTPI erbij gehaald.
In 1985 werd het Politiek Akkoord ondertekend door Lachmon, Arron, Willy Soemita (KTPI) en Bouterse, waarna binnen 27 maanden weer algemene verkiezingen werden gehouden. Op 30 september 1987 werd een nieuwe Grondwet aangenomen, gevolgd door verkiezingen op 25 november van dat jaar. Begin 1988 trad de eerste burgerregering na 1980 aan, geleid door president Ramsewak Shankar en vicepresident Henck Arron.
De binnenlandse oorlog die in 1986 begon, bracht veel leed. Op 7 juni 1989 begonnen op het eilandje Portal in de Marowijnerivier vredesbesprekingen met het Jungle Commando van Ronnie Brunswijk. De regering had Lachmon en Nooitmeer afgevaardigd om de gesprekken te voeren. Deze vredesbesprekingen resulteerden uiteindelijk in het Kourou-vredesakkoord. Sardjoe: “Bouterse had moeite met het Kourou-akkoord omdat hij vond dat het Jungle Commando te veel macht zou krijgen.Kennelijk was dit medeoorzaak van de telefooncoup van december 1990”.
De politicus in ruste merkt op dat vanaf 1991 met het aantreden het eerste kabinet-Venetiaan forse stappen zijn gezet om de geruïneerde economie te herstellen. Het machtsvraagstuk waarbij de politieke macht het leger werd ontnomen, werd opgelost en de hyperinflatie werd een halt toegeroepen. En herstelde de democratie geleidelijk aan.
Maatschappelijke vooruitgang en uitdagingen
Na vijftig jaar onafhankelijkheid leeft Suriname samen in vrede, rust en harmonie, ondanks de diversiteit aan bevolkingsgroepen, culturen en religies. Toch zijn er zorgen: de economie is nog niet op het juiste spoor, de waarde van de Surinaamse dollar is nog niet sterk genoeg en werkloosheid vormt nog een probleem.
Sardjoe wijst echter op hoopvolle perspectieven. De ontwikkeling van olie en gas biedt reële kansen, net als de natuurlijke rijkdommen van het land. Sport en cultuur dragen bij aan nationale eenheid en bewustzijn. “Het verleden heeft ons geleerd dat wij ons kunnen verheffen boven enge belangen om nationale problemen succesvol tegemoet te treden,” zegt hij. Sardjoe roept verder op vertrouwen te hebben in “de Surinaamse mens om de integrale ontwikkeling van de natie geestdriftig voort te zetten”, nu geleid door president Jennifer Simons.
Het gesprek met het oud-Statenlid eindigt met een boodschap van vertrouwen en liefde voor het land. Hij prijst de veerkracht van de bevolking en ziet mogelijkheden voor integrale ontwikkeling van de natie. “Moge u, uw kinderen en kleinkinderen gezond en gelukkig leven. Hebt ons land lief en wees toegewijd. God zij met Suriname,” besluit hij.
https://dwtonline.com/ram-sardjoe-90-we-hebben-alle-reden-om-feest-te-vieren/

His Majesty King Otumfuo Osei Tutu II Asantehene (Ghana)

Stemgedrag Hindori maakte onafhankelijkheid mogelijk – ABC

BT MAANDAG 24 NOV 2025 || EERSTE TOESPRAAK PREMIER ARRON 1975

Vraaggesprek met de Weduwe van heer Henck Arron

Den Uyl weigerde met Jaggernath Lachmon te praten – A

Flitsen pagara estafette plein (Suriname)

Aankomst en ontvangst his Majesty King Otumfuo Osei Tutu II Asantehene

NATRAJ TV Talktime special Suriname 50 jaar Onafhankelijk met Prof Chan Choenni Historicus

Kranslegging bij standbeeld Arron, onderdeel officiële Srefidensi-activiteiten – ABC

Krishna Salikram In een boeiende uitwisseling met Drs Jan Pronk op zo 23

Interview Radio Awaaz met de heren Prem Girjasing en Ashwin Ramcharan op vrijdag 21 november 21025

Chan Choenni (72) vertrok begin jaren zeventig als student naar Nederland: ‘Daar droomde ik al vroeg van’
Suriname is binnenkort vijftig jaar onafhankelijk. Historicus Chan Choenni groeide op in koloniaal Suriname. ‘Hindostanen, zoals mijn familie, zagen Nederland ook als beschermer tegen de invloed van de Afro-Surinamers.’
Dit artikel is geschreven doorSterre Lindhout
is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over Noord-Amerika, het Caribisch gebied en Suriname.
Gepubliceerd op 19 november 2025
Had de Volkskrant Chan Choenni (72) vijftig jaar geleden aan de vooravond van de Surinaamse onafhankelijkheid geïnterviewd, dan zou de jonge student politicologie een vurig pleidooi hebben gehouden vóór het kolonialisme. Een halve eeuw later heeft historicus en surinamist Choenni twee boeken en talloze artikelen op zijn naam staan over zijn geboorteland voor en na de onafhankelijkheid. Choenni ontvangt in zijn museaal-rommelige huis in Haarlem, waar de donkere kasten van tropisch hout bulken van de souvenirs uit Suriname en uit India, het land van zijn verre voorouders. Choenni introduceert zichzelf als een bevoorrecht mens. Omdat hij ondanks zijn leeftijd ‘nog nooit echt ziek’ is geweest en vanwege zijn naar eigen zeggen ‘hoge intelligentie’.
‘In dat opzicht was het oude Suriname een heel meritocratisch en oneerlijk land: als je slim was kreeg je aandacht, niet alleen van de leraressen op school maar ook binnen de familie. Met verdraaide stem imiteert hij zijn tantes van weleer: ‘Laat die jongen flink lezen hoor, flink lezen.’ Breedsprakig en doorspekt met anekdotes vertelt Choenni over het koloniale Suriname van zijn jeugd en hoe hij het land drie jaar voor de onafhankelijkheid verliet om nooit meer definitief terug te keren. U bent in 1953 geboren in Paramaribo, toen Suriname nog een Nederlandse kolonie was. Op welke manier was Nederland aanwezig in de wereld van uw kindertijd en jeugd?
‘Nederland had status, in de positieve betekenis van het woord. Ik ging naar een middelbare school waar veel Nederlandse leerkrachten werkten. Het was daar een beetje deftig. Het was iets wat ik graag aan andere mensen vertelde.
‘Op de lagere school was onze leraar Nederlands de beroemde Surinaamse dichter Henri Frans de Ziel, beter bekend als Trefossa. Hij zei ons dat we onze toekomstkansen zouden vergroten als we daar zouden studeren. Hij vertelde over flatgebouwen en dat soort dingen. Ik begreep er niet veel van, maar zag wel dat hij mooie kleren droeg. Ik droomde er al vroeg van om naar Nederland te gaan.’
Waaruit bestond die droom concreet?
‘Ik had een sprookjesachtig beeld van Nederland gebaseerd op plaatjes en foto’s en kinderboeken zoals Pietje Bell: mooie huizen, alles goed georganiseerd en iedereen in een spijkerbroek, net als in bioscoopfilms.’
Gedurende uw jeugd in de jaren zestig werd steeds duidelijker dat het naoorlogse Nederland van zijn imago als kolonisator af wilde, en dus van Suriname. Wat vond u daarvan?
‘Ik vond dat een slecht idee, zoals de meeste Surinamers. Het ging in die tijd goed met ons land. Suriname gold in de regio als voorbeeld op het gebied van onderwijs en volksgezondheid. Ik zag alleen maar voordelen van de band met Nederland. De groep die voor onafhankelijkheid pleitte was klein, maar heel luidruchtig en voornamelijk Afro-Surinaams. Dat leidde in de aanloop naar de onafhankelijkheid ook tot groeiende raciale spanningen.
‘Hindostanen, zoals mijn familie, zagen Nederland ook als beschermer tegen de invloed van de Afro-Surinamers. Hindostaanse Surinamers zien zichzelf als harde werkers die plannen voor de toekomst. Ze zien Afro-Surinamers als mensen die meer van dag tot dag leven, als gevolg van het trauma van eeuwenlange slavernij. Al is dat natuurlijk een stereotype.’
Is het niet gewoon zo dat de Nederlanders de verschillende etnische groepen tegen elkaar uitspeelden?
‘De rivaliteit zat inderdaad ingebakken in het systeem. De Hindostanen werden immers gehaald om werk te doen op de plantages dat Afro-Surinamers na afschaffing van de slavernij niet meer wilden doen. Natuurlijk werden zij ook uitgebuit. Maar ze werden door sommige gouverneurs en hoge ambtenaren ook beschermd en voorgetrokken. En ze kregen eigen grond. Veel Afro-Surinamers hadden een landbouwtrauma en wilden ook geen eigen grond. Dat heeft geleid tot scheve bezitsverhoudingen.’
Een heel Surinaamse vraag: wie waren uw voorouders?
Bij wijze van antwoord bladert Choenni in zijn eigen boek over de geschiedenis van Hindostaanse Surinamers dat samen met zijn nog dikkere werk over Afro-Surinamers op tafel ligt. Hij wijst op een zwart-witfoto van een man met gelaatstrekken die lijken op de zijne, al is Mahashay Soekdew Choenni breder van postuur en ontbreekt in zijn ogen de kwinkslag van zijn kleinzoon.
‘Mijn grootvader van vaderskant. Hij is belangrijk voor mij geweest. Ik was zijn favoriete kleinzoon. Je ziet wel dat het een dominant heerschap was. Als ik aan zijn hand door Paramaribo liep, dan weken de mensen uiteen. Zijn vader, mijn overgrootvader, kwam in 1889 als contractarbeider uit India en kreeg een paar jaar daarna een vergunning om drank te mogen verkopen, waarmee hij goed verdiende. Mijn grootvader groeide dus op in relatieve welstand en kon als jonge man samen met anderen een plantage kopen. Daar begon hij een bedrijf in koffie, cacao en citrusvruchten.
‘Hij hield er een spartaanse levensstijl op na: elke ochtend om 5 uur op. Tijdens de zomervakanties op de plantage ben ik door hem gedrild. Mijn vader zou het bedrijf eigenlijk overnemen maar besloot toch zijn broers achterna te gaan, naar Paramaribo. Daar ging hij werken bij Kirpalani, het bekende warenhuis.’
En uw moeder?
‘Mijn moeders familie was erg rijk. Mijn oma was een succesvolle zakenvrouw – écht een bitch. Omdat ze moesten overleven in een nieuw land, waren de eerste twee generaties Hindostaanse vrouwen vrij en geëmancipeerd. Maar mijn oma wilde dat haar dochters weer ‘eerbaar’ zouden worden. Dus moesten ze als prinsesjes thuiszitten. Voor mijn moeder was dat niets. Ze was sociaal, hield van mooie kleding, zwierde van hot naar her. Mijn ouders vonden een huis in de Afro-Surinaamse volkswijk Abrabroki, waar mijn moeder een groente- en fruitwinkeltje aan huis begon.
‘Toen ik 6 jaar was, heeft ze suïcide gepleegd. De redenen daarvoor zijn ingewikkeld. Dat mijn oma haar geen geld wilde geven om haar winkel te legaliseren speelde een belangrijke rol. En mijn vader verbood haar steekpenningen te betalen om de zaak illegaal open te houden. Mijn vader was nogal een moralist. Mijn ouders zijn gedwongen getrouwd. Mijn moeder was eigenlijk verliefd op een andere man, maar die was van een lagere kaste. Ze heeft zich opgehangen op zolder. Mijn broertje van 3 heeft haar gevonden.’
Hoe was het leven in die wijk in het decennium voor de Surinaamse onafhankelijkheid, uw tienerjaren?
‘Ik ben de derde van zes kinderen. Dat we na de dood van mijn moeder allemaal goed terecht zijn gekomen komt door de familie, maar ook door de creoolse buurvrouwen die ons met veel liefde hebben opgevangen – zij hebben mij leren genieten van het leven.
‘Ik paste me aan aan de Afro-Surinaamse cultuur, wat uitzonderlijk was voor een Hindostaanse jongen in die tijd. Ik leerde goed vechten en kon schelden in het Sranantongo, ik nam een afro en werd de beste in dansen. Ik hield van soulmuziek. De creoolse mensen in onze buurt organiseerden illegale feesten op hun erf. Ik herinner me dat een tante die op bezoek was daar niet-begrijpend naar zat te luisteren: ‘Ze zingen de hele tijd baby baby, waarom zingen ze over baby’s?’’
Wat merkte u van de toenemende etnische spanningen in aanloop naar de onafhankelijkheid?
‘Op school waren ook wat Afro-Surinaamse leraren. Die hemelden mij aan de ene kant op als voorbeeld voor anderen omdat ik hoge cijfers haalde. Maar ze spoorden anderen ook aan om beter te worden dan ik, omdat de Hindostanen anders het land zouden overnemen. Een deel van mijn familie vond juist dat ik me veel te veel gedroeg als een Afro-Surinamer, niet respectvol genoeg.
‘Ik zeg altijd dat de Surinaamse samenleving uit een frontstage en een backstage bestaat – toen en nu nog steeds. Mijn stiefmoeder, de tweede vrouw van mijn vader, was altijd ontzettend hoffelijk tegen onze Afro-Surinaamse buren. Maar du moment dat haar zus van het platteland op bezoek kwam en ze stapten in een taxi, dan zeiden ze allemaal lelijke dingen over hen.
‘In het openbaar respecteert iedereen elkaar, maar tegen goede vrienden zeggen mensen allerlei nare dingen over andere bevolkingsgroepen. Dat kun je hypocriet noemen. Maar het werkt wel. De bevolkingsgroepen in Suriname hebben ook na de onafhankelijkheid betrekkelijk harmonisch samengeleefd, op de coup en de Decembermoorden na, maar dat geweld was niet raciaal.’ (De staatsgreep van het leger onder leiding van Desi Bouterse in 1980 en de moord op vijftien politieke tegenstanders twee jaar later, red.)
U vertrok drie jaar voor de onafhankelijkheid naar Nederland om aan de Universiteit van Amsterdam politicologie en wetenschapsfilosofie te studeren. Waar was u op 25 november 1975?
‘Ik zat in mijn studentenflat en had een paar neven op bezoek. We zagen de feestelijkheden in Suriname op televisie. Op een gegeven moment kwam er een Afro-Surinaamse kennis binnen om ons te feliciteren. Wij keken hem wazig aan. Gefeliciteerd waarmee? Oja, de onafhankelijkheid. Voor mij voelde die dag niet feestelijk. Het was voor Surinaamse Nederlanders ook een stressvolle tijd, omdat veel mensen last minute naar Nederland vluchtten uit angst voor rellen. Die moesten allemaal ergens worden opgevangen.’
In de eerste jaren na de onafhankelijkheid deden Surinaamse politici en prominenten een dringend beroep op jonge, hoogopgeleide Surinamers zoals u om terug te komen om het land op te bouwen. Waarom koos u voor een toekomst in Nederland?
‘De kennismaking met Nederland was voor mij precies zo positief als ik me had voorgesteld. In mijn vrije tijd organiseerde ik feestjes, was ik portier en uitsmijter, maar deed ik ook welzijnswerk voor de Afro-Surinaamse gemeenschap in de Bijlmer. Ik werd links, zoals de meeste jonge mensen in die tijd, en wilde na mijn studies voor een internationale organisatie werken. Toch hield ik de mogelijkheid wel open om naar Suriname terug te keren.
‘Dat veranderde toen ik in 1976 samen met een van mijn broers in Suriname op vakantie ging. Ik ervoer een sfeer van verloedering. Vriendjes die ik van vroeger kende hadden goede banen bij de overheid of als ondernemer. Ze namen me mee naar wilde feesten met dure whisky en prostituees. Toen kwam al snel het besef dat ik niet wilde blijven.’
U heeft een groot deel van uw werkende leven besteed aan het schrijven van de Surinaamse geschiedenis. U deed dat vanuit Nederland. Dat hun geschiedenis na een halve eeuw onafhankelijkheid nog steeds voornamelijk in het land van de ex-kolonisator wordt geschreven, zit sommige Surinamers niet lekker.
‘Dat doet een beetje pijn. Ik heb een paar keer aangeboden gasthoogleraar te worden aan de Universiteit van Suriname, gratis en voor niets. Dat liep stuk. Er waren altijd complicaties, mensen die de baas over je wilden spelen. Ze hebben snel het gevoel dat wij hen komen vertellen hoe het moet. Bij de jongere generatie speelt dat gelukkig minder. Dat stemt me hoopvol. Ik hoop dat Suriname in de toekomst zal leren op een constructieve manier gebruik te maken van zijn diaspora.’
Arrestatiefoto Anton de Kom duikt op in privé-album: ‘Het is een raadsel hoe de foto hier terecht is gekomen’
Ongelooflijk maar waar: in een particulier fotoalbum is de originele foto gevonden die in 1933 is gemaakt van verzetsstrijder Anton de Kom na zijn arrestatie in Paramaribo.
Patrick MeershoekGepubliceerd op 29 oktober 2025
De Amsterdamse verzamelaar van Surinamica Carl Haarnack viel volgens eigen zeggen bijna van zijn stoel, toen hij, bladerend door een particulier familiealbum met kiekjes uit Suriname, totaal onverwacht een foto aantrof van Anton de Kom. En niet zomaar een foto, maar de politiefoto die in 1933 in Paramaribo werd gemaakt na de arrestatie van de activist.
Het gaat om een unieke en historische foto, vertelt Haarnack. “De mugshot laat een jonge Anton de Kom zien. Hij is 34 jaar, sterk vermagerd en ongetwijfeld onzeker en angstig over wat hem als arrestant te wachten stond.” Wat de vondst ook bijzonder maakt, is dat er verder weinig foto’s bewaard zijn gebleven van de schrijver van het bekende boek Wij slaven van Suriname. “Dat zijn voornamelijk kiekjes. Dit is een echt portret.”
Originele arrestatieformulier
Dat de foto bestond, vertelt de verzamelaar, was al enige jaren bekend. “In 2017 heeft de Nederlandse historicus en Surinamekenner Rosemarijn Hoefte in een Amerikaans archief, ook bij toeval, een kopie van het originele arrestatieformulier gevonden. Op dat document stonden de vingerafdrukken van De Kom, en er waren twee mugshots aan vastgemaakt.”
Het originele portret bleek verstopt te zitten in een bewaard gebleven fotoalbum van Maurits Welle, een agent van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM). Welle woonde en werkte in de eerste helft van de vorige eeuw in Suriname als vertegenwoordiger van de NHM, onder meer op de plantages Mariënburg en Zoelen, die eigendom waren van de voorloper van de Algemene Bank Nederland (ABN).
Nederlands bloedbad inParamaribo
Door Guido van Hengel
— Guido van Hengel is historicus. Dit artikel schreef hij in 2017.
Op 7 februari 1933 liet procureur-generaal Frans van Haaren in Paramaribo het vuur openen op een demonstratie. Er vielen twee doden en tientallen gewonden. Historisch Nieuwsblad kreeg als eerste inzage in zijn memoires. ‘Alles bij elkaar had het niet gunstiger kunnen verlopen.’
In het laatste hoofdstuk van Wij slaven van Suriname (1934) vertelt schrijver Anton de Kom over het weerzien met zijn geboortegrond op een ‘blijde,
lichte’ morgen in januari 1933. Vanaf de boot beziet hij de kust: ‘Twee uur geleden is de zon met een bloedrode glimlach opgestaan uit haar leger, haar gloeiende kogel rolt als een vurige ballon langs de strakblauwe hemel… Aarde en zee van Suriname nemen een douche van zonlicht.’
Hij had toen dertien jaar in het grotendeels van zonlicht verstoken Nederland geleefd. Dertien vormende jaren. In Haagse restau- rants en zaaltjes kruiste zijn pad dat van Indonesische vrijheidsstrijders, antikolo- niale activisten en ook communisten. De inspiratie die zij boden, aangevuld met de dagelijkse ervaringen met racisme, deden hem beseffen dat hij zich met ziel en
Door Guido van Hengel
zaligheid moest inzetten voor Surinaamse onafhankelijkheid. Lange avonden spen- deerde hij in de Koninklijke Bibliotheek, waar hij materiaal verzamelde voor het schrijven van een boek dat de Surinamers hun eigenwaarde zou moeten teruggeven. Nederland wist ervan. In 1929 signaleerde de inlichtingendienst in Den Haag al ‘één West-Indiër’ bij de antikoloniale bewe- ging Perhimpoenan Indonesia. De Kom was in het vizier, helemaal toen hij daarna artikelen ging schrijven voor het communistische dagblad De Tribune. Hoewel De Koms besluit om in 1933 naar Suriname te reizen apolitiek was – zijn moeder lag op sterven – stuurde de minister van Koloniën toch een panieke- rig waarschuwingstelegram naar de Nederlandse gouverneur in Paramaribo. De Kom was een ‘gevaarlijke communist’ en een ‘revolutionair agitator’ die het
volk zou opzetten tegen het koloniale gezag. Prompt werd De Kom vierentwin- tig uur per dag geschaduwd. Later schreef hij erover: ‘Hoe is het mogelijk dat de komst van een “communist” vele civiele en militaire bestuurders van de kolonie dermate had beangstigd? […] Wat zou een enkele man, zelfs indien hij wilde, begin- nen kunnen tegen het gehele machtsap- paraat van de kolonie Suriname?’
De Kom had ongelijk. Eén man kon het verschil maken. Zijn bezoek veroorzaakte veel tumult, wat leidde tot zijn arrestatie en eindigde met de ‘Rode Dinsdag’ – een dramatische dag in de Surinaamse collectieve herinnering. Op 7 februari 1933 gaf procureur-generaal Frans van Haaren het bevel te schieten op een menigte die voor de vrijlating van De Kom gekomen was. Er vielen twee doden en tientallen gewonden.
Deze gebeurtenis kennen we vooral vanuit het perspectief van De Kom, die erover schreef in Wij slaven van Suriname, aangevuld met de verslagen van de gou- verneur, die te vinden zijn in het Nationaal Archief. Maar een paar jaar terug doken de memoires op van Frans van Haaren. Een familielid gaf Historisch Nieuwsblad inzage in Van Haarens persoonlijke impressies van deze verschrikkelijke dag.
‘Een enorme opruierij’
Twee jaar voor De Koms arrestatie, in 1931, was Suriname al opgeschrikt door hon- gerrellen van werklozen. Deze waren ontaard in een gewelddadige confrontatie met de politie. Van Haaren had deze rellen getypeerd als ‘baldadigheid van het rapalje’, maar ondertussen was hij als gezagsdrager ook angstig geworden voor het rode gevaar. ‘Het communisme heeft
hier zijn intrede gedaan,’ schrijft hij. ‘De opstand van 1931 was onderdrukt, maar het communisme kreeg men niet het land uit. Het gistte onder het volk.’
Lange tijd was er weinig reden tot zorg geweest. Het verzet in Suriname was gefragmenteerd en geïsoleerd. Wel hadden Surinamers die werkten bij de olieraffina- derij op Curaçao inspiratie opgedaan bij Caribische activisten. Heldhaftige verha- len spraken tot de verbeelding, zoals die van de slaven van Haïti, die rond 1800 de Franse kolonisatoren van het eiland hadden verjaagd. Toen de arbeiders tijdens de economische crisis van 1929 huiswaarts keerden, namen ze deze verhalen mee. Maar in 1933 was er dus een aanwijsbare ‘agitator’, nota bene uit Nederland. Er is weinig reden aan te nemen dat De Kom een revolutie wilde ontketenen, maar helemaal niets doen was voor hem ook geen optie. In Wij slaven schreef hij: ‘In de stilte van de nacht klopt men aan de vensters. Dat zijn de rechercheurs die zeker willen zijn dat ik thuis ben. Het is alsof iemand plotseling aan mijn hart geklopt heeft: wat zul je doen om de ellende van je volk te verzachten?’
De Kom besloot lezingen te geven over de geschiedenis van Suriname, om de bevol- king te scholen. Maar hij stuitte direct op weerstand; als vermeende ‘communist’ kreeg hij geen toegang tot de zaaltjes. Hij verzon een list en richtte een ‘adviesbu- reau’ op om ‘te luisteren naar de klachten van mijn makkers’. Arbeiders van elke afkomst konden een voor een bij hem langskomen. Hij zou hun klachten aanho- ren, noteren, en documenteren.
Van Haaren observeert in zijn tekst hoe ‘een enorme opruierij reeds had plaatsgevon- den; de Creolen, die zeer laf zijn, bleven aanvankelijk op de achtergrond, maar de Javanen en de Brits-Indiërs [Hindoesta- nen] kwamen in duizendtallen van alle plantages, tot meer dan zestig kilometer van de stad gelegen naar de stad opdrin- gen; terwijl de Bosnegers en de Indianen vanuit de verste hoeken van het land in beweging werden gebracht.’
Het adviesbureau was in die eerste paar dagen een groot succes. Vooral de Javanen en Hindoestanen zagen in De Kom een messias die hen zou helpen terug te keren naar Nederlands- of Brits-Indië. Onder Javanen deed het verhaal de ronde dat hij magische krachten bezat, dat hij door deuren heen kon lopen, dat hij een legen- darische verbannen vorst uit de negen- tiende eeuw was. Van Haaren geloofde sommige van deze veelal groteske geruch- ten. Zo schrijft hij: ‘De Kom – een lichtge- kleurde neger – bleek naar allerwaar- schijnlijkheid een afstammeling van Gandhi te zijn – en van de fanatieke Oosterlingen kan men het ergste verwach- ten.’
Van Haaren zocht naar eigen zeggen naar een reden, eventueel een schijnreden, om De Kom te arresteren. Hij was ervan overtuigd dat deze ‘raddraaier’ een revolu- tie ging ontketenen, en hij vreesde zelfs voor zijn eigen leven. Op 31 januari kreeg hij een bericht ‘van iemand die terug- schrok van de ontzettende opzet en de ongelooflijk wrede manier waarop wij beslopen en uitgemoord zouden worden’.
Achter slot en grendel
Op 1 februari nam hij het zekere voor het onzekere. ‘Ongeveer tien minuten van zijn woning trok ons een stoet van duizenden Javanen, Creolen, Negers en Brits-Indiërs tegemoet, die zeer opgewonden waren. […] Overal was men bezig de winkels te plunderen, de markten te sluiten, te ontruimen, de kinderen van de school te halen, enz. enz. Het politiebureau werd afgezet, de mensenmassa met ongelooflij- ke kracht uit elkaar geslagen en “De Kom” zelf door een inspecteur met de nodige hulp op het bureau gesleurd, waar de kennismaking met mij niet lang duurde en hij achter slot en grendel werd gezet.’ De Kom beschreef dit moment zo: ‘Op het politiepaleis trad in zijn plaats na enkele ogenblikken, hoogrood van drift, de Procureur-Generaal binnen en beval zonder mij ook maar een ogenblik aan het woord te laten: “Arresteer die kerel!”’
Van Haaren liet De Koms woning doorzoe- ken en meende bewijsmateriaal te hebben om ‘dit heerschap voor de eerste maanden op te bergen’. De Kom zelf schreef later dat ze ‘niets anders vonden dan de breipatro- nen van mijn vrouw’. Omdat de toen aanwezige teksten van De Kom in beslag zijn genomen en nooit meer zijn gevonden is het in dit geval lastig een oordeel te vellen. Wie had gelijk? Volgens Van Haar- en en de gouverneur was er een plan voor een omverwerping van het gezag; volgens De Kom wilde hij enkel zijn volk bewust maken van de onrechtvaardigheden, al liet hij er geen twijfel over bestaan dat onafhankelijkheid het uiteindelijke doel was. Maar hij wilde ‘geen bloedbad’. Zo liet hij de bezoekers van zijn adviesbureau fouilleren om er zeker van te zijn dat ze geen wapens bij zich droegen.
Het lag voor de hand dat de situatie direct na de arrestatie van De Kom escaleerde. Zelfs vanuit de binnenlanden reisden
arbeiders naar Paramaribo om de vrijla- ting van De Kom te eisen. Van Haaren sloeg de schrik om het hart, en hij gaf in Paramaribo een ‘reuzen-neger van twee meter tien’ de opdracht het volk toe te spreken en tot bedaren te brengen: ‘Ik zag een ontzettende ramp aankomen, de mensenmassa was samengedrongen in de Oranjestraat, als in een muizenval, voorop en terzijde liepen kinderen en nieuwsgie- rigen en een geweersalvo zou een massa onschuldigen tot slachtoffers hebben gemaakt.’ Hij vreesde dat ze ‘onder de voet zouden worden gelopen als het volk doorzette en [dat] het Parket totaal ver- woest en uitgemoord zou worden’. Verschillende bronnen getuigen dat Van Haaren de massa ter plekke toezegde dat De Kom die dinsdag weer vrij zou komen, maar dat staat niet in zijn eigen verslag: ‘Het Bestuur liet zich niets eisen.’ Hoe het ook zij, de verwarring leidde op dinsdag 7 februari andermaal tot een volksopstand. De nacht ervoor kwamen berichten binnen dat de Javanen ‘zwaar gewapend waren en met geslepen dolken en houwers waren uitgerust’, en daarom nam Van Haaren zijn vrouw, kinderen, het kindermeisje en de keukenmeiden uit voorzorg mee naar het gouvernementsge- bouw. Hij is zich dan zeer bewust van de ernst van de situatie: ‘Zouden we ooit terugkeren in ons zalig woonhuis, in het stukje paradijs van dit wonderschone land?’
Doden en gewonden
Uit zijn berichtgeving blijkt dat de con- frontatie van 7 februari geen paniekvoet- bal was, maar tot in de puntjes was voor- bereid. Van Haaren had de infanterie gepositioneerd, er stonden drie brigades met mitrailleurs op autotrucks klaar, en bij elke ingang van het Parket stonden zes ‘tot aan de tanden gewapende’ politie- agenten. Over zijn voornemens was hij helder: hij zou ‘het bevel tot schieten en tot een groot bloedbad moeten geven’. Hij concludeerde: ‘Achteraf is mij nog veel meer ter ore gekomen en nu zie ik pas goed in, welk een ontzettend gevaar ons huishoudentje heeft bedreigd.’
Al vroeg op dinsdagmorgen drong de mensenmenigte samen bij het Parket van de procureur-generaal. Van Haaren liet tot driemaal toe de menigte sommeren uiteen te gaan en hij stuurde Javaanse tolken, omdat die ‘onnozele Javanen feitelijk niet weten waarom het gaat en die door de Creolen worden gebruikt als dekking’. ‘Niets helpt,’ schrijft hij, ‘het domme volk blijft doof.’ Na deze waarschuwingen restte Van Haaren geen alternatief: ‘Het is echter de hoogste tijd – een doodse stilte aan onze kant; een geloei en… voorwaarts klinkt het aan de andere kant […] Dan klinkt het eerste commando aan onze kant… Vuur!’
Bij het eerste en tweede salvo bleef de menigte nog aandringen, maar bij het derde salvo drong de ernst van de situatie door: ‘Langs de oude historische gebou- wen liggen tientallen gewonden, springt het bloed tegen de ruiten van Financiën op en kruipen de getroffenen in het klaver- gras van het plein… De mensen wijken terug, vallen, trappen, lopen over elkaar heen…’ Met vereende krachten ‘veegden’ de civiele en militaire machten vervolgens het plein ‘schoon’. Rond de dertig gewon- den bleven liggen, en twee doden – een Hindoestaanse en een Brits-Guyaanse arbeider. Een dag erna vond er een feest plaats, op kosten van het gouvernement. Politieagenten hielden, in de woorden van De Kom, een ‘vrolijke bierfuif’, op de goede afloop. De Kom bleef nog drie maanden vastzitten, zonder enig bewijs dat hij daadwerkelijk het gezag omver had willen werpen.
De gouverneur Bram Rutgers meende later dat de gevangenisstraf sowieso niet afdoende had gewerkt, en oordeelde dat het schieten op de mensenmenigte uitein- delijk toch een beter effect had gesorteerd. Ook Van Haaren was die mening toege- daan: ‘Voor de toekomst zal dit blijven werken, want het tuig heeft nu ondervon- den, dat ook de politie niet terugdeinst als het moet om op de massa te schieten.’ Toen De Koms vrouw en kinderen beslo- ten naar Nederland terug te keren werd hij op het laatste moment bij zijn gezin ge- voegd en werd hem min of meer in het geheim op 10 mei vaarwel gezegd. De gouverneur noteerde: ‘Door zijn vertrek naar Nederland zijn we een naar mijn mening voor deze samenleving gevaarlijk individu kwijt, dat in Nederland geen gevaar, althans niet in die mate, oplevert.’ De Kom zou Suriname niet meer terugzien. Terugkijkend op de onlusten in Paramaribo schreef Van Haaren: ‘Wij zijn zelf ontzettend dankbaar voor het verloop; alles bij elkaar genomen had het tenslotte niet gunstiger kunnen lopen; het moest tot een treffen komen, maar waar en hoe? Het zijn zware dagen en nachten geweest, maar geleden leed is gauw vergeten.’ «
Een laatste ontmoeting
De Nederlandse jurist Frans van Haaren werkte in totaal dertien jaar in Paramaribo, als hoofd van de politie, procu- reur-generaal en vervangend gouverneur. Na zijn terugkeer in 1935 werd hij burgemeester van Schiedam. Bij zijn benoeming vertelde hij de Schiedamse Courant over zijn herinnering aan Rode Dinsdag: ‘Dat was voor mij een moeilijke, zeer moeilijke tijd… Het was een ontzettend harde maatregel geweest, maar ook een heilzame, want alle verzet was opeens gebroken.’
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zouden Anton de Kom en Van Haaren elkaar nog één keer op straat treffen. Hoe dat gesprek verliep is onbekend, maar ze deel- den inmiddels een zorg: de bezetting. Van Haaren werd afgezet en later gegijzeld in het kamp Sint-Michielsgestel, waar veel andere Nederlandse politici verbleven. Hij schreef voor ondergrondse verzetskranten in Schiedam. In april 1945 overleed hij aan een hersenbloeding. De Kom was actief in het verzet. Hij werd gedeporteerd naar Sach- senhausen en overleed later in concentratiekamp Sand- bostel bij Bremervörde (Neuengamme) aan de gevolgen van tuberculose.
— Guido van Hengel is historicus. Dit artikel schreef hij in 2017.

